“Maar mama, ik wil helemaal niet weg bij jou!” roep ik geschrokken uit. Mijn mama Aurea strijkt haar hoofdje langs de mijne, ze mompelt iets: “Ik ook niet bij jou, lieverd. Sommige dingen gebeuren, of je het nou wil of niet.” Ik kijk haar met angstige oogjes aan, dan laat ik het bij wat het is en spurt ik de wei weer in. De wind glijd door mijn mooie, gouden manen. Bij Boy, mijn grote broer, maak ik een noodstop. Zand spat op en komt in Boy zijn manen. “Wat doe je nou weer, Cilia!” briest hij boos. Ik blijf rustig staan en zeg dan: “Ik wil dat jij mij een verhaaltje vertelt.” Boy kijkt me met een blik aan van ‘nou, goed dan.’ Wanneer hij begint te vertellen, ben ik direct stil. “Haast een jaar geleden werd er een veulentje geboren, het was een mooie, bruine pony met blonde manen. De baas deed het weilandhek open en keek naar het veulentje, hierdoor kwam hij erachter dat het een merrietje was! Het beestje leek erg op haar mama, maar de boer kon haar natuurlijk niet Aurea II noemen. Dit kon niet, omdat er een traditie op de boerderij was dat het veulens naam zou beginnen met de letter die na de merrie haar beginletter kwam. Dus als een merrie Calli heette, dan moest het eerste veulen dat ze kreeg met een D beginnen en het veulen daarna met een E. Aurea had al een veulen gehad, dat hengstje heette Boy. Nu moest de naam dus beginnen met een C. Misschien Ciara? Nee, dat was niet zo’n passende naam.. Conquestador dan? Te lang. De boer dacht nog even na, Cartouche? Candy? Carlijn? Toen schoot hem een naam te binnen, ‘Calibrero’s Cilia van de Cloudy ranch’ mompelde hij voor zich uit. Het merrietje hief direct haar hoofd op... ‘Ja, dat is jou naam. Zorg je goed voor je veulentje, Aurea? Nou, dan ga ik maar weer.’ Hij liep met stevige passen weg. Snel kwam Boy tevoorschijn, ‘Mag ik haar zien, mama?’ schreeuwde de hengst haast smekend. Aurea glimlacht, knikt dan en wijst met haar hoofd naar een plekje naast Cilia in het hooi.” “Maar, waarom heet ik dan Calibrero’s Cilia van de Cloudy ranch? Ik snap het niet, ik heet gewoon Cilia!” gil ik door het verhaal heen, Boy kan goed vertellen, maar vaak snap ik dingen niet en dan raakt Boy weer geïrriteerd. Ach, we zijn gewoon broer en zus. Tot mijn verbazing blijft Boy rustig: “Ik zal bij het begin beginnen. Calibrero is jou vader, hij was een wit paard met een roze neusje” “Dat kan helemaal niet, Boy! Een schimmel kan geen roze neusje hebben, dat heb je me zelf vertelt!” Ik kijk hem eigenwijs aan, hij grinnikt. “Daar heb je helemaal gelijk in, dame. Maar dat heet dus een cremello. Calibrero is helaas al verkocht, net zoals wij zullen worden verkocht. Dan Cilia, tja… dat is denk ik wel logisch, want dat is gewoon jou roepnaam. De Cloudy ranch is onze stalnaam. Cloudy was de eerste hengst van deze stal. Het was een paard net zoals jou en mama, een palomino heet dat. Cloudy is de vader van Aurea, dus hij was al heel oud!” vertelt Boy. “Was? Leeft die dan niet meer?” zeg ik. Boy schud zijn hoofd ter teken dat hij niet meer leeft. Ik kijk hem met een schuin hoofdje aan en roep dan: “Dag Boy, dankjewel voor het verhaal!”
Ik druk mijn hoofdje in mama’s warme vachtje. Al snel val ik in slaap. Ik droom over de woorden die vanochtend zijn gezegd. Mama heeft vertelt dat wij deze week nog zullen worden verkocht, dat kan morgen zijn, maar ook later. Mama vertelde ook dat wij samen met een paar andere pony’s op de trailer gingen en dat we als het goed is de hele tijd samen zullen blijven. Ik huilde, Boy hield zich flink. Ook droom ik over Cloudy, hij dwaalt als geest rond over de boerderij. Bang duik ik in elkaar, ik voel een ijskoude hand op mijn flank. Met een schelle hinnik schiet ik wakker. Slaperig kijk ik in het gezicht van twee mannen. Ik geef een gil: “Mama!” Aurea schrikt wakker, staat op en sleurt mij omhoog. Ze zegt dat het tijd is, maar dat zij blijft wachten tot dat de vrachtwagen verdwenen is. Ik luister en loop achter mijn mama aan naar buiten.
“He, rustig maar meisje, doe eens normaal! We doen je niks hoor.” Ik bijt naar de mannen die me een halster om proberen te doen. Aurea briest me geruststellend toe, maar ik wil helemaal niet weg! Dwars blijf ik door bokken. Boy staat al in de paardenvrachtwagen en drie andere pony’s ook. Ik word moe en minder langzaam aan met bijten en schoppen. Dan laat ik ze mijn halster omdoen. Ik word in het schot tussen Boy en een grote jaarling gezet. Nieuwsgierig wend ik mijn hoofd naar rechts. “Wie ben jij?” zeg ik en gooi mijn hoofd omhoog om op gelijke hoogte te komen. “Ik ben Pucki, maar noem me Puck. Mijn mama is dood, daarom word ik verkocht. Dat is niet leuk he? Mijn mama heette Cassy, maar mijn papa leeft nog wel. Papa heet Rody, maar hij heeft het druk met zijn andere veulentjes. Wat ben jij mooi! De boer zegt dat ik lelijk ben, maar dat weet ik niet hoor. Wat vind jij?” brabbelt het dier vrolijk. Ik voel me op me gemak bij haar. Ik bekijk het bruine lijf met grote witte vlekken erop, ik bekijk het strokleurige deken en het roze halster om haar hoofd. Ik vind veel van haar, maar zeker niet lelijk. “Je bent niet lelijk, je bent hartstikke knap!” zeg ik dan, eigenlijk heb ik geen idee wat knap betekent, maar ik heb de boer eens horen zeggen dat Boy knap was. Boy is mooi, dus dat zal knap wel betekenen. Puck werpt me een trotse blik. Het is al iets minder erg dat ik Aurea nu kwijt ben, naja.. eigenlijk even erg, maar het voelt minder erg. Ik kijk over Puck heen, daar staat een reusachtig paard. Hij ziet er hetzelfde uit als Puck, maar dan een stuk groter. Hij kijkt een beetje nors uit zijn ogen, dus ik durf niet te vragen hoe die heet. Puck ziet dat ik naar hem kijk, “Dat is mijn vader, hij heet dus Rody. Misschien lijkt hij boos, maar dat is hij niet hoor! Hij is heel lief, toch pappie?” Rody kijkt vriendelijk naar Puck en knikt. Ergens voel ik jaloezie bloeien, zij heeft haar vader nog! Mijn mama is te goed om te verkopen. De auto begint te hobbelen en ik probeer mijn evenwicht te bewaren. Ik begin aan het hooi te knabbelen. De uren in de vrachtwagen trekken langzaam voorbij, ik krijg spierpijn. Wanneer ik me in een makkelijkere houding wil wringen gaat de klep open, de mannen waar ik zo hard tegen heb gevochten staan er nu weer. Ik begin zenuwachtig op mijn plek te dribbelen. Langzaam aan worden de paarden uitgeladen, ik tel wanneer ik ben: nog vier paarden, nog drie, twee, één. Ik ben bang, want ik weet niet waar ik heen word gebracht. De stappen die de grote schoenen maken weerkaatsen luid door de wagen. Ik voel dat ze het halster bij mij omdoen, dit keer laat ik het toe. Dan word ik uitgeladen. Rustig kijk ik om me heen, het is een groot gebied waar ik naar kijk. Er zijn twee weilanden en een grote schuur. Ik krijg in de gaten dat Puck en Boy niet meer naast me staan “Puck? Boy?” roep ik, er komt geen antwoord. Schreeuwend om Puck en Boy word ik naar de schuur geleid, daar word ik een ruime box gezet. Schichtig kijk ik om me heen. Een zwart paard steekt zijn hoofd door de tralies van de box heen. “Ik ben Auke, ik ben een fries en jij?” zegt het dier. “Ik ben Cilia, en mijn officiële naam is,” zeg ik nadenkend over mijn echte naam, dan schiet me te binnen wat Boy zei, “Mijn officiële naam is Calibrero’s Cilia van de Cloudy ranch en ik ben een Arabische kruising, zegt mijn mama.” Auke kijkt me verbaasd aan, dan zegt hij: “Een Arabier! Die zijn heel veel geld waard, toch? Ik verbaas me trouwens over het weinig aantal paarden dat er nieuw is.” Nu kijk ik hem verbaasd aan, dat waren toch geen weinig paarden? Dus mompel ik zacht dat dat er helemaal niet weinig zijn. “Er zijn er al heel veel afgezet, dat gebeurde bij mij ook. Alleen vallen veel paarden in slaap tijdens de rit, ook al merk je dat niet. Ik zag dat er nog een paard zoals jij aankwam, twee paarden met behang, dat zijn haren aan de voeten, en nog wat pony’s.” zegt hij vriendelijk. Bij het stuk waar hij zegt dat er een paard zoals mij is aangekomen sper ik mijn ogen wijd open. “Boy! Ben je hier?” Hinnik ik.. Boy steekt zijn hoofd zo ver over het schot, dat ik het wel moet zien. Hij staat schuin tegenover mij, dus niet zo ver van me vandaan. Een vrouw loopt langs de boxen, ze blijft bij elk nieuw paard staan. Wanneer ze bij Boy staat mompelt ze iets, ik versta het niet. “Ze zegt dat ik een mooie hengst ben, en dat ik met haar mee mag!” vertelt Boy. Ik ben zo blij voor mijn broer dat hij weg mag van deze vreselijke stal, dat ik niet merk dat de vrouw nu voor mij staat. Ze kijkt naar mijn gebit, inspecteert mijn lijfje en kijkt of ik wondjes heb. Dan zegt ze ook iets over mij, maar nu luid en duidelijk: “Mooi gebit, keurige verzorging. Jij mag ook mee” Ze loopt verder en stopt bij de box naast mij, ze leest het naambordje waar ‘Pucki’ met krijt op is geschreven en spreekt het uit. Ik spits mijn oren, Pucki zei ze. Dan staat Puck naast me! Opgewonden begin ik te briesen, maar Puck heeft enkel aandacht voor de vrouw. Ik hoor een verdrietige hinnik terug, “Wat is er, Puck?” zeg ik, in de hoop dat ze me hoort. “B- ben jij dat, Cilia? Ik... nee, die vrouw zegt dat ik een te dikke vacht heb die klit en teveel vlekken. Ze vind dat ik niks voor haar ben, maar dan blijf ik niet bij jou!” snikt Puck zacht. Onverstaanbaar mompel ik dat ik ervoor zorg dat ze met mij mee mag, ook al heb ik geen idee hoe. Piekerend over Puck dommel ik in slaap, wachtend op de volgende dag.
Anoniem
Geplaatst: 08-05-12 16:12
Ik heb dus geen geduld XD Vind niemand er iets van?