Dusseuh... Meestal begin ik gewoon te schrijven en kijk ik wel waar ik op uitkom. Maar dit is de eerste keer dat ik met een concept zit.
Ik ben best wel blij met wat er tot nu toe op papier staat, maar weet niet goed hoe mensen zonder mijn twisted mind en compleet verdraaide hersenkronkels erover denken... (Of toch mensen die het minder hebben
)Nee, euhm, hij is lang, maar probeer alsjeblief door te lezen. Owjah, en het begin is wel wat zwaar, achja, have fun!
Opgedragen aan m'n paardje. Wel nog niet af, en graag opbouwende kritiek, hé.
Het stopt nooit. Vanaf het moment dat de kleine longen van een pasgeborene de eerste teug lucht te verwerken krijgen begint het.
En het stopt nooit. Nooit. Het gemis. De pijn. Ik staar even naar het blanke papier voor mijn neus. Dan even naar de pen in mijn handen.
Het is niet zo lang geleden dat ik je de eerste brief stuurde. Het lijkt veel langer dan het is.
Ik heb zoveel meer brieven geschreven in mijn hoofd. Brieven die ik je nooit zal sturen. Dit is de laatste, houdt ik mezelf voor.
Ik negeer de doodsbedreiging uit mijn eigen hoofd en lees het nog een keer na voordat ik de envelop dichtlik.
Liefste jij,
Ik mis je zoveel dat het pijn doet.
Ik.
Ik ben al gewend aan de vieze smaak van de plakstrip. Daarbij ben ik immuun voor alles. De dagelijkse pijn van het leven.
Het is niet echt pijn, het is een gevoel. Het gevoel dat je krijgt als je nog iemand moet missen.
Het gevoel dat je krijgt wanneer iets je niet lukt en je maar blijft en blijft proberen terwijl je weet dat het onmogelijk is.
‘Niets is onmogelijk’, zeggen de onwetenden dan. Maar als je goed kijkt in hun ogen vindt je wat in ieders ogen te vinden is
vanaf het moment dat ze zich openen. Ongeloof. Ik heb veel gelukkige dagen gekend, weken, maanden, jaren.
Een gelukkig einde is geen echt einde. Dus misschien is dit wel het echte. Het is gewoon een verhaal dat nog niet af is.
Ik grijp naar de tas koffie en het slanke witte pilletje ernaast. Pijnstiller en cafeïne gaan moeiteloos achterover.
Ik leg de brief weg en leg mezelf neer in de zetel. Geluk. Waar zit dat ergens in mij? Waar zit het geluk? Kan ik het vinden, moet ik blijven zoeken?
Hoe graag we ook die ‘ja’ willen horen, er is altijd een verdorven stem achterin ons hoofd die ‘nee’ fluistert. Spijtig genoeg dringt die het meest tot ons door.
Als ik geluk zoek, dan zoek ik jou. En als ik jou zoek, zoek ik ons.
Ik zag je vanuit de verte uit de nevel komen. Je kon geen meter zien door de dikke mist, maar ik wist dat jij het was.
De lijn van je schouders naar je taille, de manier waarop je liep. Al kon ik het amper zien, ik wist het gewoon.
Dat was wat jij met me deed. Ik heb er geen woorden voor, ik weet niet wat je doet. Maar je doet het. En het werkt.
Daar was je dan opeens. Je lachte, strekte je hand uit en wenkte me met een snelle beweging van je hoofd.
Zelfzekerheid. Dat had je. Bergen ervan.
Je hand voelde zo warm aan. Ik vlocht mijn vingers door de jouwe. We kwamen bij een parkje.
De hoge lindes torenden met hun kale takken boven de mist uit. Je kon ze hardnekkig zien vasthouden aan die laatste blaadjes.
Het leek zo wanhopig. Zielig zelfs.
Het gietijzeren bankje doemde op, en je gebaarde ernaar. Je had nog geen woord gezegd. Daarom was het mijn eerste intentie om bang te zijn.
Totdat je naast me ging zitten en mijn beide handen in de jouwe nam en ik jouw blik zag. Dan vervlogen al mijn instincten behalve één. Bij jou zijn.
Ik had het zo hard nodig dat ik het onbewust deed. Je lippen bewogen en vormden woorden.
‘Ik... Ik wil je iets geven.’
Ik zweeg. En keek. Naar jou. En jij naar mij. Gewoon. Wij.
‘Oké. Hier komt het.’ Je ademde diep in, in afwachting van wat ik zou zeggen.
Toen voelde ik het. Je liet vanuit je handen iets kleins in de mijne vallen. Ik voelde het koude, lichte metaal.
Ik ontvouwde mijn handen en daar lag het. Het was al oud; het brons was al een beetje verkleurd.
Maar het was de mooiste hanger die ik ooit had gezien. Ik was even bezig voor ik doorhad hoe je het open moest krijgen.
Het kleine slotje weigerde eerst open te gaan. Maar toen ik het open deed, viel mijn oog meteen op de sierlijke letters.
‘Zonder jij geen mij’, fluisterde ik de woorden na.
-‘Zonder jij geen mij’, zei jij.
Ik loop naar de koffiemachine en zet hem aan. Vermoeid leun ik tegen het aanrecht en grijp naar de hanger rond mijn nek.
Mijn vingers volgen het fijne patroon langs de rand van het metaal. De bruine druppels sijpelen langzaam naar beneden. Ik kijk naar buiten, de avond in.
Niemand had ons gezien. Je had me uit mijn huis geroofd als een volleerd dief in de nacht. Giechelend liep ik achter je aan door het donker,
met een bonzend hart als dat van een of andere sprookjesprinses, zojuist geschaakt. Ik zag niets in het duister en vertrouwde blind
op de hand die me naar het parkje leidde, de hand die jou met mijn verbond, diep verstrengeld in de mijne.
De zoete zomerbries bracht de weeë geur van de lindes van het park met zich mee. Je trok me mee over de eindeloos bewandelde paadjes
en ik schaafde me meermaals aan uitstekende takken. Het feit dat we liepen en niet wandelden in combinatie met jouw aanwezigheid
maakten het des te moeilijker om obstakels met een helder hoofd te ontwijken. Voor een moment wilde ik dat dit altijd zou blijven doorgaan,
dat jij me in de nacht zou komen stelen en dat we naar de oneindigheid zouden wandelen. We stopten bij ons bankje naast de grote linde.
Hijgend steunden we op onze knieën; ik probeerde de steken in mijn zij weg te ademen. Maar toen ik opkeek in je ogen, twee vaag glimmende sterretjes
in het donker was alles over. Je had mijn hand nog steeds vast. We keken elkaar een moment in stilte aan en barstten in lachen uit.
Hoe kon het dat niemand ons gehoord had? Jij was niet erg subtiel mijn raam doorgeklommen, en ik had niet echt zacht gelachen omdat ik zo verrast was door mijn ridder. Ik was zo blij dat mijn ouders vaste slapers waren. Meer van jou konden ze echt niet meer aan.
We leunden zachtjes tegen de linde aan. Je greep rond mijn hand verstevigde en je ging voor me staan.
Je stond zo dicht bij me dat ik je hartslag kon voelen. Al mijn zenuwuiteinden stonden op scherp.
Je streelde glimlachend mijn wang en je drukte me tegen de linde en jouw lippen de mijne zelfs in het donker vonden.
Ik voelde mijn handen door je haar gaan en je glimlach onder mijn lippen. Op dat moment wist ik dat ik van je hield.
Je hand had de mijne nog steeds vast. Met elke keer mijn lippen de jouwe raakten voelde ik een deel van mijn muur afbrokkelen.
En voor één keer, voelde dat goed.
Ik had nooit geweten hoe hard ik je zou missen. Ik dacht dat ik best zonder je kon. Ik kijk op de klok. De seconden lijken uren te duren.
Ik strompel de trap op en ga opnieuw een poging ondernemen om toch een van de zeven nachten in een week te slapen.
Ik ben zo moe dat mijn oogleden zich vanzelf sluiten wanneer ik het deken over me heen sla, maar mijn verstand sleurt ze terug van elkaar.
Ik mag niet slapen. Dan droom ik. Waarschijnlijk over jou. Ik kan geen herinnering meer aan. En de ergste komen ’s nachts.
Ik ben het beu in tranen wakker te worden in het midden van de nacht. Ik ben het beu dat ik herinnerd word aan hoe zwak ik ben,
zo gemakkelijk beïnvloed door iemand. Ik ben het beu dat jij me zo controleert. Dat heb ik je altijd laten weten en jij hield altijd vol.
Zelfs nu nog, over zeeën heen.
‘Ga weg!’, riep ik en zette me schrap voor de volgende keer dat je jezelf met je volle gewicht tegen de deur zou aangooien.
Je stond al een kwartier als een gek tegen de deur te beuken.
-‘Laat het me gewoon uitleggen!’, schreeuwde je terug. Er was een knik in je stem. Niemand anders dan ik had het kunnen horen.
Misschien jijzelf niet eens.
‘Ga weg!’ Ik sleurde alle letters er apart uit, en legde nadruk op elke klank. Zelfzeker klinken.
Ik concentreerde me zo op de woorden dat ik mijn schouder maar een nanoseconde van de deur afhaalde.
Je viel bijna letterlijk met de deur in huis. Daar stond je dan, je vuisten gebald, voorovergebogen, verdedigend en aanvallend tegelijk.
Je zag er bijna uit als een wild dier, schichtig en agressief. Ik plakte tegen de muur van angst,
hopend dat ik als een vlieg zou kunnen verdwijnen onder de plooien in het behang. Ik ademde zwaar en keek je aan.
-‘Laat het me alsjeblief uitleggen’, fluisterde je, ‘alsjeblief.’
Ik ging zo ver mogelijk van je afstaan als de kleine gang het toeliet. Maar je zei niets, je keek me enkel aan.
Het maakte me zacht vanbinnen. Ik vond het verschrikkelijk. Dus ik vocht.
‘Stop ermee’, zei ik. Je keek naar je schoenen en ik ook. Er zat een vlek op de tip van de linkerschoen.
-‘Wat heb je precies gehoord?’
Ik begon aan mijn monoloog te denken, maar ik zag je ongeduldig op een antwoord wachten en snel streepte ik de overbodige zinnen weg uit mijn hoofd.
Het kwam er wat ongestructureerd uit, maar ik was al blij dat ik me niet versprak.
‘Waarom ik? Waarom doe je hetzelfde met mij als wat je met zoveel anderen hebt gedaan? Zoveel anderen.
Ze zijn niet eens op twee handen te tellen. En nu doe jij hetzelfde met mij. Ik ben niet zo maar iemand. Ik wil niet de volgende in de rij zijn. Nee.
Dan zoek je maar een ander. Dan eindigt het nu. Punt uit.’ De woordenstroom kwam er wel degelijk zonder hakkelen uit.
En ik was er trots op dat ik mijn stem boos had kunnen laten klinken. Ik keek je weer in de ogen, stoutmoedig, maar niet erg veel,
meer zoals het laatste koekje uit de doos nemen. Maar niettemin, stoutmoedig.
-‘Ik ga niet eens beginnen met op te noemen wat jij voor mij betekent.’
‘Dat is geen antwoord op mijn vraag’, stelde ik fijntjes vast. Ik wist dat je een hekel had aan de toon waarin ik sprak als ik wist dat ik gelijk had
en ik je op je nummer wilde zetten.
-‘Waarom? Waarom jij?’
‘Vooral waarom al die anderen.’
-‘Ik… Ik weet het niet’, stamelde jij. Ik had je nog nooit zo gezien, je was met je rug tegen de muur naar benden gezakt,
en zat nu klein en opgerold in foetushouding, het dier zocht naar bescherming.
Je had je handen in je haar, alsof je gedachten daar zaten en je die wou ordenen, organiseren, rust scheppen in de chaos.
De enige term die ik op jou kon plakken op dat moment was verloren. Je zag er absoluut verloren uit.
Ik zweeg en slikte de woede die als een brok was komen opborrelen met moeite door. Waar de woede wegging kwam medelijden in de plaats.
Ik voelde me als een wreed roofdier, dat het prooidier zwetend en doodsbang in een hoek had gedreven en schijnaanvallen had gepleegd.
Ik voelde me schuldig.
Je zat nog steeds met je hoofd op je knieën, in elkaar gedoken. Zachtjes kroop ik van mijn kant van de hal naar jou, en ging naast je zitten.
Je keek naar me op met vermoeide ogen.
-‘Ik weet het echt niet’, fluisterde je. Stil schoof ik mij arm door de jouwe en legde mijn hoofd op jouw schouder.
Zachtjes neuriede ik het deuntje van het liedje dat je voor mij geschreven had. Bij elke toon herinnerde ik me jouw
handen die zich moeiteloos over de snaren lieten vliegen. Daar zaten we dan, met z’n tweeën op de grond, meer dan een uur op de koude vloer.
Stilletjes slopen onze schaduwen op de muur voorbij, als ineengedoken geesten, wachtend op het donker om van de tweedimensionale wereld af te kunnen komen.
Daar zaten we. Onze ineengestrengelde vingers vormden de illustere verbinding tussen twee verloren zielen. De woede borrelde nog wat na in mijn onderbuik,
maar verdween zodra jij je armen rond mij had geslagen. Zachtjes kalmeerde ik op het ritme van je hartslag, een geruststellend gebons gelijk lopend aan je ademhaling.
Dit was onze eerste ruzie geweest, en die had nog geen kwartier geduurd of ik zat al als een klein kind aan je arm te zeulen. Klagend om meer aandacht.
Ik moest echt leren standvastig zijn. De andere verdorven helft van mijn brein nam dan spijtig genoeg weer eens de overhand.
En voordat mijn rationaliteit mijn hart een kopje kleiner sloeg, waren de woorden al over mijn tong naar buiten gerold. Verdorie.
‘Ik hou van je’, zuchtte. Ik had er meteen spijt van. Stom, stom, stom.
Ik schrik wakker, tranen rollen over mijn wangen de grond op. Snel sta ik op om een handdoek te halen, voordat het water onverbiddelijk
het hout binnendringt en kringen maakt. Terwijl ik daar zo zit, op mijn knieën op de hardhouten vloer, begint de kamer te draaien voor mijn ogen,
met een onverbiddelijke snelheid gaat de kamer aan me voorbij, tot ik niets meer kan onderscheiden en er draailijnen ontstaan in het wit.
Je word gek, hoor ik een stem zeggen in mijn hoofd. Nee, denk ik, nee. Ik grijp snel naar een houvast maar voel na een seconde de koude vloer tegen mijn wang.
Ik sla mijn armen over mijn hoofd, ik wil niet vallen. Niet vallen. Je ligt op de grond sukkel, fluistert de stem in mijn hoofd, je kan niet meer vallen.
Wacht maar, schreeuw ik terug. Ik besef dat de stem mijn logica is. Een piepstem. Van een klein ventje. Heel erg klein. En raar.
Uit mijn door angst gesloten ogen rollen opnieuw verse tranen, maar ik ben te veel bezig met me vast te houden aan de grond
om te denken aan de kringen die ze zullen maken.
Een tijdje later word ik wakker, mijn hele gezicht plakkerig van het zout in de tranen. De vloer voelt al wat warmer aan dan ik me herinner.
Ik kom zacht overeind maar durf mijn ogen niet open te doen.
Stil wacht ik op jouw stem, om me te zeggen wat ik moet doen. Maar ik wacht en wacht, en jij komt niet.
Dan vlei ik me neer op de grond en blijf liggen tot het zonlicht mijn ogen opent.
Ik schuifel op mijn kousenvoeten de trap af, het licht had ik niet aangestoken. Ik weet niet meer waarom, maar er zal wel een reden voor geweest zijn.
Als in een automatische beweging druk ik de knop van de koffiezet aan en drukte een pijnstiller uit. Ik kijk naar de klok, waarvan de korte wijzer onmogelijk ver stond.
Ik had de laatste dagen geen tijdsbesef meer. Mijn bioritme was een zootje ongeregeld. Dat deed ik zelf, maar onbewust,
alsof alle kronkels unaniem hadden beslist dat als we alles tegengesteld deden aan jou, ik je misschien minder zou missen. Integendeel.

)