Tijdens de kerst heb ik, en met mij ook vele, wel eens last van een dipje. En dat probeer ik dan van mij af te schrijven.
Opbouwende kritiek is zeer welkom!
---------
Als ik naar haar kijk, zie ik zoveel dingen.
Ik zie intelligentie, maar meer onzekerheid. Ik zie blijdschap, maar ook verdriet. Ik voel een heleboel liefde, maar ook een hoop boosheid.
Als ik naar haar gezicht kijk, zijn haar ogen het eerste wat mij opvallen. Ze is niet mooi of knap, geen natuurlijke schoonheid, geen klassieke schoonheid, maar ze is ook niet afschuwelijk om te zien. Ze is mooi op haar manier. Vooral haar ogen, de diepe bruine kleur, die zoveel warmte uitstralen, dat ze mij jaloers maken. Een kleine glinstering, ze lacht zoveel met haar ogen, dat ze je verdriet laten smelten. Maar als ik heel goed kijk, zie ik ook iets anders. Een waas van verdriet, een waas van onbegrip, een waas van angst.
Ze verbergt het zo goed, maar toch kan ik het zien. Toch kan ik het voelen. Een fragment van pijn, gevuld met tranen. Ik kijk naar haar neus, naar volle lippen, maar haar mond staat niet vrolijk. Een flauwe glimlach, helemaal niet echt maar wel bevredigend. Haar gezicht draagt sporen van verdriet, dat ze nooit heeft verwerkt.
Haar hart is het mooist aan haar, zo vol van enthousiasme, blijdschap en liefde, zoveel warmte dat ze wil delen met ieder ander. Het klopt zo hard, maar het is zo versierd met littekens. Een voor elke keer, dat ze teleurgesteld werd, een voor elke keer, dat ze in de steek gelaten werd. Een voor elke keer, dat haar hart gebroken werd. Er staat een beschermende laag om heen, alsof ze zo de buitenstaander buiten houdt. Een verdediging van wantrouwen, een verdediging van angst.
Ik kijk naar haar, en zij kijkt naar mij. Ik zie de tranen in haar ooghoeken, ik zie de tranen op haar wangen, en ik proef het zout op mijn lippen. Als ik mijn hand naar haar gezicht breng, raak ik het koude glas aan.
Een trieste glimlach begroet me, en ik schud mijn hoofd. Zij is mij en ik ben haar, het meisje in de spiegel.