het zoveelste verhaal van mij hier op bokt maar ik wil het toch graag even kwijt!Weg
HOOFDSTUK 1.
Maria
Eindelijk genoot ik van het februari zonnetje. Voor het eerst drong het in me door dat het lente begon te worden en dat ‘dat vreselijke’ weg gaat. Het leven begon weer door me door te dringen en dat was eigenlijk net wat ik vandaag nodig had. Buitenlanders en Nederlanders liepen door elkaar heen. Je hoorde verschillende talen door elkaar heen. Normaal zal het mij ergeren maar nu niet. Niks kan me vandaag nog minder maken of breken. Zelfs als ik denk aan Dylan maakt het me niet erger. Vrolijk maakt het me natuurlijk ook niet. Na alles wat hij mij heeft aangedaan. Toch zou die verschrikkelijke hel elke winter weer komen. Elke winter weer en weer. Maar aan de winter zou ik nu niet aan gaan denken. Dat heb ik mezelf beloofd. Het word zomer. En van mij mag het altijd zomer blijven. Ik ben geen winter mens en al absoluut niet wat ik doe, mee maak, en bang voor ben. Winter maakt me kapot al vanaf dat ik een jaar of acht ben. Ik zal mezelf even voorstellen. Ik ben Maria. Ik leef in een buitenwijk in Amsterdam en werk daar dus ook. Ik ben een afgebeulde Afghaan volgens mijn familie maar het maakt me niet meer uit. Het doet me niks meer. Als de zon er is doet het me leven. Het geeft me de fijne emotie en dat doet me goed. Als het donker is ben ik bang. Durf ik mijn donkere kamer niet in te gaan denk dat er iemand achter mijn raam schuilt en spiekt of ik goed slaap en me dan gaat vermoorden. Ja, daar ben ik als de dood voor. Ik zit nu lekker op een bankje op het station en niemand kan zien wat ik elke hel of eigenlijk winter nu dus door maak.
Rio.
Daar zag ik haar weer. Dezelfde tijd, hetzelfde bankje. Elke dag twijfel ik weer of ik naar haar toe ga. Ik zie geen emotie, ik weet niet hoe ze heet. Ze is buitenlands, ik gok iets van Afghaans. Ze is en blijft onbereikbaar. Haar mooie lichaam, ik zou alles voor haar willen doen. Jammer dat ik niet durf. Ze kent me niet ze heeft me nooit gezien ook. Toch zie ik haar elke avond, elke minuut van de dag haar in mijn gedachten. Liggend aan mijn zijde of lachend naar mij. Soms droom ik over haar. Niet altijd is het een fijne droom. Mijn droom is dan echt een hel. Toch durf ik het niet en is deze vrouw erg speciaal. Ze doet iets met me. We hebben elkaar niet gesproken. Ze heeft me waarschijnlijk nooit gezien. Of wel. Maar het dringt haar niet door de gedachten wie ik ben. Dat zie ik. Haar ogen zijn dood. Geen emotie meer. Geen sprankeltje liefde. Toch zie ik dat altijd in mijn gedachten. Ik ga haar leren kennen het moet. Ik zet een stap naar haar richting. Dat zelfde moment botst een vrouw van een jaar of twintig tegen mij op en ze scheld mij uit. Het doet me niks. Helemaal niks. Ik moet haar bereiken. In gedachten geef ik haar een naam. Roos heet ze dan. Ze is zo mooi als een Roos.
Er komt een man naar haar toegelopen. Het zelfde soort getint. Ik zie woede in zijn ogen. Ik wil er naar toe lopen en er iets van zeggen. Mijn gedachten willen het doen. Mijn benen blijven staan. Mijn ogen blijven hem aankijken. ‘Vieze prutsmuts dat je bent. Ga jij maar snel weer centjes voor mij verdienen. Ja?!’ ‘AUW!’ Dat is het enige wat ik zie. Met tranen loop ik naar mijn trein. Dit wil ik niet zien. In gedachten bid ik voor haar. Dat onze lieve Heer haar mag beschermen.
Maria.
Mijn gedachten beginnen te schokken. Iets waar ik vaker last van heb. Het is omdat ik zijn bijzijn voel. Het is een vervelende warmte, een misbruikende. Het is hem verteld iets in mij. Dat zelfde moment voel ik een trap in mijn scheen en ik roep het uit. ‘Het is nog niet over voor jou! Hup. Kom met me mee!’ Weer voel ik een ellendige pijn. Ik ben in een ruimte waar ik vaker ben geweest maar alweer niet kan plaatsen. Langzaam begint het zwart voor mijn ogen te worden. Even voel ik geen pijn meer.
Ik werd wakker en keek rond me. Niemand. Helemaal niemand. ‘TRIIIINNNNG.’ De telefoon gaat. Niemand neemt op. Weer kijk ik om me heen. Nog steeds niemand. Langzaam zet ik een stap bij de richting van de deur. Zal ik? Weg van dit allemaal? ‘Ja!’ fluister ik mezelf toe. Weer maar nu zekerder sluip ik naar de deur. Niemand. Dit heb ik nog nooit meegemaakt. Zal dit een valstrik zijn? Een domme zou het zo ie zo zijn. Ik ben sneller als hun. Slimmer helaas net niet. Ik heb mijn VMBO niet afgemaakt. Hun wel. Het kwam omdat ik hem zag en gelijk verliefd was. Thuis, het was allemaal te hard en moeilijk voor me. Ik wou weg en hij zou er voor zorgen. Weer een stap uit de donkere ruimte. Ik zucht. Zo snel en zo stilletjes als ik sluip gaat het goed. Ja ik ben er uit! Ik hoef niet ver om te kijken of ik voel een stevige arm om me heen. Een hand voelt over mijn gezicht en stopt bij mijn ogen. Even probeer ik een lievelijke stem in te brengen. ‘Schaat…’ maar dan lukt het niet meer en ben ik weg. weer weg.
Rio.
Ik heb het geprobeerd om me in te houden. Misschien is dit wel een domme zet. Ik kon het niet langer meer aan zien hoe ‘zij’ dat meisje waar ik al heel wat jaren tegen op kijk. In elkaar geslagen word en dingen zoals prutsmuts moet aan horen. Ik geef toe. ik heb ze gevolgd. Een vriend van mij was mee. Toen ze niet opletten hebben we met een hamer een klap op de kop gegeven. Het waren er twee. Twee mensen. Twee maar. Niet veel sterker als Maarten en ik. Het kon gewoon. Maarten had medelijden en ik? Ik kon het niet langer meer aan zien. Waarschijnlijk heet ze Maria of Eva. Maria vind ik mooier. Het past bij haar. Ik weet niet waarom. Ik zag het op de lijst. Maria werd al snel wakker en zag de klok volgens mij al tikken en is toen naar buiten gelopen. Maarten was al weg en ik heb de zaak verder gedaan. Ik had een klein beetje pepperspray nog. (die had ik van vrienden gekregen die vroeger een of andere bende waren.) Al snel was ze buiten westen en heb haar meegenomen. Ik woon alleen. Heb alle tijd en heb haar dus met de auto naar mijn flat gebracht.
Even doet ze haar ogen open. Wat is ze mooi. Zelfs die blauwe plek op haar hand is mooi. Langzaam gaat ze met haar ogen naar mijn kant. Ze begint een eng gezicht te trekken en ik loop naar haar toe. aah stumper. Struikel je over je eigen schoenen. Al strompelend loop ik naar haar toe. ‘Sorry ik wil je niet pijn doen.’ Er volgt een lichte aanraking. ‘Wat wil je? Sorry dat zeggen ze allemaal en vervolgens word je in elkaar geslagen. Heb je geld? Sigaretten? Hoe vaak?’ ‘Ik wil niks van je.’ Ik begon haar liefdevol aan te kijken. Ze keek me met een vies gezicht aan. ‘Sorry, maar wat moet ik van je denken?’ ‘Sorry.’ Stamelde ik er nog al wat vermoeiend uit. Tja wat moest ze wel ooit van mij denken? In een keer had ik er oprecht spijt van wat ik had gedaan. Ze begon me haastig aan te kijken. Haar ogen sprongen wijt open. ‘Waar is Dylan? Richard? Waar zijn ze? Ik moet weg. ik moet nu echt weg.’ Ze wou al op staan maar ik legde een hand op haar. ‘Hoo eens even. Rustig aan. Jij zult geen last meer van ze hebben dat beloof ik. Deuren zijn op slot. Extra sloten. Er kan je niks gebeuren.’ Ze begon me nog doordringender aan kijken dan dat ze al deed. ‘Je wilt toch niet zeggen dat ik hier in een gevangenis leef?’ Wat klonk dit allemaal hard. Ik schrok van mezelf. ‘Nee, nee. Luister nou. Ik wil dat je veilig bent. Deze week wil ik het rustig houden. Af en toe moet ik weg voor werk. Volgende week logeren we bij mijn vriend en dan moeten we ergens anders kijken of we een huis kunnen krijgen.’ Haar ogen sprongen open. ‘Nee.. dit meen je niet? Ze gaan me zoeken. Ik weet het zeker..’ Langzaam begon haar gezicht wat rustiger te worden. Toen sprongen ze weer wijt open van angst. Ze begon te huilen. ‘Nee dit wil ik niet. Ik ken je niet. Jij bent het zelfde uit als al die anderen! Ga weg en laat me met rust!’ Ze keek me smekend aan en ik wou ook bijna echt weg gaan. Maar door dat mooie gezicht wil ik niet. Het houd me tegen..