
Emmy is 13 jaar en doodziek. Ze weet dat ze waarschijnlijk zal sterven, al kan dat ook over een paar jaar zijn. Toch probeert ze wat van haar leven te maken, want het leven gaat immers gewoon door en dan kan je zielig gaan doen maar daarmee genees je niet.
In het ziekenhuis leert ze al gauw Fenneke kennen, die ook kanker heeft. Samen vechten ze zich overal door en uiteindelijk word het zelfs nog een beetje leuk in het ziekenhuis.
Een verhaal over ups en downs, het leven en doorgaan. Een verhaal dat op sommige stukken ontroerend is, maar waar ook veel grappige dingen in voorkomen. Maar vooral een verhaal over de dagen in het ziekenhuis uit de ogen van een meisje met leukemie.
Een verhaal over ups en downs, het leven
1. Mijn naam is Emmy
Daar zit ik dan: stilletjes te luisteren naar wat de dokter zegt, te horen krijgen dat ik misschien dood ga en de conclusie trekken dat ik kanker heb. Kanker... waarom worden mensen eigenlijk ziek? Ik snap het gewoon niet, ik ben net dertien geworden en kanker is iets voor volwassenen toch?
Stilletjes loop ik mee met de verpleegster naar mijn 'box'', zo heet een kamer hier officieel. "Hallo, ik ben Nuray Hoenmaker maar noem me maar gewoon Nuray hoor! Hoe heet jij?" De verpleegster - die zich heeft voorgesteld als Nuray - probeert me aan het praten te krijgen maar hoe kan je in hemels naam gezellig gaan kletsen als je weet dat je misschien dood gaat! Toch vind ik het erg onbeleefd om niet te antwoorden dus zeg ik stug "Ik ben Emmy van Hoeve en ik hoop dat ik morgen wakker word en dat alles een droom is"
Nuray glimlacht me vriendelijk toe. Ik zie aan haar gezicht dat ze me helemaal begrijpt maar dat het toch écht geen droom is, hoe graag ik dat ook zou willen. Bij het kamertje aangekomen doet ze de deur uitnodigend voor me open en ik loop de – nog saaie – ruimte binnen en bekijk het. Er staat een bed in en er hangt een kleine tv aan de muur, voor de rest is er niet veel te zien. Nuray groet en zegt dat ik altijd dingen kan vragen, dan loopt ze weg. . Zuchtend plof ik neer op het bed, ik trek het deken over me heen en binnen een kwartier slaap ik.
Slaperig draai ik me om, ik knipper even met me ogen om te wennen aan het licht. Waar ben ik? Dan besef ik dat ik in het ziekenhuis lig en gister te horen gekregen heb dat ik ziek ben. Ik heb twee keuzes: of ik blijf de hele dag in bed liggen en denk aan de negatieve dingen of ik maak gewoon iets van me leven. Ik kies voor het tweede, je kan namelijk wel zielig gaan doen maar beter word je daar niet van. Vrolijk kleed ik me aan en trek het gordijn open. “Hoi!” Ik schrik en draai me om. Een aardig uitziende vrouw kijkt me aan: “Schrik niet, ik ben Brechtje en ik ben een verpleegster hier. Jij bent Emmy toch?”
Ik knik langzaam aan, nog van de schrik aan het bekomen. “Ja, ik ben Emmy” mompel ik zachtjes. “Weet ik dat ook weer. Hoe voel je je?” vraagt Brechtje.
Ik begin me steeds meer op me gemak te voelen en denk even na. “Tja, ik voel me goed. Maar ik vraag me eigenlijk iets af. Ik zit op paardrijles, kan ik daar gewoon heen of moet ik daar mee stoppen?” zeg ik.. De verpleegster denkt even na, “Dat weet ik ook niet, moet je straks maar even aan de dokter vragen want die komt straks ook even kijken. Als je wilt, wil ik je wel even voorstellen aan de andere kinderen van de afdeling.” “Het zal wel moeten, want het is nou ook niet echt gezellig als je hier niemand kent” zeg ik en ik haal me schouders op. Ik loop samen met Brechtje naar de Recreatiezaal. Er zitten kinderen met elkaar spelletjes te spelen, te lezen en tv te kijken. De leeftijden variëren van jong tot oud, maar één ding hebben ze haast allemaal gemeen: ze hebben geen haar. Bij het zien van de kale hoofden gaan automatisch mijn handen naar mijn prachtige blonde bos met haren. “Brechtje? Word ik ook kaal?” vraag ik. “Nog niet, maar ook jij zal chemotherapie krijgen.. Ik zou eigenlijk wel je haar af laten scheren, want anders verlies je telkens plukjes en daar word je ook niet mooier op” antwoord ze op mijn vraag. Ik knik, ik vind het wel zonde maar het lijkt me ook niet fijn om elke ochtend een kussen vol plukken haar te hebben. Als we de zaal binnenlopen kijken de meeste kinderen op. “Hallo Brechtje!” roept een meisje vrolijk. “Hoi Fenneke,” zegt Brechtje, “Jongens, even luisteren! Dit is Emmy van Hoeve en ze is nieuw op de zaal. Ze heeft Acute Lymfatische leukemie en ik hoop dat jullie haar een beetje helpen om zich thuis te voelen maar dat zal wel lukken denk ik. Nou, ik vertrouw jullie met Emmy dus ik ga weer verder.”
De verpleegster loopt weg en daar sta ik, niet wetend wat te doen. Dan komt het meisje dat Brechtje net Fenneke noemde aanlopen. “He, ik ben Fenneke en ik ben twaalf jaar. Jij heet Emmy toch?” zegt ze. Ik knik: “Ja, ik heet Emmy. Ik ben trouwens net dertien. Zijn ze hier een beetje aardig?” Fenneke lacht, “Ja hoor, ze zijn hier heel aardig! De kinderen zijn aardig, de verpleegsters en dokters zijn aardig alleen het feit dat je hier met kanker ligt verpest het een beetje. Maar ik zeg het je: na een tijd went dat ook wel hoor, dan word het ziekenhuis gewoon je thuis” “Mww, dat betwijfel ik. Hoelang lig jij eigenlijk al hier als ik dat mag vragen?” Ik glimlach naar Fenneke in de hoop dat ze het geen rare vraag vind. “Je mag mij alles vragen, ik zal je wel wat dingen vertellen over mijzelf: Ik heb al een jaar dezelfde vorm leukemie als jou en de eerste weken dacht ik dat ik binnen een paar maanden dood zou zijn. Fout gedacht. Voordat ik ziek werd deed ik actief aan Canicross, maar dat is nu te vermoeiend” zegt Fenneke. “Canicross?” Ik kijk vreemd, “Wat is Canicross?” “Dat weten wel meer mensen niet hoor, Canicross is een lange afstandsloop samen met je hond. Ik heb namelijk een Mechelse herder genaamd Rory en daar doe ik ook wel Agility mee en ik leid hem op voor speurhond. Ik ben stapelgek op Rory maar actief sporten kan ik niet meer met hem.” Fenneke probeert het zo duidelijk mogen uit te leggen, nu snap ik het wel een beetje. “Aha, dat is Canicross dus. Nu wat over mij: Ik heb een verzorgpony waar ik op hoog niveau mee rijdt. Daar mee les ik twee keer in de week, voor de rest is er niet veel te vertellen over mij. Ik ben niet zo boeiend, weet je.”
Nu is het Fennekes beurt mij vreemd aan te kijken, “Nouja! Dat is toch hartstikke leuk, ik wil ook al jaren eens paardrijden en jij zegt dat je niet boeiend bent! Mag ik eens mee naar je verzorgpony? Ik hoef niet perse te rijden want dat kan ik niet maar ik vind alles met paarden leuk!”
Ik moet lachen om het meisje en zeg: “Tuurlijk, maar dan moet je me wel twee dingen beloven: Ten eerste neem je Rory mee, en ten tweede moet je mijn proefje voorlezen tijdens het oefenen voor de wedstrijd. Dat doe je gewoon letterlijk oplezen vanaf een stuk papier” Fenneke juicht uitbundig, dus ik denk wel dat ze het een goed plan vind. “Zullen we een spelletje doen?” vraagt Fenneke, ik knik instemmend. Samen lopen we naar een tafeltje en gaan daar zitten. Fenneke pakt een doosje spelkaarten en we spelen een potje. Halverwege het derde potje staat er een dokter in de deuropening. “Kom maar effies mee, Emmy” zegt hij. Ik sta op en zwaai naar Fenneke. Dan loop ik met de dokter door de gangen.
Bij een kamertje aangekomen doet hij de deur open, “Ga maar zitten” zegt hij uitnodigend. Wanneer ik zit schuift hij nog een stoel aan, daarop gaat hij zitten
“Ik ben Siebe Dijkstra, kijk niet zo bang joh. Ik doe je niks, ik wil enkel weten hoe je je voelt en dan mag je weer weg.” zegt de dokter
Ik draai met me ogen, “Jij ook al?” zucht ik. “Hu? Die begrijp ik niet” zegt dokter Dijkstra.
“Brechtje wou dat ook al weten . Maar als antwoord: ik voel me prima, zover dat kan dan. Je kan je eigenlijk niet prima voelen als je dood gaat!”
Dokter Dijkstra lijkt geschrokken te zijn van mijn uitval en gaat recht zitten: “Waarom heb je het over doodgaan? Kanker betekent echt niet altijd doodgaan hoor, Emmy.”
Eigenlijk weet ik helemaal niet waarom ik het over doodgaan heb, maar al de mensen die ik ken met kanker zijn doodgegaan daar aan. Het blijft even stil en dan zeg ik dat ik dat eigenlijk niet zo goed weet. “Het is niet erg, maar als je ergens mee zit mag je altijd bij me komen. Ik heb alleen niet altijd tijd”
Hij geeft me een bemoedigend klopje op mijn schouders, dan staat hij op en loopt weg. Ik volg hem en ga weer naar de recreatiezaal. Fenneke wist blijkbaar al wat er zou gezegd worden, want ze vraagt niks. Samen lopen we naar Fenneke haar box. Het is er een puinzooitje, in de hoek van haar kamer heeft ze een grote hondenmand staan en in de andere hoek een grote verzamelingen prijzen en hondenbeeldjes. In haar kast zie je grote blikken hondenvoer staan, ook staan er brokken en hondenkoekjes.
“Mijn hond komt hier wel eens op visite, dat mag van de verpleging als hij maar aan de lijn zit of in mijn kamer. Niemand hier is allergisch voor honden namelijk. Het mag natuurlijk niet altijd, en als het zo af en toe mag gaat die in de avond ook gewoon weer met mijn moeder naar huis.” Fenneke dient direct de informatie toe die je nodig hebt om te snappen waarom al die hondenspullen hier staan. Nu klinkt alles direct een stuk logischer.
Ik werp een blik op de klok en merk dat het al laat is. “Ik ga maar is naar bed” zeg ik. Ik zwaai nog even naar Fenneke en dan loop ik naar mijn eigen box. Daar ga ik op mijn bed liggen. Vlak voordat ik slapen ga bedenk ik me dat ik nog moet vragen of ik met paardrijden door kan gaan, maar dat kan morgen ook.
Ik gaap en dommel lekker in. Dan val ik in slaap.