. De hoofdpersoon in dit verhaal kennen jullie al van duistere kerst, het gaat over Ciara. De dochter van Tara. In het duistere kerst verhaal was ze nog maar 5, maar nu is ze volwassen en klaar om haar eigen leven te gaan leiden. Jullie herinneren je misschien nog wel van het vorige verhaal dat Ciara een zogenaamd wisselkind is, dat betekent dat haar ouders Sidhe zijn, maar dat zij door mensen is opgevoed. Ze houdt haar afkomst natuurlijk voor iedereen verborgen en niemand vermoed dat ze anders is dan ze zegt. Met dit verhaal ga ik een nieuwe richting in, ik hoop er wat meer actie en high tech in te brengen. Een beetje richting de Jaz Parks boeken. Ik wil nog wel veel meer vertellen, maar ben bang dat ik dan dingen ga verklappen. Wat er allemaal staat te gebeuren zullen jullie moeten lezen. Ik plaats nu hoofdstuk 1.
Voor de mensen die het huiskamertopic over de verhalen zoeken: link
En de link naar het Duistere Kerst verhaal.
Veel plezier met lezen!
Hoofdstuk 1
Londen 19 februari 1761
Dit jaar lijkt de winter aan geen einde te komen en in de lucht hangt een spanning die niet alleen door de storm veroorzaakt wordt. Mensen lopen amper op straat en de stad lijkt uitgestorven te zijn, slechts een enkeling waagt zich op straat. Een jonge man, net twintig, die zich niets van de storm lijkt aan te trekken. Zijn kraag staat omhoog om de gure wind buiten te sluiten en zijn haren zijn nat van de regen. Zijn passen zijn groot en zachtjes fluitend zwaait hij met zijn armen. Met al het zelfvertrouwen van de jeugd stapt hij zonder aarzelen een nauwe donkere steeg in. Hij is er van overtuigd dat hem niets kan overkomen en let niet op wat er om hem heen gebeurt.
Achter hem valt iets met veel kabaal op de grond en verschrikt staat hij stil, maar lacht dan om zichzelf en zijn reactie. Alleen kinderen en oude vrouwen zijn bang van de ratten die hier rond scharrelen en ratten zijn er genoeg in dit deel van Londen. Desondanks versnelt hij zijn pas en trekt zijn jas wat dichter om zich heen. Wanneer hij denkt voetstappen te horen wordt zijn aarzeling groter. Zijn hartslag versnelt en de spieren in zijn lichaam verstrakken, misschien had hij toch de veiligere omweg via het plein moeten nemen. Hij draait zich om en kijkt naar waar hij net vandaan komt. Even lijkt het erop alsof hij terug zal rennen, maar hij weet dat het geen zin heeft. De steeg is aan beide kanten nog even lang. Daar komt nog bij dat hij al te laat is en hij kan nu maar beter opschieten. Hij haalt diep adem en loopt snel verder de steeg in, niet wetend dat hij hiermee zijn lot heeft bezegeld. Na een bocht doemen aan het einde van de steeg al de lichten op van het grote plein en opgelucht snelt hij ernaar toe.
Nadat hij pas een paar passen heeft gezet wordt zijn weg belemmerd. Hij kan niet zien door wie en zet onzeker een paar passen naar achteren. Net zo plotseling als dat de persoon verscheen is hij ook weer verdwenen en zijn angst wordt groter. Niemand die hij kent kan zo snel bewegen, wat is hier aan de hand? Hij kijkt schichtig om zich heen en meent gelach te horen, of is dat de wind die dat geluid maakt? Nee, daar is het geluid weer en nu vlak achter hem. Hij wil wegrennen, maar iemand grijpt zijn arm beet en draait met bijna onmenselijke kracht hem naar zich toe. Nog voor dat hij een schreeuw kan geven wordt er een hand op zijn mond geplaatst.
De vrouw achtervolgt haar prooi al een aantal dagen. Ze vind het leuk om ze bang te maken en houdt er van om op het perfecte moment haar entree te maken. Het is anders veel te gemakkelijk om de mensen te overvallen. Ìde snapt haar soortgenoten niet, de meesten wachten rustig af totdat de mensen naar hun toe komen, maar dat is niet haar stijl. Zij houdt ervan om te jagen, om alleen te zijn met de elementen en om te springen van dak naar dak als ze haar prooi achtervolgt. Ze zit gehurkt bovenop een pilaar van de St. Pauls Cathedral. Haar prooi is niet zichtbaar, maar dat maakt niet uit. Zijn geur is zo duidelijk dat ze hem kan proeven en het zal haar zonder problemen naar hem toe leiden. Meestal zijn er veel andere geuren om haar af te leiden, maar met dit gure weer is er haast niemand buiten. Ze lacht, het is haast te makkelijk en ze heeft geen zin om al een einde aan de jacht te maken. Maar de honger dwingt haar wel, als ze nog langer wacht wordt ze slordig en fouten kan ze zich niet veroorloven.
Ze staat op en balanceert een paar tellen op de punten van haar tenen. Zonder vrees stapt ze dan van de rand van de pilaar af. Het is bijna dertig meter hoog en ze geniet van de paar tellen die de val duurt. Ze landt soepel en zonder geluid te maken. Om de geur weer goed te kunnen volgen houdt ze even haar hoofd scheef en ademt diep in.
Een glimlach rust op haar gezicht terwijl ze naar haar prooi snelt en binnen een paar minuten is ze al bij hem in de buurt. Vanaf het dak van een huis kijkt ze toe terwijl hij een donkere steeg binnen stapt, perfect, beter kan niet. Niemand zal het in de gaten hebben als er daar wat gebeurt. Ze klautert geruisloos naar beneden en loopt vlak achter hem langs zonder dat hij het merkt. Ongezien snelt ze naar een hoek, maar daarbij trapt ze per ongeluk een stapel troep om. Ze vloekt zacht en kijkt vlug naar wat haar prooi doet. Als ze zijn reactie ziet schudt ze ongelovig haar hoofd. De sukkel lacht zelfs even voordat hij dwaas doorloopt, hoe stom kan hij zijn? Wat ze wel hoorde is dat zijn hart sneller is gaan slaan en de zoete geur van angst vult de lucht. Nu kan ze het niet laten om met haar prooi te spelen, hoe banger hij is, hoe beter hij straks zal smaken. Terwijl de wind zacht langs haar gezicht strijkt lacht ze hardop en het geluid van haar stem dwaalt met de wind mee zijn kant op. Ze schiet langs hem heen en verspert zijn weg, maar voordat hij kan zien wie of wat ze is verdwijnt ze alweer in de schaduwen. Zijn hartslag gaat nog sneller en genietend luistert ze naar het wonderlijke ritmische geluid ervan. De angst neemt zijn lichaam over en hij probeert weg te rennen, maar ze laat hem niet ver komen en grijpt ruw zijn arm beet. Voordat hij kan gaan schreeuwen heeft haar hand zijn mond al bedekt.
Een prachtige jonge vrouw kijkt hem teder aan glimlacht verlegen. De spanning verdwijnt uit zijn lijf en hij ademt opgelucht uit.
‘Niet schrikken’ Fluistert ze terwijl ze haar hand al laat zakken. De jonge man knikt en schaamt zich ervoor dat hij geschrokken is van slechts een vrouw.
‘Wat ben je mooi.’ De woorden rollen uit zijn mond voordat hij er erg in heeft en vervolgens bloost hij om zijn onbeschaamdheid. In een poging haar eer te herstellen recht hij zijn rug en neemt de houding aan van een heer. Hij reikt haar zijn hand en zonder aarzelen legt ze haar hand in de zijne.
‘Sorry mevrouw, dat had ik niet zo mogen zeggen. U liet me schrikken. Wat doet een dame als u nou in zo’n donkere steeg ?’ Een ondeugende glimlach verschijnt op haar gezicht en de blossen op zijn wangen kleuren nog dieper rood.
‘Ik ben de weg kwijt kunt u me zeggen waar de Theems is?’ Hij draait zich van haar weg en wijst in de richting van het verlichte plein.
Dit is haar kans! Ze pakt zijn hand stevig vast en met haar andere hand buigt ze snel zijn hoofd naar achteren. Tot haar verbazing weet hij zich los te rukken en van haar weg te springen. Hij kijkt haar vol ongeloof aan en op zijn gezicht verschijnt een angstige blik. Wanneer ze op hem afkomt bedenkt hij zich geen moment en rent luid schreeuwend richting het verlichte plein. Ze is te verbijsterd om meteen achter hem aan te gaan, maar het is ook al te laat om dat te doen. Zijn geschreeuw heeft anderen aangetrokken en ze kan de eerste mensen al haar kant op horen lopen. Chagrijnig kijkt ze hem na, het is voor het eerst in haar leven dat ze zo’n kans gemist heeft. Ze zal later op de avond wel voor hem terug komen, maar ze baalt flink dat ze hem nu heeft moeten laten gaan. Voordat hij de mensen over haar kan vertellen verdwijnt ze in het duister van de steeg. Via een paar huizen bereikt ze weer het dak van de kathedraal. Vanaf hier kan ze haar prooi volgen en afwachten tot een nieuwe kans zich voor doet. Ondertussen is het harder gaan regenen en samen met de wind verpest dit haar zorgvuldig opgemaakte kapsel. Haar humeur zakt met de minuut en stilletjes mopperend blijft ze wachten. Ze overweegt om haar prooi te laten gaan, maar nu ze hem heeft uitgezocht moet ze hem hebben. Het is voor haar onmogelijk om hem te laten gaan, zeker niet nu hij haar gezien heeft. Ze weet waar hij woont, dus het is een koud kunstje om hem daar op te wachten, maar zoals het er nu uit ziet zal het tijden duren voordat hij naar huis gaat. Haar blik dwaalt naar de donkere horizon. De nacht is nog jong en ze heeft uren voordat de zon op komt dus tijd genoeg om plannen te maken. Bovendien is ze beste jager van haar soort en ook deze prooi zal haar niet ontlopen.
Iowa, 19 februari 2011.
Zacht gezoem klinkt door mijn dromen heen, ik zucht diep en trek de dekens over mijn hoofd. Waarom kan ik niet gewoon nog een uurtje blijven liggen? Ze missen me heus niet als ik te laat kom. Met mijn hand tast ik naar de snooze knop, vijf minuutjes en dan ga ik er echt uit. Helaas is zelfs dat me niet gegund. Voordat de wekker weer af kan gaan wordt de deur van mijn kamer al open gegooid.
‘Goedemorgen Ciara!’ Klinkt de voor dit vroege uur veel te vrolijke stem van mijn huisgenoot.
‘Rot op Brian, ik slaap.’ Mompel ik vanonder de dekens. Ik hoor hem wat onverstaanbaars mompelen en plotseling worden de dekens van mijn bed getrokken.
‘Mooie pyjama heb je aan vanochtend.’ Grapt hij terwijl hij al snel naar achteren springt. Hij weet heel goed dat ik altijd een verschrikkelijk ochtendhumeur heb en met deze actie is het oorlog. Voordat ik iets mijn handen kan krijgen om naar zijn hoofd te gooien is hij al mijn kamer uitgerend.
‘Ik pak je nog wel terug.’ Roep ik tegen de gesloten deur, daarachter hoor ik hard gelach. Ik laat me zuchtend achterover op het bed vallen en op hetzelfde moment begint de wekker weer te piepen. In een vlaag van frustratie pak ik het ding beet en smijt het tegen de muur. Terwijl ik het doe heb ik al meteen spijt, hopelijk gaat hij dit keer niet kapot. Ik spring mijn bed uit en kijk dan enigszins beteuterd naar de plastic stukken die eens een wekker waren. Dat is al de derde wekker dit jaar, ik moet echt leren om dit niet meer te doen. Wat een manier om de dag te beginnen, het is net zeven uur en ik heb nu al het gevoel dat vandaag alles mis gaat. Somber tuur ik door mijn kleine dakraam naar buiten. De wereld is wit van de rijp en de mensen die voorbij lopen schuilen diep in hun warme winterjassen. De hemel is echter strakblauw en de zon schijnt vrolijk mijn kamer in. Het is weken geleden dat ik heb kunnen genieten van de zon en mijn humeur wordt langzaam iets beter.
Ik scheur mijn blik los van het raam en trek de kleine klerenkast open. Daarbinnen is het een chaos en ik moet lang zoeken, maar uiteindelijk trek ik een mooie bruine rok uit de stapel kleren. Een bijpassende trui is ook zo gevonden en snel schiet ik in mijn kleren. Ik ren de trap af en bots dan bijna tegen mijn andere huisgenoot en beste vriendin op. Megan staat al op me te wachten en gebaart op haar horloge.
‘Ja, ja ik weet het, ik ben laat. Het is niet mijn schuld, die wekker is niet goed.’ Ze schudt haar hoofd en bekijkt met een bedenkelijk gezicht de outfit die ik voor vandaag heb uitgekozen.
‘Volgens mij is het niet alleen de wekker, maar ook je verstand waar wat mis mee is. Het vriest al weken en jij trekt uitgerekend op één van de koudste dagen een korte rok aan. Nou jij liever dan ik, maar als je toch van plan bent om longontsteking te krijgen kan je mij dan aansteken als je het hebt? Ik heb echt geen zin om volgende week toetsen te maken.’ Nu is het mijn beurt om te lachen. Ik weet hoe erg ze tegen de toetsen opziet, net als ik trouwens. Donner, onze docent tactiek, geeft gruwelijk moeilijke toetsen. Daar komt nog bij dat zijn lessen zo saai zijn dat ik erg veel moeite heb om goed op te letten. Ik heb de vorige avond uren naar mijn aantekeningen staan staren, maar ik kon er niets uithalen. Met een beetje geluk haal ik een zes en anders verzin ik wel wat om Donner over te halen mij en Megan een voldoende te geven.
‘Ik denk niet dat Donner een longontsteking als excuus ziet om een toets te missen.’ Grap ik en nu moet ook Megan lachen. Donner laat zich namelijk door niets of niemand tegen houden en hij staat er echt om bekend dat hij zogenaamd zieke studenten uit hun bed sleurt. Het verhaal gaat dat hij vorig jaar zelfs iemand in zijn pyjama examen heeft laten doen.
Druk kletsend lopen we naar mijn kleine auto toe. Net als ik plaats wil nemen achter het stuur gaat mijn telefoon, zonder te kijken weet ik al wie het is. Vreemd normaal belt ze pas ’s avonds.
‘Megan kan jij vandaag rijden. Mijn moeder heeft weer eens iets, dus dit kan wel even duren.’ Zonder te vragen wat er is wisselt Megan van plaats. Ze kent mijn moeder goed en weet dat die niet ophoud met bellen totdat ik de telefoon opnemen. Ik werp Megan nog een verontschuldigende blik toe en die haalt lachend haar schouders op.
‘Geen probleem, neem nou maar op. Je weet dat ze anders nog ongeruster wordt.’ Ik knik en breng de telefoon naar mijn oor.
‘Hey mam.’
‘Waarom duurde het zo lang? Er is toch niets mis? Moet ik naar je toe komen?’
‘Rustig mam er is niets. Ik was met Megan aan het kletsen en hoorde mijn telefoon niet. Alles is in orde en we gaan nu net naar school toe. Wat bel je trouwens vroeg, je weet toch dat ik het nu druk heb?’
‘Ja weet ik, maar ik… ik. Ach het is vast niets.’ Ik weet de spanning die in me opkomt goed te verbergen en gluur opzij naar Megan. Die heeft gelukkig niets in de gaten en concentreert zich alleen op de weg.
‘Wat is er gebeurd?’ Het is even stil aan de andere kant en ik kan me precies voorstellen hoe mijn moeder nu zit. Ze tuurt vast tussen de luxaflex door naar buiten en alle ramen en deuren in het huis zitten potdicht. Terwijl ze af en toe zenuwachtig om zich heen kijkt verfrommelt ze een zakdoek of een stuk van haar trui in haar handen. Er was ooit een reden voor haar paranoia, maar nu is het al jaren rustig en ik begin te vrezen dat alle spanning haar teveel wordt. Steeds vaker belt ze me in paniek op. Dan heeft ze weer wat gehoord of gezien en de angst beheerst haar leven. We hebben elkaar al maanden niet gezien, dat vindt ze te gevaarlijk. Ik weet niet eens of ze nog op hetzelfde adres woont, de enige manier die ik heb om contact met haar op te nemen is via de telefoon. Dat is dan tenminste als ze niet weer een nieuw nummer heeft genomen en vergeten is om dat aan mij door te geven, iets dat bijna maandelijks gebeurd.
Het is nog steeds stil en aarzelend noem ik haar naam.
‘Mam, ben je er nog?’ Ik hoor haar heen en weer lopen en zachtjes tegen zichzelf mompelen.
‘Mam kom op, zeg eens wat.’ Megan kijkt nieuwsgierig opzij en ik vraag me af of ik niet net moet doen alsof ik gewoon met haar aan het praten ben. Net wanneer ik dat wil doen hoor ik haar stem weer.
‘Hij is vlakbij, ik weet het zeker. Vanochtend zag ik hem terwijl ik brood ging halen. Ik weet zeker dat hij het is, wie kan het anders zijn geweest? Alsjeblieft Ciara wees voorzichtig, je weet wat er gebeurt als hij je vindt. Nee dat mag niet gebeuren, dat kan niet.’ Ze blijft doorratelen en ik weet dat ze het niet meer tegen mij heeft. Ze probeert zichzelf gerust te stellen en dat kan wel even duren. Ik gluur op mijn horloge, de lessen beginnen over twintig minuten en meneer Isamu vergeeft me niet als ik te laat kom. Ik heb er een hekel aan om mijn moeder af te schepen, maar het moet.
‘Luister mam, het is vast niets. We zijn zo voorzichtig geweest en nu ik niet meer bij jou in de buurt ben heeft hij geen reden meer om achter jou aan te komen. Zonder mij in de buurt ben je vrij. Je hoeft je om mij ook geen zorgen te maken, ik ben hier beter beschermd dan waar dan ook. Dat weet je, dat heb ik je gisteren ook al gezegd. Stelt het je gerust als ik je straks in de pauze even bel?’ Ik hoor haar doorratelen en wacht ongedurig totdat ze een antwoord heeft.
‘Ja doe dat, nee wacht. Ik haal straks een nieuwe telefoon. Nu hij zo dichtbij is wil ik geen risico nemen, ik bel jou wel.’
‘Prima mam en stop met zorgen maken. Er is waarschijnlijk niets aan de hand.’ Ze drukt me nog op het hart om vooral goed te kijken en pas minuten later kan ik eindelijk de telefoon uitdrukken.
Ik vermijd het om Megan aan te kijken, ze weet heel weinig van mijn verleden en ik heb haar veel leugens moeten vertellen om het paranoia gedrag van mijn moeder goed te praten.
‘Sorry dat je dat moest horen.’ Mompel ik verlegen.
‘Geeft niet, jij kan het ook niet helpen dat ze zo is.’ Ze kan zien dat ik het er moeilijk mee heb en om mijn gedachten af te leiden begint ze vrolijk te praten over haar nieuwste vriendje. Waar zij de tijd vandaan haalt om een relatie te onderhouden snap ik niet, onze lesroosters zijn precies hetzelfde en ik moet iedere dag tot laat studeren om alles bij te kunnen houden. Iets dat zij ook moet doen, anders haal je het echt niet op deze opleiding. Ik reageer op de juiste momenten op haar verhaal, maar heb eigenlijk geen idee wat ze zegt. Mijn gedachten zitten bij mijn moeder, hoewel de kans klein is dat ze hem echt heeft gezien mag ik dit niet negeren. Stel dat het wel zo is, dan moet ik nu maatregelen nemen. Ik denk aan alle dingen die ik al klaar heb, als het moet ben ik hier binnen een half uur weg. Vluchten is een tweede natuur van me geworden en hoewel ik het hier de laatste jaren prima naar mijn zin heb weet ik zeker dat ik zonder problemen ook ergens anders gelukkig kan worden.