Citaat:
Verklarende woordenlijst:
Chayton – Valk, vogel.
Tse – Steen, Rots
Dibe – Schaap, veelgebruikt woord door Catori, die het gebruikte als scheldwoord.
Nigan – Voorop
Xela – Mijn huis in de bergen
Jolon – Valei van de dode eiken, veelgebruikt scheldwoord door Tse
Doba – Geen oorlog
Catori – Moed, Energie
Gedachteloos liet ik mijn vinger over de aalstreep van Chayton glijden. Chayton zelf leek ver in dromenland. “En, wat denk je ervan?” Vroeg mijn 2 jaar oudere broer Tse. Onverschillig haalde ik mijn schouders op, wetend dat Tse daar een hekel aan had. “Ik weet het niet, wij tweeën, helemaal alleen in de woestijn?” Ik schudde mijn hoofd, het idee was alles behalve aantrekkelijk. Het idee alleen al aan een trektocht deed mij rillen. Ik draaide me om en ondekte de teleurgestelde blik is Tse’s ogen. Het haalde mij niet over. “Nee, ik ga geen trektocht van dagen lang houden, in deze hitte.” Ik keek Tse wijfelend aan, wachtend op zijn antwoord. Zijn teleurstelling vloeide over in onverschilligheid, waarna hij zich omkeerde, en richting de oude boerderij liep. Met een knagend schuldgevoel hervatte ik de borstelbewegingen op Chayton’s valkkleurige vacht. Deze voelde dat mijn gedachten niet bij mijn handelingen waren, waarop hij besloot om de emmer, gevuld met kostbaar water, om te duwen. “Hè, dibe!” Ik vloog op de emmer af. Te laat. Met murmende geluiden greep ik de emmer weg, en plante hem ergens ver weg van Chayton in het mulle zand. Ik had weinig zin meer in de borstelbeurt, dus leide ik Chayton naar de grote ovaalvormige paddock. Eenmaal gearriveerd liet het ondankbare dier zich direct in het zand zakken. “Dibe.” Mopperde ik, terwijl ik me omdraaide. Tijdens mijn zoektocht naar nieuw, vers water liep ik mijn vader Nigan tegen het lijf, deze was duidelijk geërgert. “Nigan,” zei ik lichtelijk verrast na de botsing, “De put is droog, Chayton heeft zijn water omgegooid, ik kan nergens meer nieuw water vinden.” Ik drong niet tot hem door. Nigan liep zonder antwoord door. Verdwaast vervolgde ik mijn zoektocht, om vervolgens tot de ontdekking te komen dat er écht geen water was. Een lichtelijk zorgelijk gevoel kroop naar binnen. Ik besloot mijn broers voorbeeld te volgen, en liep richting de oude boerderij, die de naam ‘Xela’ droeg. De hoop dat er water uit de kraan zou komen vervloog direct toen ik de knop omdraaide. De hoeveelheid water in de emmer was net genoeg voor één glas water. Een schuldgevoel daagde weer op, wetend dat dit ons laatste water was, nu licht golvend in een vieze emmer, nog net goed voor de paarden. Mijn broer stormde bij het horen van de kraan de keuken binnen. “Jolon!” Scheldde hij toen hij het water zag in de emmer. Met een wit wegetrokken gezicht probeerde ik de emmer uit zijn gezichtsveld te houden. “H-het spijt me!” hakkelde ik, wetend dat dit helemaal geen zin had. Mijn moeder had intussen ook de onrust gehoord, en was met haar kalme gedrag direct naar mijn broer gekomen, die rood aanliep. “Doba, rustig aan... Ze wreef even door Tse’s haar, en pakte daarna de emmer van mij over. Ze wierp even een blik naar mijn gezicht waarna ze naar mijn broer gebaarde dat hij naar boven moest gaan. “Luister Catori, we hebben tekort aan water, elke druppel dat verspilt wordt, is een dag dichter bij de ondergang. De complete stad en omgeving ligt zonder water. Dit was het laatste.” De woorden van mijn moeder waren direct, en lieten mij de realiteit zien. Ik slikte. “En nu?” Ik durfde het nauwelijks te vragen. Ze schudde haar hoofd, duidelijk denkend over een antwoord. “Ik weet het niet meid, ik weet het niet.” Ze sloot me in haar armen, en liet mij voor even zorgeloos zijn. Met vochtige ogen keek ze me diep en indringend aan, maakte me duidelijk dat ik het volgende heel goed moest onthouden. “Ik hou van je meid, evenals Nigan en je broer. We mogen onszelf zeer gelukkig stellen met onze onderlinge band. Dat moet je altijd onthouden, en voelen.” Ik slikte een stortbui tranen in, en knikte kort. Het deed me zeer om mijn ouders in deze staat te zien. Ik liep langzaam naar buiten, waar het lange, stevige gestalte van mijn vader flauw oplichtte door de laatste zonnestralen. Ik liep geluidloos naar hem toe, en sloeg een arm om zijn middel. Zonder een blik naar mij te werpen deed hij hetzelfde terug. Samen keken we hoe onze Mustang kudde zich voortbewoog over de schrale grasvlaktes. Pas toen de wind kouder werdt, en de avond viel, liepen we hand in hand terug naar ‘Xela’. Eenmaal thuis sloeg de moeheid toe, allen gaven we ons eraan over, terwijl de wind buiten zachtjes voortblies.
Een bloedverziekende warmte scheurde me uit mijn slaap. Een moment was ik stomverbaasd, daarna kwam de angst. Een afgrijselijke rook drong naar binnen bij iedere ademstoot die ik angstig in nam. Ik greep een dun kledingstuk uit de kast en bond het voor mijn mond, hopend de rook buiten te houden. Hoestend trok ik mijn deur open, waarna mijn angst zo groot werd, dat ik een paar seconde levenloos was. Ik ademde niet, bewoog niet. De tijd stond stil. Een afgrijselijke gil weerklonk door de brandende oude boerderij. Buiten drong de wind door alle kieren naar binnen, en maakte een angstaanjaangend geluid, het joeg de vuurzee nog dieper het huis in. Mijn lichaam protesteerde tegen de warmte, mijn spieren verslapte. Ik greep me vast aan mijn deurpost, die ik daarna gauw weer losliet. Het vuur smulde van het zachte, oude hout, en kroop omhoog. De deurpost vloog in brand. Daarna mijn kamer. Ik wist dat ik het huis niet verder meer inkon. In dat ene moment besefte ik dat ik mijn ouders nooit meer zou zien, ze konden niet ontsnappen. Ik realiseerde me dat hun kamer nooit ramen had gehad, en de enige uitweg de gang was, die nu in het vuur verging. De beslissing viel snel. Ik draaide me om, en rende richting mijn raam. Ik keek recht naar de stal van Chayton, rood gekleurd van het vuur. Nog een gil van mijn ouders kamer die heel langzaam wegsmoorde. Het was een gil die mij deed bevriezen. Een moment dacht ik eraan om de vuurzee in te springen, hopend op een laatste woord met mijn moeder, vader of broer. Ik drukte deze gedachte weg en sprong uit het raam, waarna ik na een lange val in het zand belandde. Er kwam een verlammings gevoel over mijn lichaam, het enige wat ik leek te weten, was dat mijn ouders dood waren, dadt hun laatste woord naar mij was geweest, ‘Ik hou van je’, het moment dat ik doodmoe naar boven liep om op mijn bed te ploffen. Huilen kon ik niet, toen ik het beeld van mijn moeders gezicht voor me haalde. Mijn tranen waren verdamt. Ik probeerde op te staan, maar mijn lichaam protesteerde zo hevig, dat ik het idee al gauw liet varen. De koude stille nacht kroop langzaam over mij heen en verduisterde alles wat het vuur zo net nog had verlicht. Het laatste vlammetje smolt weg, het laatste lichtpunt was verdwenen.
De volgende morgen was ik verdwaast, simpel weg gewoon van de kaart. Ik wist dat het logisch was, mijn lichaam had zich ongetwijfeld gevuld met giftige rook. Ik begon te twijfelen aan mijn eigen gedachten, aan mijn eigen zicht, en zelfs aan de waarheid, die toch zo veel invloed had gehad. Het was afschuwelijk. Langzaam voelde ik mezelf wegkwijnen, liggend in het zand dat zo heet was dat het als grilplaat gebruikt kon worden. Ik beeldde me al in hoe ze me zouden vinden over een paar uur, verbrandt door vuur en zon. Ik probeerde herinderingen van vroeger op te halen, maar na elke poging leken er weer een paar te verdwijnen. Er weerklonk een bekend geluid in mijn aangetastte oren. Gehinnik. Het geluid herhaalde zich, gevolgd door lichte trillingen van de grond. Met een doffe blik keek ik op. Vreugde overmeesterde mijn lichaam. Chayton. Ik vloog overeind, of beter gezegt, ik deed een poging tot. Ik zakte in elkaar, kreunend van de opeen volgende pijnscheuten. Het bedrukte mijn vreugde. De zachte neus van Chayton kriebelde op mijn hoofd. Ik draaide me beheerst om, mijn rug tegen de grond. Voor het eerst sinds de brand keek ik weer naar de heldere lucht, naar de witte wolken, die vredig en onschuldig voorbij dreven. Mijn blik bleef rusten op het huis. Tot op de grond afgebrandt. Fotoboeken, sieraden, en de vertrouwde oude keukentafel waren veranderd in zwart as. Het idee dat mijn dierbaarste personen hun dood daar hadden gevonden was tragisch, en gaf mij een zeer bedrukt gevoel. Ik keek verder het erf rond. De stal, waar Chayton wonderbaarlijk genoeg uit was gekomen, was al even triest als het huis. De witte merrie van mijn vader was verdwenen, ik vreesde het ergste. Ik besloot naar het laatste schuurtje te kruipen. Het was het enige gebouw waar het vuur niet gekomen was. Ik greep een van de benen van Chayton, en hees mezelf kreunend omhoog. Met mijn complete gewicht op het warme paardenlijf begeleidde ik het dier naar het kleine, oude schuurtje. Ik opende de deur, en liet me langzaam op handen en knieën zakken. Chayton keek me verbaasd aan, waarop ik grinnike, en langzaam vooruit kroop. Het was een complete zoektocht naar een potje, tot mijn oog viel op een klein, geel uitgeslagen potje. Het was gemaakt door mijn broer, die het na zijn eerste dag in groep vier aan mijn ouders had laten zien. Mijn vader was apetrots op hem, en had het potje ergens veilig opgeborgen. Ik glimlachte bij deze herindering. Met trillende handen pakte ik het potje, en betaste het voorzichtig met mijn verbrande vingertoppen. Een traan bevochtigde het droge potje, dat perfect leek voor mijn plan. Ik kroop weer terug, naar de buitenlucht. In de ochtendstralen werden mijn verwondingen nog beter zichtbaar. De opgezwolle verzwikte enkel, de half verbrande hand, en de angst waren allemaal een litteken van de vorige nacht. Vermoeid knoopte ik een touw in elkaar, dat kon dienen als rijhalster. Chayton kreeg het direct om. Ik reed terug naar ‘Xela’, of wat er nog van over was. Voorzichtig liet ik me van Chayton glijden. Ik hinkte wat door de as, raapte hier en daar brokstukken op. Ik liet me langzaam zakken, en liet me neervallen op de zwarte deeltjes. Zwarte deeltjes van alles wat me lief was. Tranen begonnen te vloeien, ik hield ze niet meer tegen. Mijn hand graaide woest door het as, wat alle kanten op waaide. Huilend smeekte ik om mijn ouder, mijn broer, om mijn vertrouwde leventje. Ik wist dat ik het niet terug zou krijgen. Ik liet het as door mijn handen glijden, waarna ik een hand pakte, en het in het potje deed. Hetzelfde herhaalde ik bij de stal, op de plek waar de merrie had gestaan. Weer terug bij het schuurtje pakte ik het zadel, het hoofdstel had ik gisteren in de stal laten liggen. Nadat ik mijn zadeltassen had bevestigd, wierp ik nog één blik door het schuurtje. De gedachten van de paarden, van mijn ouders en broer, deden mij twijfelen aan mijn vertrek. Ik kon niet anders. Ik moest eten hebben, ik moest verder leven, hoe hard dat ook was.
De flauwe ochtendstralen waren veranderd in warme, kwellende hitte. Chayton stapte vermoeid door het mulle zand. Nogmaals wierp ik een blik om mij heen. Een gevoel diep van binnen zei dat ik fout was gereden, ik negeerde het.