
Ik ben geïnspireerd door het boek Lucas van Kevin Brooks, en hoop ooit ook zo'n geweldige schrijv(fst)er te worden.
Enjoy
Het jonge, felgroene gras boog lichtjes mee met de wind en de bladeren dansten ritmisch op en neer. De bomen die samen een groot bos vormden, stonden dicht op elkaar om de open plek. Midden op die open plek zat een meisje. Ilse zat voorovergebogen op de grond, met in haar trillende handen een wit papier volgeschreven met letters. Tranen vielen over haar bleke huid en haar lange zwarte haar danste op het briesje dat steeds afzwakte, maar met dubbele kracht weer terugkwam. Ilse zat midden op een open plek in een wit zomerjurkje. Het was koud, maar ze voelde het niet. Ze was een wrak, gehard door de vele gebeurtenissen, gehard door vele mensen. Ilse zuchtte en liet haar ogen snel maar geconcentreerd over het papier glijden. Zo veel, Zo hard..
Hoe het ooit begon
‘’Iris!’’ klonk er hard in de schoolgang en ze draaide haar hoofd om naar de roepende stem. Het was Amy, haar beste vriendin sinds haar kleuterjaren. Vrolijk kwam ze aangerend met een stuk papier in haar hand. ‘’Ik heb een tien, goed hè?’’ Haar schelle stem klonk hard in de schoolgang en enkele leerlingen keken verbaasd om. Amy, nog steeds wapperend met het witte vel papier vol geschreven woorden zond de starende mensen een dodelijke blik en algauw dropen ze af. Iris glimlachte en haakte haar arm door die van haar vriendin en samen liepen ze de school uit, vrolijk babbelend over van alles en nog wat. Ze staken het oude schoolplein over en liepen richting de fietsenstalling. Eigenlijk waren er te weinig fietsenrekken en door tekort aan een plek voor je fiets zette iedereen het ijzeren ding tegen die van jou aan. Vreselijk. Iris zuchtte en langzaam begon ze de fietsen van haar eigen fiets te slepen en met een zucht haalde ze die van haar zelf uit het rek. Ze keek naar Amy die haar stond op te wachten en lachend fietste ze naar het dorp.
Het dorp was grof gezegd een gat met enkele mensen en oude winkeltjes. Om naar de stad te gaan had je of de bus nodig, of je had een eigen auto. Fietsend zouden je benen moe worden door de vele kilometers en aangezien Iris soms nogal lui was ging ze dus met de bus. Het dorp zelf had een klein rond pleintje met een dikke eeuwenoude eikenboom, enkele huisjes en een dorpswinkel. Iris zuchtte en fietste het smalle steegje waar hun tuinpoort stond in en liep naar binnen. Haar vader gaf de rozen net water en hij lichtte zijn hoedje een beetje op, om Iris te bekijken. ‘’Hoe was het vandaag op school?’’ Bromde zijn stem en Iris glimlachte. Met een simpele handgebaar gaf ze een standaard antwoord en liep ze de keukendeur binnen. Een zoete geur drong haar neus binnen en grijnzend bekeek ze haar broer, die met honing en yoghurt een tussendoortje in elkaar knutselde. Damian was hier op vakantie, aangezien hij studeerde en in een groot studentenhuis woonde. Maar sinds hij hier was heeft ze hem eigenlijk niet vaak gezien. Leunend op de aanrecht keek ze naar haar broer die het eten haastig naar binnen aan het werken was, het bakje in de aanrecht gooide en haastig naar zijn auto verdween. Iris streek haar lange zwarte haar uit haar gezicht en zuchtend liep ze de trap op naar boven. Haar broer had haar niet eens gezien! Ze gooide de deur open en haar ogen werden zo groot als schoteltjes. Haar altijd zo perfect opgeruimde kamer was helemaal overhoop gehaald en op haar netjes opgemaakte bed lag Deefert. Deefert was haar stinkende, grote zwarte hond met om zijn linkeroog een witte vlek. En nu lag hij dus op haar bed! Hoofdschuddend liep Iris naar haar raam en trok de gordijnen open. Daarna zette ze haar raam wagenwijd open en nam een grote teug lucht. Een mengeling van benzine en kaneel volgde een weg naar haar neus en genieten bleef Iris enkele minuten staan. Toen ze een slijmerige tong over haar hand voelde keek ze opzei en zag Deefert kwispelend lang haar zitten. ‘’Oké, kom maar’’ zei ze zachtjes zuchtend en ze liep de trap af. Daar deed ze Deeferts halsband om en liep ze naar buiten.
Het voordeel van hier wonen is dat ze vlak bij de zee woonde die grensde op een groot bos. Vaak jogde ze daar met Deefert naar to. Nu dus ook. In een pittig tempo ging ze richting het bos, daar lag een perfecte open plek om tot rust te komen en dat kon ze nu wel gebruiken. Aan die open plek grensde een perfect rond meertje omringd door heerlijk geurende lavendel bloemen. Iris zuchtte en verhoogde haar tempo lichtjes om eerder bij de open plek te komen. Eenmaal aangekomen stoof Deefert weg en Iris ging met opgetrokken knieën aan de waterrand zitten. Met haar ellebogen losjes op haar knieën rustend en met haar hoofd in haar handen staarde ze over het meer. De zon ging langzaam onder en liet een rood licht schijnen, waardoor het meer zilver leek te glanzen, bespoten met graffiti. Zuchtend draaide Iris haar hoofd om en haar ogen flitsten heen en weer. Waar is Deefert? Meteen bij die gedachte begon het water te pruttelen en borrelen en een jongen liep het water uit. Niet zo gek, hij had bezig kunnen zijn met duiken. Maar hoe kon hij nog helemaal droog zijn dan? De ogen van Iris zochten zijn ogen om zijn reactie te peilen, maar de jongen hield zijn ogen neergeslagen. Toen hij opkeek zag Iris felblauwe ogen met een zwart randje en ze stond op. De jongen knikte naar haar en liep zonder iets te zeggen langs haar. Starend keek Iris hem na en afwezig riep ze Deefert om naar huis te lopen.
De hele weg naar huis had Iris nagedacht over de jongen. De korte blik die ze op hem had kunnen werpen was niet genoeg om hem goed te bekijken, maar zijn gezicht. Zijn ogen stonden vragend, leeg en wanhopig. Was het wel Wanhopigheid? Ze schudde haar hoofd, even wist ze het niet meer. Inmiddels was het al donker geworden en Iris voelde zich dronken. Ze was zo verward dat ze meteen doorliep naar haar kamer. Automatisch ruimde ze de rommel op en deed ze het raam dicht. Ze maakte haar bed opnieuw op en schoot in haar pyjama. Nog even borstelde ze haar zwarte haren, maar algauw kroop ze onder het deken. Toen ze het nachtlampje uitknipte sloot ze haar ogen en vaag zag ze het gezicht van de jongen op haar netvlies. Met een ruk schoot ze omhoog. Waarom was hij ook zo mysterieus? Zuchtend ging ze weer liggen en viel in een onrustige slaap. Haar droom ging over de jongen..