Dit was naar aanleiding van een oud Latijns gedicht. Het staat onderaan het verhaal, als je dat meeleest lijkt het mij een redelijk begrijpelijk verhaal

Geïrriteerd liep ik richting het Colosseum, tegengehouden door drommen proletariërs die hoopten een vrijkaartje te bemachtigen. Vol walging probeerde ik me er een weg doorheen te banen, hun ongewassen, stinkende lijven ondertussen zorgvuldig vermijdend.
Het boven alles en iedereen uittorenende Colosseum kwam langzaam dichterbij. Nog een paar minuten later en ik liet de wacht mijn kaartje zien, glipte door een doorgang tussen de mensenmassa’s en begon de trappen te bestijgen tot ik op de juiste hoogte was. Daar aangekomen zocht ik vlug mijn plaats en ging zitten.
Uitgebreid nam ik alles in me op. Het lawaai van duizenden toeschouwers was oorverdovend. Een rij onder me zat de Senaat, met hun witte toga’s en hooghartige gezichten. Om mij heen zaten patriciërs en welgestelde plebejers. De meesten van hen hadden gezorgd dat ze er piekfijn uitzagen, wat het contrast met de straatarme proletariërs enkele rijen boven ons nog sterker maakte.
Ietwat later ontstond er een klein tumult aan de overkant: Keizer Domitianus arriveerde. De Senaat trok als één man een vies gezicht: ze mochten hem niet. Even vlug als de uitdrukking op hun gelaat verscheen was hij alweer verdwenen, en de Keizer nam plaats in zijn loge.
Al deze kleine dingen in mij opnemend zat ik rustig te wachten tot de voorstelling zou beginnen. Het proletariaat had aanzienlijk minder geduld en bleef maar lawaai maken. Uiteindelijk moesten er ook nog wachten aan te pas komen om een klein opstootje om een zitplaats op te lossen.
Zodra het rustig werd, begon de voorstelling. In de ochtend waren er gevechten van speciale gladiatoren tegen wilde dieren, lieten enkele tamme dieren hun kunsten zien en tegen de middag kwamen de gevangenen die tot de wilde dieren waren veroordeeld de arena in. Pas ’s middags na een kleine pauze zouden de echte gladiatoren vechten.
Belangstellend keken we naar de wilde dieren, gestreept, gevlekt, in de meest waanzinnige kleuren: bijna allen kwamen uit exotische streken als Mauretania, Africa en Aegyptus.
Leeuwen, tijgers, olifanten, luipaarden…er was van alles te zien. Hun soepele bewegingen en pure kracht waren prachtig om te zien. De meest vreemde combinaties vochten tegen elkaar. Zo waren er een beer en een olifant. Na wat verwondingen aan beide zijden gooide de geagiteerde olifant met zijn slurf de beer bijna naar de overkant naar de arena.
Een leeuw tegen een beer stond garant voor spektakel. Het publiek smulde, niemand gaf wat om de wezens die, uitgehongerd als ze waren, elkaar van kant maakten uit hoop op een beetje voedsel.
Zoals gezegd, na de gevechten kwamen de gedresseerde dieren. Ietwat verveeld keek het publiek naar de grote katten en beren, die op commando gingen zitten, op hun rug rolden of diep gromden.
Plotseling kwam een luide brul uit de gangen onder de arena omhoog. De menigte ging rechtopzitten en keek elkaar verwachtingsvol aan.
Een hek ging open, en lui kuierde een gigantische Berberleeuw de arena in. Woeste, zwarte manen kroonden een gigantische kop met ogen van amber die rustig zijn omgeving in zich opnamen.
Een kleine beweging aan de overkant van de zandvlakte deed zijn oren naar voren springen en hem een lichte sluiphouding aannemen.
Toch keek het eerst naar zijn verzorger voor toestemming, die hem een teken gaf. Toen zette hij het op een drafje. Met een verbazende tederheid gaf hij een zachte tik tegen een achterpoot van het hertenjong, dat in paniek was weggevlucht. Het hertje ging onderuit, maar de leeuw deed niets. Hij ging zitten en keek naar het hertje, dat was opgekrabbeld en het machtige dier aankeek.
Het publiek was doodstil, ze hielden de adem in. De Keizer stond op. Iedereen was benieuwd naar wat de leeuw zou doen. Zou hij het diertje doden?
Nee. Met een omzichtige beweging dreef de Berber het hertje naar zijn verzorger, waar hij een aai over zijn kop kreeg. Zijn oppasser liet zien hoe tam hij wel niet was. Gaf rustig zijn machtige poot op een verzoek, verdroeg handen in zijn bek met losse kaken.
Een tijdje hierna werd een gigantische zwarte stier de arena ingelaten. Het dier gnuifde, keek boos om zich heen, en merkte toen het publiek op. Hij leek het eng te vinden, zocht een uitweg. Opnieuw kreeg de Berber een bevel en daar ging hij, in een speelse galop achter de stier aan. De stier kreeg het benauwder, ging steeds harder rennen, en draaide zich om.
De tijd leek stil te staan. De vrolijke leeuw, die niet meer leek te willen dan spelen, werd op de horens van de stier genomen en hij vloog een eind door de lucht. Er zat een grote bloedende wond in zijn zij.
Plotseling leek de Berber zijn instinct terug te krijgen. Hij sloeg zijn klauwen uit, en met een grauw maaide hij naar de kop van de stier, die tegen de vlakte sloeg.
Langzaam liep hij, hinkend, deze koning uit de Atlas. Steeds verder gleed hij weg, zijn blik doofde. Luidkeels, de kop opheffend, stootte hij nog één laatste, machtige brul uit.
De Berber was dood.
De overige leeuwen in hun hokken keken verbaasd, briesten boos. Toen ze het lijk wegsleepten, verduisterden fronsen hun blik. Beschaamd keken ze neer. Hoe kon dat nou? Deze koning der koningen, roemloos weggesleept uit de arena, een donker bloedspoor achterlatend.
Maar nee, niet roemloos, nam ik mij voor. Want deze leeuw had het onmogelijke bereikt. Deze harteloze Romeinen, allen waren ontzet. Het was doodstil.
Jij, Berber, geniet een grote troost. Senaat en volk hebben om je getreurd, als een dierbaar gladiator die viel in het zand, een geliefde generaal gesneuveld in de strijd,
de grote Keizer is, bij zoveel beesten, uit Aegyptus, Africa en Mauretania, die niemand mist, getroffen door het verlies van één verloren leeuw.
Publius Papinius Statius, Latijns dichter. (ca. 40-96)
Wat heeft het gebaat: je woest instinct verlaten?
Wat, tam, misdadige mensen doden af te leren,
gezag te dulden, dienstbaar aan een mindere?
Wat dat je uit je hok ging en gewoon terugkwam,
je cel in, prooi ving en spontaan weer achterliet
en handen in je muil verdroeg met losse kaken?
Dood ben je, kundig plunderaar van machtig wild.
Niet doordat, op een drijfjacht door ’t kordon omsingeld,
je opgehitst grimmig de speren oversprong
in Afrika, of werd bedrogen door een valkuil,
maar door een vluchtend beest verslagen. Triest staat daar
je kooi wijd open: rondom achter dichte hekken
briesten de makke leeuwen dat het zo’n wandaad mocht.
Toen zij je zagen wegslepen, vielen uit schaamte
hun manen neer, een frons verduisterde hun blik.
Toch heeft die vreemde schande jou niet overweldigd
met de eerste slag: je wilskracht bleef, je moed kwam terug
terwijl je weggleed in de dood, je dreigementen
hielden nog stand. Als een soldaat die, zwaargewond,
zijn vijand welbewust, maar stervend, tegemoet treedt
- hij heft de arm, dreigt met het zwaard, dat hem ontvalt…
Zo liep hij: traag, ontdaan van glans, de blik fixerend,
met open bek, naar vijand happend en naar lucht.
Verslagen en abrupt gedood geniet je toch nog
één grote troost: senaat en volk hebben getreurd
omdat je stierf, alsof een dierbaar gladiator
viel in het wrede zand, de grote Keizer is,
bij zoveel beesten, uit Egypte, van de Rijnstroom,
uit Afrika en Scythië, die niemand mist,
getroffen door het gemis van één verloren leeuw.
Statius, Silvae 2, 5; vertaling Harm-Jan van Dam
daarom dacht ik dat er nog een vervolg kan.)