[VER] De strijd

Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
Sanniegirl
Berichten: 191
Geregistreerd: 02-09-07

[VER] De strijd

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 05-01-11 18:16

Een nieuw verhaal :) Ik hoop dat jullie het leuk gaan vinden, commentaar/kritiek is altijd welkom. Ik hoor het ook graag als ik spellings/grammaticafouten heb gemaakt. Ik wil minstens 1 keer per week gaan posten, als ik veel schrijf is het meer. Door het minimum van 1500 woorden is het wel altijd nog een aardig stukje. Ik heb geen inleiding, de inleiding zit een beetje bij hoofdstuk 1 in.
Hier is het 1e hoofdstuk, ik hoop dat jullie het leuk vinden!

De strijd

Hoofdstuk 1 - Het lot

Thomas’ perspectief
Het is moeilijk om van iemand te houden die zichzelf zo haat. Nee, eigenlijk zeg ik het verkeerd. Het is niet moeilijk om van haar te houden, ze betekent zo veel voor mij. Het is moeilijk om te zien hoe zij zichzelf zo haat. Ik kan het niet langer, maar het laatste wat ik kan is haar laten gaan.

Wat lijken we toch eigenlijk een normaal koppel. We wonen samen, we doen leuke dingen, we hebben een leuke vriendenkring, we eten, we slapen, ik werk, en ja, ook wij hebben seks. We doen alles wat normale mensen doen. We leven hoe normale mensen leven. Alleen is er één rode draad, één bepalende factor, die altijd ons leven bepaalt. Roos is manisch depressief. Haar moeder was het ook. Roos moest de pechvogel zijn. Ja, ik heb er wel eens dingen over opgezocht. Met een manisch depressieve ouder heeft een kind ongeveer twintig procent kans om het ook te krijgen. Roos heeft vier broers en zussen, geen van hun heeft het. Zij was het slachtoffer, op haar is het lot gevallen.
Roos’ moeder heeft 5 jaar geleden zelfmoord gepleegd.

Roos’ perspectief
Ik wil ook een normaal leven hebben. Ik wil gewoon gelukkig zijn met hem, ik wil kinderen van hem, ik weet het zeker. Soms gaat het beter, zeg maar goed. Ik kan denken dat ik de wereld aan kan. Het is te onrealistisch om te geloven dat het zo blijft.
Ik hou van hem. Voor hem ga ik door, maar het is zwaar, heel zwaar.

Het feit dat ik het bovenstaande überhaupt kan denken, zegt al wat. In slechtere tijden lig ik het liefst alleen maar op bed, niets te doen. Ik lig te janken. Ik fantaseer hoe ik mezelf van kant maak. Soms wilde dat ik het had gedaan. Weet je hoe verdomd poedersuiker het is om manisch depressief te zijn? Ik wil leven, zoals elke jonge vrouw van begin twintig. Maar ik kan het niet. Er is vaak genoeg tegen me geschreeuwd, of ik nou nooit eens gezellig kan doen. Door mijn zussen en broers, maar ook door Thomas. Klinkt vast heel gemeen, want ik ben immers degene die zielig gevonden moet worden. Het zijn maar mensen. Ik ben ook maar een mens.

‘Goedemorgen schatje!’
3 jaar bij elkaar, en nog altijd zo verliefd. Ik glimlach. In goede en slechte tijden houden wij van elkaar. Dat kunnen wij onderhand wel zeggen. Thomas kijkt vrolijk, ik wil ook vrolijk zijn. Gister hebben we zo'n leuke dag gehad met zijn tweetjes. Ik voelde me geweldig, de Roos waarop Thomas verliefd is geworden. Hoe ik me nu voel, is nog niets. Ik voel de echte dip aankomen, hoe ik me dan voel is onbeschrijfelijk. Een soort storm die nog niet helemaal opgekomen is. Ik neem moeizaam wat happen brood. Ik staar uit het raam. Het weer is even troosteloos als ik me wil. Thomas kijkt in mijn ogen. Ik probeer zijn blik nog te ontwijken, maar hij weet al hoe laat het is. Zijn gezicht betrekt. Ik knik zachtes. Meer hebben we niet nodig, hij snapt het precies.

Ik zit met een coltrui op de bank. Het is lente. Thomas kijkt er niet meer van op, ik doe wel raardere dingen. Hij kijkt uit het raam. Ik kijk naar mijn pols. Een snee. Ik voel niets. Dat heb ik wel vaker gedaan. Thomas komt naar me toe gelopen, hij gaat naast me zitten op de bank. We zitten te wachten op het onvermijdelijke. Wachten op mijn gezeur, mijn gejank, mijn twijfels. Ik wil er niet op wachten. Eigenlijk zijn we gek dat we er op zitten te wachten, maar wat moeten we dan? Ik weet het niet.

Thomas’ perspectief
Ik ben wanhopig, zoals ik me zo vaak voel. Roos is aan het ijsberen, soms schreeuwt ze wat, ze huilt, ik weet niet wat ik moet doen, alles schiet in het verkeerde keelgat. Eigenlijk weet ik wel wat ik moet doen, ik moet zwijgen. Na alle jaren met haar kost dat me nog steeds moeite, het doet me pijn om haar zo te zien. Opeens zakt ze in elkaar, ze valt neer op de bank.
‘Wat moet ik verdomme toch aan met mezelf! Kijk mezelf nou liggen, 1 stuk ellende. Waar ligt dat grote mes? 1 bittere, meedogenloze hak, en het is gedaan! Misschien kun jij het doen.’ Zegt Roos.
Nu hou ik het ook niet meer, de tranen rollen van mijn wangen. Ik kan er niet bij met mijn hoofd. Het is zo heftig wat ze allemaal zegt, maar het is geen uitzondering. Ze zit in een soort psychose, in haar eigen wereld. Ik weet niet wat ik er mee moet. Straks wordt het vast minder, hoewel ze zich nog steeds rot voelt. Ik voel me machteloos en knijp in mijn stressbal. Dat ding maakt overuren. Ik staar er naar. Ik zie mijn nagels er instaan. Dat ding ziet er net zo uit als Roos zich van binnen voelt.

Ik leerde haar kennen, op een mooie lentedag in mei. Misschien was het ook juni. Ik zag haar in haar jurkje, haar jurkje dat haar zo prachtig stond. We ontmoetten elkaar op een feestje. Haar neef was een studievriend van me. We hebben lang met elkaar gepraat. Ik was onder de indruk. We wisselden nummers uit, we hadden wat dates. Alles ging normaal. Ze vertelde me pas laat van haar probleempje. Als het minder ging zei ze onze date gewoon af. Het was een maand officieel en we daten al 3 maanden toen ze het vertelde. Toen hield ik al teveel van haar om bij haar weg te gaan. Liefde is sterk.

Roos’ perspectief
Na een paar instabiele dagen voel ik me goed. Ik ben net wakker geworden, het is pas half 8. Wat voel ik me opeens geweldig, ik kan de wereld aan! Ik zie mijn schat nog een beetje naast me liggen slapen, hij snurkt een beetje. Eigenlijk best schattig. Ik sta op, en besluit hem te verwennen met een ontbijtje op bed. Ik sla de dekens van me af, en loop naar beneden. De treden tikken zelfs nog onder mijn sloffen. Ik vind het een fijn geluid. Tip-tap. Tip-tap. Het stelt me gerust. De trap zonder tikken is als ik zonder Thomas. Ik trek de deur open, en het zonlicht komt me via het raam tegemoet. Ik knipper een paar keer met mijn ogen, ik rek me uit. Het belooft een mooie dag te worden. Ik trek de koelkast open. Ik pak 3 eieren, en gooi ze in de pan. Die gekke structuur is eigenlijk best grappig. Zingend pak ik een bord, en leg ik er een broodje op. Een ei, daar houdt hij van. Ik heb zin in de dag. Ik hoor voetstappen. Ik vloek in mijn hoofd. Ik wilde hem net een ontbijtje op bed geven, daar houdt hij zo van. De voetstappen gaan snel. Hij houdt normaal zo van uitslapen, ik snap het niet. In 1 ruk gaat de deur open, en ik zie meteen angst in zijn ogen. Als hij me zo vrolijk ziet, zucht hij opgelucht. Hij loopt op me af en wilt me een kus geven. Ik ruk me los. Hij kijkt me verbaasd aan.
‘Wat denk je nou eigenlijk?! Wat kwam je doen? Mij een goedemorgen zoenen zeker, om half 8? Je bent gek!’
Ik ben woedend, hij vertrouwt me niet. Thomas zet een stap achteruit.
‘Wat is er nou, Roos? Wat doe ik nou weer verkeerd? Ik kom mijn prachtige vriendin een goedemorgen wensen!’
Dit is typisch Thomas, om me in een ruzie nog zijn prachtige vriendin te noemen. Hoewel ik van binnen smelt, word ik nog bozer.
‘Je bekijkt het allemaal maar. Je vertrouwd me niet. Hier heb je je ei!’
Ik pak de koekenpan, en smijt het ei op de grond.
De laatste keer dat ik zonder reden vroeg op was vond Thomas me huilend in de badkamer met een snee in mijn pols.

Ik begin weer te huilen, zoals ik altijd doe. Thomas is er gevoelig voor.
‘Het spijt me, het spijt me. Ik wilde gewoon een ontbijt voor je maken, ik wilde de dag vrolijk beginnen.’
Thomas wendt zijn gezicht af. Hij vind het moeilijk als ik me zo op hem af reageer, moeilijk dan wat dan ook. Ik sta op, loop naar hem toe en pak zijn schouders beet.
‘Ik hou van je, ik hou van je.’ Zeg ik gemeend.
Thomas glimlacht gelukkig alweer.
‘ Gekkie, ik hou ook van jou.’
Ik zoen hem op zijn mond, op zijn wang, op zijn voorhoofd, in zijn nek. Overal. Zoenend lopen we naar de bank toe, hij duwt me er zachtjes op. Voorzichtig gaat hij bovenop me liggen, zo voorzichtig als hij altijd met me is. Al het gedoe van net zit al even in mijn achterhoofd, ver weg gestopt. Ik geniet van zijn warme lijf tegen me aan. We beginnen elkaar uit te kleden en hebben seks. Goedmaakseks is de beste seks.

wonderworst_

Berichten: 2424
Geregistreerd: 12-09-07
Woonplaats: zoetermeer

Re: [VER] De strijd

Link naar dit bericht Geplaatst: 08-01-11 12:07

wauw wat schrijf je onwijs goed zeg! ben al helemaal benieuwd naar het volgende stuk! toppie! :):)

Sanniegirl
Berichten: 191
Geregistreerd: 02-09-07

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 08-01-11 16:44

Dankjewel, heel leuk om te horen! Hier is hoofdstuk 2, ik zit gelukkig weer net aan de 1500 woorden, ik post liever maar 1 hoofdstuk tegelijk :Y)

Hoofdstuk 2- Carpe Diem

Thomas’ perspectief
Vandaag is de dag. Roos wilt perse Carpe Diem op haar pols laten tatoeëren. Ze wilt het al een hele tijd, maar vandaag is het zover. Ik weet niet of ik het zo leuk vind, ik houd niet zo van tatoeages. Maar goed, zij wilt het graag en ik denk niet dat ze er spijt van krijgt. Ze wilt het al heel lang, ook toen ze wat stabieler was. Ze is toch niet tegen te houden, dan kan ik net zo goed met haar meegaan. Ik ben allang blij dat ze geen Thomas op haar pols meer wilt. Het is heel leuk, maar je weet gewoon nooit hoe dingen gaan. Ik voel me er gewoon niet zo prettig bij. Roos was daar nog heel boos over.
‘Waarom wil je niet dat ik het laat tatoeëren? Bang dat we voor altijd verbonden met elkaar zijn?’
Tuurlijk ben ik niet bang om voor altijd verbonden met haar te zijn, maar het is gewoon geen fijn idee. Ik vond het jammer dat ze niet zelf inzag. Ik werd toen ook een beetje boos op Roos. Ze weet niet wat ze aanricht door dat soort dingen te zeggen, het doet me echt pijn.
‘Als je het zo graag wilt, neem hem dan maar!’
Een grote woordenwisseling volgde, maar gelukkig zag Roos later ook in dat het niet zo’n goed idee was. We maakten het goed, zoals bij al onze ruzies. Helaas hebben we die wat te vaak.

Roos komt vrolijk beneden. Ik ben blij om haar weer vrolijk te zien.
‘Vind je het geen mooi symbool, Thom?,’ vraagt Roos aan mij.
Ik knik. Ik ben in een flauwe bui.
‘Met of zonder die tatoeage, lekker ben je toch wel.’
Ik merk dat ze wel in is voor een grapje.
‘ Gaan we het zo spelen?’ vraagt Roos plagerig.
‘Je beledigd de vrouw, met dat soort praat.’
Zie je, ze reageert al goed.
‘En als ik zeg dat je mooi bent?’ probeer ik het ‘goed’ te maken.
‘Dan is het goed.’
Roos geeft me een kus op mijn mond. De onbeschrijfbare liefde die ik voor haar voel, na 3 jaar nog steeds. Het liefst ben ik 24/7 bij haar, daarom zijn we ook samen gaan wonen. Ik wist waar ik aan begon, dat wel. Roos wilde bijna in haar eentje op kamers gaan wonen, dat wilde ik absoluut niet. Haar broers en zussen deden er alles aan om haar tegen te houden, maar Roos is volwassen. Ze zou toch wel doen waar ze zelf zin in had. Ze woonde eerst bij haar broer. Haar vader wilt haar niet meer zien. Roos alleen op kamers, nee, dan heb ik geen rust in mijn hoofd. Gelukkig woon ik gezellig met haar. Nouja, het is misschien niet altijd gezellig, maar dat neem ik maar weer voor lief. Ik werk alweer een tijdje als automonteur, waar ik mijn ei wel in kwijt kan. Ik wek op uit mijn gedachten, terwijl Roos snel een broodje naar binnen aan het werken is. Ik zie haar hand een beetje trillen. Ze drukt haar pols tegen mijn neus.
‘Hier staat hij straks, gek hè?’
Ik zoen haar pols.
‘De laatste keer dat ik hem kan zoenen zonder dat er iets opstaat!’
Roos moet er een beetje om lachen.
‘Daar komt onze lijfspreuk op te staan!,’ gaat ze vrolijk verder.
Ja, het is wel een beetje onze lijfspreuk geworden. We weten nou eenmaal niet altijd hoe dingen gegaan, wij moeten echt met de dag leven. Dan valt me op dat Roos haar verkeerde pols omhoog hield. Ik moet een beetje lachen.
‘Hij kwam toch op je andere pols, mutsje?,’
Dan valt mijn blik nog een keer op haar pols, ze heeft haar mouw nog opgestroopt. Een snee. Mijn gezicht betrekt meteen, ik dacht dat dat beter ging. Roos ziet me kijken, en doet snel haar mouw weer naar beneden, alsof ik het nog niet gezien heb. Ze kijkt de andere kant op. Ik blijf haar doordringend aanstaren. Af en toe kijkt ze voorzichtig naar me, ze ziet het al aan mijn blik. Ze haalt haar schouders op, alsof het allemaal niet uitmaakt.
‘Je kent me toch. Je weet hoe ik ben, ik kan mezelf niet veranderen. ‘
Even denk ik na over wat ik moet zeggen. Roos praat er omheen. Ze moet er voor vechten, zoals ik elke dag voor onze relatie wil vechten.
‘Moet je dan in jezelf snijden, Roos? Hoe kun je dit nou doen? Je had het me beloofd, dat je dat nooit meer zou doen na die ene keer!’
Ik dring niet tot Roos door.
‘Verdomme, Roos!,’schreeuw ik keihard.
Ik probeer mezelf in te houden, maar ik ben zo gefrustreerd. Roos gaat zich straks alleen maar rotter voelen door mij. Ik moet me inhouden, Roos is al begonnen met huilen.
‘Ik ga nu die afspraak afzeggen, we kunnen zo niet gaan.’
Roos probeert me nog tegen te houden, maar het lukt haar niet.

Ik kom terug, ik leg de telefoon net neer. Roos zit weer te huilen op de bank. Hoe vaak heb ik dit tafereel meegemaakt, ik weet het niet meer. We zitten in een sleur, een vicieuze cirkel.
‘Ik wil dit ook allemaal niet,’ zegt Roos, zover ze te verstaan is.
We willen dit allebei niet, dat weet zij ook. Het heeft geen zin om nu tegen haar te zeggen, ze zou me toch niet geloven. Ik leg mijn vinger op haar lippen.
‘We gaan vandaag gewoon de hele dag in bed liggen met een filmpje aan. Ik hoef morgen pas weer te werken, ik heb net ook meteen de zaak gebeld dat ik vanmiddag niet meer kom, goed?’
Roos heeft dit even nodig, ik voel het. Roos knikt.
‘Soms voel ik me gewoon net een baby, alsof jij voor mij zorgt, ik voel me niet gelijkwaardig.’
‘Je bent gelijkwaardig, daar zit het hele probleem Roos. Je vind jezelf veel te min, kijk nou naar jezelf, je bent zon mooie, lieve vrouw, waarom zie je dat zelf nou nooit?’
Ik meen het echt, ik meen alles wat ik zeg. Het is alleen zo jammer dat Roos het zelf niet inziet.
Roos haalt haar schouders op.
‘ Soms denk ik dat we beter uit elkaar kunnen gaan,’ zegt Roos.
Die woorden komen als een klap in mijn gezicht.

Roos’ perspectief
Ik zonder Thomas, de trap zonder tikken. Tik-krak. Ik zie Thomas schrikken. Tik-krak. Gebroken, uit elkaar, op. Ik wil wel, maar het kan zo niet langer. Ik zie aan Thomas dat hij niet weet wat hij moet zeggen. Ik weet ook niet wat ik moet zeggen. Ik besluit naar boven te gaan, ik kan zijn blik even niet zien. Ik loop de trap op. Tip-tap. Tip-tap. De trap kraakt nog. Thomas en ik blijven bij elkaar.

Thomas’ perspectief
Roos heeft zoveel tegen me geroepen, maar nog nooit dat we beter uit elkaar kunnen gaan. Nooit. Roos is boven, ik ben alleen. Ze is impulsief. Ik weet dat ik het niet te serieus moet nemen, maar het breekt me op. Waarschijnlijk is het over 10 minuten weer goed. Ik hoor de trap kraken. Roos komt naar beneden. Zachtjes hoor ik de deur open gaan, vol met twijfel. Roos blijft in de deuropening staan.
‘Ik hou nog van je. Je geeft alleen zo veel op voor mij. Je lijdt onder mijn ziekte.’
Er valt een stilte. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Het is waar, maar liever lijden dan zonder Roos. Zonder Roos. Zonder Roos. De woorden echoën in mijn hoofd.
‘Je moet meer vertrouwen hebben, in mij, in ons. Wij kunnen dit, er zijn betere tijden. Weet je, laat maar. Ik wil je niet ompraten om bij mij te blijven.’
Ik ben niet boos, dat is het niet. Het is precies wat ik zeg. Roos moet haar eigen keuzes maken.
‘De trap kraakt,’ zegt Roos.
Ik kijk haar niet begrijpend aan, wat bedoeld ze?
‘Het is toch logisch, dat hij kraakt,’ zeg ik.
‘Precies. Het is logisch dat wij bij elkaar blijven.’
Ik volg haar totaal niet, maar haar laatste woorden maken me blij. Dat is het belangrijkste, de rest kan me even niet meer schelen.
‘Van de week heb ik een gesprek bij de psycholoog. Daarna gaat het vast weer beter. Carpe Diem.’ Zegt Roos.
Ik houd me vast aan haar laatste woorden.

Roos’ perspectief
Carpe Diem staat inmiddels op mijn pols, het is mijn nieuwe lijfspreuk geworden. Mijn moeder zei het ook altijd, als het beter met haar ging. Vanaf kleins af aan heb ik het gehoord. Vlak voor haar dood, kwam ze nog naar mij toe. Ik lag in bed. Ze drukte een kus op mijn voorhoofd. Ik deed mijn ogen slaperig over, zag haar schim nog weglopen, snapte niet wat er was, maar sliep snel weer verder. Wat heb ik mezelf dat achteraf kwalijk genomen, was ik maar achter haar aan gegaan. De volgende ochtend lag er een briefje op mijn bureau: ‘Carpe diem, Roosje. Kus mama.’ De volgende ochtend vond mijn vader haar dood in de kamer. Een overdosis. We waren er kapot van.

wonderworst_

Berichten: 2424
Geregistreerd: 12-09-07
Woonplaats: zoetermeer

Re: [VER] De strijd

Link naar dit bericht Geplaatst: 09-01-11 17:09

oke.... ik ben fan :):) het leest heerlijk weg hoe je schrijft!

Sanniegirl
Berichten: 191
Geregistreerd: 02-09-07

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 16-01-11 20:30

Dankjewel, leuk om te horen :)
Het 1 keer per week is NET niet gelukt, maar goed... Hier is het!

Hoofdstuk 3- het aanzoek

Thomas’ perspectief
Ik heb alles gepland. Ik weet zeker dat ik er klaar voor ben. Soms voel ik me net een homo, maar ik weet dat Roos van romantiek houdt. Ik weet dat ze de laatste dagen lekker in haar vel zit, dus de timing is goed. Ik weet zeker dat ik voor altijd bij haar wil blijven, dus waarom wachten? Ik ben nog jong, maar niet te jong. Ik heb mijn mooie kleren aangedaan. Tenminste, zelf vind ik ze niet geweldig, maar Roos vind ze altijd zo leuk. Geen pak, dat heb ik niet eens. Ik ben geen type voor een pak. Roos moet in eerste instantie niets doorhebben, het wordt geweldig. We gaan vandaag een boswandeling maken, daar had Roos zo’n zin in. De laatste dagen ben ik aan het werk geweest, nu ben ik gelukkig weer vrij. Het liefst zou ik niet werken, maar er moet toch geld binnenkomen. Roos werkt niet. Ze wordt door veel mensen als lui bestempeld, maar zij kijken niet verder dan hun neus lang is. Ze krijgt momenteel een uitkering, omdat ze arbeidsongeschikt is. Wel moet ze naar een psycholoog toe. Gelukkig maar. Ik schud de gedachte van me af, ik heb helemaal geen zin om daar nu over na te denken. Ik kijk snel of Roos niet al naar beneden komt en pak het doosje uit mijn zak. Ik kijk naar de ring, hij is prachtig. Ik weet zeker dat Roos hem ook prachtig vind, haar zus, Sophie, heeft nog helpen met uitkiezen. Die twee hebben precies dezelfde smaak.

We zitten in de auto naar het bos. Ik kan me bijna niet inhouden, het liefst zou ik het meteen vragen. Roos zei al dat ik een beetje gespannen deed, daarna heb ik er alles aan gedaan om het te verbergen. Roos is zo vrolijk vandaag, en ik ook.
‘Ik heb zo’n zin om naar het bos te gaan!,’ roept ze blij. ‘Ik heb altijd van de natuur gehouden.’
Ik ben iets minder spraakzaam. Ik ben de hele tijd maar bezig met het aanzoek. Ik weet precies hoe we moeten lopen, het duurt ongeveer een halfuur. Dan komen we op een prachtige, rustige plek. Daar moet ik het gaan vragen.
‘Schatje, wat ben je stil,’ zegt Roos.
Ik haal mijn schouders op. Ik ben gewoon nog een beetje moe Ik probeer mijn grijns te onderdrukken.

De auto is geparkeerd. We zijn de wandeling net begonnen. Hand in hand lopen we als een stel verliefde pubers door het bos. Het is gelukkig rustig. We zijn allebei stil, genietend van het moment en van elkaar. Opeens rukt Roos zich los, pakt haar handen vol met bladeren en gooit ze over me heen. Ik zit onder. Dit is typisch Roos, zulke flauwe grappen.
‘Die krijg je terug!,’ lach ik.
Ik wil haar in de bladeren duwen. Roos spartelt lachend tegen, maar ik ben sterker. Al snel ligt ze in de bladeren waar ik haar helemaal ingraaf.
‘Hou op, hou op!,’ schreeuwt ze lachend.
Ik ga expres nog even door. Roos blijft lachen, terwijl ik haar ondertussen helemaal in heb gegraven. Dan besluit ik dat ik het wel weer genoeg vind, en ik plof naast haar neer. Ik zie hoe Roos al de bladeren van zich af aan het slaan is.
‘banketstaaf!’ zegt ze met een speels lachje.
Ik ga er niet op in, en kijk vluchtig om me heen of er iemand is. In de verste verte is er niemand te bekennen. Ik ga zachtjes op haar liggen, ik kan het niet laten. Eerst giechelt ze een beetje.
‘Kan dit wel in het openbaar?’
Ik haal grinnikend mijn schouders op, en zoen haar. Ik proef haar lippen, terwijl haar hand in mijn haar ligt. Het liefst blijf ik hier voor altijd liggen.
‘Ik voel me zo gelukkig, Thom,’ zegt ze als ze mijn lippen even loslaat.
Ik knik. Ik ben blij. Als Roos gelukkig is, ben ik gelukkig. Daarom wil ik met haar trouwen. Even bedenk ik me of ik het hier zou vragen. Ik kan niet meer wachten. Snel schud ik die gedachte van me af. Het is leuker om het nog even uit te stellen. Voordat de romantiek zijn toppunt al bereikt, sta ik snel op, trek Roos overeind en vraag of we verder zullen lopen. Roos kijkt me een beetje raar aan.
‘Het was net zo gezellig,’ zegt ze, een beetje teleurgesteld.
Ik glimlach.
‘Ik weet een veel mooier plekje.’
Misschien had ik het nog niet moeten zeggen, maar straks wilt Roos opeens een andere kant op. De bladeren knisperen onder onze voeten. We lopen hand in hand. Af en toe geeft ze een kneepje. Ik voel mijn hand tintelen. De spanning bouwt zich steeds meer op. Geen seksuele spanning, maar een enorm romantische sfeer. We zoenen elkaar voortdurend, alsof we elkaar net kennen. Ik hoor een zacht windje. Ik kijk naar Roos, en zij kijkt naar mij. Het kost me bijna moeite om van haar af te blijven, zo mooi als ze is. Ik voel zachtjes en onopvallend aan mijn zak. Ik voel het doosje met de ring, veilig opgeborgen. Straks draagt zij die. Opeens slaat de twijfel toe. Tot nu toe heb ik nog niet getwijfeld, maar opeens ben ik bang. Gisteren zei Roos nog dat we beter uit elkaar kunnen gaan. Snel duw ik de gevoelens opzij. Roos’ emotionele toestand is nou eenmaal instabiel, en ik neem haar zoals ze is. Ze meent het helemaal niet, we zijn niet voor niets al drie jaar bij elkaar. We zwijgen allebei. Soms zegt stilte meer dan duizend woorden.
‘Zijn we er nou bijna?’ Vraagt Roos, net als een klein kind.
Ik knik.
‘Het is nog maar een minuut of twee.’
Weer hoor ik de bladeren kraken. Ik kijk naar beneden. Roos heeft hakken aan. Een klein lachje kan ik niet onderdrukken, ze is gek. Ze lijkt er op te zweven De laatste minuten lijken eeuwig te duren. Ik wil er nu zijn. Ik wil het nu vragen. Ik ben zo zenuwachtig als een klein kind die bijna zijn sinterklaascadeautje mag open maken. Roos merkt het vast wel aan me. Dat maakt niet zoveel uit, het is toch bijna het moment. Af en toe kijk ik naar haar. Ze ziet er zo gelukkig uit. Haar glimlacht lijkt wel op haar mond vastgeplakt. Kon dat elke dag maar zo zijn. Dan zie ik de plek toch langzaam dichterbij komen. Een kleine, open vlakte. Het loopt een beetje omhoog, daar kunnen we lekker tegenaan gaan liggen. De bomen dekken de plek een beetje af, waardoor je de plek niet meteen zou kunnen vinden als je het niet weet. De zon glinstert erop, waardoor het een prachtige verlichting heeft, maar niet te fel. Er ligt een klein bladerdek, in alle kleuren die je je maar bedenken kunt. De bomen hebben iets mysterieus vandaag. Het is de perfecte sfeer. De plek ziet er mooier uit dan ooit. Ik adem de bosgeur een keer goed in, wat ruikt dat toch lekker.
‘Wat mooi!,’ roept Roos uit.
Af en toe is ze zo blij als een kind, zo schattig. We gaan naast elkaar liggen in de zachte bladeren, hand in hand. Ik voel het mos in mijn haar, maar het kan me niets schelen. Het is een moment om van te genieten. Roos legt haar hoofd op mijn buik neer. Ik streel door haar haren. De lucht is blauw, helderblauw. Blauw zoals ik nog nooit eerder een lucht heb gezien. Samen staren we ernaar. Ik voel haar hoofd wat zwaar op mijn buik drukken, maar het maakt me niet uit. Mijn hand willen haar mooie haren niet loslaten, mijn andere hand is verstrengeld in de hare. Ik voel dat het goede moment komt. Even moet ik de moed verzamelen. De kriebels zweven door mijn buik zoals ik ze nog nooit heb gevoeld. Ik zet me er overheen en ik kom een beetje overeind, Roos kijkt me licht geïrriteerd aan.
‘Ik lag net zo lekker!’
Ze zegt het niet echt boos.
Ik leg mijn vinger op haar mond. Het is niet het moment om te praten, het maakt me zenuwachtig.
‘Stil nou even.’
Ze kijkt me verwachtingsvol aan. Nu moet ik echt een keer diep adem halen. Even houd ik haar blik vast, om haar nog wat nieuwsgieriger te maken. Ik pak het doosje uit mijn zak, met trillende vingers. Nu moet ik het zeggen, straks durf ik niet meer. Ik ga op mijn knieën. Roos slaat haar hand voor haar mond.
‘Lieve Roos. Ik weet dat we nog jong zijn, maar we zijn nu al 3 jaar samen. Ik weet zeker dat jij het voor mij bent. Wil je met me trouwen?’
Mijn stem trilde terwijl ik het zei, maar ik heb het gezegd. Ik ben bijna blij dat het eruit is. Het was zo eng om te zeggen. Verwachtingsvol kijk ik naar Roos, wachtend op een reactie. Roos slaakt een diepe zucht. Ze kijkt me aan. Door de stilte nog iets langer vast te houden, bouwt ze de spanning op. Door de zenuwen kan ik niet veel van haar gezicht aflezen.
‘Ja, ja, ja! Ik wil niets liever,’ zegt ze door haar tranen heen.
Ze lacht terwijl ze het zegt. Een geweldig, euforisch gevoel overvalt me. Ik pak de ring uit het doosje. Ik pak haar hand vast en schuif de ring om haar vinger. Van de zenuwen schuif ik hem bijna om de verkeerde vinger. Roos moet een beetje lachen.
‘Gekkie.’, zegt ze met een zachte stem, de lach wat verborgen houdend. Snel pak ik haar andere vinger, en schuif hem daar in één vastbesloten beweging om heen. Roos staart naar de ring, met een glimlach die ik nog nooit heb gezien. Giechelend duwt ze me naar achteren, tegen een boom aan. Samen staan we op, ik weet eigenlijk niet eens waarom. Ze zoent me. Weer die heerlijk zachte lippen, die ik nog zo vaak ga proeven. Als we stoppen houden onze handen houden elkaar vast. We kijken elkaar aan. Roos slaat haar armen om me heen en drukt me zachtjes tegen een boom aan.
‘Je bent de liefste,’ zegt ze alsof ze zojuist een feit heeft vastgesteld.
‘Dat kan niet,’ antwoord ik, met een uiterst serieus gezicht.
Roos kijkt me vragend aan.
‘Dat ben jij al.’
Meteen als ik dat heb gezegd zoent ze me weer. Ik voel haar handen over mijn rug strelen, de tintelingen overvallen me. Mijn handen zijn overal waar Roos is, ik weet niet waar ik haar het liefst aan wil raken. Roos leunt net iets teveel op me, en ik verlies mijn grip van de boom. Door Roos’ gewicht tegen me aan val ik meteen omver. Roos valt bovenop me. Een seconde is het misschien stil, daarna moeten we lachen.
‘De ring is prachtig,’ breekt Roos de stilte.
Ik glimlach. Dat Sophie haar steentje heeft bijgedragen laat ik voor nu maar even achterwege.
Roos kruipt heel dicht tegen me aan. We genieten samen van het moment.
‘Wij worden zo gelukkig samen. Ik weet het zeker. We krijgen heel veel kindjes. Jij wordt mijn man,’ begint Roos te praten.
Ik kijk haar aan.
‘Ja,’ is het enige wat ik even uit kan brengen.
Met deze prachtige vrouw ga ik trouwen. Misschien is het naïef. Zoals andere koppels hun toekomst uit kunnen stippelen, leven wij met de dag. Carpe diem. En vandaag de dag, wil ik met Roos trouwen. Ik ga ervoor. Even voel ik me de gelukkigste man op aarde.

Roos’ perspectief
Ik ben verloofd, verloofd met mijn lieve man. Verloofd met de man bij wie ik wil blijven tot de dood ons scheidt. Samen oud worden durf ik niet te zeggen. Mijn ziekte is te instabiel. Dat hij me toch ten huwelijk vraagt, betekend zoveel voor me. Ik heb nog nooit zo’n lief iemand als Thomas ontmoet. Hij is mijn zonnetje, degene voor wie ik wil vechten. Bij hem kan ik mezelf zijn, schreeuwen, huilen, gelukkig zijn. Ik kan alles met hem delen. Ik ga met hem trouwen.

Sanniegirl
Berichten: 191
Geregistreerd: 02-09-07

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 26-01-11 13:35

Hoofdstuk 4 - de brief
Roos’ perspectief
Mijn moeder is dood, maar mijn vader heb ik nog. Aan die gedachte klampte ik me vast. Helaas duurde dat niet lang. Toen ik steeds meer last van mijn ziekte begon te krijgen verbrak mijn vader het contact, een jaar of drie terug. Ja, hard was het wel. Ergens begrijp ik hem. Hij zag hoe het zijn vrouw het leven heeft gekost. Hopelijk loopt het bij mij anders af.

Ik moet straks naar de psycholoog. Zin heb ik wel, ik ben goed in doen alsof het goed met me gaat. Ze is psycholoog en heeft er voor gestuurd, maar zelfs zij doorziet mij niet altijd. Het is prima zo. Thomas komt naar beneden. Hij brengt me zo weg naar de psycholoog, daarna gaat hij naar zijn werk. Het is nog vroeg in de morgen. Samen dekken we de tafel, als een echt stel. Als ik het bord op tafel zet, hoor ik weer dat oude, vertrouwde geluid. Kling. Kling. Al die dingen, die altijd hetzelfde gaan. Ik heb geen zin om naar de psycholoog te gaan. Ik weet dat het goed voor me is, maar die voortdurende tegenzin. Het is maar goed dat ik moet om mijn uitkering te krijgen, anders ging ik al niet meer. Ik mag haar graag, maar ik zie geen voortgang. De woorden die ze zegt dringen niet tot me door, terwijl ik altijd begrijpend zit te knikken. Thomas zit zwijgend zijn krant te lezen. Dat doet hij vaak in de morgen. Altijd is het maar weer de vraag of het een goede of een slechte dag wordt. Ik denk dat vandaag wel stabiel wordt. Ik kijk naar mijn hand. Ik zie mijn trouwring. Ik glimlach, ik ben verloofd. Ik moet Sophie maar snel bellen, zij moet dit nieuws als eerste weten.
‘Heb jij het eigenlijk al aan iemand verteld?,’ vraag ik aan Thomas.
Ik hoop het eigenlijk van niet, ik wil het graag zelf vertellen. Thomas slaapt nog half.
‘Wat?’
Ik moet lachen.
‘Ik geloof dat er gister iets gebeurd was. Wat was het nou, dat ene kleine dingetje in het bos.’
Er komt een lach op Thomas gezicht.
‘Sophie weet het al. Die wilde je zeker als eerste inlichten.’
Ik knik. Hij kent me.
‘Je bent lief,’ zeg ik.
Thomas kijkt me verbaasd aan. Het kwam een beetje uit het niets. Ik moest het even zeggen. Hij doet zoveel voor me, de meesten mannen waren al drie keer bij me weggelopen. Ik kauw de laatste happen weg. Thomas kijkt op zijn horloge.
‘We moeten weg,’ zegt hij.
Net op het moment dat we de deur open willen doen, valt mijn blik op de deurmat. Ik zie een brief. Zou de post al geweest zijn, zo vroeg? Ik pak de brief op, Thomas kijkt over mijn schouder mee. Mijn vingers beginnen te trillen. Mijn ogen kunnen de adressering niet meer los laten. Ik herken dat handschrift uit duizenden. Mijn vader.

Thomas perspectief

Wat vond ik het vreselijk voor Roos, toen haar vader het contact verbrak. Het was het begin van onze relatie. Ze is emotioneel al zo onstabiel, eigenlijk kan ze dit niet gebruiken. Ik gun haar al het geluk van de wereld, maar dit is geen goed moment. Roos staat al een paar minuten met de envelop in haar handen, en het enige wat ze heeft gezegd is mijn vader. Eigenlijk moeten we weg.
‘In de prullenbak met dat ding,’ zegt Roos.
Ik kijk haar verbijsterd aan.
‘Ja, wat moet ik hier nou mee?’
‘ Lezen, daar is een brief voor,’ probeer ik de situatie te verhelderen.
‘Ik wil hem niet.’
;Denk er nog even over na. We leggen hem gewoon op tafel.’
Voordat Roos iets anders kan bedenken, pak ik de brief uit haar handen, en leg hem op tafel. Roos kennende gooit ze hem echt weg. Ze zou hem toch moeten lezen. Misschien lees ik hem eerst wel. Roos is volkomen in de war, maar we moeten gaan. Ik sla de deur achter me dicht, Roos als een klein vogeltje achter me aan. We stappen in de auto, in doodse stilte. Daarna heeft Roos blijkbaar bedacht dat er niets aan de hand is, ze begint vrolijk tegen me te kletsen. Zelfs ik ben er met mijn hoofd niet bij. Het is maar een kwartiertje rijden, het lijkt heel lang. Ik probeer te bedenken wat er in de brief zou kunnen staan. Tegelijkertijd probeer ik de gedachte van me af te schudden, het is Roos brief. Ik zet Roos af bij de kliniek. Het voelt altijd een beetje raar, mijn vriendin afzetten bij een psycholoog. Het is het beste. Roos geeft me een vluchtige kus op mijn mond, en ik rijd verder naar mijn werk.

Roos’ perspectief
Daar zit ik weer, op de rode stoel bij de psycholoog. Rood, de kleur van vuur, haat, liefde. Waarom zou je op zo’n plek een rode stoel neerzetten. Rood was de lievelingskleur van mijn vader. Ik irriteer me er mateloos aan. Esther, mijn psychologe, merkt deze keer wel dat er wat met me aan de hand is.
‘Je bent afwezig, Roos,’ zegt ze.
‘Je moet je proberen te concentreren, goed naar mij te luisteren. Je wilt beter worden, is het niet?’
De woorden dringen ook niet goed tot me door. Onze gesprekken maken geen vordering.
‘Die stoel, die stoel is rood.’
Ik begin wartaal uit te slaan. Esther kijkt me vreemd aan. Ik kan mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Ik moet mijn gedachten erbij houden, straks denkt ze dat ik helemaal gestoord ben. Ik haal alles eruit wat ik in me heb, en vertel het verhaal van de brief. Dat ik daarom afwezig ben. Esther knikt begrijpend. ‘
Misschien is het een goed idee om hem toch te lezen.’
Ik schud heftig mijn hoofd.
‘Je hebt al je gevoelens voor je vader volledig geblokkeerd. Daarom wil je de brief niet lezen. Dit is niet meer dan een logische reactie, maar je moet je gevoel voor hem openzetten. Ik kan nu van alles gaan suggereren, maar dat heeft geen zin, Roos. Jij moet de brief lezen, het is de enige waar je nu bent met je gedachte. Ga naar huis en lees de brief. We maken een afspraak voor een nieuw consult,’ zegt Esther.
Ik ben nog geen kwartier binnen. Ik kijk haar verbaasd aan.
‘Op deze manier maken we geen vordering,’ legt ze me uit.
‘We kunnen prima verder nu,’ doe ik mijn laatste poging.
Esther schudt haar hoofd. Je wint geen spelletjes van een psychologe. Uiteindelijk zul je altijd de verliezer zijn.

Ik ben de verliezer. Esther heeft me doorzien. Ik zit in de bus naar huis. De gedachten stromen door mijn hoofd terwijl ik ze uit probeer te zetten. Thomas. Esther. Ik. Het is nog geen 10 uur ’s morgens. Ik weet niet wat ik met mijn dag aan moet. Ik kijk uit het raam. Met mijn hand veeg k de douw weg van het raam. De druppels sijpelen naar beneden, het miezert. Dat troosteloze weer doet mijn humeur niet ten goede. Ik denk aan de brief. Ik weet niet wat ik me erbij voor moet stellen. Ik voel de kriebels in mijn buik. Toch wat nieuwsgierigheid. Eigenlijk ben ik razend op hem. In mijn moeilijkste periode liet hij mij in de steek. En nu een brief. Een simpel papier met letters erop. Het kan een boel veranderen. Zou hij spijt hebben? Het moet bijna wel. Zou Sophie er al vanaf weten? Ik durf bijna niets te denken, niets te hopen. Ik hoor de wielen van de bus knarsen over het asfalt. Is dat eigenlijk wel normaal? Nog drie haltes, dan ben ik er. Ik tel ze af. Ik heb het net onderdrukt, maar nu wil ik de brief lezen. Ik heb hem drie jaar niet gezien. Tenminste, één keer kwam ik hem tegen, op straat. Hij zag mij, ik zag hem ook. Ik deed alsof ik hem niet zag. Zijn blik priemde door mijn rug heen toen ik doorliep.
‘Dag, Roos,’ zei hij nog.
Ik begreep het niet. Hij zei me gedag, terwijl hij twee jaar niets van zich had laten horen. Inmiddels zijn dat drie jaar. Dat is het enige wat ik in die tijd van hem heb gehoord. Ja, soms hoorde ik wel eens iets van Sophie, Merel, Sam of Ruben. Mijn broers en zussen. Hun hebben ook weinig contact met hem. Nog één halte. Ik had hem meteen moeten lezen. Een lichte paniek overvalt me, ik weet niet waarom. In mijn gedachten vergeet ik bijna op het stopknopje te drukken. Ik druk. Ik merk dat mijn vingers trillen. De bus remt zachtjes af, en ik stap uit. Het is ongeveer 5 minuten lopen naar mijn huis, maar ik zie er tegenop. Mijn benen voelen als lood, ik snap niet waarom. Ik zie de eenden in de vijver zwemmen, zo onbezorgd. Het regent niet meer, en het ruikt fris buiten. Ik adem de geur diep in, het doet me goed. Ik zie de envelop voor me. Nog nooit ben ik zo zenuwachtig geweest voor een brief, een stuk papier. Ik ben er bijna, ik zie mijn voordeur al. Ik schat het nog een stap of twintig, en ik tel ze af. Negentien. Achttien. Roos, maak jezelf niet gek. Je bent dichtbij. Veertien Ik haal diep adem en pak de sleutel alvast uit mijn zak. Ik moet zelfs nadenken over het getal veertien. Veer-tien. Het klopt niet. Het is vier en tien. Het klopt net zo min als dat ik een brief van hem heb gehad. Ik sta voor mijn deur. Ik steek de sleutel in het slot, en draai hem snel om. Ik duw de deur open, en sta in de gang. Ik neem niet eens de moeite mijn jas aan te trekken. Ik zwaai de tussendeur open, en daar zie ik hem liggen, op tafel. Ik grijp hem vast. Ik heb amper het geduld om hem rustig open te maken, maar hij mag niet stuk. Uiteindelijk heb ik de envelop open gepriegeld, en ik trek de brief er vlug uit. Ik vouw hem open, en lees hem.

Roos, vergeef me alsjeblieft. Ik heb het niet allemaal zo bedoeld. Ik hoorde van Sophie dat je ging trouwen. Toen besefte ik pas wat ik heb gedaan. Het contact met mijn dochter verbroken, ik weet niet hoe ik het kon doen. Ik was kapot toen ze overleed. Je deed me zoveel aan je moeder denken, ik kon dat niet aan. Ik hoop dat je me kunt vergeven. Het contact laat ik van jouw kant komen.
Dag, Roos.


Ik ben woedend, ziedend. Ik scheur de brief door de midden. Ik barst in tranen uit. Woede en verdriet door elkaar, ik weet even niet waar ik het vandaan moet halen. Drie jaar heb ik niets van hem gehoord. Drie jaar heb ik niet bestaan voor hem. Ik haat hem. Mijn vader is gek, totaal gestoord.
Misschien is dat hetgeen wat ik met hem gemeen heb.

’s Avonds vertel ik alles aan Thomas.
‘Ik weet niet of het het beste is, maar dat weet je nooit van tevoren. Ik wil nu even rust,’ leg ik hem uit
‘Ik sta wel achter je. Misschien is het geen slecht idee om contact met hem op te nemen, maar dat kan altijd nog. Jij bent belangrijker nu.’
We maken er niet te veel woorden vuil aan. Thomas merkt dat ik daar geen behoefte aan heb. Wat een lieverd is het toch.
Toch heeft de brief me in de war gebracht. Ik was er al van in de war, maar ik heb nu besloten dat er niets veranderd.
Maar hoe kan er niets veranderen als het gevoelsmatig zo anders ligt?

InekeH87
Berichten: 4026
Geregistreerd: 19-02-07

Re: [VER] De strijd

Link naar dit bericht Geplaatst: 27-01-11 13:26

Ik ben zelf bipolair dus ik kan me in een aantal dingen wel herkennen, maar ik vind dat de stemmingswisselingen te snel gaan. Waar zijn de echte manische periodes?
Het snijden dat de hoofdpersoon doet is helaas voor mij ook heel herkenbaar, misschien dat je daar nog eens in kan gaan op de hopeloosheid en verwarring die roos voelt op dat moment. Ik heb ergens nog wel een topic staan die heel goed mijn geestetoestand weergeeft op zo'n moment, misschien heb je daar wat aan?

Sanniegirl
Berichten: 191
Geregistreerd: 02-09-07

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 28-01-11 17:54

Bedankt voor de tips :j
Naar dat soort dingen kijk ik altijd of ik het nog wat uitgebreider kan maken.
Het is voor mij ook heel moeilijk om te schrijven, ik heb er totaal geen ervaring mee dus ik moet het doen met wat research op google. Een topic is altijd handig, link maar als je wilt!