[VER] Kind van de werelden

Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
joey_lover

Berichten: 1286
Geregistreerd: 13-01-09

[VER] Kind van de werelden

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 06-10-11 13:36

Heb heel lang zitten twijfelen of ik wel een verhalen topic zou openen. Voornamelijk omdat ik niet heel snel schrijf en ik steeds maar weer dingen blijf veranderen in plaats van verder te schrijven. Maar toen bedacht ik me dat ik juist door het hier te plaatsen, gedwongen wordt om verder te schrijven :D

Het verhaal speelt zich af in twee bedachte werelden waarvan een op de onze lijkt en de ander magische elementen bevat. Het genre is dus fantasie.

Citaat:
PROLOOG

Om hem heen klonken de geluiden van staal tegen staal, van mannen die schreeuwden of kreunden. Een jaar geleden zou Lif hebben gehuild bij dit aanblik. Nu deed het hem niets. Hij voelde alleen haat. Haat was zijn drijfveer en hij wist dat hij niet zou stoppen tot hij haar gewroken had. Hij mocht niet stoppen. Dus liep hij door. Een gedaante versperde hem de weg en z'n zwaard zoefde al door de lucht voordat Lif besefte wie het was. Iets van schaamte vervulde hem, maar meteen drukte hij dat gevoel weer van zich af. Met lege ogen keek hij haar aan. Ze was klein voor een Massam, toch was ze nog zeker een half hoofd groter dan hij. Met grote ronde ogen keek ze terug. Er leek iets van verdriet in te liggen, of was het misschien teleurstelling? Niet dat het er nu nog toe deed, hij had zijn beslissing genomen en zelfs zij zou hem er niet van kunnen weer houden. Toch knaagde nog steeds ergens diep van binnen de schaamte. Lif had haar teleurgesteld, dat wist hij.
'Laat me gaan, Shiva. Dit is niet jou gevecht.' Zijn woorden werden opgeslokt door de geluiden om hen heen en zelfs zijn eigen oren vingen de klanken niet op. Toch leek ze hem gehoord te hebben. Het gehoor van een Massam had hem altijd verbaasd.
'Niet mijn gevecht?' Haar stem klonk helder, duidelijk en, besefte Lif, woedend. 'Als jij sterft, sterven we allemaal, dus zeg niet dat dit niet mijn gevecht is.' Ze wees met haar speer omhoog. 'Kijk naar de lucht, het groene is aan het verdwijnen, straks hij is hij weer strak blauw. We zijn er bijna. Wil je echt alles weggooien voor haar?'
Diep van binnen wist Lif dat ze gelijk had, maar wist hij ook dat ze het niet kon snappen. 'Het moet toch gebeuren wil ik alles laten slagen, dus waarom niet nu?'
Ook nu leek ze hem duidelijk gehoord te hebben. 'Je bent er nog niet klaar voor. Jou mensen waren er nog niet klaar voor.' Ze wees nu met haar speer om zich heen. 'Daarom niet. Kijk om je heen en wordt wakker, Lif. Bados, Vriz, Lolak, ze zijn dood, allemaal dood. En jij zult hen volgen, als je je stomme plan doorzet.' Na deze woorden leek het alsof haar woede uit haar weg sijpelde. Op vriendelijke toon vervolgde ze: 'Ik houd van jou, Lif, en ik hield ook van Kika, daarom smeek ik je, laat haar gaan, stop met deze waanzin.'
De blik in haar ogen werd Lif te veel, ze begreep het niet en wat hij ook zou zeggen, ze zou het nooit begrijpen. Met een grimas schudde hij z'n hoofd, toen duwde hij zich langs haar heen en vervolgde zijn weg. Hij wist niet zeker of Shiva hem zou volgen, waarschijnlijk wel. Maar veel deed het er niet toe. Zoals gezegd, het was niet haar gevecht.
Zijn voeten sopten in het natte gras, doordrenkt met het gevloeide bloed. Verminkte lichamen lagen her en der over de grond verspreid. Velen herkende hij, waren mannen die voor hem gevochten hadden. Vrienden waarmee hij 's avonds om het vuur had gezeten. Krijgers en boeren. En de meesten lieten een vrouw en kinderen achter. Zoons en dochters die het vanaf nu zonder de brede, sterke schouders van hun vader moesten stellen. En hij was daarvan de schuld. Ergens wist Lif dat hij zou moeten rouwen, dat hij verscheurd zou moeten zijn door verdriet en schaamte bij deze aanblik. Maar hij voelde alleen de leegte.
Langzaam aan merkte hij dat hij steeds vaker z'n zwaard moest gebruiken om vooruit te komen. Met een haal doorkliefde Lif de keel van een jongen. Het kind kon niet ouder zijn dan vijftien. Het teken op z'n linker wang vertelde hem echter dat hij bij de vijand behoorde. In gedachte hoorde hij de stem van Shiva: 'Als je een zwaard in je rug krijgt, maakt het niet uit of het behoort aan een oude man of een kind van vijf, beide keren zal je sterven.' Een wijsheid die ze hem keer op keer op het hart drukte, als hij in een veldslag weer eens de kinderen negeerde. Toch had het hem altijd moeite gekost kinderen te doden. Maar niet vandaag, vandaag voelde hij niets.
Stapje voor stapje werkte hij zichzelf dichter naar zijn doel. Een tijdje terug had hij inderdaad gemerkt dat Shiva hem gevolgd was, zoals hij had gedacht. Hoewel ze het niet eens was met wat hij deed, zou ze hem altijd blijven beschermen. Samen vochten ze zich nu een weg naar voren. Het zweet liep in straaltjes langs zijn gezicht omlaag en prikte in zijn ogen, maar hij besteedde er geen aandacht aan. Het enige wat hij voelde waren de spieren in z'n armen en het zwaard in z'n handen. Een man voor hem viel jammerend op z'n knieën grijpend naar het stompje, waar net nog z'n rechterarm gezeten had. Een ander zakte met opengesneden keel in elkaar. Beelden die hem nog geen jaar geleden de koude rillingen zouden bezorgen, bezorgde nu niet eens een grimas. Als een geest danste hij tussen de vijand door. En een voor een vielen ze neer.
Het licht begon zwakker te worden en Lif merkte dat zijn armen zwaarder werden. Hij zou het niet lang meer vol houden. Hoelang waren ze eigenlijk al bezig? Naast hem vocht Shiva onvermoeid door. Haar staart zwiepte gevaarlijk heen en weer, net zo dodelijk als haar speer. Zelfs onder de Massam was zij een van de beste. Hij had zich geen betere leermeester kunnen wensen.
Shiva's speer liet een grote kale man naar de grond zakken en in de opening die ontstond zag Lif hem, heer Raom. Vanaf zijn troon keek hij naar de chaos voor hem. Een glimlach speelde om zijn lippen, alsof de veldslag een amusant theaterstuk was dat speciaal voor hem werd opgevoerd.
Meer dan ooit voelde Lif de haat vanbinnen opborrelen. De haat jegens deze man die zijn geliefde Kika had weggerukt. Het vervulde hem en verdreef elk spoortje van vermoeidheid. Met een onmenselijke brul stortte hij zich naar voren. Te laat hoorde hij de waarschuwing van Shiva.
Het duurde nog geen twee seconden, maar het leek wel een eeuwigheid: Heer Raom die zich omdraait, hun blikken die elkaar kruisen en de ijskoude glimlach die om zijn mond verschijnt. Lif besefte meteen dat hij een fout had gemaakt. Hij probeerde zich nog op de grond te laten vallen, maar een punt van lucht boorde zich via zijn buik naar binnen. Hij voelde hoe de magie zijn ingewanden verscheurde en hem op zijn knieën dwong. Pijn explodeerde door zijn lichaam en de smaak van bloed vulde zijn mond. De kracht vloeide langzaam uit hem weg en hij bleef alleen achter samen met de pijn. Tot ook die uiteindelijk verdreven werd door een koude, kille stroom die zich via z'n armen en benen omhoog werkte. Ergens ver weg dacht hij de stem van Shiva te horen. Of was het Kika? Een glimlach vormde zich om zijn lippen. Ja, Kika. Toen staarden zijn ogen nietszeggend omhoog.

In het geweld van de veldslag knielde Shiva neer. “Moge het volgende kind dezelfde kracht vinden als jij”, fluisterde ze verdrietig. Toen sloot ze de ogen van haar vriend.

Het was daar, op de heuvel, waarvandaan het nieuws zich spreidde. Wat begon als een fluistering, angstig uitgesproken door de mannen en vrouwen die erbij waren geweest, werd luider en luider. Het verspreidde zich over land, water en lucht en zelfs de ongelovigen begonnen te geloven. Het was daar, dat de Tweede Wereld het oppikte en doorgaf. Niet wetend wat het inhield, maar het gevoel van onheil duidelijk herkenend.
Uiteindelijk was alles wat er restte een schreeuw. Een schreeuw van wanhoop, spijt, en angst voor wat er komen ging. Maar de werelden kenden geen genade en net als zo vele keren ervoor, kozen ze ook dit keer dezelfde weg. Het kind was dood. En met de dood van het kind, stierven ook de werelden.


HOOFDSTUK 1

'Vlug, neem haar', de wind gierde door de straten en Chelsea wist niet zeker of de ruiter haar gehoord had. De man leek echter te weten wat hem te doen stond en met een soepele bewegen, nam hij de baby van haar over. Ze zag hoe hij haar voorzichtig onder zijn jas wegstopte, verborgen voor nieuwgierige ogen. Verdriet en opluchting streden in de oude vrouw naar voorrang. Ze had gehoopt dat het langer zou duren voordat de mannen van Kiak hen hadden gevonden, dat ze iets meer tijd met de baby door had kunnen brengen. Maar het lot beslist meestal anders dan je hoopt en de tijd was gekomen. Het enige belangrijke nu was dat het kind hier weg ging, zo snel mogelijk. 'Ga en stop niet, nergens voor.' Het koste haar moeite om boven de wind en het gekletter van de regen uit te komen. Maar de man leek haar gehoord te hebben en gaf een snelle knik. Even leek het alsof hij voorover wilde buigen om wat te zeggen, maar toen rechte hij zijn schouders en gaf hij zijn paard de sporen.
Verslagen keek Chelsea naar de plek waar de ruiter verdwenen was. Het liefst had ze ook zijn taak op haar schouders genomen, maar haar jaren waren te talrijk, haar botten te broos. Hoe lang geleden was het dat ze voor het laatst in het zadel gezeten had? Ze wist dat dat antwoord eerder in jaren dan in maanden gezocht moest worden. Hoe erg ze haar leeftijd ook vervloekte, op dit moment kon ze er niets aan doen. Haar taak lag hier, in het dorp. Voor een laatste keer keek ze naar de plek waar de man verdwenen was. Verdwenen, samen met het kind. Toen rechte ze haar schouders en begon met zelfverzekerde pas terug naar haar huisje te lopen. Ze was nog niet eens halverwege toen er een ijzingwekkende gil door de nacht klonk. Een huivering trok langs haar lichaam omhoog. Het was tijd, er was werk te doen.

joey_lover

Berichten: 1286
Geregistreerd: 13-01-09

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 07-10-11 16:49

Nog een stukje

Citaat:
Als een loden last hield Jachiem het kind onder zijn jas tegen zich aan geklemd. Blind stuurde hij zijn paard in galop over het pad. De regen striemde in zijn gezicht en de wind maakte zijn huid gevoelloos. Toch dacht hij niet aan stoppen of zelfs maar aan het verminderen van vaart. Zijn taak was duidelijk, breng haar zo snel mogelijk naar de grot van Sissera. En zelfs al hadden ze hem niet op het hart gedrukt om vaart te maken, dan nog wist hij zeker dat hij zo ver mogelijk van het dorp vandaan wilde zijn, voordat Kiaks zoekers erachter kwamen dat het kind daar niet meer was. Toen hij aan de rechterkant de lichtjes van de laatste boerderij zag en hij daarna de bossen, die 'de Dwergen' werden genoemd, inreed, klonk er een gil die zelfs de wind en regen oversteeg. Zijn nekharen stonden meteen overeind. Even flitste het gezicht van de oude vrouw voor zijn ogen. Hij had haar willen zeggen dat ze moest vluchten, maar toen hij de blik in haar ogen zag, wist hij dat dat zinloos zou zijn. In die blik had vastberadenheid gelegen, maar ook de wetenschap dat ze waarschijnlijk de ochtend niet zou halen. Ze moet hebben geweten dat Kiak een Schork zou sturen. Desondanks leek ze vast besloten te zijn te blijven om hem meer tijd te geven. Dapper of dwaas? Hij was er nog niet over uit. Maar wat was zijn dolle vlucht nu dan? Waarschijnlijk net zo dwaas.
Jachiem voelde het kind onder zijn jas bewegen. Die vervloekte voorspellingen ook. Ze brachten vaker ongeluk dan voorspoed. Jaren geleden had hij zich voorgenomen, zich niet met dit soort onzin bezig te houden. Hoe het dan nu kwam dat hij als een dolle in de nacht aan het vluchten was, met een kind nota bene, was hem ook niet helemaal duidelijk. Misschien kwam het wel door haar. Met een grom schudde Jachiem zijn hoofd, 'laat je gedachte niet afdwalen dwaas. Het is al gevaarlijk genoeg, zonder dat jij ook nog eens gaat lopen dagdromen.' Hij richtte zijn ogen weer op de weg voor hem. Deze weg zou hem door de Dwergen leiden, naar Askatar aan de andere kant. Het was een veel gebruikte weg door boeren en zodoende goed begaanbaar. Het werd echter tijd dat hij het pad verliet. De kans was te groot dat de weg in de gaten gehouden werd. Hij tuurde naar de bomen. Eerder die dag had hij een markering aangebracht waar hij het pad moest verlaten. Een snelle blik achterom vertelde hem dat hij nog niet ontdekt was. Toch spoorde Jachiem zijn paard nog wat extra aan, hoe sneller dit voorbij was, hoe beter.
Hij dacht net in de verte het teken te zien, toen er plotseling een gedaante uit het struikgewas de weg op liep. Vloekend hield hij zijn paard in. Hadden ze hem gevonden? Vlug liet hij zijn ogen over de omgeving dwalen, maar hij kon niemand anders ontdekken. Toen hij zijn ogen terug op de gedaante voor hem richtte, zag hij dat het een vrouw was. Ze leek hem strak aan te kijken. Jachiem voelde een huivering langs zijn rug omhoog trekken. Wie was zij? Niet dat hij zin had om daar nu achter te komen. Met een brul dat ze aan de kant moest gaan, spoorde hij zijn paard weer aan. De vrouw verroerde echter niet. Haar houding straalde kracht uit en het leek alsof de wind geen vat op haar had. Hij wilde net zijn paard naar links sturen om haar te ontwijken, toen hij de tekening op haar linker wang zag. Vloekend trok hij z'n teugels strak, waardoor zijn ruin slippend tot stilstand kwam. Een bosvrouw. Niet dat hij bang was om te sterven, al jaren niet meer, maar hij had een taak te volbrengen en die kon zij hem nog wel eens gaan beletten. Met een strak gezicht keek Jachiem haar aan. 'Wat wil je?'
'Je bent ons wat verschuldigd, Cheaida.'
Bij het horen van die naam stokte zijn adem. Hoe kon ze het weten? 'Je hebt de verkeerde voor je.' Het lukte hem zijn stem verveeld en geïrriteerd te laten klinken, als een reiziger die met z'n hoofd al bij een warme maaltijd en een pul bier was en absoluut niet blij was met dit onnodige oponthoud. 'Ik zoek alleen een goed onderkomen voor de nacht, om uit dit hondenweer te komen.'
De vrouw keek hem doordringend aan en hoewel zijn gezicht verscholen lag onder zijn kap, leek het alsof ze hem recht in de ogen keek. 'Lieg niet, dienaar.' Ze leek geen moeite te doen om haar woorden boven de regen uit te laten komen, toch kon hij haar duidelijk verstaan. 'Ik weet wie je bent en ik ken je taak. Breng het kind naar de grot van Sissera.' Herhaalde ze zijn opdracht. Terwijl ze sprak liet ze haar ogen naar beneden geleiden tot aan de plek waar het kind verscholen lag.
Ongemakkelijk schoof hij in het zadel. Hij moest zorgen dat hij hier weg kwam. 'Als je dit alles weet, laat me dan mijn taak volbrengen. Je weet wat er op het spel staat.'
Een glimlach gleed over haar gezicht, 'Ik weet inderdaad wat er op het spel staat. Daarom doe ik je een voorstel.' Plotseling hield ze een baby in haar armen. Jachiem was er zeker van dat haar handen een moment geleden nog leeg waren. Met toegeknepen ogen keek hij haar aan. De vrouw sprak echter verder alsof er niets gebeurd was: 'Neem ook dit kind mee en ik zal niemand wat over jou of het kind vertellen.' Hij wilde zijn mond open doen om te weigeren, maar zij was sneller, 'Doe je het niet, tja...' Haar glimlach werd ijskoud.'
Bij het zien was die lach gingen Jachiem zijn nekharen overeind staan. Hij wist dat het geen loos dreigement was. 'Als je daadwerkelijk weet wat mijn taak is, zou je dit nooit voorstellen, jouw kind zal sterven.' Zijn tijd raakte op. Een blik over zijn schouder vertelde hem dat het pad nu nog leeg was, maar hij wist ook dat dit elk moment kon veranderen. Ze hadden nu waarschijnlijk al zijn sporen in het dorp gevonden.
Ook zij leek haar geduld te verliezen. 'Doe wat ik zeg, dienaar, en ik zal zorgen dat je veilig de grot bereikt. Maak je geen zorgen over dit kind, de voorbereidingen zijn getroffen, ze zal veilig zijn in de Tweede Wereld.'
In zijn hoofd probeerde hij alles snel tegen elkaar af te wegen. Een tweede gil doorbrak de nacht, het was tijd om te gaan. 'Vervloekt, mens, het zal zo zijn' Toen spoorde Jachiem zijn paard aan, griste het kind uit haar armen en galoppeerde de nacht in. Hij kon alleen maar hopen dat zij zich aan haar woord hield.
Een paar galopsprongen verder zag hij eindelijk de markering en stuurde hij zijn paard linksaf het bos in. De bomen slokte hen al snel op. Vloekend nam hij het paard terug naar een rustige draf. Hoewel hij het liefst in volle galop doorgereden was, werd dat hier te gevaarlijk. Hij zag geen hand voor ogen en als ze te val kwamen dan was alles verkeken. Achter hem was het weer stil geworden, afgezien van de wind en de regen die nog steeds in volle hevigheid tekeer gingen. Als de vrouw zich maar aan haar woord hield.
Langzaamaan stonden de bomen steeds verder uiteen en toen hield het bos op. Jachiem hield zijn ruin in. Voor hem ging de grond bijna verticaal omhoog. Hij stond aan de voet van de Gedrochten. Niemand wist precies meer waar ze hun naam aan te danken hadden. Soms werd er gezegd dat de naam kwam door de stompe toppen van de bergen, die als wratten omhoog rezen. Een andere keer dat er heel vroeger een ras geleefd had, te afzichtelijk voor het daglicht, waaraan het gebergte zijn naam te danken had. In geen enkel ander verhaal kwam het ras echter naar voren en het koste Jachiem moeite om in de toppen wratten te zien. Hijzelf vond het waarschijnlijker dat de naam een verbastering was van een nog oudere naam, afkomstig uit een vergeten taal. Voorzichtig stuurde hij zijn paard wat naar links, opzoek naar het pad dat hen omhoog zou brengen. Langzaam probeerde de ruin langs de stenen muur zijn weg te zoeken. De grond bestond uit losse keien en het paard moest oppassen niet zijn benen te verswikken. Het kind in zijn arm huilde zachtjes en hoewel het gestopt was met regenen kon hij zich voorstellen dat ze het koud had. Er was echter geen tijd om daar nu bij stil te staan. Ze moesten de grot vinden. Pas na er drie keer voorbij gereden te zijn, zag hij eindelijk de steen die het begin van het pad aanduidde. Met een zucht van opluchting stuurde hij het paard die kant op. Nu begon het moeilijkste stuk. Het pad liep stijl omhoog tegen de rotswand aan, net breed genoeg voor een paard. De bodem was echter niet stevig en als het paard z'n hoef op een los stuk steen zou zetten, was de kans aanwezig dat ze met z'n allen de afgrond in zouden denderen. Langzaam klauterde het dier naar boven.