
Het kan namelijk nooit helemaal perfect zijn.
Proloog
De fakkel verlichtte zijn kop. Bruin, blauw, grijs, zwart. Pure angst raasde door mijn lichaam, zenuwen verspreidt over mijn lichaam prikkelde pijnlijk bij iedere beweging. Houterig liep ik achteruit, een tak kraakte onder mijn gewicht. Het wezen snoof, een pluim rook sijpelde door zijn neus om vervolgens te verdampen in de snijdende wind die door het woud gierde. Op mijn hoede bekeek ik de zichtbare contouren, verder dan de bek kwam ik niet. Als een luciferstokje werd ik omvergeblazen en tegen de grond gegooid. Hijgend dook ik ineen, mijn groene ogen bleven strak op hem gericht. In een moment begon de grond te beven, trillingen vlogen over de bemoste grond. Vlakken die ik zonet nog voor aarde had aangezien kwamen schokkerig in beweging. Omhoog, opzij, omlaag. Hij gaf een brul en sloeg met zijn klauw tegen de grond. Mijn adem stokte bij het zien van de poot, minstens even groot als vijf werkpaarden op een rij. Ik kroop terug, langzaam, behoedzaam. Steeds verder de duisternis van het bos in, hij was inmiddels met zijn volle lengte omhoog gekomen. Boomstammen die stevig in de grond leken te staan, werden opzij geblazen door de ongekende stroom lucht die vrijkwam toen hij zijn vleugels volledig spreidde. Enkele malen graaide hij met zijn voorpoten in de lucht, waarna hij met een imposante sprong het aardoppervlak verliet, fier steeg hij op, ontkomen aan mijn ongelovige blik.
Hoofstuk 1
"Shít Cas, ik lijk je geen moment alleen te kunnen laten! Je bent onmogelijk!"
"Je snapt het niet pappa. Ik had gewoon wat vertraging door een stom hert."
"En vervolgens zonder een maaltijd thuiskomen zeker, maak dat een ander wijs. Ik verbied het je om deze maand je nog buiten onze nederzetting te bevinden, heb je dat gehoord? Ik ben je moeder al kwijt geraakt, ik ben niet van plan jou ook nog los te laten. Je moet dat begrijpen." Zijn ogen toonden milder. "Hoor je me Casacan, je mág me niet verlaten." Hij aaide mijn wang. "Ik snap je pap, maar je kan me niet als een klein kind bij je houden, ik ben vijftien, oud genoeg om te ontdekken." Zijn hand gleed weg, ik zag hoe hij een een brok wegslikte. "Ja, je hebt gelijk denk ik." Ik liep naar de kraan en vulde een glas water. "Hier", ik gaf hem het glas. "Voor je schorre stem." Hij glimlachte warm, ik verliet onze hut. Op een drafje baande ik me een weg richting het huis van een vriend, Jenai. Met zijn veertien jaar was hij nog mager, maar wijs genoeg om in zijn eentje een beer te doden, dat beweerde hij tenminste. Hun villa stak boven de rest uit, wat niet iets was waar je je als buitenstaander over moest verwonderen, hij was rijk. Heel rijk. Zijn bleke gezicht viel me het eerste op. Hij droeg een groene overal met houten klompen. "Hmm, wat zie je er weer aantrekkelijk uit." We grijnsde terwijl er een klodder modder vervaarlijk dicht langs mijn hoofd vloog. "Tuinieren, je weet hoe dat gaat." Verweerde hij zichzelf. "Nee. Hoog tijd dat je me dat gaat leren, ik heb er de komende maand toch genoeg tijd voor."
"En dan zeker dagen tegen je verveelde kop aan kijken, mij niet gezien. Vertel, wat heeft er voor gezorgd dat je je liefde voorlopig niet meer mag beoefenen?"
Ik haalde mijn schouders op en vertelde hem het verhaal, de ontmoeting liet ik weg, wat niet weet, wat niet deert. Zoals altijd werd ik gekalmeerd door zijn uitstraling; rustig, vastberaden en luisterend. Mán, hij mocht dan geen bink zijn, maar mijn respect groeide naarmate ik hem beter leerde kennen. "Ach, trek het je niet aan, over een week ben je al weer vertrokken en ren je als een poema door de bomen." Ik weifelde.
"Wat weet je over draken?" Jenai liet zijn lichaam op de schop steunen en keek bedenkelijk voor zich uit.
"Relatief weinig als ik er zo eens over nadenk. Ze zijn groot en leven vol met wraak jegens ons. Waarom precies zou ik niet kunnen verklaren. Hoezo?"
"Schiet op! Mijn vader mag niet weten dat ik weg ben." Ik keek grijnzend om toen ik een grote 'plof' hoorde. "Je moet wel blijven kijken waar je loopt, maffe." Ik begon weer op een drafje mijn weg te vervolgen, algauw vielen de voetstappen van Jenai me bij. Een plotselinge open plek dook spookachtig op en leek bezaaid met vreemde schaduwen door onze fakkels. "Hier is het. Ik verschool me achter deze Eik hi..." De prachtige boom was zwartgeblakerd, stukken schors waren weggevaagd. "Ik geloof dat hij je nog een aandenken mee wilde geven", grapte Jenai. Ik zag hem onderzoekend rond lopen. Ik kon aan zijn uitdrukking zien hoe verbaasd hij was. "Ik zal voorlopig hier maar even weg blijven. Je weet nooit hoe een tweede ontmoeting kan lopen."
"Ik denk ook niet dat ik andere keuzes heb dan het bos te vermijden, weet je nog?" Hij keek op toen de geïrriteerde naklank tussen de knoestige bomen bleef hangen. "Laten we gaan, ik vind het maar niets hier." Hij verlichtte het pad voor hem terwijl hij zich slungelig over de boomwortels werkte. Ik sprong hem behendig achterna. "Weet je zeker dat er geen... goede draken zijn, om het maar even zo te benoemen?"
"Goede draken? Laat me niet lachen. Die beesten zien het liefst al onze dorpen in brandt staan." Er trok een grimmige trek over zijn gezicht. "Maar we wonen onder het aardoppervlak, omgeven door gesteente. Ze komen ons dorp echt niet verbranden. Toch?"
"Dat we onder de grond wonen hoeft geen voordeel te zijn. Hoe langer ik er over nadenk, hoe nadeliger het voor ons kan zijn. Zodra ze zich in onze grot bevinden, kunnen wij nergens meer heen, terwijl zij vrij spel hebben." Ik rilde terwijl het beeld door mijn hoofd vloog. Jenai's klamme arm viel over mijn schouders. "Don't worry, ze komen niet."
De nachtelijke duisternis leek zelfs het licht van onze brandende fakkels te dimmen, waardoor we besloten onze terugreis op een drafje voort te zetten. Verrast keek ik achterom naar Jenai. Zijn gezicht lijkbleek, zijn ogen gespannen en nauw. "Casacan, we moeten hier zo snel mogelijk weg!" Hij raasde me voorbij, nog voordat ik hem om de rede kon vragen. Een hinderend gedreun kwam me om een onbekende reden bekend voor. Ik voelde hoe mijn adem stokte. Híj was terug. Nu ook ik begon te rennen verscheen al gauw de bosrand. De stenen vlaktes lagen voor ons open. "Sneller!" Ik keek om, mijn felgroene ogen vestigden zich op het magnifieke, fiere wezen. Mijn voet bleef haken achter een losse kei, ik klapte op de grond. "Cas, sta op, we mogen geen tijd verlie..." Zijn stem werd overtroffen door geronk achter me. Ik kneep haastig mijn ogen dicht op het moment dat er een wolk van stof en vermalen gesteente oprees toen de klauwen zich in de grond vestigde, de weg tussen mij en Jenai versperrend. Mijn instinct dwong me op mijn knieën, vervolgens stond ik trillend op de grond. "Cas? Loop rustig achteruit, draai je rug naar hem toe, en loop het bos in. Hoor je me?" Ik volgde Jenai's commando's niet op. Ik liep niet achteruit, ik draaide me niet om. Mijn blik werd naar de kop getrokken. Twee grijze ogen stonden er perfect op hun plaats, wijs, sprekend. Voet voor voet bewoog ik me vooruit. Van langzaam tot steeds sneller. Ik bereikte zijn sluwe nagels, die zich diep de grond in hadden geboord. Hij sloeg zijn vleugels in, de prachtig geschubde hals boog zich sierlijk naar mijn betoverde lichaam. Ik keerde mijn rug naar de poten en raakte de neus aan. Mijn eerste contact. Een stroomschok vloog van mijn hand naar mijn arm en gleed de rest van mijn lichaam in. Ik wist zeker dat ook de draak dit moest hebben gevoeld. Met een brul bracht hij zijn kop omhoog, in mijn ooghoek zag ik hoe hij het met alle kracht weer terug naar beneden sloeg, waar het direct in contact kwam met mijn zwakke lichaam. Een gewichtloosheid viel over mijn lichaam. Het volgende moment werd de zwaartekracht opnieuw bewezen, ik kwakte tegen de grond. De draak sprong een aantal maal van de grond, waarna het onder een luid protest de lucht in vloog, onbeheerst en geschrokken. Voorzichtig voelde ik aan mijn hand. Er schoot een heftige flashback door mijn hoofd, het gleed over mijn ooglid. Opnieuw verscheen ons eerste contact. Ik voelde hoe mijn droge lippen zich uitrekten tot een brede grijns. "Cas! Jij vreselijk, koppig wezen! Je had dood kunnen zijn, hoor je dat? Morsdood!" Jenai's slanke postuur verscheen negentig graden gedraaid voor mijn ogen op het moment dat de flashback weg ebte. Kreunend kwam ik overeind. "Ik voel me goed, dankjewel", verweet ik hem. Hij wierp beschaamd zijn blik weg. "Sorry, heb je je niet bezeert?"
"Niet als jij dit verborgen houd voor ieder van ons dorp." Hij zwoor het. Ik greep zijn hulp biedende hand en trok mezelf overeind. Onstabiel zoals de draak was weggevlogen. Weifelend keek ik naar mijn hand, er trok een verlangen in me op om opnieuw ons contact te beleven, Jenai weerhield me ervan door een ruk aan mijn tuniek te geven. "Blijf daar niet zo schaapachtig staan. Dat hij weg is betekent niet dat hij weg blijft." Ik verbeet mijn glimlach over Jenai's gezichtsuitdrukking, maar volgde hem. In een besloten stilte hervatten we onze weg richting ons dorp. Ik voelde hoe de buitentemperatuur aangenamer werd, zag hoe de eerste oranje gloed zich boven de horizon verstigde. Dankzij een versnelling in onze pas bereken we het dorp eerder dan dat de zon de ingang bescheen. Ongezien zeiden we elkaar gedag en sloop ik de hut binnen waar de vertrouwelijke geur van verse aarde mijn neus binnendrong. Gestommel veraadde de komst van mijn vader, ik wrong me door de kier van de ongesloten badkamerdeur, die ongetwijfeld kabaal zou maken wanneer ik hem verder open wilde duwen. Een hevige schok ging door me heen toen ik een zijwaartse blik in de spiegel wierp. Een blauw vlek bedekte de linkerkant van mijn gezicht, terwijl de rest van mijn huid bestrooid leek met zand, gesteente en modder. "Casacan?"
Ik heb de prehistorie-word en daardoor dus geen spellingscontrole. Daar gebruik ik een online site voor. Dit geeft geen garrantie dat alle fouten eruit zijn. Als je er eentje ziet vind ik het fijn als je hem even meld. Alles is meegenomen.