Citaat:Sinds ik ben begonnen en de stap had gezet om mijn eerste verhaal 'Don't be afraid' te schrijven en hier te delen op bokt, vlogen de ideeen spontaan in mij naar boven! Ook dit verhaal wilde ik graag met jullie delen en ik denk dat de meesten zich (jammer genoeg) goed in mijn nieuwe HP 'Caroline' zullen herkennen. Ik bedoel, welk meisje kan met de volle 100% zeggen dat ze tevreden is over zichzelf en gelukkig is met hoe ze er uit ziet? Of welk meisje kan mij vertellen dat ze nog nooit is geplaagd of misschien wel is gepest? Juist, bijna niemand. Elk meisje heeft wel iets op zichzelf aan te merken of is zo erg gepest dat sommige meiden hier zo veel last van hebben dat dit problemen gaat veroorzaken in het dagelijks leven. Ik wilde graag over deze onderwerpen schrijven, juist omdat het zo veel voorkomt.
ben benieuwd wat jullie er van gaan vinden! Feedback is natuurlijk meer dan welkom!

Hoofdpersonen: Caroline & Damon.
~ Proloog ~
Ik was bijna dood, is me achteraf verteld. Een paar kilo minder, een paar dagen langer doorgaan met waar ik mee bezig was, zou mij fataal zijn geworden. Niemand die tot mij door leek te dringen. Niemand die mij kon laten inzien wat ik mijzelf én de mensen die om mij gaven aandeed, totdat ik door pure liefde besefte waar ik mee bezig was. Als Damon er niet was geweest, leefde ik nu niet meer en was ik nu dood geweest. Hij heeft mij gered van de ondergang en daar zal ik hem altijd dankbaar voor zijn. Hij heeft mij weer leren inzien wat leven is, hoe je moet genieten van alles wat je tegemoet komt lopen. Hij heeft mij geholpen om mijn leven weer terug te krijgen. Ik was niets meer. Ik was een gratenpakheus die enkel nog kon ademen, die nog maar enkele kernmerken van leven vertoonde. Hoe het zo ver heeft kunnen komen? Tja, waar zal ik beginnen?
Hoe deze lelijkheid mij verbruikt,
mij verhindert,
van wie ik wil zijn.
Hoe het de betrekking op mij heeft
en het niet af te nemen valt,
het klampt zich diep in mij vast
en ik kan er niet tegen vechten.
Het treft me
en hoe ik eruit zie,
vernietigt mijn eigen wil
en de kracht om te beseffen wie ik echt ben.
Met veel moeite deed ik de voordeur zachtjes achter mij dicht, maar dit keer voorgoed. Ik zou dit huis nooit meer binnen treden en dit idee maakte mij misselijk. In de verte zag ik mijn vader al aan komen rijden, met zijn auto om mij op te komen halen. Vanaf nu woonde ik hier niet meer, vanaf heden was dit niet meer mijn thuis. Het voelde wreed, alsof ik mijn moeder nu voor altijd in de steek liet. Dat was niet zo, maar toch voelde ik mij schuldig. Mijn ouders waren al meer dan elf jaar gescheiden en ik wist niet beter dan dat ze slecht met elkaar op konden schieten. Ik was eigenlijk altijd bij mijn moeder gebleven, vooral nadat mijn vader aan de andere kant van het land ging wonen, maar nu kon ik niet anders dan met hem mee gaan. Ik keek mijn vader moedeloos in de ogen toen hij uit de wagen stapte en mij wilde omhelzen. Gebroken was ik, mijn hele gedachtegang was één grote puinzooi geworden sinds mijn moeder spontaan was overleden. Ik wist niet meer wat ik moest doen of hoe ik moest denken, alles was vanbinnen compleet verstoord geraakt door verdriet, pijn en stress.
“Fijn om je weer te zien Caroline,’’ zei hij met een vriendelijke glimlach terwijl hij mij over mijn bol aaide, alsof ik nog een klein kind was, dat net op de grond was gevallen en om troost zocht. Ik kon me er niet aan ergeren, ik was veel te moe door al die emoties van de afgelopen dagen. Ik zei niets terug, het enige wat ik uit mijn lichaam kon persen waren tranen, tranen van verlies. Ik stapte verstrooid in de auto en deed nog een laatste blik naar het huis wat kort geleden nog het huis van mij en mijn moeder was. Waar ik ooit gelukkig was, mij geen zorgen hoefde te maken voor een eventueel afscheid. Ik hoorde de wagen starten en ik dacht onmiddellijk terug aan de mooie tijden die ik hier in dit kleine dorpje had beleefd. Hoe meer ik mijn best deed om ze te herinneren, hoe onzekerder ik werd. Had ik het hier eigenlijk wel fijn gehad? Waren er überhaupt wel mooie herinneringen om aan terug te denken? Een schreeuw van paniek kwam bij mij naar boven toen ik mijn mobiel hoorde over gaan. Gespannen haalde ik het toestel uit mijn broekzak, om te kijken wie het was. Gelukkig, het was Marene die mij een sms’je had verstuurd. Sinds het tragische telefoontje die ik kreeg toen mijn moeder net was overleden, had ik het gerinkel van mijn mobieltje gekoppeld aan iets vreselijks. Het leek wel een soort trauma die ik er aan had overgehouden. Snel keek ik naar wat Marene, een meisje die bij mij in de klas zat en waarmee ik het nooit echt goed kon vinden, te zeggen had.
‘Hee sloerie! Ben blij dat je eindelijk bent opgerot uit ons dorp, misselijke vreetzak! We zullen je echt niet missen hoor, als je dat soms denkt!’
Geschokt keek ik naar het stukje tekst wat op mijn mobiel te lezen was. Ik las het opnieuw en opnieuw, maar de woorden die op mijn schermpje stonden veranderden niet. Ik had het goed gelezen, het stond er echt. Nog eens hoorde ik het geluid van een sms-deuntje door de auto klinken, die helaas weer van mijn mobiel afkomstig was. Dit keer was het Anouk die mij had ge-sms’t. Ook zij had bij mij in de klas gezeten en wij konden het altijd wel redelijk met elkaar vinden. Nerveus opende ik het berichtje, om te zien wat er in stond. Zij zou vast wel iets aardigs getypt hebben, toch?
‘Al een nieuw iemand gevonden die je kan vervelen? Hoorde net van Marene dat je nu voorgoed opgehoepeld was! Zwijn-stad ging je heen toch? Misschien dat je daar wat soortgenoten van jouw omvang kan vinden. Zal je vast goed doen! Een DIKKE middelvinger van je BFF Anouk en natuurlijk Marene’
Verslagen staarde ik voor mij uit, ik voelde een brok in mijn keel opkomen toen ik besefte dat eigenlijk niemand mij hier leuk vond. Niemand hier, die mij ooit had gemogen. Hoezo, leuke herinneringen aan dit dorp? Die had ik niet. Het deed pijn, immens veel pijn om terug te moeten denken aan het verleden, mijn jeugd die nooit prefect was geweest. Mijn hele leven bestond uit gepest worden, haat en angsten. Iedere keer weer bang om gepakt te worden, uitgescholden te worden alsof het niets was. Alsof ik niets was en geen emoties of innerlijke pijn kende. Niemand die er wat aan deed, niemand die zag hoe erg ik er aan onderdoor ging. Hoe veel pijn het mij deed, zelfs mijn moeder niet. Ik zag het allemaal weer voor me, hoe ik in een hoekje werd gedreven en werd geslagen. Die vreselijke woorden die naar mij werden toegeslingerd. Ik wilde die momenten altijd zo gauw mogelijk vergeten, er niet meer aan terug denken en het zo ver mogelijk wegstoppen in mijn geheugen, maar toch kwam er ongewild een basisschool herinnering bij mij naar boven gedreven.
“Caroline is een zwijn, Caroline is een zwijn,” hoorde ik allemaal kinderen om mij heen schreeuwen. Ik voelde hoe mijn ogen begonnen te prikkelen. Ik wilde dit niet, ik wilde niet dat ze dit tegen mij zeiden. Het moest ophouden, ik wilde dat ze stopten en mij met rust lieten, maar dat gebeurde niet. Ik was hét perfecte slachtoffer, dik en onzeker.
“Niet waar,” mompelde ik zacht, bijna onverstaanbaar, maar ik wist dat dit toch geen zin had. Marene lachte hard, zo hard dat ik er oorsuizen van kreeg. Overal waar ik keek stonden kinderen om mij heen mij uit te lachen. Door pure angst zette ik een stap achteruit, de kring om mij heen werd steeds kleiner en ik voelde mij opgesloten. Ik voelde hoe de kinderen om mij heen aan mijn haren zaten, aan mijn armen trokken en mij uitscholden. Ik haalde diep adem voor wat ik wilde zeggen.
“Ophouden, of anders…” meer woorden kwamen er niet uit mijn keel. Ik wist niet wat ik moest zeggen, bang dat ik de verkeerde woorden ging gebruiken. Bang voor Marene, die niet voor mij zou terug deinzen.
"Of anders wát?" spotte Marene, terwijl ze dreigend voor mij ging staan en haar vuisten balde. Paniek overwon mijn lichaam, ik durfde niets meer te zeggen. Verslagen keek naar het gemene meisje die voor mij stond mij uit te dagen. Ik slikte. Slikte opnieuw, maar de brok in mijn keel wilde maar niet weg. Mijn hoofd barstte bijna uit elkaar van de ingehouden tranen, maar ik huilde niet. Ik kon het niet, Niet tegenover al die kinderen, niet voor de hele klas.
“Ga je het tegen de juf zeggen?” weer hoorde ik kinderen mij uitlachen. “Of gaan je vrienden je helpen? Oh nee, sorry, die heb je niet.”
Ik brak. Niemand die het voor mij opnam, niemand die Marene tegen durfde te spreken. Helemaal niemand. Zelfs Anouk niet. Ik stond er helemaal zelf voor. Het deed pijn, heel veel pijn in mijn hart, omdat ik wist dat Marene nog gelijk had ook. Ik had geen vrienden. Ik was geen leuke vriendin, anders wilde Anouk mij wel helpen. Mij steunen en het voor mij opnemen, maar dit deed ze niet. In plaats van dat stond ze achter in de groep keihard mee te lachen. Mee te genieten van mijn pijn, die vreselijke pijn van mijn binnenste wonden die nooit meer weg zouden gaan.
"En die vrienden zal je ook nooit krijgen, zwijn dat je er bent. Iedereen weet dat je niet leuk bent. Dat je dit allemaal aan jezelf te danken hebt. Je bent gewoon helemaal niets," siste Marene in mijn oor.
Het was waar, ik had dit ook aan mijzelf te danken. Ik was gewoon geen leuk kind, dat vond iedereen. Als iedereen dat vond, dan zou het wel zo zijn, dan zouden ze wel gelijk hebben.
De schoolbel ging en iedereen rende naar binnen. Alleen ik bleef versteend staan. Alleen op dat hele grote schoolplein, vol met lachende en spelende kinderen. Huilend om wat er was gebeurt, snikkend om wie ik was.




dankjewel weer Umaydream!
