
Nadat ik vorig jaar september mijn 1e boek heb uitgegeven, ben ik verder gegaan met het opnieuw schrijven van een verhaal die ik ooit met mijn vriendin was begonnen. Helaas is dit net te kort voor een echt boek, maar ik wil het graag hier publiceren. Ik ben nu met een ander boek bezig, waarvan het onderwerp nog geheim is.
Benthe en Elise zijn de hoofdpersonen. Ze worden ontvoerd en hun vrienden proberen ze te redden.
Deel 1:
Hoofdstuk 1
Elise en Benthe fietsen naar school.
Opeens komt er een man die zegt dat hij een leraar is, en fietst met de meiden mee.
‘Wat is er?’ vraagt Benthe, ze vertrouwd die man niet.
Als hij dan ook zegt dat ze in een ander gebouw les krijgen, vinden ze dat wel een beetje raar. Toch fietsen ze met hem mee, Elise fluistert ‘We zien wel, we kunnen zo altijd nog weg.’ Benthe haalt haar schouders op, zwijgend fietsen ze achter de vreemde man aan.
Ze komen bij een gebouw aan, het is gewoon een huis. ‘Weg, Elise,’ sist Benthe.
‘Kom maar binnen hoor,’ zegt de man. Benthe en Elise aarzelen, toch gaan ze mee.
Terwijl de man muziek op zet, vraagt hij of ze cola willen, aarzelend knikken ze ja.
‘Als ik in de keuken ben mogen jullie niet weggaan, hoor,’ zegt de man. Benthe en Elise vinden het steeds gekker worden. Dan haalt hij een mes tevoorschijn. Elise schrikt en grijpt Benthe vast. ‘Nou, rustig maar, ik wil alleen een appel maken.’ Even later zet hij voor de meiden cola neer en voor zichzelf een appel. ‘Ik ben Peter, hoe heten jullie?’
‘Ik ben Benthe en dat is Elise’, zegt Benthe, ‘Wat wilde u vragen?’
‘Ik bedenk kledingsetjes voor popsterren. Jullie zijn jonge meiden die vast veel verstand hebben van mode, jullie mogen mij helpen met leuke kleren uitzoeken, kom zaterdag om tien uur naar de haven, dan gaan we een weekje naar Engeland, neem dus voor jezelf kleren mee.
Ik regel het met je ouders maar daarvoor heb ik wel jullie adres en telefoonnummer nodig.
Hoewel Benthe en Elise het nog niet helemaal vertrouwen, geven hun adres en telefoonnummer.
‘Ik bel naar jullie school, het Maurits College, toch? En vertel hier niemand over!’
Benthe en Elise knikken, snel gaan ze naar school.
‘Ik vind het toch een beetje een vreemde man, en jij Elise?’
‘Ik ook, jammer dat we nu niet met Jeroen, Marit, Kim en Sjoerd dat weekend kunnen logeren.’
Ja jammer, maar kleren voor popsterren uitzoeken, wouw, dat is toch veel leuker!’
Elise knikt en snel fietsen ze naar school.
Op school vertellen ze in de pauze aan hun vrienden dat ze niet met z’n allen kunnen logeren.
‘Waarom dan niet?’ vraagt Marit.
‘Doet dat er iets toe?’ zegt Benthe kortaf.
‘Nou, ja, eigenlijk wel!’ Benthe haalt haar schouders op en loopt met Elise weg.
Marit vind het raar omdat ze niet vertelt hadden waarom ze niet konden.
Na school verteld Marit het aan de rest. ‘Dan volgen we ze toch?’, zegt Sjoerd.
‘Denk je echt dat dat lukt?’, zegt Kim. Sjoerd knikt.
‘Jij en je fantasie ook,’ mompelt Kim hoofdschuddend.
De ouders van Benthe en Elise vinden het ook leuk voor de meiden dat ze een weekje mee mogen naar Engeland om kleren uit te zoeken voor popsterren.
Maar Marit vindt het niet leuk dat ze niet kunnen komen en haar ouders vinden het ook raar dat Elise en Benthe niks gezegd hebben. Nu komen alleen Kim, Sjoerd en Jeroen. Maar ze bedenken een plan. Kim stelt voor om zaterdag eerst naar het huis van Benthe te gaan en dan kijken waar die naar toe gaat. Jeroen zegt: We splitsen, ik en Kim gaan naar Benthe, Marit en Sjoerd gaan naar Elise. Maar dan moeten we wel op de fiets gaan want als zij met de auto weg gaan kunnen we ze al helemaal niet bijhouden.’ Iedereen vindt het een goed plan
Hoofdstuk 2
Jeroen en Kim fietsen naar Benthe en Marit en Sjoerd naar Elise.
Precies volgens plan.
Als Jeroen en Kim bij Benthe zijn aangekomen, zien ze de auto net wegrijden.
Meteen racen ze erachter aan. Na een paar honderd meter komen ze bij het huis van Elise. Daar treffen ze Marit en Sjoerd ook aan, verstopt achter een auto.
Snel zetten ze een fiets neer achter een dikke eik en komen ook naar de auto.
Na ongeveer tien minuten zien ze Benthe en Elise in een auto stappen.
Ze horen de meiden druk kletsen, het enige wat ze verstaan is ‘we’, ‘popsterren’ en ‘Engeland’.
Marit zegt: ‘ze gaan naar Engeland! Wat gaan ze daar doen, snel Kim, klim jij in de achterbak van de auto, jij bent het kleinst, Sjoerd, jij gaat naar het vliegveld. Dan gaan Jeroen en ik naar de haven! Vlug, in positie!’
Snel pakken Jeroen, Sjoerd en Marit hun fietsen. Kim zet haar fiets zolang in een oud schuurtje en rent naar de auto. Ze kan nog net ongezien in de achterbak van de auto springen. Marit en Jeroen fietsen zo snel mogelijk naar het treinstation.
‘Heb jij muntjes bij je, Jeroen?’
‘Nee, ik heb een briefje van tien bij me, ik hoop dat het loket wisselgeld heeft!’
‘Natuurlijk wel’, zegt Marit. Bij het loket vraagt Jeroen twee kaartjes.
‘Sorry, ik heb er nog maar een, zegt de vrouw bij het loket. Maar misschien heeft mijn collega tien loketten verderop nog wel een paar kaartjes!’
‘Dank u’, zegt Jeroen, meteen rennen ze naar loket tien, maar die heeft geen kaartjes meer. ‘Ik kan jullie muntjes geven, daar verderop is een kaartjesautomaat.’
‘Wat is uw bestemming?’ Staat er op het scherm van de automaat. Jeroen tikt wat in. ‘Schiet nou op Jeroen! Klik gewoon op 3e klas kaartje, die zijn goedkoop.’ Jeroen knikt, na nog twee minuten kan Marit eindelijk de kaartjes pakken. Ze rennen door een wirwar van mensen om de trein te kunnen halen. Als ze eindelijk op het perron zijn, gaan de deurtjes bijna dicht. Jeroen en Marit springen de trein in, nog net op tijd.
Jeroen fietst zich een ongeluk, als hij eindelijk bij het vliegveld is, kijkt hij op een bord. ‘P1-ingang Oost , P2- Ingang west, P3- Ingang Zuid, P4- Ingang noord,’ leest hij hardop voor. Een kwartier lang fietst hij alle parkeerplaatsen af en speurt langs de rijen auto’s, maar nergens is de auto van Benthe. Zuchtend belt hij Sjoerd op en verteld dat er niemand op het vliegveld is.
Nog steeds zit Kim in de auto, het is er heel krap met al die tassen, tot nu toe hoort ze Elise niet maar Benthe wel, die zit de hele tijd ze kletsen over hoe lief haar paard Aron wel niet is…
Eindelijk stopt de auto. Kim pakt de deken van het paard van Benthe en verstopt zich eronder. De klep gaat open, Kim moet wel even wennen aan het felle licht dat ineens naar binnen komt. Gelukkig komen Marit en Jeroen net aangelopen, Marit en Jeroen beginnen een praatje met Benthe, Elise en hun ouders zodat Kim ongezien weg kan glippen.
Kim ziet Sjoerd uit de verte aankomen lopen en rent naar hem toe. Ze wenken Marit en Jeroen, die ronden het gesprek af en komen ook aanlopen.
Jeroen, Sjoerd Kim en Marit zijn net te laat om nog een kaartje te kopen, maar ze kunnen wel zien op welke boot Elise en Benthe gaan, dan kunnen ze straks een kaartje vragen voor de eerst volgende boot. ‘Dat is gek!’, zegt Jeroen. ‘Die boot gaat naar Spanje!’
‘Heb je die GPS-zender nog, Jeroen, om Benthe en Elise te volgen?’
Jeroen voelt in zijn broekzak. ‘Hij zit niet meer in mijn broekzak.’
‘Heb je hem niet thuis gelaten of in een andere zak gedaan,’ vraagt Kim.
Jeroen voelt in al zijn zakken. ‘Hier is hij!’ Triomfantelijk haalt hij de zender uit zijn zak. Ongezien gooit hij hem op de koffer van Benthe, het dingetje is heel klein en zal dus blijven plakken.
Benthe en Elise zijn ondertussen al wat verder op zee. ‘Het is hier zo mooi’, zegt Elise.
‘Ja, blauw, blauw en nog eens blauw. Dat begint nooit te vervelen hoor’, antwoord Benthe zuchtend.
Ze gaan naar hun ‘hut’, het is eigenlijk een kast met twee bedden waar zij en de tassen nog net in passen. Benthe had gisteren bijna niet geslapen en is doodmoe, ze probeert nog wat te slapen. Net als ze ligt zegt Elise: ‘Hé Benthe, er zit wat op je tas!’
‘Vast niks Elise, en wil je me nu met rust laten, ik wil slapen!’
Ondertussen zijn ze bij Marit thuis aan het bakken, het is toch niet zo ongezellig als ze dachten. Later zitten ze te smullen van hun zelfgebakken muffins.
‘Lekker hé’, zegt Jeroen met volle mond. Net als hij vind iedereen de muffins met overheerlijke glazuur heerlijk. Een paar uur later zitten ze een spelletje te toen.
Haar moeder is in de keuken eten aan het maken, ruikt naar gebakken aardappels, dat is Marits lievelingseten. Als het zes uur is, is het eten klaar. Iedereen vindt het heerlijk.
‘s Nachts heeft Marit een vreselijke nachtmerrie! ‘Help,’ hoort Marit roepen, maar ze kan zich niet bewegen.
‘Help ons Marit!’, Marit hoort de stem van Benthe.
‘Aah, hij bind ons vast!’, Gilt Elise.
Maar Marit kan niet lopen, het lijkt net alsof haar benen bevroren zijn.
‘Help nou! Aah een mes! Help ons aah!’
‘Kan niet, ik zit vast!’ roept Marit.
Dan klinkt er: ‘hahahaha, Marit zit vast! En nu kan ik jullie mooi vermoorden!’
‘Nee dat mag niet stop! Ze mogen niet dood!’
‘Aah, klinkt er, en dan niets meer…
Marit wordt met een gil wakker.
‘Wat is er?’, vraagt Kim slaperig
‘Ik had een vreselijke nachtmerrie.’
‘Waar ging die nachtmerrie over?’
‘Hij was te erg voor woorden,’ rilt Marit. Maar Kim reageert niet meer, die slaapt al.
Ze kijkt op de klok, pas twee uur. Ze valt uiteindelijk pas na drie uur in slaap.
Hoofdstuk 3
Na een tijdje word Benthe weer wakker. Elise zegt tegen Benthe: ‘Jij was wel erg moe, je hebt van elf uur ’s ochtends tot tien uur op zondag geslapen!’
De meiden gaan kijken naar het uitzicht. Opeens zegt Benthe: ‘Hé, er is al land in zicht.’
Al snel meert de boot aan in een haventje. ‘Het is hier wel erg warm, voor Engeland,’ zegt Benthe, Elise knikt. De meiden lopen van de boot af met hun koffers. ‘Hola señoras,’ zegt een man die opeens op de afkomt. ‘Go away,’ sist Peter. Beledigd loopt de man weg.
‘Wie was dat? En waarom sprak hij Spaans?’
‘Gewoon een zwerver, blijf daar uit de buurt. En nu hup, in de auto!’
Door Peter worden ze naar een huisje gebracht. Peter de deur open en duwt Benthe en Elise naar binnen. Als ze in hun kamer zijn wordt de deur dicht gegooid.
‘Benthe, het is een superklein kamertje, en er staat maar één bed in,’ zegt Elise.
‘Kom we zeggen het wel even tegen Peter,’ antwoord Benthe.
‘Hé, de deur gaat niet open,’ zegt Benthe, ‘Hij zit op slot!’
‘Peter, Peter we kunnen er niet uit en er staat maar een bed,’ roept Benthe.
‘Je doet het er maar mee,’ sist Peter.
Benthe kijkt een beetje benauwt. En Elise word helemaal wit.
‘Benthe, volgens mij probeert hij ons op te sluiten, ik vertouw hem niet!’
‘Ik ook niet,’ fluistert Benthe terug.
‘We moeten ontsnappen, maar hoe?’
‘Weet ik het?’, snikt Elise, ‘Jij bent altijd de dappere van ons, bedenk jij maar iets!’ Huilend zakt ze op het bed neer. ‘Hé, Elise, nu niet de hoop opgeven, we komen hier wel uit!’
Met betraande ogen kijkt Elise Benthe aan. ‘Hoe dan?’ snikt ze.
Op dat moment komt Peter binnen. Hij trapt de kamerdeur open. ‘Meekomen, jullie moeten iets voor me doen!’
Ze worden mee naar binnen gesleurd. Al snel zitten ze in de auto tot ze op een onbekend plein zijn. ‘Kleed je uit, de mensen komen zo.’
‘Wat zeg je? Uitkleden? Vergeet het!’, schreeuw Benthe. Er komt een agent langlopen. ‘Cuestiones?’, zegt hij.
‘No, there are no problems,’ antwoord Peter.
‘Jullie hebben geluk, maar morgen heb ik iets anders voor jullie,’ sist Peter.
Maandag om zeven uur worden ze weer wakker.
‘Als we nou eens door het dakraam bovenin gaan’, zegt Elise.
‘Het is groot genoeg, maar het wel hoog,’ antwoord Benthe
‘Maar we kunnen via het bed vast hoog genoeg komen.’ Als Benthe het dakraam opent ziet ze dat er tralies voor zitten. Voor ze wat kan zeggen tegen Elise, hoort ze iemand op de trap.
Peter komt binnen. ‘Zo meiden, we gaan hij drugs dealen, meekomen.’
Benthe spartelt tegen als hij hun in de kraag pakt. Maar als Peter een pistol pakt gaan ze toch mee.
Later zijn ze op het plein, zitten ze nog in het busje. ‘New Girls, Peter? I will help them!’
‘Good, they come whit me for clothes for Popstars, in England. Stupid Girls!’, antwoord Peter vrolijk.
To England?’, De man buldert van het lachen.
‘So Girls, you come here to sell drugs!’ Benthe en Elise kijken elkaar aan.
Benthe fluistert: ‘Ik vertrouwde die griezel al niet, jij?’
‘Nee, ik ook niet, waarom zijn we zo dom?’
De man geeft Benthe en Elise cocaïne en andere soorten hard drugs. De man loopt weg. Peter blijft bij ze, ze durven niks te doen want Peter heeft een pistol bij zich. Na een tijdje loopt het plein vol. Een Spaanse man komt op ze af. ‘Drugs?’, vraagt hij.
‘Si,’ zegt Benthe. Ze smijt de man een pakje toe. Peter grijpt hem uit de lucht. ‘Two hundred euro, please,’ zegt Peter. De man geeft het geld en grist het pakje uit de hand van Peter. Zo moeten ze nog veel meer drugs verkopen.
Pas ’s avondlaat komen ze terug.
‘Zo zegt Peter, jullie hebben vast honger. Hier is pap die ik van mijn moeder vroeger altijd kreeg.’
‘Ik hoef het niet!’, zegt Benthe.
‘Eet het op!’
‘Nee, ik hoef het niet!’ Woedend smijt Benthe de pap weg. Peter kijkt woedend en grijpt de pap van Elise. Benthe wil wegrennen. De pap laat hij vallen en hij grijpt Benthe en Elise en zet ze terug op hun kamertje.
Als hij weg is, sist Elise: ‘Er zit een alarm op het raam! En een extra slot, hier komen we nooit meer uit!’ Benthe knikt verdrietig. Ze zullen nooit meer thuis komen!
Als het in de smaak valt, publiceer ik morgen weer een deel.
