Hoofdstuk 1.
Ik heb honger, mijn maag rammelt. "Mama, mama! Gaan we naar papa toe?" gilt een van mijn kleintjes bang. Hun vader, en mijn man bevind zich in de hemel. Door hem hadden wij een goed thuis, maar toen hij ziek werd en dood ging had ik geen nut meer. Ik moest eenmaal gedekt worden door die kater en dat was ik niet. Tenminste... dat dachten ze.
Het leven is gewoon niet eerlijk! Een traan ontsnapt uit mijn ooghoek, ik haal luidruchtig mijn neus op. "Antwoord, mama! Ik wil niet dood, echt niet." zegt de kitten opnieuw. Ik kan geen antwoord geven, ik kan hem niet zeggen dat er veel kans is op de dood. Uiteindelijk zeg ik uit pure wanhoop: "Nee, we gaan niet naar papa. We komen er wel doorheen." Het nestje kittens gaat gerustgesteld liggen. Ik kijk wat in het rond, op zoek naar eten. Mijn blik valt op een vuilnisbak. "Blijf hier!" roep ik, dan sprint ik weg. Hoopvol begin ik in het grofvuil te graven. Ik ruik iets, iets vertrouwds.. Nogmaals haal ik mijn poot door de grote bak heen. "Kijk eens wat ik heb!" hoor ik opeens een stem, een klein kopje steekt boven het vuil uit. "Rascal! Ik had toch gezegd dat je bij de andere moest blijven. En wat doe jij? laat me eens raden.." val ik woedend tegen het katertje uit, die angstig achteruit deinst. Wanneer ik zijn blik zie krijg ik een schuldgevoel. "Sorry, kereltje. Mama is een beetje chagrijnig, want ze vind maar geen eten. Maar laat eens zien wat je hebt."
"Kijk!" Trots laat Rascal een papieren zakje zien. Dankbaar neem ik het zakje in mijn mond. Samen met Rascal loop ik terug naar de andere."Heb je wat te eten?" vraagt één van de kittens brutaal. Ik knik. "Ja, mama heeft eten. Ik ga dat nu verdelen. Daarna gaan jullie slapen, want morgen is het weer een drukke dag."
Eerlijk verdeel ik de inhoud van het zakje over ons viertjes. Huiskatten zouden hier echt lang over doen, maar wij hebben het heel snel op. Jammer, want honger hebben we nog steeds. Dat laat de brutaalste al gauw weten: "Heb je niet meer? ik heb heel erg honger hoor!" zegt hij verontwaardigd. Ik mompel dat ik niet meer heb, maar dat we morgen naar de vuilnisbelt gaan. Opeens herinner ik me wat ik had gezegd, "Hup, naar bed." zeg ik, Rascal staat als eerste op en gaat in de oude caravan liggen. De andere volgen zijn voorbeeld. Kleine, brutale Rosso draait zich nog even om. "We gaan niet dood, mam. Ik weet het zeker" zegt hij met een trillend stemmetje. Ik glimlach naar hem, "Nee, we gaan niet dood." Rosso knijpt zijn oogjes even dicht. "Ik hou van jou, mam." "Ik hou ook van jou, en nu lekker gaan slapen!" zeg ik na een paar seconden stilte.
Rosso loopt de caravan in en ploft neer bij zijn broertjes. Wanneer hij weg is denk ik na.
Kan ik mijn woorden wel waarmaken? Ik weet niet veel over mensen, maar wel dat ze katten van de straat halen.
Dat betekent dus dat we ooit gescheiden worden, hoe erg het ook is. Ik zucht diep, ik wil mijn kittens niet kwijt.
Na een tijdje zitten piekeren hou ik er mee op en ga ik de caravan in. De kittens liggen al te slapen dus ga ik heel voorzichtig bij ze liggen. Al snel vallen ook mijn ogen dicht.
Hoofdstuk 2.
"Mam, word wakker." gilt Diego - de jongste en rustigste van het stel - hard in mijn oren. is het nu al ochtend? Met moeite krijg ik mijn ogen open. Buiten schemert het, dus ik gok dat het rond half zeven is. Ik krabbel omhoog en geef Diego een lik. "Waar zijn Rascal en Rosso?" vraag ik aan Diego. "Daar zijn ze." zegt hij en stormt op de twee vechtende katten af. "Jongens, doe eens rustig aan! We moeten naar de vuilnisbelt." Ik ren achter Diego aan en geef beide katten een tik. Rosso springt jammerend achteruit.
"Waar was dat goed voor?" zeg ik kwaad. Rascal zijn lipje trilt als hij praat, "Nou.. Rosso was heel gemeen. Ik had een kippenbot gevonden en hij wou hem stelen."
Ik heb zin om eens goed boos te worden, maar ik word het niet. "Maar Rascal, je moet eten wel delen. Rosso had het netjes moeten vragen, maar wij hebben ook honger" zeg ik met een zucht. Rascal knikt. We lopen samen naar het bot toe. Wanneer de heerlijke geur mijn neus binnendringt moet ik mezelf in bedwang houden. Samen kauwen we op het grote bot. Het ruikt niet alleen lekker, het smaakt ook heerlijk! Al gauw is het bot zo erg afgekluifd, dat de splinters eraan zitten. Om wondjes te voorkomen zeg ik dat het genoeg is geweest. Mijn kindjes kruipen met een vol buikje weg.
Nu we toch al zo goed hadden gegeten, hoeven we ook niet naar de vuilnisbelt. Vandaag niet in ieder geval: morgen, of overmorgen. Wanneer ik de achterblijver, Rascal, achter aanren voel ik een vreselijke pijn door me nek gaan. Tandjes drukken in mijn vlees. Was het een boze kater, een mes of een ander dier? Ik gil en smeek om hulp. Het beest zet me neer, angstig kruip ik naar achter. Ik zie het monster dat mij aangevallen heeft: een Galgo, van horen zeggen weet ik dat deze honden het niet makkelijk hebben in het leven. Wat voor afschuwelijks met ze gebeurd, weet ik dan weer niet. Dit zal vast een ontsnapt Reutje zijn geweest. "Wa-wat wil je van me?" stotter ik, de Galgo kijkt me aan en loopt dan rustig naar me toe: "Niks, ik ben een zwerfhond. Weet je wat dat is?" Ik hoor nu niet de gewelddadige reus, maar een zielig hoopje ellende. Zacht schud ik mijn hoofd op en neer, "Ik ben er zelf ook één, een zwervertje dan. Moet een nest kittens groot brengen, dat gaat nog wel eens lastig." Ik kijk de Galgo aan, "Ik heet trouwens Leila, en jij?"
Hij kijkt me aarzelend aan, maar dan vertelt hij de waarheid. "Ik heb geen naam, nog nooit heeft iemand me een naam gegeven" mompelt hij. "Ik zal je er een geven, wat dacht je van Balisto?" zeg ik na een stilte. "Dat is een mooie naam, dankjewel.. eeuhm, Leila toch?" zegt Balisto. Ik voel me een uk naast hem, weer valt er een stilte maar nu verbreekt Balisto hem. "Mag ik je nestje zien?" vraagt die vrolijk. Ik knik, tuurlijk mag dat! Stiekem ben ik heel erg blij met mijn grote vriend. Hij voelt hetzelfde als mij, en dat is prettig.
Met mijn staart hoog in de lucht dribbel ik naar de caravan. Ik duw met mijn hoofd tegen de deur die direct opengaat. Moeizaam klim ik op de bank, daar in tegen springt Balisto in één grote boog op de zachte kussens van de bank. Diego, Rascal en Rosso liggen dicht op elkaar te slapen. Even aarzel ik of ik ze zal laten liggen, maar dan schud ik ze wakker. Langzaam openen ze hun oogjes, Rascal slaakt een kreet. "Mama, wie is dat?" schreeuwt de rode kater angstig. Geruststellend begin ik het diertje te likken. "Dat is Balisto, onze nieuwe vriend." brabbel ik tegen mijn kindjes, dan draai ik me om naar Balisto: "Die grote rode is Rascal, die andere rode is Rosso en die kleine is Diego." Balisto luistert al niet meer, want er hangen twee katers aan zijn nek en ééntje zit op zijn brede rug in het lange haar te tappen. Ik glimlach, wat ben ik blij dat ze het zo goed kunnen vinden! "Mama gaat vogeltjes vangen, Balisto past wel op jullie!" Ik zet me af en spring de caravan uit.
Hoofdstuk 3.
Ik loop nu al een uur rond, in mijn gedachten hoor ik Diego krijsen om eten. Snel schud ik die gedachtes van me af. Oplettend kijk ik om me heen, ongeveer vier meter van me vandaan zit een vink. Met een boog beland ik op het dier, ik haak mijn nageltjes in het vogeltje vast en bijt in de nek. Al snel ligt het vogeltje heel stil onder me. Voor de zekerheid voel ik of die wel echt dood is, dan sleur ik hem naar de caravan. “Ik heb lekkers!” roep ik luid. Al gauw komt Balisto naar buiten dribbelen, met daarachter drie donzige bolletjes. Direct vallen Diego en Rascal aan. Rosso kijkt vragend naar mij, wanneer ik knik stormt ook hij op het vogeltje af. Balisto loopt hongerig en teleurgesteld de caravan weer in. “Wacht eens! Ik heb een hele klomp vlees in de prullenbak gevonden.” schreeuw ik hem achterna, de hond draait zich om. Met grote, ruime passen rent die naar me toe. Samen beginnen we aan het vlees te trekken. Het is niet het lekkerste vlees, maar het is beter dan niets. Om Balisto zijn mond trekt een glimlach. “Dankje” Hij schud even de vliegen weg, “Nu heb jij eens vrij, ik ga wel wat lekkers voor morgen zoeken.”
Wanneer ik er iets van wil zeggen, is Balisto al weg. Ik moest me niet zo’n zorgen maken, die hond weet zichzelf vast wel te redden.