Ik ben bezig met een boek, en ik zou graag weten wat jullie ervan vinden. Ik heb een groot deel al op papier staan, en ben nu bezig met het te typen.
Ik heb eerder al een deel gepost, maar dat is al een tijd geleden, dus hierbij wat ik tot nu toe heb, van begin tot eind

Als er spelfouten zijn: sorry! Ik doe mijn best..
Over de hoofdstuk indeling ben ik nog niet helemaal uit, suggesties zijn altijd welkom!
Ik hoop op veel reacties!
Proloog
Stille wateren hebben diepe gronden, dat zeggen ze weleens. Ik denk dat ik zo’n ‘stil water’ ben. Of, dat andere mensen denken dat ik dat ben. Bijvoorbeeld op school. Daar ben ik eigenlijk altijd rustig, maar eigenlijk ben ik dat helemaal niet. Waarom ik op school dan wel rustig ben? Ik heb geen idee. Ik doe het echt niet expres, het gebeurd gewoon.
Op school denken ze volgens mij dat ik het meisje met het perfecte leven ben, nou dat perfecte leven dat heb ik niet hoor. Nee, slecht heb ik het niet, maar er zijn best wel dingen die ik anders zou willen hebben. Op school kreeg ik bijvoorbeeld nogal vreemde reactie’s toen ze er, tijdens een normaal gesprek, achter kwamen dat mijn ouders gescheiden zijn. Reacties als: ‘Jouw ouders? Dat had ik nou nooit gedacht.’ En als je dan vraagt, waarom ze dat niet hadden gedacht, krijg je een vaag antwoord als ‘Gewoon omdat jij jij bent.’ Wat is dat nu weer voor een antwoord? Kom ik echt over als het meisje met het perfecte leven? Het meisje met de gelukkige ouders, het perfecte leven en de goede cijfers?
Ja, dat laatste klopt, ik haal goede cijfers. Maar veel doe ik er niet echt voor. Ik maak mijn huiswerk, leer voor belangrijke proefwerken maar daar houd het dan ook op. Zoveel tijd steek ik niet in school. Hoe ik dan aan die goede cijfers kom? Geen idee. Misschien omdat ik oplet tijdens de lessen en ik veel onthoud.
Klasgenoten denken van mij dat ik uren aan school besteed, maar dat doe ik echt niet. Of dat ik school leuk vind? Nee niet echt. Haat ik het? Nee ook niet. Ik ga gewoon omdat ik moet gaan en daar stopt het.
Ik ben het stille meisje waarvan ze zeggen ‘Dat weet zij wel, vraag maar aan haar’. Het meisje dat afzijdig staat van de andere leerlingen, maar toch ook weer niet helemaal buiten de groep staat. Mijn klasgenoten zijn geen goede vrienden van me, en dat vind ik ook helemaal niet erg. Ze accepteren me en praten tegen me als dat nodig is, ze geven antwoord als ik iets vraag. Dat is voor mij genoeg. Iedereen zegt altijd dat ze veel vrienden willen en zo, maar ik niet hoor. Ik ben altijd al blij als mensen me accepteren.
Ik ben denk ik gewoon niet zo’n mensen-mens. Ik kan heel goed opschieten met iemand die ik al langer ken, ik natuurlijk ik heb wel vrienden, maar ik ben niet zo goed met mensen. In het algemeen gesproken. Ik weet nooit wat ik moet zeggen, en volgens mij zet ik mezelf vaak voor gek als ik een gesprek met iemand probeer te voeren. Nee, omgaan met mensen is niet mijn sterkste punt. Ik heb denk ik gewoon tijd nodig om los te komen, want zodra ik iemand beter ken gaat het wel allemaal goed.
Het vreemde is dat ik over problemen wel heel makkelijk met vreemden praat. Ik praat bijvoorbeeld zonder moeite over de problemen met mijn ouders. Waarom ik daar wel makkelijk over praat, ik weet het niet. En ik weet ook dat het niet goed is, je thuissituatie en je problemen zomaar met iemand te bespreken die je kent, maar eigenlijk ook niet echt kent. Als je begrijpt wat ik bedoel. Dat gevoel dat je iemand kent, terwijl je die persoon eigenlijk helemaal niet kent.
Wat is nog meer dat minder aan mij is. Ik bedenk te snel smoesjes. Stel iemand vraagt aan mij ‘Heb je dit met stift gedaan?’ en die persoon heeft eerder tegen mij gezegd dat ik het met potlood moest doen. Dan begin ik meteen van ‘Ja, er zaten geen punten aan de potloden en ik kon geen puntenslijper vinden dus heb ik het maar met stift gedaan.’ Dat is typisch iets dat ik zou doen. En die andere persoon zou dan iets zeggen van ‘O, het had me toch niet zo uitgemaakt of je het met stift of potlood gedaan had, misschien vind ik het zo met potlood nog wel mooier.’
Ik verzin dus eigenlijk al te vroeg smoesjes. Ik gebruik ze zelfs in situaties waarin ik ze eigenlijk helemaal niet nodig had, als je er naderhand over na gaat denken. Sorry trouwens voor het rare voorbeeld, stift of potlood, maar ik kon zo snel niets anders bedenken.
Maar wie ben ik nu eigenlijk, dat zul je je wel afvragen. Mijn naam is Sheila. Ik ben een 17 jarig meisje. Ik woon bij mijn moeder. Ik ben volgens mij een heel normaal persoon. Ik ben niet lelijk, maar ook niet knap, en niet rijk maar ook niet arm. Een gewoon doorsnee meisje. Tenminste dat dacht ik, tot op een bepaald moment in mijn leven. Toen veranderde alles. Maar daar vertel ik je later wel meer over.
Ik ben verschrikkelijk slecht in sport. Ik ben totaal niet lenig. Ik ben te langzaam om een bal te vangen of ergens naartoe te rennen. Ik reageer te langzaam. Nee, sport is ook niet iets waar ik goed in ben. De enige sport die ik redelijk kan is paardrijden. Ik rij nu een jaar of zes, en ik kan het redelijk. Ik zeg altijd: ik ben geen Anky, maar ik kan wel paardrijden’. Dat houd dus in dat ik geen beginner meer ben, maar ook geen Grand-Prix ruiter.
Weet je wat ik zo leuk vind aan paardrijden? De samenwerking met je paard. Daar kan ik zo van genieten. Je bouwt een band op met het paard en met rijden merk je dat dan (als er een band is ontstaan). Je paard wil voor je werken, dat voel je. En dan voel je je zo goed, tijdens en ik ook vaak na het rijden. Dat gevoel, dat zou ik niet kwijt willen. Tegen dat gevoel kan geen een pilletje of glaasje drank op.
Daarover gesproken, daar doe ik dus ook niet aan. Alcohol, drugs en roken bedoel ik. Als iemand daar commentaar op heeft, hierbij mijn vaste antwoord: ik ben al leuk van mezelf en heb dus geen hulp nodig om leuk te zijn.
Eigenlijk vind ik alcohol gewoon heel smerig smaken, en roken stinkt verschrikkelijk. Uitgaan, daar doe ik ook niet aan. Ik ga natuurlijk weleens met iemand naar de bios, of uit eten ofzo. Of naar een feestje. Maar naar een café, mij niet gezien. Zelfs naar een schoolfeest ga ik misschien maar een keer per jaar, terwijl er toch zeker een stuk of vijf per jaar zijn. Ik vind het gewoon niets, die drukte. En die ene keer dat ik dan ga vind ik wel gezellig, zo met vrienden,maar dat is voor mij voldoende voor een heel jaar, een zo’n feest.
Toen ik mijn mavo-examen had gedaan was er van school een eindexamenfeest in een of ander café, of hoe je dat ook noemt waar ze zo’n feest houden. Je stond tegen elkaar aan geplet en werd half omver gelopen. En niet te vergeten het bier dat je over je heen kreeg als iemand met een glas drank een weg probeerde te banen door de massa mensen. En dat lukt dan natuurlijk niet, die persoon krijgt genoeg duwen van de dansende mensen, en ja dan zit je zo onder de drank. En al die drank op de vloer. Ik was gewoon letterlijk een paar keer over bijna mijn ballerina kwijt die ik toen aan had. Ze bleven gewoon aan de vloer vastgeplakt zitten.
Nee, zoals je al kunt merken, uitgaan is niets voor mij. Wat een saai persoon zul je vast denken, maar daar heb ik geen problemen mee. Ik zal het nog sterker maken voor je: ik zit het liefste de hele dag op mijn kamer te lezen als ik niet bij de paarden ben. Ik heb zoveel boeken dat mijn oom een boekenrek voor me heeft gemaakt. Want ja, op een zolder met een schuin dak, daar passen hoge boekenkasten niet. Dus ik heb een speciaal voor mijn kamer opmaat gemaakt boekenrek. Helemaal vol.
Ik denk dat je nu wel genoeg over mij weet om aan dit verhaal te beginnen. Het verhaal over het meisje dat zo gewoon leek, en zo gewoon dacht te zijn, maar het toch niet bleek te zijn. . .
Hoofdstuk 1
Piep piep piep piep piep. Het meest irritante geluid ter wereld: de wekker. Nog half slapend draaide ik me om, mijn hand rond tastend naar het alarmknopje op mijn wekker. Het voelde alsof ik pas net was gaan slapen, maar mijn wekker gaf toch echt aan dat het al half negen was.
Het was nog donker in mijn kamer, en om te voorkomen dat ik weer in slaap zou vallen, zoals zo vaak, stapte ik uit mijn bed en rolde ik mijn rolgordijn omhoog. Meteen scheen de felle zon mijn kamer binnen. Een typische nazomerdag. Een fel zonnetje, wat wolken en een aangename temperatuur, als je tenminste wat meer aantrok dan het zomerse rokje en topje. Een perfecte dag om paard te gaan rijden.
Ik trok mijn stalkleding aan, een paardrijbroek en een topje met daaroverheen een dun vestje, en liep de trap af naar de badkamer. Even later liep ik met gepoetste tanden, gekamd haar en een gewassen gezicht de trap af naar beneden.
Mijn moeder was al naar haar werk, en ik was dus alleen. Dat maakte me niet zoveel uit, aangezien ik zo meteen ook weg zou gaan naar stal. In de keuken zocht ik mijn ontbijt bij elkaar; wat brood, een glas sinasappelsap, boter en hagelslag. Toen ik alles op de ontbijttafel wilde zetten zag ik dat er een gele post-it op tafel gekleefd zat. Ik zette de spullen neer en pakte het papiertje.
Goedemorgen Sheila! Hopelijk heb je goed geslapen. Ik ben laat vandaag, ik ga uit eten met een collega. Er staat een restje spaghetti in de koelkast, maar het is ook goed als je iets te eten gaat halen. Veel plezier vandaag op stal! X Mama
Typisch mijn moeder. Ik was blij dat ze lekker uitging, als ze naast haar werk alleen maar thuis zou zitten zou ik het ook niets gevonden hebben, maar de laatste tijd ging ze er wel erg vaak opuit. De ene keer uit lunchen met een collega, de andere keer een feestje bij een kennis, een diner met vrienden, het hield niet op.
Ineens merkte ik dat ik glimlachte. Ik had er eigenlijk nog nooit echt bij stil gestaan, maar misschien had mijn moeder wel een nieuwe vriend. Nadat mijn moeder nu drie jaar geleden was gescheiden van mijn stiefvader, een verschrikkelijke man die haar als een slaafje behandelde in huis en met wie ik het nooit goed had kunnen vinden, had ze geen nieuwe vriend gehad.
Integendeel, de eerste anderhalf jaar had ze echt naast haar werk thuis doorgebracht, en ze ging niet uit. Ik was niet de enige geweest die het er niet mee eens was geweest dat ze de hele tijd thuis zat, ook mijn tante Evelien had dat gevonden. En na lang zeuren en aanmoedigen van mij en mijn tante was mijn moeder dan eindelijk weer uit gegaan. Ze ging uit eten met collega’s, ging weleens naar een feestje, iets dat ze eerder echt niet gedaan had.
Mijn moeder was weer opgebloeid na de donkere periode na de scheiding. En nu had ze dus misschien wel een nieuwe vriend. Ik was hier blij mee, want zolang mijn moeder blij was, was ik dat ook.
Enige tijd later had ik gegeten en had ik mijn spullen verzameld. Ik was klaar voor een dagje bij de paarden en ik pakte mijn tas van de kapstok en liep naar de schuur. Daar pakte ik wat appels en wortels en ik gooide die in mijn tas. Vervolgens pakte ik mijn fiets en ik ging op weg.
Ik begon net als elke andere dag mijn fietstochtje naar stal. Het was een dik kwartier fietsen, maar ik vond het niet zo erg. Behalve dan als het bloedheet, erg koud of regenachtig was. Gelukkig kon ik met dat soort weer met iemand van stal meerijden die met de auto was. Ik kon zelf niet wachten tot ik achttien was, dan kon ik mijn rijbewijs halen en zelf met de auto naar stal rijden. Maar daar moest ik nog wel even op wachten. Vier maanden om precies te zijn.
Het was rustig op de weg, en ik had eens een keer alle stoplichten mee. Soms moest ik erg lang wachten tot ze op groen gingen, maar vandaag leek het alsof alle stoplichten op groen gingen als ik aan kwam rijden.
Binnen een kleine twintig minuten reed ik het bospad op dat naar stal leidde. Een stal gelegen in het bos, ideaal denken veel mensen, maar zomers wordt je opgevreten door de horzels en andere beesten. Maar dat had ik wel over voor de mooie buitenritten die je in het bos kon maken. Een minuutje later reed ik onder de hoge houten boog door die aangaf dat ik op het landgoed dat bij de stal hoorde kwam. In de top van de houten boog hing een bord, met de tekst Welkom op Stal Mistletoe. Ja echt zo heette het, Stal Mistletoe. Mistletoe als in kerstmis mistletoe. Zoenen onder de mistletoe. Niet dat dat mij ooit gebeurd was. Zoenen in het algemeen niet.
Het stal was zo genoemd omdat de eerste eigenaren van het landgoed er veel maretak planten hadden. Die mensen hadden geleefd van de handel in die planten, en hadden het eerst Landgoed Mistletoe genoemd, maar in de loop der tijd kwamen er ook paarden op het landgoed en zo ontstond Stal Mistletoe.
Nu staan er een stallencomplex, een kantine, een huis, een zadelkamer, een voeropslag en een opslag voor machines en rijtuigen op het landgoed. Ook zijn er grote weilanden, verschillende paddocks en een buitenbak.
Ik kwam al ruim twee jaar op deze stal, minimaal twee keer per week hielp ik met klusjes in de stallen en de verzorging van de paarden. Ik had het hier altijd al naar mijn zin gehad. De mensen waren aardig en de paarden geweldig.
Ik stapte van mijn fiets af en bleef even staan om van het uitzicht te genieten. Van waar ik stond kon ik precies over het landgoed uitkijken. Het grote groene stalgebouw, met de bovenste buitendeuren van sommige stallen geopend, hier en daar stak een paardenhoofd naar buiten. In de weilanden stonden verschillende paarden te grazen. In de buitenbak was iemand aan het rijden. Twan, de stalhulp liep met zijn kruiwagen over het terrein, op weg naar de mesthoop. Het was nu allemaal nog zo rustig, maar ik wist dat daar in een paar uur verandering in zou komen. In de middag kwamen de pensionklanten naar hun paarden kijken, kwamen er mensen lessen en kwamen er mensen rondkijken.
Ik zuchtte diep en liep door de poort, met mijn fiets aan de hand. Ik zette mijn fiets tegen de grote dikke eikenboom naast de kantine en liep op Twan af. Twan had net zijn kruiwagen op de mesthoop geleegd en liep terug richting de stallen. Toen hij mij aan zag komen lopen zette hij zijn kruiwagen neer. ‘Zo, daar hebben we Sheila’ merkte hij op. Ik keek hem vragend aan, niet helemaal snappend wat hij met dat zo, daar bedoelde, ik was toch niet laat? Ik wierp een blik op mijn horloge, nee ik was niet te laat.
Twan had door dat ik me weer druk liep te maken en grijnsde. ‘Te laat om me te helpen met uitmesten’ grapte hij.
Ik haalde opgelucht adem, blij dat het me nu duidelijk was. Ik was nogal een stresskip. En Twan maakte daar maar al te graag gebruik van. Als hij een kans kreeg om me de kast op te jagen nam hij die gretig met beide handen aan. Maar Twan kon ook heel serieus zijn, als er iets was dan was hij er ook voor me. Hij was mijn maatje.
Het was fijn iemand op stal te hebben waarmee je goed op kon schieten, dat was wel handig voor de samenwerking. Want op stal moest je samenwerken wilde je dingen gedaan krijgen.
Twan pakte zijn kruiwagen weer op en liep richting de stallen, ik volgde hem op de voet. ‘Eigen schuld’ zei ik hem zo luchtig mogelijk. ‘Dan had je me maar moeten laten weten dat je eerder zou beginnen of je had moeten wachten met uitmesten totdat ik er was. Dan had ik je geholpen.’ En met een lach op mijn gezicht liep ik de stal binnen.
Commador hinnikte vrolijk naar me toen ik de stal binnen kwam. Commador was mijn verzorgpaard. Anke, de eigenaar van de stal, had hem gekocht toen hij drie jaar oud was voor haar dochter Yazmina. Dat was nu drie jaar geleden. Maar Yazmina had geen klink gehad met Commador. Hij zou weer doorverkocht worden, maar Anke was dol geworden op de lieve maar eigenwijze Commador. Ze had hem maar gehouden, en ik zorgde voor hem. In ruil daarvoor kreeg ik eens per week een uur les met hem van Anke.
Commador was een geweldig paard om mee te werken. Hij wilde voor je werken, en was wel eigenwijs maar luisterde als het erop aan kwam wel. Het was een grote bruine ruin, met een kolletje en een wit voetje.
Ik aaide Commador even over zijn neus en liep daarna door de achterste deur in de stal weer naar buiten, richting de buitenbak. Ik zag dat Anke net afsteeg van Lady C, een van haar wedstrijdpaarden. ‘Goedemorgen Sheila’ begroette ze me enthousiast toen ze me aan zag komen lopen. ‘Hoe is het allemaal met je?’
‘Goed hoor’ antwoordde ik terwijl ik naar haar toe liep. ‘Zo zijn gangetje.’
Anke knikte. ‘Rustig dagje vandaag, dus als je zin hebt mag je wel met Commador naar buiten’ zei ze terwijl ze de stijgbeugels opstak.
‘Tuurlijk’ antwoordde ik blij, en ik voelde dat ik lachte. Ik mocht wel vaker met Commador gaan rijden, maar meteen ’s morgens al? Nee, dat was nog niet voor gekomen. En natuurlijk sloeg ik zo’n aanbod niet af.
‘Twan gaat ook mee, met Quickers’ voegde Anke toe. ‘En maak je geen zorgen om de tijd,het zal in de loop van de middag pas druk worden op stal.’
‘Oké’ zei ik ‘Dankjewel, tot straks dan maar!’ en ik liep weer terug richting de stallen.
Toen ik naar de zadelkamer wilde lopen om het tuig van Commador te halen, kwam ik langs de stal van Quickers, de vosmerrie waar Twan voor zorgde. Twan was bezig Quickers op te zadelen.
‘Je wist er van en je zegt niets tegen me?!’ zei ik gemaakt boos tegen hem. Geschrokken keek Twan op. ‘Ik uhm . . . Ik dacht nou ja Anke. . . ‘ stamelde hij.
Ik moest lachen. Twan dacht echt dat ik boos was, en het lukte me eigenlijk nooit om hem voor de gek te houden, hij kende me te goed en had me altijd door.
Twan’s gezicht klaarde op toen hij zag dat ik lachte. Hij moest ook lachen. ‘Waarom trap ik er nou in?’ vroeg hij met een gemaakte dramatische stem.
‘Geen idee’ antwoordde ik zo luchtig mogelijk, en ik liep door om Commador’s tuig uit de zadelkamer te halen.
Even later stond Commador opgezadeld en wel klaar voor de rit en ik had mijn rijlaarzen aangedaan en mijn cap opgezet. Ik nam Commador mee naar buiten en steeg op. Terwijl ik dat aan het doen was kwam Twan met Quickers naar buiten en ook hij steeg op.
Zo begonnen wij zij aan zij aan een mooie bosrit in de morgen, niet wetende dat mijn leven na deze rit nooit meer hetzelfde zou zijn.
Hoofdstuk 2
Een tijd later waren we al goed op weg op onze bosrit, het was een perfect moment voor een rit. Het was nog in de morgen, dus het was niet druk in het bos.
Het was een fijn bos, maar het had ook zijn minpunten. Zo waren er hele groepen fietsers en wandelaars die gebruik maakten van de ruiterpaden in plaats van de fiets- en wandelpaden. Op een gegeven moment wende je er wel aan, maar toch leverde het soms gevaarlijke situaties op. Als je bijvoorbeeld lekker aan het galopperen was op een daarvoor ideaal pad, en je moest ineens vol op de rem omdat een groep wandelaars de weg versperden. Of de paarden schrokken van krijsende kinderen die naar huis wilden, of van de op afstand bestuurbare auto’s waarmee mensen regelmatig races hielden op de ruiterpaden.
Maar daar hadden we die morgen geen last van. We konden heerlijk ongestoord doorrijden. Ook de paarden leken te genieten; ze liepen vrolijk door met de oren naar voren.
Op een gegeven moment moesten we gaan stappen omdat we op de heide kwamen, en hierlangs liep een weg. Ook was er een restaurant op de heide, waar veel wandelaars en fietsers gebruik van maakten.
Rustig achter Twan aanstappend reden we langs het restaurant richting het plasje water op de heide. Twan had eerder tijdens de rit opgemerkt dat het wel een mooie dag was om met de paarden door het water te lopen. Dit deden we wel vaker als we op buitenrit waren en het was mooi weer, en ook dit keer vond Commador het heerlijk om door het voor hem tot zijn buik komende water te stappen.
We stapten door het water toen ineens iemand riep ‘Evelin?’
Ik keek, net als Twan en meerdere mensen die op de heide waren op, om te kijken wat er aan de hand was. Ik zag niets. Totdat ik hem naast de plas water zag staan. Zijn donkerblonde halflange haar, zijn driekwart broek, zijn T-shirt.
Dat zag ik eerst, gewoon een jongen die langs het water stond, maar toen ontmoette ik zijn blik met de mijne. Zijn groen bruine ogen staarden vol verwondering naar me. ‘Evelin?’ vroeg hij dit keer, nu zachter.
‘Nee, Sheila’ zei Twan opeens. Ik verbrak het oogcontact met de jongen en keek opzij, Twan was naast me komen staan. Ik had het niet eens gemerkt.
De jongen naast het water keurde Twan geen blik waardig, hij keek nog steeds naar mij. Ik voelde zijn ogen branden. Toen richtte hij zich opeens tot Twan. ‘Sorry’ verontschuldigde hij zich. ‘Ik dacht dat je iemand anders was.’ Maar in zijn ogen zag ik iets waarvan ik niet precies kan zeggen wat het was. Het was iets van vastberadenheid, of herkenning, of misschien wel allebei. Ik wist het niet.
En toen draaide hij zich opeens om. Na een paar passen bleef hij stilstaan en riep ‘Taxi’. Na een paar seconden kwam er een chocolade bruine labrador naar hem toe, en de jongen lijnde hem aan. Hij liep verder en verdween even later het bos in.
‘Sheila, is alles goed?’ vroeg Twan. Ik had niet eens in de gaten gehad dat ik nog steeds naar de plek waar de jongen het bos in was verdwenen keek. Ik wendde me tot Twan. ‘Ja, hoezo’ vroeg ik hem, en ik hoorde dat mijn stem iets of wat onzeker klonk.
Twan leek het nu allemaal oké te vinden en hij knikte. ‘Zullen we verder gaan?’ vroeg hij. Ik knikte en we vervolgden onze rit.
Toch bleef de jongen in mijn gedachten, maar ik moest me concentreren op het rijden en het werk, en met veel moeite wist ik de gedachten naar een plekje achterin mijn hoofd te verbannen. Ik prentte mezelf in dat hij gewoon een jongen was, die me voor iemand anders aan had gezien. Niets meer. Ook al voelde ik vanbinnen dat er wel iets meer was, want hij had zo naar me gekeken. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, maar toch prentte ik mezelf in dat het niets bijzonders was geweest.
De dag vloog voorbij. Twan en ik waren tegen de middag terug gekomen van onze rit en de middag was verder vrij rustig voorlopen. Nadat we de paarden verzorgd hadden gingen we verder met onze klusjes in stal. Ik dacht niet meer aan de jongen.
Anke zag ik pas weer toen ik naar huis wilde gaan. Ze had het de hele middag druk gehad met lesgeven. ‘Was het nog leuk buiten?’ vroeg ze toen ik mijn spullen in stal aan het verzamelen was.
‘Het was heerlijk’ antwoordde ik. ‘Lekker weer, fantastische paarden. En, ik werd voor iemand anders aan gezien, zoals zo vaak.’ voegde ik toe.
Anke lachte. ‘Ja, dat heb je hè, als je er zo uit ziet als jij.’ Toen ze zag dat ik beledigd was voegde ze toe ‘Ik bedoel, ik kan me best voorstellen dat iemand zich vergist als ze jou zien. Niet negatief of zo, maar jij bent, hoe zeg je dat’ ze dacht even na. ‘Plain, ik bedoel daarmee niet saai, maar gewoon. . . hoe zag ik dat nou. . .’
Ik verloste Anke uit haar zoektocht naar woorden. ‘Ik snap wat je bedoelt, het is niet erg dat je dat zegt.’
Ik snapte wat ze bedoelde, maar toch ook weer niet. Ik was normaal, gewoontjes misschien wel. En met een beetje fantasie kon iemand mij makkelijk voor iemand anders aan zien.
‘O, en ik wilde je nog wat vragen over donderdag.’ zei Anke opeens. ‘Donderdag ga ik met Lady op wedstrijd, en het is de hele dag, ik moet ’s morgens om zes uur weg en ben ’s avonds pas terug. Zouden jij en Twan dan hier de boel in de gaten willen houden?’
Of ik dat wilde? Natuurlijk. Een dag alles regelen op stal, en dat ze mij en Twan daar genoeg voor vertrouwde.
En zo spraken we af, dat ik samen met Twan, die donderdag de stal zou runnen, voor een dag.
Die avond besloot ik maar een frietje of zoiets te gaan halen, echt zin in een restje spaghetti had ik niet. Mijn moeder was uit eten, dus ik bedacht; waarom zou ik dat dan niet doen?
Ik belde Stacy, een vriendin van school waarmee ik weleens naar de bioscoop ging of uit winkelen. Ik kende haar al vanaf de basisschool, en sinds die tijd gingen we al regelmatig samen ergens naartoe. Echte hartsvriendinnen waren we niet, we kenden elkaar en gingen gezellig ergens heen, maar daar hielden we het ook bij. Zij had haar eigen leven, en ik de mijne.
Ik belde haar op en ze stemde meteen enthousiast in. We spraken af dat ze over een halfuur bij mijn huis zou zijn, en dan zouden we naar Healey’s gaan, een restaurant in de buurt.
Healey’s was een klein, gezellig restaurant dat een paar straten verderop lag. Je kon er voor weinig erg lekker eten. Het was het enige restaurant in het centrum van Stadsbeek. Stadsbeek was maar een klein dorpje, met een supermarkt, een restaurant, een basisschool en een gemeenschapshuis. Als je wilde gaan winkelen of iets anders, moest je een minuut of twintig met de auto rijden naar Moorland, de dichtstbijzijnde grotere stad.
Omdat ik nog een halfuur had sprong ik snel onder de douche door en trok ik andere kleren aan. Ik besloot mijn nieuwe driekwart broek aan te trekken en een simpel T-shirt. Daarna pakte ik mijn tas van de haak aan mijn slaapkamerdeur en liep ik de trap af naar beneden.
Precies op dat moment werd er aangebeld. Stacy. ‘Hoi Shi!’ begroette ze me enthousiast terwijl ik haar binnen liet. Eenmaal binnen bekeek ze me van top tot teen, zoals ze wel vaker deed om te kijken wat ik aan had, en of wat ik aan had haar goedkeuring kon krijgen.
‘Nieuwe broek?’ vroeg ze terwijl ik mijn Le Coq Sportif gympen aantrok.
‘Mmm. . . ‘ antwoordde ik, me niet echt concentrerend op wat Stacy zei, omdat ik aan het vechten was met de veters van mijn schoenen.
‘Nou, een beetje enthousiaster mag wel’ merkte Stacy op.
Schuldig ging ik rechtop staan, ik had haar immers mee gevraagd en nu deed ik zo ongezellig. ‘Sorry’ verontschuldigde ik me daarom ook. ‘Let’s go’ probeerde ik daarna enthousiast, en ik pakte mijn tas. ‘Ik rammel’
‘En anders ik wel’ stemde Stacy in.
Het was een minuut of tien lopen naar Healey’s. Er was nog plaats genoeg in het restaurant, het was dan ook een gewone doordeweekse avond. Het was wel vakantie, maar misschien had dat er juist wel mee te maken dat het zo rustig was. De meeste inwoners van Stadsbeek waren lekker op vakantie, en dat nam ik ze echt niet kwalijk. Hier viel toch niets te beleven, dus waarom zou je niet ergens anders naartoe gaan als dat kon?
Stacy koos meteen een tafel achterin het restaurant, daar was het wat meer afgescheiden. Uit ervaring wist ik dat als je voorin ging zitten, je de hele tijd het gevoel had dat als er iemand langs liep deze persoon op je bord zat te kijken.
Ik schoof op de bank tegenover Stacy, die de menukaart al aan het bekijken was.
‘Hm. . . wat zal ik eens nemen?’ dacht ze hardop.’Hamburger? Nee, saai. Vis? Nee.’
Stacy was een hele aardige meid en ik kon best goed met haar opschieten. Tot op een bepaald niveau. We konden gezellig met elkaar praten, maar we vertelden elkaar niet alles.
Stacy was net als ik zeventien, had lang blond haar en blauwe ogen. Ze was knap en dat wist ze. Niet dat ze erover opschepte of zo, maar ze wist dat ze het in haar voordeel kon gebruiken. En dat deed ze soms dan ook.
‘ Ik neem de gegrilde kip’ deelde ze mee. ‘Wat neem jij Sheila?’
Ja, dat was een goede vraag, wat nam ik? Om Stacy niet te laten wachten besloot ik snel; ‘Ik ook.’
Stacy keek me verwonderend aan, volgens mij vroeg ze zich af of er iets met me aan de hand was. Ik snapte waarom ze dat dacht, ik nam nooit hetzelfde gerecht als zij nam.
‘Het klinkt lekker’ verdedigde ik mezelf. Gelukkig leek Stacy daar genoegen mee te nemen en hield ze erover op. Ik wilde dat het gewoon een gezellig avondje uit zou worden, en niets meer. Maar ook niets minder.
Nadat we heerlijk hadden gegeten zei Stacy ineens dat ze naar huis moest. Dit verbaasde me een beetje, want de keren dat we samen weg geweest waren, was juist ik het altijd geweest die zei dat ik naar huis moest. Stacy had nog nooit gezegd dat ze op een bepaalde tijd thuis moest zijn. Maar ik besloot er niet op in te gaan, het was een gezellige avond geweest en dat wilde ik niet verpesten omdat ik me als een bemoeial gedroeg. En we zouden uit eten gaan, en we hadden gegeten, dus wat kon ik zeggen.
‘Oké, dan zie ik je binnenkort wel weer. Leuk dat je mee was’ Ik probeerde het zo onverschillig mogelijk te laten klinken. ‘Ik moet nog even naar de supermarkt.’
Ik had eigenlijk geplant dat ik de volgende dag naar de supermarkt zou gaan, maar ik was nu toch in de buurt en de winkel was toch tot acht uur open, en het was nog geen zeven uur.
Dus ik liep naar de supermarkt, twee straten verderop. Eenmaal binnen pakte ik een mandje en begon ik automatisch te bedenken wat ik allemaal nodig had. Brood, beleg, kaas, melk, een pak sinasappelsap, iets te eten voor morgenavond.
Ik stond bij de koeling toen ik ineens een gevoel over me heen voelde komen. Het leek wel of er een deken van rust over me heen kwam. Ik voelde dat er iets veranderd was in mijn omgeving. Ik keek rond om te kijken wat er aan de hand was. En toen zag ik hem. De jongen die me Evelin genoemd had.
Hij stond nog geen vijf meter verderop, en ik zag dat hij mij ook gezien had. Ik probeerde hem zo onopvallend mogelijk op te nemen. Zijn halflange blonde haar leek zorgvuldig warrig gemaakt te zijn, zijn perfecte gezicht. Alles was in verhouding, geen een onderdeel bracht een ander uit balans. Zijn groen bruine ogen stonden helder en leken me geïnteresseerd op te nemen.
Hij droeg een spijkerbroek en een T-shirt. Maar toen viel me ineens iets op. Het leek alsof zijn gezicht licht gaf. Alsof er een licht van binnenuit scheen.
Ik vond het raar, maar het voelde niet eng. Het was anders, maar het voelde vertrouwd. Dat verbaasde me helemaal. Het drong toen pas tot me door wat ik dacht. Het voelde vertrouwd. Hoe kon dat nou, ik kende hem helemaal niet en ik wist honderd procent zeker dat ik nog nooit eerder iemand had gezien die licht gaf. Anders kon ik het niet verwoorden, hij leek licht te geven.
Ik was verbouwereerd, verward en nog zo’n miljoen andere dingen. Om wat te doen te hebben bekeek ik alle pakken melk op houdbaarheidsdatum. Ik was er zo mee bezig dat ik niet merkte dat hij naar me toe kwam lopen.
‘Sheila was het toch?’
Verast keek ik op. Hij stond op nog geen meter afstand, en hij glom nog steeds. Ik knikte. Hij sprak met een heldere, warme stem. ‘Ik wil me nogmaals verontschuldigen voor wat er vanmiddag gebeurde.’
Nu keek ik pas echt. Meteen werd mijn blik naar zijn ogen getrokken, alsof het magneten waren.
Ik voelde me warm worden en sloeg mijn ogen neer. Ik raapte al mijn moed bij elkaar en probeerde zo luchtig mogelijk te zeggen ‘Ja, dat klopt, ik ben Sheila. Jij weet mijn naam maar ik de jouwe niet.’ Maar toen het eruit was wist ik dat mijn stem niet luchtig geklonken had, maar verlegen.
Hij glimlachte en stak zijn hand naar me uit ‘Adam. Adam Winter’ stelde hij zich voor.
Ik pakte zijn uitgestoken hand, iets anders doen kon ik niet. Hij schudde mijn hand stevig maar hij pompte niet aan mijn arm. Zijn hand voelde goed op de mijne bedacht ik me ineens. Ik schrok van die gedachte, we waren gewoon een gesprek aan het voeren en dit zou me niet helpen beter uit mijn woorden te komen.
Adam kneep zachtjes in mijn hand voor hij hem losliet.
‘Het geeft niet’ stamelde ik. ‘Van vanmiddag bedoel ik.’ Ik slikte. ‘Dat hebben mensen wel vaker als ze mij zien.’
Adam’s gezicht vertelde me dat hij geen barst snapte van wat ik bedoelde. ‘Ik weet ook niet waarom, dat gebeurde gewoon wel vaker’ verklaarde ik.
Ik zag dat hij er nog steeds niet veel van snapte. ‘Zo, dus jij doet boodschappen.’ zei ik, in een verwoedde poging om mezelf uit de vreemde situatie te redden.
Zijn gezicht klaarde op en er verscheen een glimlach. ‘Ja. Jij ook dus?’ kaatste hij terug.
Ik voelde mezelf rood worden. ‘Ja, eten en zo, je weet wel.’ En ik pakte een pak melk en legde die in mijn mandje.
‘Sorry’ zei hij opeens met een zachte stem. Ik wist niet waarvoor hij zich veronschuldigde, maar voor ik ernaar kon vragen zei hij op normaal volume in zijn heldere stem ‘Melk, ook lekker!’
Hij bracht me weer van mijn stuk en wat ik moest antwoorden wist ik niet. Dus ik begon te praten over eten, het weer en dat soort dingen. Pratend over koetjes en kalfjes liepen we door de supermarkt.
Bij de kassa liet Adam me voorgaan en ik rekende mijn boodschappen af. Ik propte alles in een plastic zak, en die puilde uit toen alles erin zat.
Ik wachtte tot Adam zijn spullen had afgerekend, en maakte van de gelegenheid gebruik om te kijken wat hij allemaal kocht. Volkoren brood, melk, appels, yoghurt en kip. Daarnaast had hij nog wat kleine dingen, maar het was allemaal gezond.
En ik had een zak chips en een zak M&M’s. Het was vreemd geweest als hij ook veel snacks had, bedacht ik me. Hij had een slank postuur, maar toch zag hij er gespierd uit.
‘Nogal een zware tas heb je’ onderbrak hij mijn gedachten, en mijn gestaar. Mijn tas was inderdaad zwaar, de hengsels sneden in mijn vingers maar het was niet onmogelijk voor me om te dragen. Maar Adam dacht daar blijkbaar anders over want hij pakte zonder dat ik iets kon doen de tas uit mijn hand en begon te lopen.
‘Dat is helemaal niet nodig’ bracht ik in, maar hij luisterde niet en liep gewoon door. Ik volgde hem, en mijn boodschappentas. Hij liep de parkeerplaats voor de supermarkt op en viste een sleutel uit zijn broekzak, terwijl hij de twee tassen in een hand droeg.
De lichten van een blauwe Audi knipperden. Ik wist nog steeds niet wat hij van plan was, dus liep ik achter hem aan.
Hij had ondertussen de kofferbak geopend en was de tassen in de auto aan het zetten.
‘Uhm. . . , wat doe je?’ vroeg ik onbeholpen.
‘Tassen in de auto zetten’ was zijn droge antwoord, maar ik dacht toch een lach in zijn stem te horen.
Ik raapte mezelf bijeen, ik had me al genoeg voor gek gezet. ‘Dat zie ik’ kaatste ik terug. ‘Maar dat is mijn tas met boodschappen.’
Adam gooide de klep van de auto dicht. ‘Daarom juist, jouw tas is zwaar dus ik breng jou en je tas naar huis.’ Hij liep naar de bestuurderskant van de auto en stapte in.
Mijn hersens kraakten zo hard dat ik bang was dat iedereen het kon horen. Zomaar bij hem instappen was geen goed plan schreeuwde mijn verstand me toe. Maar mijn gevoel zei iets heel anders. Mijn gevoel vond hem helemaal geen vreemde, sterker nog, ik had het gevoel dat ik Adam heel goed kende.
Zonder er verder nog bij na te denken stapte ik in zijn auto.
Toen ik in zijn auto zat voelde ik meteen een golf van rust over me heen komen. Alle spanning vloeide uit mijn lichaam. Ik voelde me veilig. Ik schrok van deze gedachte, want hoe kon ik me veilig voelen bij iemand die ik helemaal niet kende? Maar al snel vergat ik deze gedachte omdat ik me zo prettig voelde in Adam’s aanwezigheid.
Ik deed mijn gordel om en wendde me tot Adam ‘Waar gaan we naartoe?’.
Adam lachte. Zij ogen glommen mee. ‘Naar dezelfde plek als je boodschappen naartoe moeten. En waar is dat?’
Ik voelde het schaamrood over mijn wangen trekken. Hij moest nu wel denken dat ik niet helemaal goed wijs was. Snel noemde ik mijn adres en zonder er nog verder op in te gaan reed Adam weg.
Na een paar minuten van stilte kon ik mijn nieuwsgierigheid niet meer bedwingen. ‘Adam?’ begon ik twijfelend. ‘Ja’ reageerde hij meteen. ‘Mag ik je iets vragen?’ ging ik voorzichtig verder.
Adam leek verbaasd over mijn voorzichtige aanpak. ‘Natuurlijk’ zei hij.
Ik twijfelde. Adam zag het en glimlachte. Dat bracht me nogmeer van mijn stuk. Zijn glimlach deed zijn hele gezicht oplichten, en zijn ogen deden mee.
Ik had niet in de gaten dat ik naar hem staarde, maar met een ‘Ja?’ van Adam werd ik uit mijn trans gehaald. Ik probeerde mijn gedachten weer helder te krijgen.
‘Nou. . .’ begon ik. ‘Ik vroeg me af... .’ Ik slikte. ‘Ik vroeg me af wie Evelin is?’
Adam veranderde in een standbeeld. Ineens waren zijn gelaatstrekken van warm in ijskoud veranderd. Maar ik kon het me ook verbeeld hebben, want toen ik met mijn ogen geknipperd had zat hij weer net als voorheen rustig en relaxed achter het stuur.
‘Sorry. . .’ verontschuldigde ik me, maar Adam brak me af.
‘Nee het is goed’ zei hij. ‘Evelin was iemand die ik heel goed kende.’ Hij slikte. ‘Iemand die ik kende van vroeger maar met wie ik het contact verloren heb.’
Dat was alles dat hij erover zei. Ik kon zien dat het niet iets was waar hij makkelijk over praatte.
Maar voor mij was dit genoeg om op te maken dat Evelin een belangrijk persoon voor hem is, of was. Dat wist ik dan weer niet.
Op dat moment reden we mijn straat in. Zoals ik al had gedacht was mijn moeder er nog niet; haar auto stond niet op de oprit en er brandde geen licht in huis. De digitale klok op het dashboard vertelde me dat het nog geen acht uur was. Ik had gedacht dat het al veel later was.
Adam parkeerde op de oprit en stapte uit. Dat had ik niet verwacht. Ik had gedacht dat ik gewoon uit zou stappen en dat dat het was. Maar het leek dus heel anders te gaan dan ik gedacht had.
Hoofdstuk 3
Die avond had Adam erop gestaan mijn tas naar binnen te dragen. Ik had zijn aanbod aangenomen en hem iets te drinken aangeboden. Ik had zover ik weet, mezelf niet nog erger voor schut gezet.
Mijn moeder had me wel gebeld toen hij er nog was, om me te vertellen dat ze nog later zou zijn dan normaal omdat het zo gezellig was. Adam had gewoon op de bank gezeten, zijn cola gedronken en was toen weer weggegaan. Ik had niet geweten wat ik moest doen en had om iets te doen de boodschappen maar opgeruimd.
Toen hij me vertelde dat hij weg moest had ik dat helemaal niet verwacht, ik denk dat dat kwam omdat ik niet wist wat ik behoorde te doen. Want ja, wat doe je als er ineens een jongen in je huis zit.
Om die reden was ik ook wel opgelucht dat hij weg ging.
Ik liep voor Adam de gang in en opende de voordeur. ‘Tot ziens dan maar’ zei ik iets of wat onwennig. Hij knikte. ‘Ja, tot ziens.’
Ineens stak hij zijn hand uit en raakte hij mijn hand aan. Het was maar een seconde, maar toch voelde ik mijn hele arm tintelen.
Toen draaide hij zich om en liep het pad af. Mij verbouwereerd in de gang achterlatend.
Na een paar minuten kwamen mijn hersens weer op gang en realiseerde ik me dat ik nog steeds in de deuropening stond. Snel sloot ik de deur en liep het huis weer in.
Ik liet mezelf op de bank vallen en probeerde alles eens op een rijtje te zetten. Het was een vreemde dag geweest.
Hoe kon het toch zijn dat ik voor het eerst in mijn leven iemand zag, die ik nooit eerder gezien had, maar toch het idee had dat ik deze persoon al heel lang kende.
Adam. Zijn naam spookte door mijn hoofd. Hoe kon het dat ik me veilig bij hem voelde, terwijl ik hem niet eens kende?
Om van mijn vragen af te komen probeerde ik bij elkaar te krijgen wat ik al van hem wist.
Hij moest minimaal 18 zijn, want hij reed auto. Hij had een blauwe Audi. Hij heette Adam Winters. Hij kocht normale boodschappen. Hij kende iemand die Evelin heette en hij had geen contact meer met haar.
Dat was alles dat ik van hem wist. Maar hoe kon het dan toch dat ik het gevoel had dat ik hem al heel lang kende?
De dagen daarna kwam Adam nog regelmatig in mijn gedachten voor. Waarom ik elke keer aan hem moest denken wist ik niet, ik wist alleen dat ik me goed voelde bij hem.
Ik merkte dat ik mezelf gek aan het maken was door aan hem te denken, verbood ik mezelf nog aan hem te denken. Althans, ik deed een poging om dat te doen. Soms dook hij ineens op in mijn hoofd, maar ik slaagde er aardig in. Adam was immers gewoon een beleefde jongen die me had geholpen mijn tas boodschappen thuis te brengen, en ik zou hem toch nooit meer zien.
Ik concentreerde me op de gewone dagelijkse dingen. Ik ging op pad met mijn moeder: we gingen samen winkelen. Ik kreeg nieuwe kleding, en ondertussen probeerde ik uit te vinden of ze een nieuwe vriend had. Maar daar kwam ik niet achter. Als ik mijn moeder er iets over vroeg draaide ze eromheen. Ik werd er niet veel wijzer van. Ik gaf het maar op, wetende dat als mijn moeder iets niet wilde zeggen, ze dat ook niet zou zeggen.
Ik hielp op stal, ruimde mijn kamer op en ging naar de bioscoop met Stacy.
Ik besloot een tv avond in te lassen, het was immers vakantie en toverde een stapel films tevoorschijn. Ik had geen grote collectie, maar wel dé films voor een avondje op de bank met je verstand op nul: The princess diaries, The prince and me, Twilight.
Mijn moeder was die avond naar een feestje, dus ik had het rijk voor me alleen. Ik installeerde me op de bank en besloot na een half uur dat het tijd was om iets lekkers te zoeken. Ik pauzeerde de film en ging naar de keuken. Ik schonk een glas Fanta in en vond een zak m&m’s en wilde naar de kamer lopen toen mijn oog op een stuk papier viel. Het zat onder een magneet op het magneetbord naast de keukendeur. Mijn moeder en ik lieten er regelmatig berichtjes voor elkaar op achter. Maar ik wist zeker dat dit geen briefje van mijn moeder was: het was een visitekaartje.
Ik zette de m&m’s en mijn glas op het aanrecht en liep naar het bord toe. Het was inderdaad een visitekaartje. Het was van zilverkleurig papier, en de letters waren sierlijk, bijna kalligrafie.
Ik haalde het kaartje onder de magneet vandaan. Er stond iets op geschreven, onder de getypte adresgegevens.
Sheila,
Voor als je me ooit nog een keer nodig hebt.
Verbaasd keek ik naar de getypte letters.
A.Winters, een telefoonnummer en een adres. Het was van Adam.
Honderden vragen kwamen in mijn hoofd op. Hoe had hij het kaartje hier achter gelaten? Wanneer had hij dat gedaan? Waarom had hij het gedaan? Wat wilde hij hiermee zeggen?
Op de eerste vragen bedacht ik al snel een antwoord. Hij moest het op het bord gehangen hebben toen ik met mijn moeder aan de telefoon was die avond dat hij in het huis was.
Ik stak het kaartje in mijn zak en besloot gewoon de film verder te gaan kijken. Maar dat lukte me niet, steeds dook Adam weer in mijn hoofd op. Ik zette de film af en besloot maar te gaan slapen. Maar dat lukte me ook niet. Ik probeerde te gaan slapen, want ik moest de volgende dag weer fit zijn: ik zou samen met Twan de manege voor een dag runnen.
Na lang woelen en draaien viel ik eindelijk in slaap.
Het was donker. Niet pikdonker maar schemerig. De lucht was donkergrijs, bijna zwart. Ik stond op een klif, en keek uit over de woeste zee. Wat deed ik hier? Ik voelde angst over me heen komen, maar ik wist niet waar ik bang voor was. Ik probeerde een stap achteruit te zetten maar mijn lichaam reageerde niet. Het was alsof de signalen vanuit mijn hersenen mijn spieren niet konden bereiken. Ik voelde paniek op komen en probeerde te schreeuwen, maar er kwam geen geluid uit mijn keel.
Ik zag mijn voet een stap maken, mijn voet hing in de lucht van de klif af.
‘Nee Sheila doe het niet’ hoorde ik ineens een vrouwenstem schreeuwen. Ik wilde mijn hoofd omdraaien om te kijken wie het was, maar ook dat lukte me niet. Ik voelde een duw in mijn rug en ik viel.
Ik viel van de klif. Het leek wel eindeloos. Ik was bang, en kon niets doen. Ik besefte dat dit mijn dood werd. Ik sloot mijn ogen en wachtte tot ik het ijskoude water zou raken.
Ineens voelde ik armen om me heen, die me uit alle macht omhoog trokken. Ik opende mijn ogen en werd verblind door een licht. Het was een fel wit licht, dat van alle kanten leek te komen.
Toen de handen me raakten voelde ik mijn lichaam reageren, en ik realiseerde me dat ik bijna dood was. Tranen liepen over mijn wangen.
‘Het is goed, je bent veilig’ fluisterde een zachte warme stem. Het klonk als een steen die over water glijdt zonder de waterstroom te verstoren.
Vingers veegden de tranen van mijn wangen. Ik keek op, en keek recht in twee groen bruine ogen.
Een heel verhaal ik weet het!
1. bedankt voor het lezen
2. Plaats aub een reactie
