[VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

[VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 12-03-11 21:39

Ik heb totaal geen inspiratie voor een intro... }:0

Dusseuh... Meestal begin ik gewoon te schrijven en kijk ik wel waar ik op uitkom. Maar dit is de eerste keer dat ik met een concept zit.
Ik ben best wel blij met wat er tot nu toe op papier staat, maar weet niet goed hoe mensen zonder mijn twisted mind en compleet verdraaide hersenkronkels erover denken... (Of toch mensen die het minder hebben :+ )
Nee, euhm, hij is lang, maar probeer alsjeblief door te lezen. Owjah, en het begin is wel wat zwaar, achja, have fun!
Opgedragen aan m'n paardje. Wel nog niet af, en graag opbouwende kritiek, hé.


Het stopt nooit. Vanaf het moment dat de kleine longen van een pasgeborene de eerste teug lucht te verwerken krijgen begint het.
En het stopt nooit. Nooit. Het gemis. De pijn. Ik staar even naar het blanke papier voor mijn neus. Dan even naar de pen in mijn handen.
Het is niet zo lang geleden dat ik je de eerste brief stuurde. Het lijkt veel langer dan het is.
Ik heb zoveel meer brieven geschreven in mijn hoofd. Brieven die ik je nooit zal sturen. Dit is de laatste, houdt ik mezelf voor.
Ik negeer de doodsbedreiging uit mijn eigen hoofd en lees het nog een keer na voordat ik de envelop dichtlik.

Liefste jij,
Ik mis je zoveel dat het pijn doet.
Ik.

Ik ben al gewend aan de vieze smaak van de plakstrip. Daarbij ben ik immuun voor alles. De dagelijkse pijn van het leven.
Het is niet echt pijn, het is een gevoel. Het gevoel dat je krijgt als je nog iemand moet missen.
Het gevoel dat je krijgt wanneer iets je niet lukt en je maar blijft en blijft proberen terwijl je weet dat het onmogelijk is.
‘Niets is onmogelijk’, zeggen de onwetenden dan. Maar als je goed kijkt in hun ogen vindt je wat in ieders ogen te vinden is
vanaf het moment dat ze zich openen. Ongeloof. Ik heb veel gelukkige dagen gekend, weken, maanden, jaren.
Een gelukkig einde is geen echt einde. Dus misschien is dit wel het echte. Het is gewoon een verhaal dat nog niet af is.
Ik grijp naar de tas koffie en het slanke witte pilletje ernaast. Pijnstiller en cafeïne gaan moeiteloos achterover.
Ik leg de brief weg en leg mezelf neer in de zetel. Geluk. Waar zit dat ergens in mij? Waar zit het geluk? Kan ik het vinden, moet ik blijven zoeken?
Hoe graag we ook die ‘ja’ willen horen, er is altijd een verdorven stem achterin ons hoofd die ‘nee’ fluistert. Spijtig genoeg dringt die het meest tot ons door.
Als ik geluk zoek, dan zoek ik jou. En als ik jou zoek, zoek ik ons.

Ik zag je vanuit de verte uit de nevel komen. Je kon geen meter zien door de dikke mist, maar ik wist dat jij het was.
De lijn van je schouders naar je taille, de manier waarop je liep. Al kon ik het amper zien, ik wist het gewoon.
Dat was wat jij met me deed. Ik heb er geen woorden voor, ik weet niet wat je doet. Maar je doet het. En het werkt.
Daar was je dan opeens. Je lachte, strekte je hand uit en wenkte me met een snelle beweging van je hoofd.
Zelfzekerheid. Dat had je. Bergen ervan.
Je hand voelde zo warm aan. Ik vlocht mijn vingers door de jouwe. We kwamen bij een parkje.
De hoge lindes torenden met hun kale takken boven de mist uit. Je kon ze hardnekkig zien vasthouden aan die laatste blaadjes.
Het leek zo wanhopig. Zielig zelfs.
Het gietijzeren bankje doemde op, en je gebaarde ernaar. Je had nog geen woord gezegd. Daarom was het mijn eerste intentie om bang te zijn.
Totdat je naast me ging zitten en mijn beide handen in de jouwe nam en ik jouw blik zag. Dan vervlogen al mijn instincten behalve één. Bij jou zijn.
Ik had het zo hard nodig dat ik het onbewust deed. Je lippen bewogen en vormden woorden.
‘Ik... Ik wil je iets geven.’
Ik zweeg. En keek. Naar jou. En jij naar mij. Gewoon. Wij.
‘Oké. Hier komt het.’ Je ademde diep in, in afwachting van wat ik zou zeggen.
Toen voelde ik het. Je liet vanuit je handen iets kleins in de mijne vallen. Ik voelde het koude, lichte metaal.
Ik ontvouwde mijn handen en daar lag het. Het was al oud; het brons was al een beetje verkleurd.
Maar het was de mooiste hanger die ik ooit had gezien. Ik was even bezig voor ik doorhad hoe je het open moest krijgen.
Het kleine slotje weigerde eerst open te gaan. Maar toen ik het open deed, viel mijn oog meteen op de sierlijke letters.
‘Zonder jij geen mij’, fluisterde ik de woorden na.
-‘Zonder jij geen mij’, zei jij.


Ik loop naar de koffiemachine en zet hem aan. Vermoeid leun ik tegen het aanrecht en grijp naar de hanger rond mijn nek.
Mijn vingers volgen het fijne patroon langs de rand van het metaal. De bruine druppels sijpelen langzaam naar beneden. Ik kijk naar buiten, de avond in.

Niemand had ons gezien. Je had me uit mijn huis geroofd als een volleerd dief in de nacht. Giechelend liep ik achter je aan door het donker,
met een bonzend hart als dat van een of andere sprookjesprinses, zojuist geschaakt. Ik zag niets in het duister en vertrouwde blind
op de hand die me naar het parkje leidde, de hand die jou met mijn verbond, diep verstrengeld in de mijne.
De zoete zomerbries bracht de weeë geur van de lindes van het park met zich mee. Je trok me mee over de eindeloos bewandelde paadjes
en ik schaafde me meermaals aan uitstekende takken. Het feit dat we liepen en niet wandelden in combinatie met jouw aanwezigheid
maakten het des te moeilijker om obstakels met een helder hoofd te ontwijken. Voor een moment wilde ik dat dit altijd zou blijven doorgaan,
dat jij me in de nacht zou komen stelen en dat we naar de oneindigheid zouden wandelen. We stopten bij ons bankje naast de grote linde.
Hijgend steunden we op onze knieën; ik probeerde de steken in mijn zij weg te ademen. Maar toen ik opkeek in je ogen, twee vaag glimmende sterretjes
in het donker was alles over. Je had mijn hand nog steeds vast. We keken elkaar een moment in stilte aan en barstten in lachen uit.
Hoe kon het dat niemand ons gehoord had? Jij was niet erg subtiel mijn raam doorgeklommen, en ik had niet echt zacht gelachen omdat ik zo verrast was door mijn ridder. Ik was zo blij dat mijn ouders vaste slapers waren. Meer van jou konden ze echt niet meer aan.
We leunden zachtjes tegen de linde aan. Je greep rond mijn hand verstevigde en je ging voor me staan.
Je stond zo dicht bij me dat ik je hartslag kon voelen. Al mijn zenuwuiteinden stonden op scherp.
Je streelde glimlachend mijn wang en je drukte me tegen de linde en jouw lippen de mijne zelfs in het donker vonden.
Ik voelde mijn handen door je haar gaan en je glimlach onder mijn lippen. Op dat moment wist ik dat ik van je hield.
Je hand had de mijne nog steeds vast. Met elke keer mijn lippen de jouwe raakten voelde ik een deel van mijn muur afbrokkelen.
En voor één keer, voelde dat goed.

Ik had nooit geweten hoe hard ik je zou missen. Ik dacht dat ik best zonder je kon. Ik kijk op de klok. De seconden lijken uren te duren.
Ik strompel de trap op en ga opnieuw een poging ondernemen om toch een van de zeven nachten in een week te slapen.
Ik ben zo moe dat mijn oogleden zich vanzelf sluiten wanneer ik het deken over me heen sla, maar mijn verstand sleurt ze terug van elkaar.
Ik mag niet slapen. Dan droom ik. Waarschijnlijk over jou. Ik kan geen herinnering meer aan. En de ergste komen ’s nachts.
Ik ben het beu in tranen wakker te worden in het midden van de nacht. Ik ben het beu dat ik herinnerd word aan hoe zwak ik ben,
zo gemakkelijk beïnvloed door iemand. Ik ben het beu dat jij me zo controleert. Dat heb ik je altijd laten weten en jij hield altijd vol.
Zelfs nu nog, over zeeën heen.

‘Ga weg!’, riep ik en zette me schrap voor de volgende keer dat je jezelf met je volle gewicht tegen de deur zou aangooien.
Je stond al een kwartier als een gek tegen de deur te beuken.
-‘Laat het me gewoon uitleggen!’, schreeuwde je terug. Er was een knik in je stem. Niemand anders dan ik had het kunnen horen.
Misschien jijzelf niet eens.
‘Ga weg!’ Ik sleurde alle letters er apart uit, en legde nadruk op elke klank. Zelfzeker klinken.
Ik concentreerde me zo op de woorden dat ik mijn schouder maar een nanoseconde van de deur afhaalde.
Je viel bijna letterlijk met de deur in huis. Daar stond je dan, je vuisten gebald, voorovergebogen, verdedigend en aanvallend tegelijk.
Je zag er bijna uit als een wild dier, schichtig en agressief. Ik plakte tegen de muur van angst,
hopend dat ik als een vlieg zou kunnen verdwijnen onder de plooien in het behang. Ik ademde zwaar en keek je aan.
-‘Laat het me alsjeblief uitleggen’, fluisterde je, ‘alsjeblief.’
Ik ging zo ver mogelijk van je afstaan als de kleine gang het toeliet. Maar je zei niets, je keek me enkel aan.
Het maakte me zacht vanbinnen. Ik vond het verschrikkelijk. Dus ik vocht.
‘Stop ermee’, zei ik. Je keek naar je schoenen en ik ook. Er zat een vlek op de tip van de linkerschoen.
-‘Wat heb je precies gehoord?’
Ik begon aan mijn monoloog te denken, maar ik zag je ongeduldig op een antwoord wachten en snel streepte ik de overbodige zinnen weg uit mijn hoofd.
Het kwam er wat ongestructureerd uit, maar ik was al blij dat ik me niet versprak.
‘Waarom ik? Waarom doe je hetzelfde met mij als wat je met zoveel anderen hebt gedaan? Zoveel anderen.
Ze zijn niet eens op twee handen te tellen. En nu doe jij hetzelfde met mij. Ik ben niet zo maar iemand. Ik wil niet de volgende in de rij zijn. Nee.
Dan zoek je maar een ander. Dan eindigt het nu. Punt uit.’ De woordenstroom kwam er wel degelijk zonder hakkelen uit.
En ik was er trots op dat ik mijn stem boos had kunnen laten klinken. Ik keek je weer in de ogen, stoutmoedig, maar niet erg veel,
meer zoals het laatste koekje uit de doos nemen. Maar niettemin, stoutmoedig.
-‘Ik ga niet eens beginnen met op te noemen wat jij voor mij betekent.’
‘Dat is geen antwoord op mijn vraag’, stelde ik fijntjes vast. Ik wist dat je een hekel had aan de toon waarin ik sprak als ik wist dat ik gelijk had
en ik je op je nummer wilde zetten.
-‘Waarom? Waarom jij?’
‘Vooral waarom al die anderen.’
-‘Ik… Ik weet het niet’, stamelde jij. Ik had je nog nooit zo gezien, je was met je rug tegen de muur naar benden gezakt,
en zat nu klein en opgerold in foetushouding, het dier zocht naar bescherming.
Je had je handen in je haar, alsof je gedachten daar zaten en je die wou ordenen, organiseren, rust scheppen in de chaos.
De enige term die ik op jou kon plakken op dat moment was verloren. Je zag er absoluut verloren uit.
Ik zweeg en slikte de woede die als een brok was komen opborrelen met moeite door. Waar de woede wegging kwam medelijden in de plaats.
Ik voelde me als een wreed roofdier, dat het prooidier zwetend en doodsbang in een hoek had gedreven en schijnaanvallen had gepleegd.
Ik voelde me schuldig.
Je zat nog steeds met je hoofd op je knieën, in elkaar gedoken. Zachtjes kroop ik van mijn kant van de hal naar jou, en ging naast je zitten.
Je keek naar me op met vermoeide ogen.
-‘Ik weet het echt niet’, fluisterde je. Stil schoof ik mij arm door de jouwe en legde mijn hoofd op jouw schouder.
Zachtjes neuriede ik het deuntje van het liedje dat je voor mij geschreven had. Bij elke toon herinnerde ik me jouw
handen die zich moeiteloos over de snaren lieten vliegen. Daar zaten we dan, met z’n tweeën op de grond, meer dan een uur op de koude vloer.
Stilletjes slopen onze schaduwen op de muur voorbij, als ineengedoken geesten, wachtend op het donker om van de tweedimensionale wereld af te kunnen komen.
Daar zaten we. Onze ineengestrengelde vingers vormden de illustere verbinding tussen twee verloren zielen. De woede borrelde nog wat na in mijn onderbuik,
maar verdween zodra jij je armen rond mij had geslagen. Zachtjes kalmeerde ik op het ritme van je hartslag, een geruststellend gebons gelijk lopend aan je ademhaling.
Dit was onze eerste ruzie geweest, en die had nog geen kwartier geduurd of ik zat al als een klein kind aan je arm te zeulen. Klagend om meer aandacht.
Ik moest echt leren standvastig zijn. De andere verdorven helft van mijn brein nam dan spijtig genoeg weer eens de overhand.
En voordat mijn rationaliteit mijn hart een kopje kleiner sloeg, waren de woorden al over mijn tong naar buiten gerold. Verdorie.
‘Ik hou van je’, zuchtte. Ik had er meteen spijt van. Stom, stom, stom.


Ik schrik wakker, tranen rollen over mijn wangen de grond op. Snel sta ik op om een handdoek te halen, voordat het water onverbiddelijk
het hout binnendringt en kringen maakt. Terwijl ik daar zo zit, op mijn knieën op de hardhouten vloer, begint de kamer te draaien voor mijn ogen,
met een onverbiddelijke snelheid gaat de kamer aan me voorbij, tot ik niets meer kan onderscheiden en er draailijnen ontstaan in het wit.
Je word gek, hoor ik een stem zeggen in mijn hoofd. Nee, denk ik, nee. Ik grijp snel naar een houvast maar voel na een seconde de koude vloer tegen mijn wang.
Ik sla mijn armen over mijn hoofd, ik wil niet vallen. Niet vallen. Je ligt op de grond sukkel, fluistert de stem in mijn hoofd, je kan niet meer vallen.
Wacht maar, schreeuw ik terug. Ik besef dat de stem mijn logica is. Een piepstem. Van een klein ventje. Heel erg klein. En raar.
Uit mijn door angst gesloten ogen rollen opnieuw verse tranen, maar ik ben te veel bezig met me vast te houden aan de grond
om te denken aan de kringen die ze zullen maken.
Een tijdje later word ik wakker, mijn hele gezicht plakkerig van het zout in de tranen. De vloer voelt al wat warmer aan dan ik me herinner.
Ik kom zacht overeind maar durf mijn ogen niet open te doen.
Stil wacht ik op jouw stem, om me te zeggen wat ik moet doen. Maar ik wacht en wacht, en jij komt niet.
Dan vlei ik me neer op de grond en blijf liggen tot het zonlicht mijn ogen opent.
Ik schuifel op mijn kousenvoeten de trap af, het licht had ik niet aangestoken. Ik weet niet meer waarom, maar er zal wel een reden voor geweest zijn.
Als in een automatische beweging druk ik de knop van de koffiezet aan en drukte een pijnstiller uit. Ik kijk naar de klok, waarvan de korte wijzer onmogelijk ver stond.
Ik had de laatste dagen geen tijdsbesef meer. Mijn bioritme was een zootje ongeregeld. Dat deed ik zelf, maar onbewust,
alsof alle kronkels unaniem hadden beslist dat als we alles tegengesteld deden aan jou, ik je misschien minder zou missen. Integendeel.

lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 13-03-11 19:18

Niemand een opmerking? O:)

Duhelo

Berichten: 30050
Geregistreerd: 29-05-03

Re: [VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Link naar dit bericht Geplaatst: 13-03-11 19:24

Wow
ik ben beginnen lezen, en direct meegezogen
(is mss een wat herkenbare situatie ook...)
ben heel erg benieuwd naar een vervolg!

Mariss

Berichten: 3501
Geregistreerd: 18-12-05

Link naar dit bericht Geplaatst: 15-03-11 11:22

Krachtig geschreven, heel mooi. :j

Wel hoop ik dat dit een soort intro is en dat het daarna iets duidelijker wordt? Deze manier van schrijven is namelijk nu heel mooi, maar als je het zo cryptisch laat een heel boek lang, loopt het al snel vast. Dus wel dezelfde stijl aanhouden, maar dan wel wat meer 'verhaal' en diepte.

Sorry, ben echt onduidelijk. :Y)

lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

Re: [VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 15-03-11 16:11

@ Mariss: ja, idd, er komt ook snel een wending, ik blijf wel met de flashbacks werken maar ipv kleine stukken heden en kleine stukken flashback komen er grotere stukken... Dus dan komt er wat meer verhaal, x)

Mariss

Berichten: 3501
Geregistreerd: 18-12-05

Re: [VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Link naar dit bericht Geplaatst: 15-03-11 17:45

Okee, ben benieuwd naar je volgende stuk. :)

lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 16-03-11 22:47

Neiuw stukje: :)

Citaat:
Ik zat als een kleuter op kerstochtend in de stoffige zetel naast de telefoon.
Nerveus wipte ik van links naar rechts in de hoop dat je zou bellen na de ruzie van vorige nacht.
En nog stiller hoopte ik dat je plots voor de deur zou staan. Je had na twee uur in stilte op de grond gezeten te hebben,
zonder een woord te zeggen de deur uitgewandeld. Ik voelde me nu zo stom. Ik hou van je.
Het leek wel alsof die vier woorden eigenhandig mijn kwetsbaarheid reëel maakten.
Mijn moeder zat in de zetel tegenover me, met een kaarsrechte rug op de driezit.
Ze hield het boek met één hand open, om de andere niet te hoeven vermoeien en de leesbril zakte
steeds een beetje verder van haar neus waardoor ze na een tijdje die naar boven duwde en zuchtte.
De scherpe randen van het kleine brilletje maakte dat haar gezicht er nog strenger uitzag, met haar perfect gestifte lippen,
nergens buiten de lijnen. Ik dook altijd een beetje in elkaar wanneer ze tegen me sprak. Ik had een beetje schrik van haar.
‘Stop met zo nerveus te zijn, ik kan me niet concentreren.’ En klank volgde beeld, moeiteloos. Scherp en kortaf.
Stemmen vertellen veel over mensen, je moet gewoon leren luisteren.
-‘Sorry’, fluisterde ik en hield met mijn ene hand mijn andere stil. Ik kneep stevig in mijn eigen handen,
om ze te stoppen van zenuwachtig over mijn benen te wrijven.
‘Je wacht nu al een kwartier, word het niet tijd dat je wat anders gaat doen?’
Het was zo’n fijne opmerking met een zoete bovenlaag, dat je bijna het zuur vergat dat eronder lag.
-‘Hij komt heus wel.’ De klanken waren vrij vast, maar ik wist zelf niet goed wie ik eigenlijk probeerde te overtuigen.
Mijn moeder stuurde haar standpunt nog eens duidelijk door via haar blik, glanzend over de montuur; haar blik drukte een onuitgesproken ongeloof uit en wantrouwen, teleurstelling in mij, zo naïef en goedgelovig.
Ze zuchtte weemoedig en richtte haar aandacht weer op de letters in haar boek, omdat die meer zin hadden
dan de vervormde klanken die uit de mond van haar puberende dochter kwamen,
te blind door liefde om rationeel mee te kunnen discussiëren. Ik had welgeteld achttien doffe tikken
van de secondewijzer gehoord of ze sloeg haar boek plotseling neer op het bijzettafeltje.
Mijn gedraai en gezucht en gewrijf hadden haar op de zenuwen gewerkt.
Het geluid van de klap schudde me wakker uit mijn trance van heen en weer gewieg.
‘Kind’, riep ze. Ik reageerde niet op de bijna archaïsche aanspreking. Maar omdat ik voelde dat ze naar me keek,
wist ik dat ze het tegen mij had. Hoewel ik geen enkele respons gaf, ging ze verder, want ze wist dat ik het had gehoord.
Haar schelle stem dringt door alles door. Toen mijn vader en zij ruzie maakte penetreerden ze niet alleen muren en vloeren,
maar ook gedachten en dromen.
‘Hij is niet te vertrouwen, hoe hij met andere meisjes is omgegaan is niet normaal.’
-‘En sinds wanneer ben jij de expert?’, merkte ik kattig op. Die steek was onder de gordel.
Bijna letterlijk. Het venijn in mijn stem maskeerde bijna de niet erg subtiele verwijzing naar mijn vader.
En dat wil wat zeggen. Snel stond ik op en in de hoop dat de verbazing pas later zou wegtrekken haastte ik me naar de voordeur,
greep snel sleutels mee, hing mijn jas over mijn arm en stapte de deur uit.
Door het glas en de gordijnen door zag ik de silhouet van mijn moeder, nog steeds op de bank.
Bijna ongevoelig draaide ik me om, stak mijn handen diep ik mijn broekzakken en
liet mijn voeten zich leiden door mijn ingebouwd navigatiesysteem, tot aan jouw voordeur.
De wortels van de bomen die naast de weg aangeplant waren, hadden zich onder de straatstenen gewrongen.
De hobbels die de ongelijke stenen vormden, werden obstakels die ik niet altijd kon ontwijken.
Ik dacht: ‘Zie je wel, iets wat er niet hoort te zijn dat er toch is, vormt altijd problemen. Altijd.’
Voor de rest van de tocht was het stil in mijn hoofd. Ik concentreerde me op recht lopen en niet struikelen.
Op het vasthouden van mijn jas en op het niet laten vallen van mijn sleutels. Zonder die zou ik vanavond misschien niet
binnengeraken. Na mijn opmerking zou ik het kunnen begrijpen moest mijn moeder de deur op slot doen.
Het geruststellende gepiep van het gietijzeren hekje naar het padje van je huis kalmeerde me een beetje.
Er waren veel geluiden en geuren die me geruststelden. En ze waren allemaal op een bepaalde manier aan jou gelinkt.
De geur van de azalea’s in je voortuin, die in de lente een streep van kleur vormden.
De geur van leer en metaal bij elkaar, de ritssluitingen van je leren jasje dat ik al zo vaak had geleend.
Het geluid van het hekje, de deurbel. Het piepende geluid dat de snaren van je gitaar maakten wanneer
jij je vingers verschoof naar andere akkoorden. Terwijl ik me de herinneringen voor de geest haalde lette ik niet
meer op de trapjes naar de drempel. Ik viel gelijk voorover en schaafde mijn handen aan de ruwe steen.
Verdwaasd klopte ik mijn handen aan mijn broek af, ik had die toch nooit mooi gevonden en klopte aan.
Het duurde even voordat ik de klik in het slot hoorde. Hoe meer de deur zich opende, hoe meer ik van jou zag.
‘Ik...’ Ik kon niet uit mijn woorden komen, dat was het. ‘Ik, wij, jij...’ Stotterend keek ik naar beneden en zocht
de woorden in mijn hoofd. De geur van de vroegste azalea’s maakte me duizelig.
Je opende de deur helemaal en wenkte me met een handgebaar naar binnen.
Ik zuchtte opgelucht en huppelde de trapjes op. Het parfum in de gang was doordringend en zwaar,
maar op een bepaalde manier paste het perfect in het oude, hoge, herenhuis.
Jij, daarentegen, stond voor de art nouveau spiegel alsof je slecht geknipt en geplakt was.
Compleet uit de context gerukt. Maar dat was jij in mijn ogen altijd. Je hoorde hier niet thuis.
Dat vond jij ook. Ik wist perfect hoe jij je voelde.
Maar in elkaars stilzwijgen vonden we de woorden die we nodig hadden. En dat was genoeg.

lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-03-11 18:47

Wauw, wel 219 keer bekeken, en maar twee reacties :')

BlackDancer

Berichten: 827
Geregistreerd: 20-07-09

Re: [VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-03-11 19:32

Wauw ik vind het heel mooi en nou wil ik weten hoe het zit! (A) (update..! :D)
Schrijf verder! :P
Weet je zelf al wel hoe het afloopt en zo?

lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-03-11 19:35

@BlackDancer: Dankjeee! Ja, deze keer heb ik wel een idee, geen happy-end spijtig genoeg, :p

Hier is een klein nieuw stukje:

Citaat:
Na mijn vraag of ik mijn schoenen niet moest uitdoen met een nee te hebben beantwoord trok je me mee naar de leren driezit. Je warme hand lag zacht in de mijne. Ik moest me ervan weerhouden er niet in te knijpen, wat een logische reactie zou zijn. Je zat in het midden van de zetel en in plaats van me met één hand naar de plek naast je te leiden trok je me bovenop je. Daar zat ik dan, schrijlings over je schoot. Je grijnsde geniepig en legde mijn armen over je schouders. Ik hoopte maar dat niemand zou binnenkomen en ons zou zien. Vreemd genoeg stelde de geheimzinnigheid in je blik me gerust.

‘Waarom ben je hier?’, vroeg je opgelaten en trok me dichter tegen je aan. Je handen bleven in mijn knieholten liggen.
-‘Is dat niet een vraag die je had moeten stellen voordat... Welja...’ Ik gebaarde duidelijk naar de huidige positie en haalde mijn armen van je nek. Koppig legde je ze terug en streelde ze met je te grote handen.
‘Mag ik dan niet blij zijn om je te zien?’, vroeg je. De donkere warmte in je stem was voelbaar op mijn huid, waar het naar binnen drong in mijn bloedbaan en zijn weg zocht naar de bron van het versnelde gepomp. Zo dicht was je gezicht bij het mijne. Onze neuzen raakten elkaar bijna.
-‘Ik dacht, na gisteren...’, zei ik zachtjes en je verstrakte even.
‘Gisteren is gisteren. Vandaag is vandaag. En vandaag ben ik blij om je te zien.’ Je al even ontwapenende blik boorde zich in de mijne. En je lichaamstaal vulde je woorden perfect aan. Je liet alles zo gemakkelijk lijken. Van jou houden, liet je gemakkelijk lijken. En dat was het absoluut niet, maar in jouw armen leek alles te werken. Ik haatte je. Ik hield van je. Mijn lichaam werd aan stukken gescheurd door twee hongerige wolven. Maar hoe hard de ene ook zou trekken, de andere zou altijd, fier op zijn buit, een deel van mij bloedend door de sneeuw in zijn bek meesleuren.
‘Waar denk je aan?’
-‘Wolven. Jij?’
‘Ik ook.’
Ik rolde van je schoot en ging dicht naast je zitten. Je handen hield ik vast, om het contactoppervlak tussen jou en mij zo groot mogelijk te maken. Ik legde mijn hoofd in de holte tussen je schouders en je rechte kaak, waar het perfect inpaste. Als een puzzelstukje. Op momenten zoals deze wist ik niet waar jij ophield en ik begon. Alsof we een constante verbinding hadden om onze geheimste informatie door te sturen naar elkaar. En hoe zoetsappig het ook klonk: op dat moment, met de zon die onze gezichten verlichtte en verwarmde, met jou zo dicht bij me, was ik er zeker van dat jij en ik elkaars wederhelften waren. En al de stemmen in mijn hoofd waren het met elkaar eens.

Nu is het pure chaos. Gebroken gedachten en hulpeloze herinneringen bungelen hier en daar in mijn geheugen. De wolven zijn weg, alle wolven. Ik prik stil en geconcentreerd met de punt van een mes in de palm van mijn hand. Gewoon om te kijken wat ik nog voel. Een kleine rode druppel welt op uit de wonde en ik kijk ernaar. Ik kan me iets herinneren van het feit dat dit pijn zou moeten doen. Pijn, denk ik en zoek verwoed naar pijn in alle laatjes en kastjes in mijn hoofd. De laatste plek waar ik zou kunnen zoeken is in die zwarte doos, achteraan waar de laatste tijd zoveel uit ontsnapt. Focus op de pijn, denk ik. En dat doe ik. Het enige reële in mijn leven op dit moment. De pijn. Dat vier letterwoord draagt sinds een jaar onvoorwaardelijk een herinnering met zich mee. En zoals alle andere is dat er een aan jou.

Ik keek verdwaasd naast jou in de verte en hoopte dat ik het niet goed had gehoord. Ik zag vanuit mijn ooghoeken een wazig beeld van jou. Je keek me strak aan, je gezicht emotieloos voor deze ene keer. Ik slikte, maar de grote brok die in de weg zat ging maar niet weg. Onherroepelijk voelde ik een traan branden in mijn ogen. Snel knipperde ik hem weg. Je blik stond nog steeds op mij gericht, wachtend op een antwoord. Ik voelde me hopeloos. Duizend wervelende gedachten raasden door me heen. Wat moest ik dan doen? Wie had ik die zijn armen rond mij kon slaan, op jouw manier, één arm onhandig boven mijn schouders, de andere onder mijn andere arm? Waarom? Vooral die dan.
‘Waarom?’, vroeg ik schor.
-‘Ik ga weg. Voor een tijdje. Om alles in orde te krijgen.’
‘Ik ga met je mee.’
-‘Nee.’
Je werd voor mijn ogen waziger en waziger. Ik merkte pas waarom toen ik het water langs mijn wangen liep; ik was te veel bezig met vragen te beantwoorden.
‘Naar waar?’
-‘Gewoon. Weg.’
Ik knikte. Ik herkende je niet meer. Je ogen waren rood en je haar warrig. Ik probeerde door jou te kijken. Om een gevoel van afstand te creëren, om daar al aan te kunnen wennen.
-‘Ik hou van jou’, bracht je uit. Je nam een paar stappen in mijn richting. Een gure oktoberwind waaide door het gras en maakte mijn lippen droog. Ik kon niets zeggen. De woorden en letters werden één massa rommel. Je kwam nog wat dichter en ik keek naar de grond.
-‘Ik. Hou. Van. Jou’, zei je. Je legde nadruk op elk woord. Ik geloofde er niets van. Ik vroeg me af hoe goed een kwade blik overkomt als je erbij moet huilen. Onverbiddelijk bleef de stroom doorgaan. Maar ik hield mijn lippen stijf op elkaar en keek weer in de verte, naar de wolken, naar alles behalve jou.
Je nam mijn arm en zag dat er geen reactie kwam, zuchtend liet je hem weer los. Ik deed niet eens moeite om hem weg te halen. Zwaartekracht deed zijn werk wel. Ik snikte.
‘Ik geloof je niet.’
Je stapte weer achteruit, alsof je verbaasd was. Maar ik wist wel beter. Ik had gelijk.
‘Ik heb gelijk hé? Ik weet dat ik juist ben, want fouter kan ik niet zijn.’
Je keek vertwijfeld naar je schoenen.
-‘Ik ga weg. Maar ik kom weer terug, dat beloof ik.’
‘Ik geloof je niet. Ik geloof niets meer wat uit je mond komt.’

Mariss

Berichten: 3501
Geregistreerd: 18-12-05

Re: [VER] Jij. Ik. Gewoon wij. Meer niet.

Link naar dit bericht Geplaatst: 21-03-11 17:39

Ik vind het mooi, je beschrijft de gevoelens goed, maar let soms wel op je grammatica en spelling!
Ook vind ik het net iets te vaag. Te vaag voor een lang verhaal. ;)