[VER] Goudenregen

Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
lovebinache

Berichten: 126
Geregistreerd: 10-06-10

[VER] Goudenregen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 12-06-10 17:31

Hey bokkers!
Ik ben daarnet begonnen aan een verhaal voor de 5 die heel erg veel voor me betekenen.
4 van de vijf zijn op zoek naar hun 'sprookje'. Daarom leek dit thema me wel gepast.
schrijffouten staan er waarschijnlijk in, ik let er niet echt op als ik aan het schrijven ben, maar echt veel ga je er niet vinden denk ik. (hoop ik O:) )

HET IS EEN LANG VERHAAL.

Voor de vijf die mijn leven net dat ietsje beter maakten. Dat ietsje dat ervoor zorgt dat je wilt blijven doorgaan om de volgende zonsopgang mee te maken.


Over hill, over dale,
Thorough bush, thorough brier,
Over park, over pale,
Thorough flood, thorough fire!
I do wander everywhere,
Swifter than the moon's sphere;
And I serve the Fairy Queen,
To dew her orbs upon the green;
The cowslips tall her pensioners be;
In their gold coats spots you see;
Those be rubies, fairy favours;
In those freckles live their savours;
I must go seek some dewdrops here,
And hang a pearl in every cowslip's ear.



-William Shakespeare-



Er was eens in een land hier ver vandaan een prinses die zo’n gouden hart had dat ze Prinses Goudenregen heette. Haar haren daarentegen waren donkerbruin, als kastanjes. De prinses was het enige kind van de koning en de koningin van Morgenland. De koningen stierf bij de geboorte van de prinses en de koning stierf na een blikseminslag. Het einde van de schicht elektrisch geladen licht had een klein gaatje achtergelaten als enige spoor. De zus van de koning, de tante van de prinses, nam hun plek in op de troon. Maar de nieuwe koningin had geen koning aan haar zijde. Vele jaren verstreken, Prinses Goudenregen werd zestien in mei en de koningin zocht naar een geschikte echtgenoot voor haar. De prins van het buurland van Morgenland was de eerste kandidaat, maar Prinses Goudenregen wees hem meermaals af. De volgende maanden waren gevuld met het ontmoeten van menig prins en graaf. Prinses Goudenregen hield voet bij stuk en weigerde elke vraag om haar hand. De koningin vloog na de laatste kandidaat zo hard tegen haar uit dat ze besloot dat Prinses Goudenregen maar met de prins moest trouwen die ze het eerste had ontmoet, de prins van het buurland van Morgenland. Prinses Goudenregen was zo boos dat ze haar prachtige witte hengst uit de stal nam en weg reed van het paleis, het was midden in de nacht en ze reed waarheen haar trouwe dier haar dragen wou.
Toen het licht werd op de tiende dag stonden ze op een open plek middenin een bos. Een klein watervalletje klaterde luidruchtig in het beekje dat als een adder door het gras kronkelde. Prinses Goudenregen stapte af. Haar lichtgele kleed wapperde achter haar aan. Haar paard begon gulzig te grazen terwijl de prinses zich opfriste in het water. Ze keek in het water toen ze het wou pakken om haar gezicht mee te verfrissen. Hoge wenkbrauwen stonden dun boven een volle rand wimpers die samen met een stel hoge jukbeenderen helblauwe ogen omlijstten. Haar huid was gaaf, haar gezicht amandelvormig en haar licht krullende lokken vielen net gekapt langs de zachte ronding van haar kaak. Ze plensde wat water in haar gezicht en ging op een steen zitten. Ze keek naar de wolken en zong zachtjes voor zich uit. Haar stem lokte vogels naar de bomen rondom de open plek, die vrolijk meezongen. Plots stopte haar gezang. Haar paard spitste zijn oren in de richting naar waar zij keek. Er kwam geritsel uit het struikgewas aan de overkant van het beekje. Ze stond op en verschool zich achter het grote lijf van haar paard. Zachtjes keek ze langs zijn borstkas naar het struikgewas. Plots ontplofte de struiken, een hert stormde de open plek over, gevolgd door een ruiter te paard. Hij had pijl en boog in de hand en stuurde zijn ros met zijn benen. Een jager. Prinses Goudenregen, die het niet had begrepen op jagen stapte de open plek op.
‘Houd halt, jager!’, riep ze, ‘houd halt en stapt van uw ros!’
De man was met verstomming geslagen en hield halt, omkijkend naar de prooi die hem was ontsnapt, het hert dat vrolijk het woud inliep. Hij stapte bruut af en keek de prinses woedend aan. Zijn gevederde hoed bedekte zijn gezicht. Hij nam hem niet eens af.
‘Wel, edele man? Waarom doet u uw hoed niet af voor een dame?’
De man gromde en trok zijn hoed af. De zon besloeg zijn belachelijk knap gezicht. Hij was jong, misschien een jaar ouder dan de prinses. Zijn bruine haar was halflang en krulde zachtjes rond zijn ovale gezicht. Hij spande zijn recht kaak uit frustratie, en zijn groene ogen flitsten heen en weer. Zachtjes boog hij voor de prinses, waarbij zijn witte hemd lichtjes over zijn brede schouders viel.
-‘Excuseer me, mevrouw, ik was nog wat overstuur van de verloren prooi.’
‘Verontschuldigt u mij, dat ik uw jachtpartij heb verstoord, ik heb het niet erg voor jagen.’
-‘Hoe denkt u dat uw hertenbout op uw gouden bord terechtkomt, prinses?’
‘Hoe denkt u te spreken tegen een dame?’
Hij keek naar beneden en beet op zijn lip. Prinses Goudenregen grabbelde in de zadeltas van haar paard, dat nieuwsgierig aan het paard van de jager snuffelde. Ze nam een beetje gedroogd vlees uit de tas en reikte de jager een stuk aan. Hij nam het aan en at het snel op. Ze reikte hem meer aan. Hij keek argwanend.
-‘Wat doet een prinses zo ver van haar kasteel?’
‘Wat doet u denken dat ik een prinses zou zijn?’
Hij wees naar het witte paard.
-‘Koninklijke hengsten’,duidde hij.
De prinses knikte. Natuurlijk.
‘Kom jager, eet, ik heb genoeg voor tien man!’
-‘Hoe kan dat? U bent al vast dagen onderweg!’
‘Vriendelijke kooplui in dorpjes weten aan wie ze verkopen’, zei ze droogjes.
‘Eet nu.’
Hij nam de rest van het vlees aan en at het snel op.
‘Zou ik u naam mogen weten, jager?’
-‘Aramis.’
‘Zoals de Musketier?’
-‘Ja, mijn ouders waren fervent lezers.’
‘Ja, mijn ouders waren fervent lezers.’
‘Aha.’
-‘Vertel me, prinses. Zou u niet beter huiswaarts keren? De koningin heeft een bevel opgesteld dat ieder één die u tegenkomt, u huiswaarts moet sturen.’
‘En u, een jager, gaat dat doen uit pure goedheid?’
-‘Er hangt een aardig prijsje aan vast’, gaf hij toe.
‘Ik zal met u meereizen naar het paleis.’
-‘Echt?’
‘Ja, dan krijgt u uw geld en ik kan nog een maal het paleis ontvluchten.’
De jager lachte een rij witte tanden bloot. Het aanbod stond hem wel aan.
-‘Goed, dan zal ik uw reisgenoot zijn, prinses.’
‘Begin dan alvast met me Goudenregen te noemen, Aramis.’
Hij begon te blozen. De prinses giechelde. Goudenregen ging zitten en Aramis volgde haar voorbeeld
‘Daar!’, riep de prinses, ‘een konijn!’
-‘Waar?’, vroeg de jager en sprong recht, boog aangespannen.
‘Niet hier, daar in de lucht!’
-‘Wat heb je daaraan, je kan het niet eten!’
‘Wat heb je aan dingen om te eten als je niet geniet?’
-‘Je overleeft.’
‘Maar ongelukkig! Als je even kunt stilstaan, dan is het plots zoveel meer waard! De geur van een bloem, vormen in de wolken! De ademhaling van een paard hoeft niet gejaagd te zijn tijdens het galopperen! Wie zegt dat een hert in zijn vlucht niet even kan stilstaan om naar een zonsondergang te kijken?’
-‘Ik denk dat niemand ooit zolang heeft gewacht’, gaf hij toe.
‘Net wat ik bedoel.’
-‘Daar, een schaap!’
Prinses Goudenregen knikte goedkeurend. Ze lagen uren in het gras naar de wolken te staren. De zon begon af te dalen. Rozige flarden licht schenen nog door de gaten in de bomen.
-‘Kom, we moeten vertrekken’, de jager stond op en strekte zijn hand uit om Goudenregen recht te helpen. Diep in zijn groene ogen kijkend nam ze zijn hand. Hij trok haar recht en ging naar zijn paard.
Goudenregen keek hem kwaad na omdat hij haar zo maar had achtergelaten. Ze klakte met haar tong, floot zachtjes en riep de naam van haar paard: ‘Miramis!’
Uit de donkerte van het woud verscheen de witte hengst. Aramis keek haar vol verstomming aan toen hij liefdevol zijn grote witte hoofd tegen haar arm duwde. Hij ploeterde zelf verder door de netels en de bramen om zijn bruine merrie te vangen. Met tegenzin gooide de merrie haar hoofd omhoog en zette het op een drafje. Aramis vloekte en begon achter haar aan te lopen. Goudenregen lachte luid toen zijn laarzen vast kwamen te zitten in de modder aan de kanten van het beekje. Hij lachte even mee, maar werd toen terug boos. Goudenregen nam snel een appel uit haar zadeltas en brak hem in twee. Ze gaf de ene helft aan haar paard en strekte de andere uit naar de merrie.
‘Kom maar, meisje’, fluisterde ze.
Hongerig liep het dier op de appel af en Goudenregen greep haar lange manen. Aramis was uiteindelijk uit de modder geraakt en greep woedend de teugels van zijn paard. Hij stapte wild op en spoorde het dier aan. Rustig besteeg Goudenregen haar edel ros en drukte zachtjes haar hielen aan.
Aramis keek haar stomverbaasd aan.
-‘Jij rijdt schrijlings op je paard! Als een man!’
‘Inderdaad.’
Aramis slikte even. Hoe ongewoon!
‘Je mag me bedanken hoor, voor het vangen van je paard.’
-‘Het waas me zelf ook wel gelukt!’
‘Ja, en zou dat voor of na de volgende dag zijn?’, lachte ze.
Hij lachte niet mee.
-‘Nou bedankt!’, snauwde hij.
‘Graag gedaan!’, beet ze terug.
Ze reden verder en zeiden geen woord tegen elkaar. Het was al laat in de nacht toen Aramis stopte om het kamp op te slaan voor de nacht en hij gaf haar korte bevelen wat te doen. Prinses Goudenregen was verdwaasd. Jonkheren moesten toch de jonkvrouwen dienen? Een prinses hoeft niets te doen? Met tegenzin begon ze voorzichtig takjes op te rapen voor het vuur.
-‘Als je een slaapplek wil, probeer dan tenminste wat degelijkere takken te verzamelen’, snauwde hij.
Ze keek hem kwaad aan en raapte enkele grote takken op. Ze smeet hem voor zijn voeten, haar jurk helemaal besmeurd.
‘Als die geldsom groot genoeg is, mag je me een nieuwe jurk kopen!’, riep ze.
-‘Ga nu maar gewoon zitten!’
Hij haalde zijn schouders op en stak het vuur aan. Hij had een onderkomen gemaakt van jonge bomen die naar elkaar toe waren gebogen. Stilletjes kroop de prinses op de huiden die eronder lagen. Kortgeleden lagen die nog opgerold op de rug van het paard van Aramis. Het vuur joeg Miramis, het paard van Goudenregen even schrik aan, maar toen hij zag dat de merrie er niets van maakte werd hij rustiger. Goudenregen was ook gespannen. Een nacht, alleen met een man. Ze slikte en hoorde Aramis door het struikgewas lopen op zoek naar eten. Ze had toch genoeg in haar zadeltas. Ze sloop door de nacht naar haar zadel dat naast de hoeven van Miramis lag. Ze trok haar zadeltassen los en smokkelde ze mee in het kamp. Hongerig en dorstig begon ze te eten en te drinken. Algauw waren de laatste beetjes op. Ze hoorde Aramis terugkomen.
-‘Prinses? Goed nieuws, een haas en wat wilde zuring, hoe klinkt dat?’, hij klonk opgewekt, blij met de goede vangst. Prinses Goudenregen antwoordde niet, beschaamd om haar wantrouwen in Aramis. Heel even had ze gedacht dat hij enkel voor hem op jacht ging. Al snel was de haas klaar. De prinses had nog steeds niets gezegd. De geur van de zuring vulde het onderkomen en Prinses Goudenregen kreeg weer honger, zoveel had er niet in de zadeltas gezeten. Ze kroop naar buiten en zette zich naast Aramis op een grote steen naast het vuur. Hij reikte haar wat vlees aan. Ze keek argwanend maar de geur was zo heerlijk dat ze het aannam en opat. Na een hele tijd en geen enkel woord was de haas op. Voldaan wandelde Aramis het onderkomen in. Goudenregen keek hem na.
‘Moet je de wacht niet houden?’
-‘Het vuur houdt de dieren op afstand.’
‘O.’
Ze haalde haar schouders op en ging zover mogelijk van hem weg zitten, zover het onderkomen haar toeliet. Ze deed haar ogen dicht en droomde.

De zon kroop zachtjes over de oogleden van zowel prinses als jager. Vermoeid stond Aramis op en rekte zich uit, hij raakte per ongeluk haar schouder aan terwijl hij zijn armen strekte. Snel schoot ze recht. Ze keek hem woedend aan omdat hij haar had wakker gemaakt, hij trok zich er niets van aan en wandelde naar buiten. Hij had geen hemd aan en de zon besloeg zijn gladde borst, die al wat gebruind was in de vroege zomerzon. Van schouders tot taille had zijn lichaam een V-vorm, Prinses Goudenregen keek haar ogen uit naar hem.
Hij draaide zich om naar haar, ze beschermde haar ogen met haar hand om hem te bekijken.
-‘Sorry dat ik u heb gewekt, prinses’, zei hij spottend.
Prinses Goudenregen ging van bewondering naar woede. Nu deed hij het weer! Het leek wel alsof hij het deed om haar waad te zien. Ze trok haar neus op. Dat ging ze hem dus mooi niet gunnen.
‘Het is niets, hoor, ik ging toch ook net opstaan.’
Hij keek naar beneden en lachte een beetje, haar plannetje doorziend. Ze stond op.
‘Ik ga me even verfrissen’, meldde ze en liep richting het geluid van een klaterend beekje.
Een paar meter verder schitterde de zon inderdaad op het kabbelend wateroppervlak. Aan het einde lag de bron. Heerlijk stil water, warm door de ochtendzon. Ze liet haar sandalen achter op de oever, trok haar jurk op en stapte het water in tot het tot aan haar knieën kwam. Nu werd de zoom van haar jurk nat, maar dat was het minste. Ze dompelde haar haar in het lichtblauwe water en vlechtte het opnieuw. Ze keek om naar de bossen. Daar, achter de linde, stond Aramis. Hij keek nog een seconde naar haar en rende snel terug naar het kamp. Hij was het al aan het opbreken. Waarom kwam hij naar daar? Om haar te zien? Om iets te zeggen? Ze probeerde terug uit de poel te komen maar op de oever schoof ze uit. Voordat ze helmaal in het water zou vallen klampte ze zich vast aan een klein stukje gras. Nu was ze helemaal doorweekt tot aan haar middel. Ze vloekte en schudde haar kleed uit. Ze stampte de oever op en met haar sandalen in haar hand. Woedend liep ze de open plek op. Alles was weer hoe ze het gevonden hadden. Aramis trapte de laatste as weg en gaf toen, zonder kijken de leidsels van Miramis aan Goudenregen. Toen hij opkeek en haar natte jurk zag, proestte hij het uit. De prinses werd er alleen maar knorriger om en sloeg hem plagerig met haar schoenen.
-‘Hé, prinses, het is niet omdat je van adel bent dat je gewone mensen mag slaan!’
‘Maar een vrouw mag wel een man slaan, indien die op haar zenuwen werkt!’, tierde ze.
-‘Kruip op je paard, prinses’, beval hij, ‘we hebben nog een lange reis te gaan.’
Ze kruiste koppig haar armen, keerde hem de rug toe en stak over haar schouder haar tong naar hem uit. Hij grinnikte en sprong op zijn paard. Ze volgende met tegenzin zijn voorbeeld.
‘Hoelang moeten we nog rijden?’
-‘Ik geloof, eerlijk waar, dat u, prinses, ooit zult leren genieten van onwetendheid.’
‘Daar geniet ik dus niet van! Net als ik niet geniet van het feit dat ik niet weet waarom je daar achter de linde stond toen ik in de bron was’, lichtte ze fijntjes toe. Hij slikte.
-‘Ik wilde mijn kleren komen wassen, ik ging net weggaan’, loog hij. Hij kon niet goed liegen.
Ze liet hem maar doen en liet haar paard Aramis volgen. Toen de zon al hoog aan de hemel stond hielden ze halt om te eten.
-‘Goed, nu hebben we het eten in je zadeltas nog’, zei hij en reikte naar de tassen aan weerszijden van de flanken van de witte hengst. Goudenregen ging er snel voorstaan.
‘Ik kijk wel even wat we nog hebben’, zei ze snel.
Aramis duwde haar opzij, de flap van de zadeltas was al omhoog voor Goudenregen iets kon zeggen.
-‘Ik was zeker dat we nog heel wat hadden!’
‘Ik had... honger’, aarzelde de prinses.
Aramis keek haar aan.
-‘Je had honger? Dit is je paleis niet, ik ben je bediende niet!’
‘Weet ik.’
-‘En daarbij... Wat?’
‘Ik zei: weet ik.’
-‘Dat is maar goed ook, want nu zul je moeten wachten tot vanavond voor we iets te eten hebben.’
Hij bleef extreem kalm. Prinses Goudenregen kreeg argwaan. Soepel sprong hij op zijn paard.
-‘Kom, ik wil nog zoveel mogelijk rijden.’
‘Wil je zo graag van me af?’
Hij antwoordde niet, keek strak voor zich uit en duwde lichtjes met zijn hakken in de flanken van het paard. De prinses volgde zijn voorbeeld en met een blos van schaamte reed ze stil en met gebogen hoofd achter hem aan. Toen de maan opkwam en het echt ondoenbaar werd om nog veilig te rijden vonden ze een schuine rots, die een perfect onderdak bood. Snel en bruut smeet Aramis alles onder de steen, een teken dat hij het gebrek aan eten zich toch echt wel had aangetrokken. De prinses schrok van de bruuske bewegingen. Anders had hij steeds zo vloeiend bewogen, alsof de ene handeling moeiteloos overvloeide in de andere.
-‘Ik ga jagen’, meldde hij droogjes, ‘probeer alsjeblief niets meer op te eten dat we nodig zouden kunnen hebben.’
Ze omarmde haar knieën en leunde tegen de steen. Goudenregen knikte kort.
Een hele tijd later kwam Aramis terug met alweer een haas en wat vossenbessen. Hij maakte een vuur en een spit en samen aten ze zwijgend. Pas toen de haas helemaal op was en hij het karkas ver weg had gegooid om de dieren niet naar hun onderkomen te leiden kwam Aramis een beetje los.
-‘Zo prinses, denk je niet dat je verloofde ongerust wordt?’
Ze snoof. ‘Officieel ben ik nog niet verloofd.’
-‘Wie is de gelukkige?’
‘Prins Filip van Hedenland.’ Ze sprak de naam vol afschuw uit. Alsof ze een rotte vrucht uitspuwde.
-‘Waarom vind je dat niet goed? Hij is rijk, knap waarschijnlijk ook...’
‘Ik beslis graag zelf over de bochten in mijn levensloop.’
-‘Raar.’
‘Hoezo?’
-‘Ik dacht altijd, dat prinsessen een prins wilden, maakt niet uit wie. Als ze maar getrouwd zouden zijn, zodat ze het grote paleis en de macht zouden erven.’
‘Wel, misschien ben ik wel geen prinses’, grapte ze. Maar hij bleef serieus kijken.
-‘Ik ga slapen. Zie je die donker wolken daar? Dat wordt warmteonweer.’
Prinses Goudenregen huiverde. Ze had een hekel aan onweer. Ze was bang voor de bliksem en het oorverdovende gedonder hielp daar niet bij. Die geur van vijlsel als de bliksem dichtbij insloeg, die metaalsmaak in je mond. Ze had het ooit van dichtbij meegemaakt. Toen haar vader was gestorven.
Aramis trok zijn hemd uit en legde het opnieuw over zich. Prinses Goudenregen trok haar knieën op en trok de laatste dierenhuid over zich heen. Met bange, open ogen keek ze naar de asgrauwe wolken boven haar hoofd. Stilletjes wiegelde een traan over de wang van de jonge prinses. Toen de eerste bliksemflits te zien was aan de nachtelijke hemel, heldergeel gemengd met een soort helder blauw, kon de prinses het niet helpen. Ze gilde. Aramis schoot meteen recht.
-‘Wat is er?’
‘De... de bliksem’, stotterde ze.
-‘Hier ben je veilig.’
Ze kon het niet helpen. De tranen stroomden plots over haar wangen. Als in een reflex legde Aramis zijn grote armen om haar heen en legde hij zijn kin op haar hoofd. Hij bleef haar sussen en tegen haar praten. Liet haar alle mooie kleuren in de bliksem zien en na een aantal uur lag ze te slapen op zijn brede schouders. Zo zat hij daar, bang om haar wakker te maken door een poging om haar met haar hoofd op de grond te leggen. Toen de zon weer opkwam en melkwitte wolkjes de staalblauwe lucht kleurden werd Goudenregen wakker. Ze schrok op, weg van de warme, blote schouder van Aramis, en raakte hem daarbij voluit in het gezicht, dat slaperig op haar hoofd had gelegen. Hij greep naar zijn neus.
‘Oh, gaat het, sorry ik... panikeerde.’
Hij liet hem al los en barste in lachen uit. De prinses voelde zich ongemakkelijk.
-‘Nu ga ik me als eerste opfrissen.’
‘Vind je het erg als ik meega, ik vind het niet fijn alleen te zijn.’
-‘Kom maar’, zei hij met enige tegenzin.
Hij bracht haar naar een kleine waterval. Daaronder lag een klein meertje. Aramis nam een aanloop vanuit de bomen en dook recht het helderblauwe water in. Hij kwam boven en schudde zijn haar uit. Prinses Goudenregen keek vanuit de schaduw van de eiken naast haar met open mond toe. Zijn schoonheid was ongekend. Ze vermande zich, trok haar jurk op, liet haar schoenen achter en liep lachend het meer in. Ze kon slechts gaan tot kniehoog water, anders zou haar jurk urenlang moeten drogen. Aramis pletste water naar haar. Snel bewoog ze weg van het koude water.
-‘Wel prinses, bang van water?’ Hij bleef water naar haar toe gooien, luid lachend.
‘Hou op!’, gilde ze uit en veegde water met haar handen in zijn richting.
-‘Als je er nu een helaal in zou komen, dan is het niet meer koud!’
Dus zo zat dat?
‘Dan zal mijn jurk uren moeten drogen.’
Aramis kwam uit het diepe water naar haar gelopen, als een jonge triton die herrijst uit de zee, de zon belichte zijn donkere krullen.
-‘Zolang kunnen we hier nog wel blijven’, zei hij rustig, zijn groene ogen boorden zich in de hare
Prinses Goudenregen nam diep adem, maar aramis liet niet op zich wachten en trok haar bruut het diepe water in. Ze ging helemaal kopje onder en kwam lachend boven.
‘Nu kan je me zeker een jurk kopen!’, plaagde ze.
Ze zwommen nog even rond toen Aramis op de oever kroop. Hij draaide zich om en strekte zijn hand uit om de prinses uit het water te helpen. Ze keek hem speels aan.
‘Wel, wel, kijk wie er manieren heeft ontwikkeld, en dat op slechts anderhalve dag, ik ben onder de indruk, jager!’
-‘Ik kan je ook zo weer laten vallen hoor, uwe hoogheid’, meldde hij droogjes toen ze haar hand in de zijne had gelegd. Hij trok haar op de oever met zo’n onverwachte beweging dat ze tegen hem botste. Ze landde recht op zijn gladde borstkas. Hij duwde haar zachtjes van zich af. Ze keek omhoog, hun neuzen slechts een centimeter van elkaar en het ene paar pupillen aan het andere gekluisterd. Zijn handen lagen op haar wangen. De prinses boog haar hoofd als eerste weer naar de grond en stapte weg van hem. Samen keken ze naar hun voeten. Aramis verbrak als eerste de stilte.
-‘Wel, laten we die jurk van je maar even drogen hé.’
Hij ging liggen in het lange gras, de zon op zijn gezicht, nog steeds zonder hemd. Ze ging naast hem liggen, met zo min mogelijk ruimte tussen haar arm en de zijne.
-‘Hoe komt het, dat je zo bang bent van bliksem?’
‘Mijn vader is eraan gestorven, ik was erbij.’
-‘Het spijt me.’
‘Ik moet je bedanken.’
-‘Waarom?’
‘Om me te beschermen, dat was... vriendelijk van je.’
-‘Weet je nog wat er is gebeurd? Je leek zo overstuur’, zei hij.
‘Niet alles, maar dat kan ik nog helder voor me zien.’
-‘Je bent nog zo slecht niet, prinses.’
‘Dat neem ik op als een compliment.’
-‘Ik zou niet anders willen.’
De prinses lachte.
‘Wanneer denk je dat we zullen aankomen in het paleis?’
-‘Over een dag of acht.’ Hij keek naar beneden en plukte gras uit de grond.
‘Vertel me eens over jezelf. Ik weet helemaal niets van je.’
-‘Ik leef in het dorpje Primrosa, een klein dorpje dat leeft van landbouw en jacht. Ik ben zeventien jaar oud, hou van alles in de natuur. Mijn ouders zijn beiden gestorven. En voor de rest heb ik zo weinig beleefd dat ik vanaf hier niets meer te vertellen heb. En jij, prinses?’
De zon scheen hard door de bomen.
‘Ik ben zestien jaar, heb ook mijn beide ouders verloren. Ik ben het beu dat iedereen van me verwacht dat ik ga trouwen met een man die me is aangewezen en ik haat jagen.’
Aramis lachte.
-‘Met wat voor iemand zou je dan wel willen trouwen?’
‘Met iemand die ervoor kan zorgen dat ik nooit op de troon geraak en gewoon het leven kan leven dat ik wil. Ik wil trouwen met iemand die me goed doet voelen. Die me laat zijn wie ik wil zijn.’
-‘Ben je nu wie je wil zijn?’
‘Bijna.’
-‘We zouden de stad in moeten voor proviand, we gaan straks door een gebied met weinig jachtwild.’
De prinses knikte. Ze stapten zwijgend op hun paard en stapten in de richting die Aramis had gewezen.
Tegen de middag kwamen ze op een stenen weg terecht die naar de markt van een stadje leidde. Op de markt staarde iedereen hen na. Een koopman gaf hen proviand voor drie dagen mee en nodigde hen uit op het bal, dat vanavond plaats zou vinden in de balzaal van het paleis van de stadhouder.
Zonder antwoord te geven waren ze vertrokken.
‘Gaan we Aramis?’
-‘Nee, absoluut niet!’
‘Waarom niet? Ik wil graag gaan!’
-‘Dan ga je maar alleen!’
Ze greep zijn arm en trok hem naar zich toe.
‘Kom nu mee!’
-‘Nee, daarbij, ik heb niets om aan te doen!’
‘Dan kopen we toch iets!’
Aramis wou nog protesteren maar Goudenregen was onvermurwbaar en trok hem mee naar de eerste de beste winkel. Al gauw hadden ze een jurk voor de prinses en een kostuum voor Aramis dat bestond uit een witte rijbroek, zijn eigen laarzen, die opgeblonken waren, een nieuw hemd en een aansluitende slipjas. Ze wandelden de hele dag rond in de stad en toen de avond viel kleedden ze zich om in de bossen, apart. Ze zouden elkaar ontmoeten in de balzaal. Aramis was als eerste klaar en reed met zijn merrie naar het paleis van de stadhouder. Daar aangekomen gaf hij zijn paard aan één van de jongens die het in de stal zette. Hij ging alvast naar binnen. De jager was overdonderd door bladgoud en krullen. Hij liep de gigantische trap af naar de houten vloer van de balzaal waar duizenden mensen al aan het dansen waren. Tien minuten later werden alle ogen gezogen naar een figuur bovenaan de trap. Aramis, die nog steeds op de laatste trede stond keek omhoog naar de vrouw. Haar donkerbruine haar viel in lange krullen over haar grasgroene jurk met kleine geborduurde bloemen, haar blauwe ogen keken nieuwsgierig de kamer rond. Prinses Goudenregen was adembenemend. Aramis stapte een trede naar boven en bood haar zijn arm aan. Hier en daar fluisterden enkele dames: ‘Dat is de prinses! Maar wie is die man?’
Prinses Goudenregen haakte haar arm in de zijne en stapte de dansvloer op. Fluisterend en roddelend ging de menigte uiteen voor de prinses en haar gezel. In het midden bleven ze staan. Aramis pakte haar bij haar middel, zij nam de hoek van haar kleed op en legde haar hand op zijn schouder. Samen sloegen ze hun andere hand in elkaar en ze walsten weg. Aramis leidde zijn prinses zelfzeker door de dans. Rondom hen begonnen andere paren ook weer te dansen en de kamer wervelde in een waas van kleuren en ingewikkelde passen.
‘Waar heb jij leren dansen?’
Aramis antwoordde niet, maar keek haar in de ogen. Goudenregen hapte naar adem. Nu ze zijn gezicht zo dicht bij haar had, kon ze hem in detail bekijken en hij was zo ongelooflijk mooi. Zijn grasgroene ogen hadden gouden stipjes. Toen een andere jongeman kwam om Goudenregen over te nemen, schudde Aramis zijn hoofd en samen zwierden ze rond door de balzaal. Veel mensen keken verbaasd naar het paar.
‘Aramis, iedereen is aan het kijken.’
-‘Niet iedereen, er zijn ook andere mensen aan het dansen.’
‘Nee, dat is het juist, ze zijn gestopt.’
-‘O.’
Hij deed moeite om zijn voeten stil te zetten. Uiteindelijk stonden ze stil in het midden van de balzaal. Nog geen seconde later mompelde Aramis iets onverstaanbaar en rende de trappen op naar buiten. De prinses nam zich voor hem niet te volgen, dat zou nog meer argwaan wekken bij de mensen, die stilaan weer begonnen te dansen. Goudenregen baande zich een weg door de wervelde menigte en haalde een glas wijn. Uitgeteld en draaierig leunde ze tegen de tafel, die bekleed was met een satijnen doek en frunnikte wat aan de stiksels die de kleine roze bloesems vormden. Al gauw kwam een oudere man naar de prinses toe.
-‘Excuseer, uwe hoogheid, ik ben Vergilius De Lano, de stadhouder.’
‘Ik groet u.’
-‘Die jongeman, was dat uw verloofde?’
De prinses dacht na. Eerlijkheid, dacht ze. Dat is niet het slimste maar wel het beste.
‘Neen, hij escorteert me naar het paleis.’
De stadhouder keek argwanend, maakte een diepe buiging en verliet haar even snel. Ze nam nog een glas wijn. Even later zag ze hem een andere man iets in het oor fluisteren. Ze kon het niet horen maar ze was zeker dat het over haar ging. Snel liep ze naar buiten. De kou van de nacht sloeg haar in het gezicht en ze liep de keurig gesnoeide tuin in, de kortste weg naar de lichtjes die de stallen verlichtten. Daar, leunend tegen de deur van de tijdelijke stal van haar witte paard, stond de jonge jager. Zijn slipjas sloot nauw aan en zijn bruine haar kwam onder zijn zwarte hoed uit, die hij meteen afnam.
-‘Het spijt me dat ik zolang met je heb rondgezwierd.’
Zelfs in het donker fonkelden zijn ogen nog.
‘Dat is niets’, antwoordde de prinses en keek naar beneden, een blos verscheen op haar wangen.
-‘Wat? Heb ik trouwens al gezegd dat die jurk je echt geweldig staat?’
Met elk woord dat hij zei, werden haar wangen roder.
-‘Wat?’, herhaalde hij.
‘Ik weet het niet.’
-‘Er is iets.’
‘Ja.’
-‘Wat dan?’
‘De stadhouder vroeg iets over je.’
-‘En wat zei je?’, fluisterde hij.
‘Dat je mijn reisgenoot was.’
-‘Dat ben ik toch ook?’
‘Je bent meer.’
-‘Hoe bedoel je?’
‘Niets, niets’, zei de prinses, ‘het is de wijn, denk ik.’
-‘Kom, dan gaan we.’
Aramis liep al naar de stal van Miramis, maar de prinses hield hem tegen en omarmde hem.
‘Bedankt dat je bent meegegaan, je danst erg goed.’
-‘Dat is vast en zeker de wijn!’, lachte de jager.
Hij wrong zich los uit de omhelzing en gaf de teugels van Miramis aan de prinses, pakte daarna zijn eigen paard en sprong soepel op haar rug. Goudenregen stond nog steeds verdwaasd naast Miramis.
-‘Stap op’, zei Aramis op vriendelijke toon.
‘Ik ben je prinses, ik wordt niet gecommandeerd!’
-‘Sorry, het was niet zo bedoeld.’
‘Ja, en dan! Jij bent maar een jager!’
Snel stapte ze op en racete naar de plak waar hij een onderkomen had gebouwd. Hij zette snel genoeg de achtervolging in, maar het jachtpaard kon de goed gespierde koninklijke hengst niet bijhouden.
Een paar minuten nadat de prinses in het kamp was aangekomen kwam ook de jager. Kwaad stapte hij af.
-‘Daarnet was ik nog veel meer en nu gewoon een jager!’
‘Nee, je was altijd gewoon een jager!’
-‘Wel dan hoop ik dat je ergens anders onderdak vindt op dit uur, want je blijft hier niet!’
‘Wat?’
-‘Ga weg!’
In woede maakte hij Miramis los en joeg het witte paard weg.
-‘Ga er dan achteraan! Ga weg!’
Woedend en zonder een woord te zeggen stampte de prinses weg, het struikgewas in.
Toen ze een laatste keer achterom keek zag ze Aramis daar zitten, woedend, met zijn hoofd in zijn handen. Ze vond een grote, lage boom waaronder ze kon slapen. Ze floot Miramis. Ze keek verder in de donkere nacht en ging onder de boom liggen, opgekruld en bang. Zelfs toen de witte hengst naar haar kwam, voelde ze zich nog steeds niet goed. Stilletjes bewogen tranen over haar wangen. Waarom had ze zo gereageerd? Hij had alles voor haar gedaan en zij had niets gedaan, hij had steeds voor eten en onderkomen gezorgd en zij? Stilletjes probeerde ze zichzelf in slaap te zingen. De donkere onweerwolken pakten bij elkaar boven haar hoofd. De eerste flits was akelig dichtbij. De prinses gilde en als in een reflex greep ze naar Miramis, klom op zijn rug en drukte haar kuiten in zijn flanken. Hij bracht haarnaar de open plek waar een vuur brandde en een gespierde jongeman te slapen lag. Aramis.
Ze sprong van de rug van het paard, dat meteen naar Aramis’ jachtpaard liep, en maakte hem wakker. Zijn groene ogen schitterden slaperig.
‘Sorry!’, riep ze en viel in zijn armen.
‘Ik ben zo bang! Ik wil bij je zijn.’
Hij nam haar vast en legde zijn hoofd het hare en streelde het. Hij suste haar, knuffelde haar en vertelde haar dingen die ze niet eens hoorde. Ze hoorde zijn stem, ze voelde zijn keel trillen wanneer hij sprak, ze lag er vlak tegen met haar oor. Een tijdje later viel ze in slaap in zijn armen. Vermoeid ging ook Aramis liggen, Goudenregens hoofd verschoof naar zijn borst. Hij deed zijn ogen toe en sliep.

FemkeRoosje

Berichten: 1530
Geregistreerd: 28-11-09
Woonplaats: Vianen

Re: [VER] Goudenregen

Link naar dit bericht Geplaatst: 13-06-10 15:11

Leuk verhaal!
Er zitten alleen wel wat typ foutjes in!
Hoop dat er snel een volgend stuk komt!

TheHorseInn
Berichten: 3092
Geregistreerd: 29-11-08

Re: [VER] Goudenregen

Link naar dit bericht Geplaatst: 13-06-10 19:33

WAUW! <3

Vind het errug mooi!

Hoop dat er snel een vervolg komt! :))

_Amber__
Berichten: 71
Geregistreerd: 06-04-09

Link naar dit bericht Geplaatst: 14-06-10 12:35

<3 Het is echt prachtig :D

tjitze

Berichten: 358
Geregistreerd: 23-08-08

Link naar dit bericht Geplaatst: 14-06-10 15:05

<3 _/-\o_

Wat een super verhaal!
Hoop dat er snel een nieuw stukje komt, want ik vond het jammer toen het was afgelopen... :))