. Maar misschien bevalt het verhaal jullie wat beter dan de jury.Zoals jullie wel van ons gewend zijn is dit natuurlijk een vampieren verhaal. De opdracht was om de zomer, liefde en vampieren in een verhaal van 2500 woorden maximaal te combineren (zo is het nachtmerries en vampieren verhaal ook begonnen).
Zijn voetstappen maken geen geluid op het asfalt in de verlaten straten. Called is op zijn hoede terwijl hij het zoveelste onbekende dorpje van de laatste paar dagen doorkruist. De honger beheerst zijn gedachten en voor het eerst sinds zijn ontsnapping denkt hij verlangend terug aan zijn thuis. Daar was eten geen probleem geweest en honger bestond niet. De honger is echter lang niet voldoende motivatie om terug te keren, nooit wil hij zich weer thuis voelen in de krochten van de hel waar hij vandaan komt. Lang is hij daar gelukkig geweest, maar de laatste jaren begon hij in te zien dat het verkeerd was wat hij deed. Hij wil geen harteloos monster meer zijn dat mensen dood voor zijn plezier. Het was moeilijk om te ontsnappen en het is nog moeilijker om zich te verschuilen onder de mensen.
De heersers van de hel willen hem terug, nooit eerder is er iemand ontsnapt en hij heeft hierdoor veel vijanden gemaakt. Hij weet dat ze hem volgen en daarom kan hij niet te lang op één plek blijven. Vooral niet omdat overal waar zijn vroegere vrienden langskomen er meer onschuldige slachtoffers zullen vallen. De enige manier waarop hij meer doden kan voorkomen is door zo snel mogelijk van stad naar stad te trekken en proberen om niet op te vallen. Een leeg blikje valt op de grond en schichtig kijkt hij naar de hoek waar het geluid vandaan kwam. Zouden ze hem nu al hebben gevonden? Een kleine kat schiet weg en opgelucht haalt hij adem, hij moet ophouden met zo gespannen te zijn. Hij kijkt om zich heen, verbeeld hij zich of wordt het in het oosten al lichter? Hij heeft zo lang in het duister geleefd dat hij helemaal vergeten is om op te letten wanneer de zon opkomt. Dat is het enige nadeel aan deze wereld, de zon die hem iedere dag weer naar binnen dwingt. Zuchtend gaat hij op zoek naar een schuilplaats.
De lange hete zomerdag kruipt voorbij en ongedurig wacht hij af tot het weer donker is. Eindelijk kan hij verder, hij rekt zich uit en staat op. Met zekere stappen beent hij het verlaten pand uit om vervolgens verbaasd stil te blijven staan. De straten waarvan hij gewend is dat ze verlaten zijn, worden nu druk belopen door mensen. Aarzelend loopt hij tussen de mensen door, maar al snel kan hij het niet meer verdragen. Hij schiet een steegje in en laat zich tegen een muur op de grond zakken. Het branderige gevoel in zijn keel zakt veel te langzaam weer naar de achtergrond. In wanhoop balt hij zijn vuisten, dat ging maar net goed. Hij weet dat hij moet jagen, maar waarop? Als hij één slechte daad verricht wordt hij teruggezogen de hel in. Hoe moet hij overleven zonder bloed? Hij zucht diep en drukt zijn zorgen weg, hij besluit de drukke straten te vermijden en rent door de steegjes heen. Al snel bereikt hij de rand van het dorpje en snelt de open vlakte op.
Ruim voor zonsopgang bereikt hij het volgende nietszeggende dorpje. Hij vertraagt zijn tempo en sloft door de stille straten. De schrijnende honger is het enige dat zijn gedachten nog beheerst en hij let nauwelijks op zijn omgeving. Het is toch nog te vroeg voor de mensen om al wakker te zijn en hij schrikt pas op uit zijn gedachten als er iemand zijn kant op komt lopen. Hij wil zich verstoppen, maar kan nergens heen. Zo onopvallend mogelijk wil hij zijn weg vervolgen, maar het meisje stopt vlak voor hem. Grote blauwe ogen kijken hem nieuwsgierig aan en hij moet zijn best doen om zich niet te verliezen in de pracht en onschuld van haar blik.
‘Goedemorgen, ik zie dat ik niet de enige ben die vroeg op is.’ Haar heldere stem klinkt als muziek in zijn oren en hij weet niet wat hij moet zeggen. Ze lacht als ze de blik op zijn gezicht ziet en haalt haar schouders op.
‘Tot ziens.’ Mompelt ze en snel loopt ze verder. Hij kijkt haar na, ze draait nog één keer haar hoofd naar hem. Als hij nu niets doet zal dit prachtige meisje uit zijn leven verdwijnen, zijn hart doet al pijn bij de gedachte eraan. Met al zijn macht probeert hij zijn stem te vinden.
‘Wacht!’ Zijn stem klinkt schor en wanhopig, na eeuwen geen eigen stem te hebben gehad klinkt het geluid ervan hem vreemd in zijn oren, maar toch stopt ze.
‘Ik .. ik…’ Called weet niet wat hij moet zeggen. Hij wil niet dat ze weggaat, maar waarom zou ze bij hem blijven? Ze kent hem niet eens. Weer verschijnt er een glimlach op haar gezicht.
‘Volgens mij ben je toe aan een kop koffie. Ik woon hier vlakbij. Je mag wel meekomen.’ Het enige wat Called kan doen is knikken. Gewillig volgt hij haar naar haar huis. Bij de voordeur blijft hij schuchter staan wachten, is het wel verstandig dat hij meegaat? De wind blaast haar haar opzij en even ziet hij haar blanke hals daaronder. Het kost hem al zijn wilskracht om zijn blik er vanaf te scheuren en een onzekere glimlach op zijn gezicht te houden. Hij mag haar niets aandoen, hij zal alles doen om haar veilig te houden.
Een beetje onwennig zit hij aan haar houten keukentafel met een kop hete drank in zijn handen. Ze weet niet dat dit niet is waar hij naar verlangd, maar dat zal hij haar niet zeggen. Ze gebaart hem om het op te drinken en gehoorzaam giet hij de hete troep naar binnen, hij gruwt ervan en het kost hem moeite om het door te slikken. Een ongemakkelijke stilte valt en nerveus staart ze naar haar handen. Ze bijt op de binnenkant van haar wang en hij moet er even om lachen. Ze is al net zo zenuwachtig als hijzelf.
‘Neem je vaker vreemden mee naar huis?’ Ze kleurt dieprood en hij heeft meteen spijt van zijn opmerking.
‘Zo bedoelde ik het niet. Ik zal me voorstellen, dan ben ik geen vreemde meer. Ik heet Called.’
‘Mabyn.’ Zegt ze terug en op haar gezicht is weer een voorzichtige glimlach verschenen.
Het ijs is eindelijk gebroken en ze praten urenlang. Het is vooral Mabyn die praat, Called durft niet teveel over zijn leven te vertellen. Hij is doodsbang dat ze erachter komt wat hij is en dan niets meer met hem te maken wil hebben. Ondertussen wordt de dorst steeds erger en het wordt bijna onmogelijk om te negeren. Uiteindelijk lijkt Mabyn ook te merken dat hij ergens mee zit. Wanneer ze ernaar vraagt mompelt hij dat hij honger heeft. Prompt staat ze op en wil beginnen met een uitgebreid maal voor hem te maken.
‘Nee dat hoef je niet te doen.’
‘Tuurlijk wel.’ Ze lijkt verward en hij gaat snel naar haar toe. Zijn handen legt hij op haar schouders om haar tegen te houden. Ze deinst even terug onder zijn aanraking, maar draait niet weg. Hij is verbaasd, heeft ze dan niet in de gaten hoe gevaarlijk hij is? Voelt ze niet hoe sterk zijn grip kan zijn? Het zachte bonzen van haar hart trilt door in zijn vingers en dat is haast meer dan hij kan verdragen. Onzekerheid en twijfels komen in hem opzetten. Hij deinst achteruit en zoekt paniekerig naar een uitweg.
‘Ik moet gaan, ik kan hier niet blijven.’ Mompelt hij terwijl hij om zich heen kijkt. Hij reikt naar de deur en valt haast de kleine gang in. Deze baadt in het licht van de felle zomerzon en verschrikt slaat hij zijn armen voor zijn gezicht. Een kreet van pijn vormt zich op zijn lippen, maar hij weet hem binnen te houden. Mabyn komt hem achterna en met grote ogen staart ze hem aan. Zo snel hij kan vlucht hij haar kleine huis uit en verschuilt zich in het duister van een steegje. Het zonlicht heeft zijn lichaam verbrand, maar de geschrokken blik van Mabyn steekt hem meer dan zijn verwondingen. Hij is buiten zinnen van honger en pijn en slaat hard tegen een vuilniscontainer. Het geluid reikt tot de straat en een bezorgde voorbijganger komt de steeg in.
‘Is alles in orde?’ De man krijgt de kans niet om meer te vragen. Called is verzwakt door de brandwonden en overgeleverd aan zijn instincten. Hij springt op de man af en begraaft zijn tanden in zijn hals. Zoet bloed stroomt zijn keel in en Called huivert, wat voelt dit goed. Tegelijkertijd beseft hij dat hierdoor de dienaren van de hel op zijn spoor zullen komen. Geschrokken laat hij de man los en deinst achteruit. Kreunend brengt de man een hand naar zijn nek en staart Called met grote angstige ogen aan. De man is te bang om om hulp te roepen en Called beseft dat hij hier gebruik van moet maken, niemand mag weten wat hij is. Het laatste wat hij nodig heeft is een woedende mensenmassa achter zich aan. Hij staart diep in de ogen van de man en met een kalme stem vertelt hij dat de man zojuist is gevallen en daarbij zijn nek heeft verwond. Eerst wil de man hem niet geloven, maar wanneer Called een extra hypnotiserende laag in zijn stem legt worden de ogen van de man wazig. De man knikt en kijkt verbaasd om zich heen. Called weet dat hij nu moet verdwijnen en verschuilt zich dieper in de steeg.
Verscholen achter een muur blijft hij zitten wachten op het moment dat ze hem op komen halen en terug naar de hel te brengen. Het kan niet lang duren, hij heeft immers een slechte daad begaan. Een paar uur later zit hij nog steeds op dezelfde plek. De zon is weer onder dus zijn vroegere broeders kunnen niet meer tegen gehouden worden. Waar blijven ze? Voorzichtig staat hij op en gluurt om zich heen, nergens kan hij hun aanwezigheid voelen. Zouden ze dan niet gemerkt hebben wat hij heeft gedaan? Is dit een manier om te kunnen overleven? Wel drinken, maar niet doden. Het heeft wel iets ironisch denkt hij met een wrange glimlach. Het beetje bloed dat hij van de man heeft genomen is niet genoeg geweest om zijn honger te stillen en hij besluit om de proef op de som te nemen.
Langzaam sluipt hij door de stille straten, op zoek naar meer slachtoffers. Nog drie maal die nacht weet hij iemand te overrompelen. Hij drinkt snel, maar niet zoveel dat het gevaarlijk is voor zijn slachtoffers. Na iedere keer voelt hij zich sterker worden, de brandwonden op zijn lichaam genezen en het kost hem geen moeite meer om zijn slachtoffers te hypnotiseren. Al die tijd is Mabyn in zijn gedachten, nu hij genoeg gedronken heeft wil hij dolgraag weer naar haar toe. Zou ze hem willen zien? Hij is zonder verklaring weggerend en heeft haar vast laten schrikken. Voor haar huis blijft hij twijfelend staan. Binnen is het donker, maar hij weet dat ze ’s nachts werkt en dus nog niet thuis is. Hij laat zich op de stoep voor haar huis neerzakken en blijft zitten wachten. Vlak voor zonsopgang ziet hij haar aankomen, als ze verbaasd is om hem te zien dan laat ze dat niet merken.
‘Ik had al gehoopt dat je terug zou komen.’ Begroet ze hem lachend.
Hij volgt haar naar binnen en hoopt dat hij hier nooit meer weg hoeft te gaan. De dagen vliegen voorbij en hij is helemaal in de ban van Mabyn. Ze is zo onschuldig en aardig en hij heeft nog nooit iemand met zo een puur hart gekend. De hel kende alleen maar wrede demonen, liefde en tederheid bestonden daar niet. Called weet dat hij zou moeten vluchten, maar hij kan niet. Ze heeft gevoelens in hem aangewakkerd waarvan hij niet eens wist dat ze bestonden.
Mabyn kijkt voorzichtig naar de man voor haar. Ze weet niet waarom ze hem heeft meegenomen naar huis, maar iets zei haar dat het goed was. Als ze hem goed bekijkt ziet ze dat hij niet erg knap is. Hij is wel lang en sterk en er is iets aan hem dat maakt dat ze haar armen om hem heen wil slaan en hem nooit meer los wil laten. Hij heeft nog iets anders over zich, iets droevigs, het is alsof hij een verschrikkelijk geheim met zich meedraagt waarover hij niemand iets kan zeggen. Zal ze vragen waarom dat zo is, of zal ze hem eerst laten wennen? Ze besluit het laatste.
In de weken erna leeft Called in een persoonlijke hemel. Overdag is hij bij Mabyn en als zij naar haar werk gaat, gaat hij op jacht. Hij voelt zich geweldig en de tijd die hij in de hel heeft doorgebracht lijkt alleen nog een schimmige herinnering. Toch komt uiteindelijk de nacht waar hij al die tijd voor vreest. Tijdens een jacht merkt hij dat hij in de gaten gehouden wordt. Hij stopt en kijkt schichtig om zich heen, ja, daar zijn ze. Wanhoop komt in hem opzetten. Hij wil niet weg, hij kan niet meer leven zonder Mabyn. In blinde paniek vlucht hij door de straten naar haar huis. Hij rukt de deur open en roept angstig haar naam. Ze komt de huiskamer uit en als ze zijn gezicht ziet slaat ze haar armen om hem heen.
‘Wat is er?’ Vraagt ze ongerust. De angst in haar stem maakt dat hij haar nooit meer los wil laten, maar hij zal toch moeten.
‘Mabyn ik moet hier weg, het spijt me.’ Zegt hij terwijl hij zich van haar omhelzing probeert te bevrijden. Het is niet veilig, dat was het nooit. Hoe heeft hij ooit kunnen denken dat hij gelukkig zou kunnen worden? Vlug geeft hij haar een gepassioneerde kus, het enige dat hij haar ooit heeft kunnen geven. Met moeite verlaten zijn lippen de hare en na een laatste blik op haar prachtige gezicht verlaat hij voor de laatste keer het kleine huisje. Hij kijkt niet achterom en rent zo hard als hij kan. Hij moet hier zover mogelijk weg. Wat er verder met hem gebeurt maakt hem niet uit, zolang Mabyn maar veilig is.
Hij voelt hun aanwezigheid al voor hij ze achter zich hoort. De groep die hem terug naar de hel moet brengen zit hem op de hielen. Wanneer hij zeker weet dat Mabyn op veilige afstand is geeft hij zich over. Hij wil niet meer vluchten, nu hij weet hoe gelukkig hij kan zijn wil hij niet meer bang zijn. Dan nog liever terug naar de hel, hij heeft altijd de herinnering nog. De handen die om zijn polsen glijden voelen als boeien en instinctief probeert hij zich los te vechten. Er zijn te veel belagers en hij wordt hardhandig tegen de grond gedrukt. Zijn nagels schrapen over het asfalt terwijl ze hem voortslepen. Hij schreeuwt en probeert zich weer los te worstelen. Er wordt een arm om zijn hals geslagen en een stem fluistert dreigend.
‘Schreeuw alsjeblieft nog één keer, dan heb ik een reden om je te doden.’ Even lijkt dit een goed idee en hij opent zijn mond al, maar bedenkt dat dan de enige kans die hij heeft om Mabyn ooit weer te zien verdwijnt. Hij moet zich stilhouden en zich mee laten voeren naar de hel. Vanaf daar kan hij weer proberen om te ontsnappen, hij heeft het al een keer gedaan en hij zal het weer doen. Hij heeft nu iets om naar terug te keren. De donkere diepten van de hel verschijnen voor hem en zacht fluistert hij.
‘Mabyn ik kom terug.’
