graag commentaar!
Citaat:Hoofdstuk 1.
ROTTERDAM - 15 december 1940.
Zo hard als ik kon probeerde ik mijn ijssneeuwbal naar mijn twee minuten oudere broer Hajo te gooien, en dook zo snel mogelijk achter een muurtje. Dit was ook net op tijd of ik had een harde ijsbal tegen mijn gezicht gekregen. En voor Hajo moet je dan ook echt oppassen! Hij slaakte een kreet: ‘Aah jammer mis! Volgende keer heb ik jou Anna!’ Ik slaakte een gil. ‘Ik ben weg!’ En zo snel mogelijk als ik kon stormde ik naar huis en rende ik het huis binnen. Mijn ouders keken raar op en moesten lachen toen ik binnen kwam. ‘Er is sneeuw en jullie moeten gelijk weer een sneeuwballen gevecht doen. Jullie zijn toch geen kinderen meer van zes?’ Ik keek mijn zus en ouders lachend aan. Mijn zus was bezig met een heerlijke lekkere warme trui voor haar zelf aan het breien. Mijn moeder was met de aardappels bezig. En tja mijn vader was zoals vaak de laatste tijd bezig met de post. Hier bemoeide ik me niet mee: het interesseerde mij niet en het zijn mijn zaken niet. ‘Geniet nou van het weer! Het is zo mooi weer!’ probeerde ik hun voor de zoveelste keer uit te leggen, en ze keken me aan alsof ik gek was. ‘Oké. Oké ik hou al op met jullie overhalen dat het mooi weer is, want jullie overhalen lukt toch niet!’ Mijn moeder keek me lachend aan. ‘Je hebt helemaal gelijk! Het is veel te koud buiten.’ Hier was ik niet mee eens. Ik genoot gewoon zo van dit weer, het leven en alles eigenlijk wel. Het huis zag er super gezellig uit: het is bijna kerst, versieringen hangen voor de ramen en er is sneeuw! Met dat laatste was ik al helemaal tevreden, ik ben gek op sneeuw! Sneeuw gevechten, de gezelligheid op straat. Alles was er leuk aan! ‘Ik ga weer naar buiten’ zei ik tegen mijn ouders en weg was ik.
Hajo stond net schuin voor mij met zijn rug naar mij gekeerd. Dit was mijn kans. Ik pakte een sneeuwbal en net op dat moment dat ik naar hem toe gooide keerde hij zich om en kreeg hij de sneeuwbal vol op in zijn gezicht. ‘2-0!’ riep ik uit. Toen bekeek ik hem eens goed. O help dit was Hajo helemaal niet! Hij was iets langer, had de zelfde kleren aan maar leek voor de rest helemaal niet op mijn broer. Waarschijnlijk zag hij mijn geschrokken gezicht want hij begon te lachen. ‘Sorry het spijt me!’ probeerde ik er niet lachend uit te kramen. Hij begon nog harder te lachen. ‘Es geht wieder well.’ Nu schrok ik. Hij was Duits! Van mijn ouders mocht ik niet met Duitsers omgaan. Niet dat ik een moeders kindje ben. Ik ben zelf ook doodsbang voor hun. Maar ik durf toe te geven, hij is niet lelijk. Ik keek hem lachend aan. Op dat moment kwam Hajo er aan rennen. Blijkbaar had hij de Duitser al eerder gezien en wou hij mij hier weg hebben. ‘Anna we moeten gaan. Eten. Kom.’ Ik knikte naar Hajo. Ik kon niet goed Duits maar toch probeerde ik. ‘Ich muss gehen, essen.’ Ik gebaarde met mijn mond en handen dat ik moest eten want ik wist niet zeker of essen wel het goede woord was. Hij knikte en zwaaide.
Opgelucht haalde ik adem toen ik naast Hajo liep. Eigenlijk vond ik het jammer dat Hajo mij had geroepen en me weg wou halen van die Duitser. Want ik vond hem interessant. Wat raar eigenlijk. Ik heb nooit zo’n iemand interessant gevonden. Duitsers vond ik altijd eng en raar. Ik probeerde er juist zoveel mogelijk afstand van te nemen. Ik was zo in gedachten over die jongen dat ik niet door had dat Hajo wat sneeuw had gepakt en daar een sneeuwbal van had gemaakt, toen ik het pas merkte toen hij mijn naam zei: ‘Anna, ik moet je eigenlijk nog wat vertellen..’ Bam! Het was koud en wit. ‘Sorry ik moest je echt even terug pakken! 1-1, en die Duitser telde niet anders dan verlies ik.’ Ik keek hem lachend aan. ‘Gemeen broertje dat je bent!’ ‘Pardon? Ik ben ouder dan jou! Zeg broer tegen mij anders krijg je nog meer sneeuwballen tegen je hoofd!’ ‘Sorry, sorry, vergeef mij!’ en knielde in de sneeuw. ‘Oké, zo is wel weer goed dit is wel overdreven genoeg.’
Ik stapte samen met Hajo vrolijk en ingepeperd de huiskamer binnen. Misschien ietwat té vrolijk. De stemming van mijn ouders was erg gedaald. Dit is een keer eerder gebeurt, en toen was het niet zo goed nieuws. Mijn vader keek vragend naar mijn moeder en mijn moeder keek mijn vader starend en verdrietig terug. Oké, ik maakte me klaar. Dit was écht géén goed nieuws. Twee week terug keken mijn ouders ook zo raar en toen waren kennissen van mijn ouders samen met hun dochter, (mijn beste vriendin) Levi opgepakt. Levi is een joods meisje en de kennissen van mijn ouders zijn dus ook joods. Ze zijn waarschijnlijk meegenomen met een trein naar een concentratiekamp. Tenminste, dat gaat rond. Ik keek hun aan. Ik begon automatisch te huilen. Niet weer. Niet weer iemand kwijt. Mijn ouders keken elkaar nog een ogenblikkelijk moment heel even aan. ‘Oké ik zal het jullie eerlijk moeten vertellen, ga er maar even bij zitten.’ Besloot mijn vader om het woord te nemen. Ik begon nog harder te huilen, dit was niet goed! Malou was er niet bij. Ze was waarschijnlijk naar boven gevlucht want zei kan niet tegen twee keer het zelfde slechte - nieuws aanhoren. ‘Jullie oom is opgepakt wegens hulp voor de vluchtelingen. Ook hij is meegenomen en spoorloos verdwenen.’ Ik keek mijn ouders schokkend aan. Ook zij huilden. Wij hebben maar één oom in de familie en dat is oom Wim. Dé oom waar we altijd mee konden lachen, huilen en onze geheimpjes aan konden vertellen. Hij is er niet meer. Hij is weg. Hajo begon nu ook te huilen, hij huilt niet snel maar je kunt zien dat hem dit pijn doet. Mijn moeder besloot het over te nemen: ‘Je tante en nicht zullen bij ons moeten blijven tot dat zij een plek hebben. De Duitsers hebben het huis opgebrand en zij hebben geen huis meer.’ Ik begon het idee van een hyperventilatie te krijgen. Niet zij! Ik mocht mijn nicht echt niet! Ze was altijd beter dan mij, maakte altijd stomme opmerkingen over mij of Hajo, en Malou was dan haar beste vriendin. Ik mag haar zó niet. Ze moet altijd beter zijn, zoekt alle aandacht en dat is iets waar ik dus echt niet tegen kan. Ze is trouwens ook het lieverdje van de familie. Mijn moeder keek me aan en zei: ‘En zij slaapt bij jou.’
De volgende dag om een uur of tien in de avond stond Marjolein voor mijn neus. Iedereen was in een verdrietige stemming. En zelfs ik! Ik ben altijd vrolijk maar toen ik hoorde wat er met mijn oom was gebeurt kon ik niet meer vrolijk zijn. Er was één iemand vrolijk. Na ja is het een iemand? Na ja het is onze hond Tokkel dus. Tokkel is altijd vrolijk. Ik ben blij dat we hem nog hebben. Hij is mijn enige troost. Alleen hij kan me vrolijk maken. Alleen nu niet. Marjolein is er. Dan kan ik niet vrolijk zijn. ‘Zo dus.. ik hoor dat ik bij jou op de kamer kon? Wat aardig van je!’ En zo past boem lande ze op mijn bed en ik kreeg haar er niet meer af. ‘Dit bed is van mij? Ik bedoel al die verdriet tegenwoordig, ik kan er niet tegen.’ Ik stond met mijn mond vol tanden. Hoe durft zij! Als of ik geen verdriet heb? ‘Nou nee dit is mijn bed’ riep ik met woede uit. Ze begon me haast arrogant aan te kijken. ‘Sorry, maar snap je het niet? Mijn vader is meegenomen en die zien we waarschijnlijk nooit meer terug. je weet niet hoeveel verdriet dat mij kost!’ En ze begon keihard te huilen. Ik begon medelijden met haar te krijgen maar dit liet ik natuurlijk niet blijken. Het is wél mijn bed! ‘Je zou niet weten hoeveel verdriet het mij kost dat ik mijn oom nooit meer zie!’ Ik zei het een beetje aarzelend en ik wist dat ik hier een probleem mee krijg. Want alles wat Marjolein wil dat moet nu en dat zal gebeuren. Als je aarzelend tegen haar praat krijgt zij een punt want zij weet er op een hele goede manier op in te spelen. Op dat moment kwam mijn moeder met mijn tante binnen. ‘Wat is er?’ vroegen ze beiden bijna tegelijk. ‘Nou ze wil op mijn bed slapen maar dat kan niet want ik slaap hier.’ Ik keek Marjolein kort aan. Ze begon plots heel zielig te kijken en ze was net opgehouden met huilen, begint ze weer. En dit keer harder. Ik had geen medelijden meer met haar ze speelde gewoon toneel. Wat een rot kind! Ik keek mijn moeder weer aan met een smekend gezicht. ‘Anna, Marjolein heeft een zware dag en gisteren een zware nacht achter de deur gehad. Laat haar maar even. Haar vader is weg en spoorloos. Jij mag morgen of overmorgen wel weer in je eigen bed slapen.’ Bah, ik keek mijn moeder aan. Maar dit is mijn bed, niet die van dat rot kind! ‘Sorry Anna.’ En ze liep weer verder. Mijn tante liep ook verder en kwam in de kamer van Malou terecht. Daar zou zij dus slapen. Wat ik zo raar vond is dat ze gewoon door liep en niets over mij zij dat ik in mijn eigen bed moest slapen en zo. Normaal komt ze voor me op en is ze er meer voor mij dan voor haar dochter. Maar helaas dit keer dus niet. Ik keerde me naar haar toe. Ze zat met een rug naar me toe naar mijn kledingkast te kijken. ‘Wat een leuk rokje!’riep ze uit. Dit negeerde ik. Het was mijn lievelingsrok en dat kreeg ze now way aan! ‘Dat jij op mijn bed mag slapen, daar heb je geluk mee! Maar als dit nog langer gaat duren krijg je een probleem!’ En ik klapte mijn deur dicht en stampte naar beneden.

