Zoals in de titel al vermeld staat is dit een verhaal. Ik heb me laten overhalen door mijn huisgenootje - ook een bokker - om mijn verhaal dan ook maar te gaan posten. Ik ga hier geen grote uitleg geven over waar het over gaat, maar ik zal wel even vermelden wat de richtlijn is. Het is een realistisch verhaal, in 'onze' tijd, en er komen vrij veel paarden in voor.
Ik zal minimaal één keer in de week een nieuw stuk posten, van minimaal 1500 woorden, zodat jullie elke week weer een stuk verder kunnen lezen. Daarbij hoor ik het ook heel graag als er foutjes in staan, of als dingen bijvoorbeeld niet helemaal kloppen. Soms ben ik zelf absoluut niet tevreden over een scene of een moment, dus dat zal ik er dan ook misschien wel bij vermelden. Als je dan nog ideeën of toevoegingen hebt, ga je gang!
Veel leesplezier.
Citaat:Deel 1.
Proloog
Over een paar tellen ben ik aan de beurt, met mijn hengst Al Zhaden Kasham. Het is bijna tijd voor deze belangrijke overwinning, die ik moet behalen. ‘Geen druk,’ had mijn moeder gezegd. ‘Je hebt niemand iets beloofd.’ Maar ik weet wel beter.
Ik mag het dan wel niet rechtstreeks gezworen hebben, maar het voelt nog altijd aan als een belofte. Want wat ik zal trachten te doen, doe ik alleen voor hem. Omdat het zijn droom was, die hij niet waar had kunnen maken. En ik doe het, omdat hij het van me zou hebben gewild. Hij had gewild dat ik zijn droom zou delen, dus heb ik de laatste jaren mijn best gedaan om zijn wensen te vervullen. Om zijn droom na te jagen. De droom die nu ook de mijne is.
Ik veeg snel een ontsnapte traan van mijn wang en bijt stevig op mijn lip. Ik mag niet huilen nu. Niet nu, maar pas als alles voorbij is. Nu mag ik niet meer terugkrabbelen. Ik mag niet egoïstisch zijn. Mijn vingers klemmen zich strakker om de teugels. Ik knipper mijn tranen weg en richt mijn aandacht op de vlakke baan voor me. Ik moet klaar zijn om dit te winnen. Ik moet dit doen.
Mijn moeder kijkt naar me vanaf de tribune en weet hoe zwaar ik het heb. Ze negeert het, zoals ik haar gevraagd had. Ze voelt mijn spanning, maar laat me in stilte lijden. Dat is wat ik wilde. Geen troostende woorden, geen excuses voor de last die op mijn schouders rust. Dit is wat ik moet doen, en daar heb ik me bij neergelegd. Dit is wat ik moet doen om hem trots te maken. Om hem in mijn hoofd in leven te houden.
De ruiter naast mij wenst me ‘veel geluk’. Geluk heb ik niet nodig. Ik ben er me van bewust dat het paard onder mij dit kan. Hij zal winnen. En dat besef ik nogmaals ten volle als ik naar zijn enthousiast naar voren gestoken oren kijk, waarna ik langzaam mijn ogen sluit. Mijn lippen beven. De gonzende geluiden om me heen worden langzaam gedempt door mijn eigen gedachten. De gedachten die ik maar niet uit mijn hoofd kan, en wil verbannen. De gedachten die mijn leven de afgelopen tijd hebben bepaald.
Ik haal nog één keer diep adem, pak een pluk donkere manen vast en leun naar voren. Het is nu of nooit. Alle geluiden om me heen vallen weg, het is alleen mij en het paard. De onuitgesproken belofte, die als een schaduw om me heen hangt. Ik moet dit waarmaken.
De bel klinkt. We schieten vooruit.
Het is tijd om deze belofte na te komen.
Mijn moeder staat achter het fornuis in de keuken. Met een onvaste hand roert ze in de langzaam opwarmende soep, wat ons avondeten voor vanavond voor moet stellen. Ik leg uitgeput mijn hoofd op het koude, eikenhouten blad van de tafel. De tafel waar mijn opa altijd aan ontbeet. En nu is hij er niet meer.
De dag dat we hoorden dat hij kanker bleek te hebben, is inmiddels tweeënhalf jaar geleden. Mijn ouders en ik waren meteen bij hem ingetrokken in het grote huis, om hem te kunnen steunen. Er moest voor hem gezorgd worden, dus stonden we voor hem klaar. Over zijn paarden hoefden we ons niet druk meer te maken. Hij had al voor zijn ziekte moeten toegeven dat het werk hem te zwaar werd. Met tegenzin had hij een stalknecht en een trainer ingehuurd, die langzamerhand al goede vrienden van hem waren geworden. Toch vonden wij het als onze plicht om mijn opa te zijde te staan in deze tijd. Wie had hij anders nog?
Mijn vader verhuisde met tegenzin omdat het de reistijd naar zijn werk zou vergroten, maar dat maakte mij en mam niets uit. We luisterden niet naar hem, want dit was al lang geen keuze meer. Het ging er hier om wat opa wilde en opa vond het prettig om ons om zich heen te hebben. Dit zei hij nooit hardop; Nee, want dan zouden wij uit medelijden bij hem intrekken. En daar had hij ook wel gelijk in. Mam had jaren geleden, toen ze met mijn vader trouwde, afstand genomen van haar ouders. Ze spraken elkaar amper meer, zagen elkaar enkel op verjaardagen of begrafenissen. Maar dit ging niet om haar en het verleden. Dit ging om opa.
Want kanker is niet zomaar een ziekte, daar waren we snel genoeg achter gekomen. Toen we het te horen kregen waren we er kapot van. Het was nog geen feit dat hij er dood aan zou gaan, maar de kans was groot. Het zou je kapot maken, zelfs als het je niet het leven zou kosten, en we waren er allemaal bang voor. Na twee chemokuren wilde hij het al niet meer. Hij ging liever dood zonder zich rot te voelen, dan zijn levensduur nog enigszins te laten verlengen door middel van zo’n lijdensweg. Hij was slecht ter been, at weinig en hij viel af, maar vertellen kon hij nog steeds.
Hij vertelde me hoe blij hij was dat hij zijn lang verwachte veulen nog bijna twee jaar lang mee had kunnen maken. Zijn favoriet, Zhad. Het jonge hengstenveulen was een veulen van zijn allerbeste merrie die ook zijn beste vriendin was. Het was opa’s trots. Hij bleef er dan ook ongegeneerd over opscheppen, tot zijn sterfbed aan toe.
Vanochtend was de crematie geweest en ik had een foto van het veulen in zijn grafkist gelegd. Ik wist dat hij dat graag bij hem zou willen hebben. Zhad was hem het dierbaarst, want het was eens zijn droom geweest. De droom die was uitgekomen. En onbewust heb ik hem beloofd dat ik van Zhad zal houden, net zoals hij dat deed. Zhad is nu nog mijn enige tastbare herinnering aan hem.
Pap komt eindelijk de studeerkamer uit. Hij was na de crematie meteen weer zijn kleine kantoortje ingegaan met de smoes dat hij even alleen wou zijn, maar mam en ik lieten ons niet voor de gek houden. Hij wilde alleen maar weer aan het werk, vond al dat gedoe om een crematie maar niks. Werken was blijkbaar zijn manier om de rest te kunnen vergeten, maar op dit moment wilden wij niet eens vergeten. Ik zou opa nooit willen proberen te vergeten.
Mam zet de drie kommetjes soep op tafel en een schotel met geroosterde broodjes. Daarna pakt ze wat bestek en gaat ze zitten. Praten doen we niet, we zwijgen enkel. Ik dank mijn tante dat ze de verantwoording om telefoontjes te beantwoorden op zich heeft willen nemen. Wij hebben absoluut geen behoefte aan drukte en geluid in het huis. Gelukkig begreep ze dit voor we er ook maar een woord over konden wisselen en bood ze het aan. Wij namen het aanbod gretig aan.
Stilzwijgend eten we verder, tot ik de stilte niet meer kan verdragen. Met een luid gekletter laat ik mijn bestek op mijn nog halfvolle bord vallen, waarna ik opsta. Ik moet hier weg, uit de pijnlijke stilte. Al is het maar de wind die ik hoor waaien, of het grind dat ik hoor knarsen. Iets.
Alles is beter dan dit.
Ik ga naar buiten, de koude regen in die striemend in mijn gezicht slaat. Zo snel mogelijk ren ik naar de grote stal, waar zich de paarden bevinden. De deur valt met een luide klap achter me dicht. Eindelijk. Iets dat geluid durft te maken. Ik vergrendel hem, waarmee ik de huilende wind en de kletterende regen buitensluit.
Links en rechts van me staan een aantal paarden te sukkelen in hun boxen, maar zij interesseren me weinig. Ik loop meteen door naar achteren, waar de rijbak zich bevindt. Bij voorkeur gaf opa zijn paarden altijd zo veel mogelijk ruimte, maar met dit weer was het voor de warmbloedige paarden onmogelijk om buiten te blijven. De stilte in het gebouw laat me weten dat Pieter en Juan zich al hebben teruggetrokken in hun appartementje boven de stallen.
Als ik bij de rijbak kom merk ik dat de regen hier minder hard klinkt. De jonge dieren staan, blij met de stevige muren om hun heen, verspreid door de grote ruimte. Een groepje speelt wat, of dagen elkaar uit tot spelen. Anderen staan samen wat te slapen.
Mijn blik zoekt automatisch de donkerbruine vacht van het jonge paard dat ik probeer te ontwaren. Als ik een scherp gehinnik hoor weet ik dat het hem is. Ik fluit op mijn vingers en de hoofden van menige paarden schieten alert omhoog. Vanaf de wand van de rijbak waar ik op zit zie ik twee jaarlingen spelen, maar mijn aandacht is volledig gericht op het statige hengstenveulen dat, gevolgd door zijn trouwe vriend Megor, mijn kant op komt geslenterd. Als hij dichterbij komt draait hij onrustig met zijn oren. Hij probeert mijn humeur te ontcijferen en twijfelt of hij naar me toe wil komen of niet. Dan neemt hij een besluit en raakt hij met zijn fluweelzachte neus mijn uitgestrekte hand.
‘Zhad’, fluister ik en mijn stem trilt.

! 