Hier een verhaaltje van mij
In het begin is het misschien iets verwarrend, maar ik stel gewoon even de personages voor,
eerste deel:
The Dark Knights Of The Rainbow
Intro
Wie wist dat de regenboog gemaakt was door zwarte ridders, en dat de kleur een camouflage was. Het geheim van de regenboog is al jaren verborgen, het geheim gestorven met de omstandigers. Toch, na honderd jaar, zou er een jongen geboren worden, hij zou opstaan uit het as van zijn voorouders, met het licht van de zon, en de kleuren van de regenboog. De jongen zou het lied kunnen zingen, die het geheim zou ontwaken.
Zoals gewoonlijk ging de zeer irritante weker af op 7:00, en stond Denis op om zijn tanden te poetsen. Over de radio hoorde hij iets over een mysterieuze zanger die zijn liedjes op youtube zette. Hij lachte en zette zijn wekker uit, pakte zijn boekentas uit de hoek, die hij daar gister na school neer had gegooid en niet meer naar gekeken had, en liep via de trap naar beenden. Beenden gooide hij zijn boekentas bij de deur en liep de keuken in. Daar goot hij zichzelf een kom vol ontbijtgranen met melk in en at deze vlijtig leeg. Denis raapte zijn boekentas weer op en liep via de achterdeur naar buiten. Uit een schuurtje haalde hij zijn mountainbike en reed het greffelpad op naar school. Bij school tilde hij een prikkeldraad op en duwde zijn fiets er onderdoor met vervolgens hij zelf. Zijn fiets zette hij in het rek, waar normaal de leraren hun fiets zette. Maar het deerde hem niet wat hij wel of niet mocht. Zijn hele leven lang had hij het idee ergens deel van uit te maken, maar nooit had hij dat gevonden wat hij miste.
Uit de as herrijst Weerklinkt het over de weide. Denis keek even op, denkende iets te horen maar ziet niemand en fietst door. Op het schoolplein aan gekomen stapt hij zijn groep binnen. Een aantal hadden piercings of tattoos. Maar hij mocht er geen van het tehuis. Strenge regels, het regeltjeshuisje, noemde hij het. “Bevrijd” Grapte een jongen, Denis lachte, “Dagelijkse routine”, Glimlacht hij. De bel onderbrak nog een woord van de groep. En als laatste gingen ze het schoolgebouw binnen. De leraar keek niet meer op naar Denis die weer eens als laatste de les binnen kwam. Hij wilde dit keer aan het raam zitten, in de zon, maar daar had iemand zich al gevestigd, dus ging hij heel afwezig naast de tafel staan. En het verlegen jongetje begreep de hint, en stond op om zich ergens anders neer te zetten. Denis plofte op de stoel en keek naar buiten. De zon brak door en scheen op zijn gezicht. Met het licht van de zon .Weerklonk het. Geschrokken keek Denis rond, maar niemand leek het gehoord te hebben. Hij keek weer naar buiten, er was geen geluid meer. Maar nu vertrouwde hij het niet meer, toch bleef hij op zijn hoede voor een eventuele grap. Maar toen de dag verder goed verliep, waas hij het al weer vergeten. Tijdens de speeltijd stond hij weer rustig tegen het muurtje en tijdens de middag genoot hij van zijn lunch. Niet van hem, maar dat deerde hem niet, hij had toch zeker zijn boterhammen in ruil gegeven ? Nee, zoals Denis zijn dagelijkse dag had, was hij niet aardig. Maar al dat was schijn, want hij wist dat iets groters hem te wachten stond, Plus natuurlijk de woede die hij voor velen voelde. Zoals voor zijn ouders, die hem alleen lieten na de geboorte in het ziekenhuis. Of voor de vele tehuizen, die de moeite niet namen hem te leren kennen, en bij elk beetje dat hij verkeert deed, verder stuurde naar een ander tehuis. Ook nu weer stonden ze op het punt hem weg te doen, of nochtans dat zouden ze willen. Denis moest hier twee jaar blijven, dan was hij achttien. Want hij mocht niet meer verplaatst worden in zijn jeugd. Daar genoot hij van, eindelijk een vaste plek, niet een die hij thuis kon noemen, maar wel een plek waar hij nog twee jaar ging door brengen. Diep in dat donkere hart, zat een aardige, vrolijke jongen die op zoek was naar vriendschap. Die na school over de heide terug naar het tehuis fietste. Tot zijn teleurstelling regende het pijpenstelen, en geraakte zijn kleren kletsnat. Toch fietste hij dapper door, en langzaam brak de zon door. Deze veroorzaakte een regenboog, en weer een modieus gezang.
En de kleuren van de regenboog… Hij herrijst
Denis opent zijn ogen, hij ligt in het gras, zijn fiets ongemakkelijk naast hem. Het stuur steekt in zijn maag, hij duwde het aan de kant. Hijgend gaat hij zitten en kijkt voor zich, tot zijn verbazing, zijn er slechts kleuren rond hem. Hij zit in de regenboog. Verbaasd staat hij op, stapt eruit, er weer in, uit, in, uit, in, boos werd hij, het kon niet, het kan niet. Voorzichtig steekt hij zijn hand door de wand, Dan rent hij eruit, weg ervan, sluit zijn ogen, draait zich om, opent zijn ogen, en de regenboog was weg. Voor de zekerheid loopt hij er nog eens heen, maar nee, niks. Ineens bedenkt hij zich dat hij het niet eens wilt weten wat er aan de hand was, en hij pakt zijn fiets op en fiets weg. Hij merkt steeds meer te versnellen. Was het angst, ja misschien, want wat was er aan de hand. Waarom hoorde hij raare dingen, kon hij in een regenboog staan. Hij bedacht het zich te vergeten, het zullen wel illusies geweest zijn. Hij zou het vast wel te laat hebben gemaakt. En hij besluit een borrel te gaan nemen, hij gaat ergens een kroeg binnen en slikt een glas alcohol door. De rest van de dag zat hij daar, tot ‘s avonds laat, wanneer hij terug keerde naar het tehuis.
Bella keek door het kleine gaatje van de muur, buiten scheen de maan fel aan de hemel. Ze zou er alles voor doen, weer naar buiten te kunnen, maar ze zat vast, en misschien wel voor altijd. Treurig draaide ze zich om, sneed een appel aan en gaf dit aan een kindje. Honger was een groot probleem, en het vele werk dat ze moesten verrichten maakten het er niet beter op. Het werk in de mijn leek hopeloos, vooral nu dat ze geen diamanten meer konden vinden. Zonder de stukken kregen ze geen eten, en al drie dagen teerde ze op enkele brood sneetjes en wat stukken fruit. De tralies voor het kleine gat gaf hun het enige licht dat er was. Aan ontsnappen was geen denken aan, de ijzeren armbanden gaven stroomstoten bij poging tot ontsnapping.
Ineens klonk er een blij gejoel van de zuid tunnel. Bella rende erheen, en ja, ze hadden een gat gemaakt, die tientallen kleine diamanten bevatte. Het gat zat vrij hoog gelegen, en alleen Bella kon er het beste bij, zij was de oudste van de kinderen, en gretig peuterde ze enkele los zittende stukken los. De rest tikte ze eruit met een bijtel. Een aantal kinderen volgde haar toen ze naar de schacht ging, en daar de stenen in een bak legde. De hele groep wachtte af totdat de mensen boven de stenen ophaalde en eten lieten zakken. Maar tot hun verbazing gebeurde er niks, de hele nacht niet, en ook die morgen niet.
Bella kreeg het idee dat ze hun hadden laten stikken, met de gedachte dat ze toch niks meer zouden vinden, en zette haar bijtel in de muur. Angstig keken enkele kinderen haar aan, maar toen er geen stroom kwam, zette meer kinderen hun bijtel in de muur. Op een gegeven moment weerklonk re luid gekraak, en kwamen er scheuren op de muur, Bella wees iedereen aan de kant te gaan. En tot iedereens opluchting brak de muur af, en zagen ze de zon op komen. Rustig liepen de kinderen naar buiten, voelde de frisse wind door hun handen glijden, de zon op hun gezicht schijnen. Dan rende ze verder, de heuvel af naar de kabelende beekje, en staken daar hun handen in om zich te wassen. Bella nam hun voorbeeld aan, en keek daarna naar een uitweg. Het verlaten stuk bevatte geen wegen, toch moesten ze dit gebied kunnen verlaten. Bella besloot de heuvel op te gaan, en boven te kijken of ze ergens iets kon ontdekken. Boven op de berg zag ze een rails, waar ze waarschijnlijk de diamanten hadden opgezet. Bella wenkte naar benden dat ze moesten komen, de kinderen kwamen tevreden naar boven, en liepen over de rails naar beneden, en volgde dat spoor. Bella telde elk kind, zeker zijnde dat ze elk kind hadden. Ze was het langste van allemaal in de mijn geweest en kende ieder kind persoonlijk. En tot haar geluk was elk kind mee, en volgde ieder het spoor van de rails.
Enkele dagen was het zo, dat de kinderen in de warmte doorliepen, teerde op een beetje voedsel. De mijn was leeg, de mensen waren echt vertrokken, ze zouden misschien wel terug komen, maar daar wilde ze niet op wachten. Nu moest Bella de kinderen in veiligheid brengen. Het viel haar op dat de rails steeds stoffiger werd, en de wind ineens op stak. Het zand blies op en suisde langs haar oren, en ze kon toch zweren dat ze hoorde, Uit de as herrijst, en ze keek op of niemand met haar grapte. Maar elk kind stapte dapper door, en leek het niet opgemerkt te hebben dat Bella ze na keek.
Toch werd het voor Bella steeds gekker, toen ze weer dacht dingen te horen, Met het licht van de zon, weer keek ze de kinderen na, maar geen enkel vertoonde iets. Dan raakte de kinderen in paniek, er kwam een trein aan. Ze hadden de hele rails afgelopen, de enige stop was bij de mijn, dus dan zouden dit, die mensen weer zijn. “Snel! Verstop je achter de bomen”, gillende rende de kinderen achter de bomen, en hielden hun adem in terwijl tranen over hun wangen biggelde. Bella keek allen geruststellend aan, de trein zou toch niet stoppen, en gelukkig deed het dat ook niet. Maar dit betekende wel dat ze zich nu moesten haasten, anders zouden ze op hun terugweg gevonden worden.
Van zodra de trein uit zicht was, rende de kinderen verder, het was nu een kwestie van vluchten, het enige wat ze nog konden doen, was vluchten. De kinderen rende de hele dag door, bang dat de trein zou weder keren. Want zoals zij dagen gelopen hadden, waren zij in enkele uren daar. Die nacht werd er niet geslapen, de jongste werden gedragen, maar de rest liep door. Rennen deden ze niet meer, het was laat en ieder was moe, maar met de gedachte dat ze vluchtelingen waren, konden ze niet slapen. De kleinste begrepen het toch niet, zij sliepen die nacht goed, en waren bereid verder te lopen in de volgende morgen.
Maar die dag was iedereen kapot, vele hadden geen energie meer in hun benen, en er leek maar geen eind te komen aan de lege vlaktes. En toen het voedsel op was, er geen water was, en iedereen geen fut meer had, werden ze nat geregend door donkere wolken. De regen word steeds harder, en de zon blijft aan de andere kant van de hemel zichtbaar.
Een kleurrijke boog daalt naar op de grond, en het weerklinkt, En de kleuren van de regenboog … hij herrijst.
Bella opent haar ogen, rond haar zijn verschillende stemmen. “Bella” roept iemand opgewekt, Bella herkende Daisy en keek haar aan. Rondom hun liepen vele mensen rond, in pakken, politiepakken. Bella voelde een vlaag van vreugde, maar beheerste zich, ze zag veel blije gezichten van ouders. En langzaam verdween elk kind met hun ouder. Een agent kwam Bella vragen van waar ze kwam, aangezien ze geen familie konden vinden. “Rustig maar” antwoorde ze, “Ik ben wees, maar ondertussen 18, dus ik woon nog nergens”. Eigenlijk was ze weer van beging af aan, een gevangene, nu van de wereld.
Het bureau bood haar hulp aan, natuurlijk ook omdat ze net uit een mijn was ontsnapt, om in een huis, onder toezicht, te kunnen wonen, en een nieuw leven te beginnen.
.
Ik zie in ieder geval dat het inderdaad niet helemaal duidelijk is.