Ik hoop dat ik door dit topic ook wat sneller doorschrijf en ik misschien wel een paar vaste lezers krijg. Wie weet...
Hier is in ieder geval het verhaal. Have fun.
Citaat:De elfenlegende
Ik keek uit het over het dak van de wereld. Wat was het hier prachtig. Alleen maar bergen, sneeuw en wolken. Geen mensen, geen dieren en geen magische wezens zoals ik. Voordat ik verder ga zal ik me eerst even voorstellen. Ik ben Areon. Een raszuivere vrouwelijke elf. Al kun je dat nu niet zo goed aan me zien. Een raszuivere elf draagt namelijk een wit gewaad met de meest ingewikkelde versieringen die je je maar kunt bedenken. Ik draag een effen rood gewaad zonder versieringen. Verder heb ik alleen een witte riem om waar mijn slinger en mijn dolk aan hangen. Ik ben als elf zijnde eigenlijk heel abnormaal gekleed. Maar dat heeft een reden. Ik ben namelijk op reis. Op reis naar het land met antwoorden. Ik zoek antwoorden op vragen die ik in mijn leven heb verzameld en waar ik geen antwoord op kan vinden in het land der elfen. Dat is het land waar ik altijd heb gewoond. Tot een half jaar geleden dan. Dat was het begin van een impulsieve reis naar het eind van de wereld. Tenminste dat is wat ik dacht. Maar in werkelijkheid was mijn lot al bezegeld bij mijn geboorte. Ik zal het je uitleggen. Het begon vlak voor mijn geboorte…
In het midden van een enorme witte elfenstad ergens in de heuvels, aan de voet van de bergen, stond een enorm bouwwerk. Het was drie keer zo hoog en minstens twintig keer zo groot als een normaal huis. Je kon zien dat er belangrijke mensen woonde. Er stonden namelijk niet alleen twee wachters voor de grote toegangsdeuren maar ook was het hele huis van buiten versierd met goud, zilver en edelstenen in alle kleuren die je je maar kunt bedenken. En er woonden dan ook belangrijke mensen. Namelijk koning Erano met zijn vrouw Elena. Samen regeerde zij het land der elfen. Op straat waren elfen met hun dagelijkse dingen bezig. Ineens bleven de elfen op straat staan om te luisteren. Het is maar goed dat elfen zulke goede oren hebben en aan de kant gingen want op dat moment kwam er een zwart paard door de straten denderen. Voor het huis van de koning remde de ruiter zo abrupt dat de wachters geschrokken op zij sprongen. De ruiter sprong van zijn paard en liep zonder pardon langs de nog geschrokken wachters naar de deur. Hij bonsde drie maal op de deur die daarna direct open vloog. De elfen op straat keken nieuwsgierig naar de ruiter. Hij een witte kap op zijn hoofd die hij omlaag liet glijden voordat hij door de deuren met zijn paard de binnenplaats op liep. Toen de deur was dicht gevallen gingen de verbaasde elfen op straat weer verder. Dit gold ook voor de mensen in het paleis van de koning.
Nog voordat de deuren in het slot vielen liep de koning de binnenplaats op. Om de blijkbaar voor hem bekende gast te ontvangen. De vreemdeling gaf zijn paard aan een van de bediende en schudde de koning de hand. ‘’Mijn beste professor Areman, jou heb ik net nodig’’ zei de koning opgelucht. ‘’Gegroet Koninklijke hoogheid. Ik heb groot nieuws voor u en uw vrouw.’’ ‘’Kom binnen, kom binnen. Mijn vrouw zit in de tuin aan de thee.’’ De twee elfen liepen het huis in waar ze uiteindelijk in een gezellige binnentuin uitkwamen waar een hoog zwangere elf zat. ‘’Gegroet, Koninklijke hoogheid’’ zei de elf en hij maakte een buiging. ‘’Ik kom heel belangrijk nieuws brengen.’’ ‘’Ga zitten mijn beste professor Areman’’ zei de koningin. Professor Areman ging zitten en keek nog steeds naar de beeldschone elf. Ze leek alleen maar mooier te worden naarmate de zwangerschap vorderde. Dat was juist wat hem angst aan joeg omdat het zijn vermoeden alleen maar bevestigde. ‘’Professor Areman….!’’ Hij schrok op uit zijn gepeins. ‘’Ik vroeg waarvoor u gekomen was.’’ Professor Areman zuchtte en zei toen tegen de koning en koningin ‘’ik ben gekomen om u te informeren over een voorspelling.’’ ‘’Een voorspelling?’’ De koning keek niet begrijpend. ‘’Ja, een voorspelling die ik heb gevonden in een van de oude geschriften in de bibliotheek. Hierin staat de voorspelling.’’ Hij haalde een stuk perkament uit zijn mantel en begon met voorlezen.
In het land der elfen,
waar het wit schittert als goud,
waar de liefde fonkelt als robijn,
word een kind geboren.
Een kind zo klein, zo teer,
Maar met een duivels lot.
Een kind dat nooit voldoening vindt.
Een kind dat altijd vragen heeft.
Een kind geboren in het jaar van de tegenslag.
Een kind geboren in het water der adel.
Maar een kind dat de weg der adelen niet zal bewandelen.
Een kind dat de wereld gaat redden,
maar daarin de dood zal vinden.
De koningin keek geschokt. ‘’Slaat deze voorspelling op ons kind?’’ vroeg ze met onvaste stem. ‘’Ik vrees het wel Koninklijke Hoogheid. Ook al is dit pas een deel van het gedicht.’’ ‘’Wat staat er verder dan in Professor Areman?’’ vroeg de koning nors. ‘’Dat weet ik nog niet Hoogheid. Ik ben bezig om de rest vanuit het oud-elfs te vertalen.’’ ‘’Ik wil weten wat er gaat gebeuren met mijn kind dus schiet op. De toon waarom de koning dit zei klonk zo dreigend dat professor Areman een beetje in elkaar kromp. ‘’Natuurlijk uwe Koninklijke Hoogheid. Ik zal langskomen als ik meer weet.’’ Na deze woorden stond hij op en liet na diep gebogen te hebben terug de binnenplaats op waar zijn paard al klaar stond. Hij gaf zijn paar de sporen en galoppeerde de binnenplaats af de straat op. Maar in plaats van bij het eind van het dorp te stoppen bij de bibliotheek reed hij door. De heuvels in. Hij reed over een stoffige zandweg met links en rechts heuvelland zo ver het oog reikt. Het paar begon te zweten en toen er in de verte een dorp opdoemde vertraagde hij het paard zodat hij rustig het dorp kon binnenrijden. In het dorp liepen ook magische wezens rond maar het waren beslist geef elfen. Ze leken op mensen. Maar dat waren het beslist niet. Ze hadden namelijk tussen hun ogen een heel klein horentje zitten. Bij vrouwen was deze van goud en bij mannen van zilver. Het horentje was bij kinderen wit en veranderde pas op latere leeftijd in blijvend goud of zilver. Ook hadden ze allemaal lang, wit haar dat besprenkeld leek met kleine glittertjes zo schitterde hun lange haar in de zon. Dit volk heetten de eenhoornrijders. Het was een klein volk dat hun naam te danken had aan Ripho ‘’de eenhoornrijder’’ Helfo. Hij was namelijk de eerste en enige die ooit een eenhoorn had bereden. Zijn nakomelingen die allemaal in dit dorp leefde waren naar hem vernoemd.
Professor Areman hield zijn paard in voor de brug die naar het dorp leiden. Hij sprong van zijn paard en bond het dier aan een van de palen van de brug waarna hij de brug over ging en het dorpsplein op liep. Het was een gezellig, rond plein dat helemaal omringt werd door bakstenen huisjes. In het midden stond een beeld van de eenhoorn met de eenhoornrijder op zijn rug. Professor Areman liep naar een huis aan de overkant van het plein. Hij pakte de deurklopper die bestond uit een eenhoorn met een ruiter en bonsde drie maal op de deur. Er bewoog een schim achter de ramen maar er werd niet open gedaan.
Hij reikte met zijn hand opnieuw naar de klopper, maar voordat hij hem vast had ging de deur een klein stukje open. Een man keek schuchter om het hoekje en toen hij professor Areman zag wilde hij de deur weer dichtdoen. Maar voordat hij daar de kans voor kreeg zette professor Areman zijn voet tussen de deur, waardoor de man geschrokken een stapje op zij deed. ‘’Waarom wil je me niet zien, mij beste Horfo?’’ ‘’Ik wil je wel zien maar niet met je praten Areman’’ zei de man in de deuropening. ‘’Ik snap wel waarom je niet met mij wilt praten, maar ik heb je hulp nodig.’’ ‘’Heb jij mijn hulp nodig?’’ De man keek hem ongelovig aan en deed daarna de deur verder open. Professor Areman stapte over de drempel de hal in waarna hij achter Horfo de gezellige woonkamer in liep. Het was een kleine kamer waar eigenlijk te veel spullen in een te kleine ruimte stonden. Iedereen zou wel iets hebben omgestoten maar professor Areman, die dit blijkbaar gewend was, manoeuvreerde zich tussen alles door om bij de haard in een grote fauteuil te gaan zitten. Horfo liep de kamer weer uit en kwam terug met een fles wijn en 2 glazen. Hij zette de glazen op tafel en schonk de wijn erin waarna hij ging zitten. ‘’Zo Areman je hebt mijn hulp nodig.’’ ‘’Ik vrees het wel ja.’’ ‘’En waarom zou ik jou mijn hulp aanbieden? Heb je een vergoeding?’’ ‘’Ik dacht wel dat je daar naar zou vragen en ik heb een vergoeding mee genomen.’’ ‘’Oh ka, waar is die vergoeding dan?’’ ‘’Hier.’’ Professor Areman haalde onder zijn mantel een klein buideltje vandaan. Hij maakte het open en keerde het boven de tafel om. Er ontstond op het tafeltje een stapel met gouden munten. Het lege buideltje legde hij naast de stapel munten en zei: ‘’ik denk dat het wel genoeg voor je is.’’ ‘’En of het genoeg is’’ zei Horfo met glunderende ogen. ‘’Dit is wel heel veel zeg. Is het dan zo moeilijk wat je van me wilt?’’ ‘’Niet alleen moeilijk maar ook gevaarlijk. Je moet namelijk een kind helpen.’’ Zij is uitverkoren om onze wereld te redden van de ondergang. Ze is nu nog jong maar over een jaar of 15 gaat het beginnen en moet jij haar begeleiden met een moeilijke tocht’’ ‘’Waarom zou ik dat kind moeten helpen? Het is zeker een elf. Je weet dat ik daar niets van moet.’’ ‘’Dat wee ik wel maar ik weet ook dat jij je voorvader wilt opvolgen. Je wilt de 2e zijn die op een eenhoorn kan rijden.’’ ‘’H-hoe weet je dat? Ik heb het altijd verzwegen.’’ ‘’Ik heb je bezig gezien, Horfo, in het bos en ik weet ook dat je sinds dat je kunt lopen je geobsedeerd bent van het berijden van een eenhoorn.’’ ‘’Dat klopt’’ zei Horfo niet zonder trots.
‘’En daarom wilde ik je vragen om haar op het begin van haar tocht te begeleiden op een eenhoorn.’’ ‘’Nou, goed dan. Ik zal haar helpen, maar dan wil ik wel al het goud dat op de tafel ligt.’’ ‘’Prima, daarvoor heb ik het meegenomen. Zullen we dan nu proosten op onze samenwerking.’’ Ze pakte hun glazen en na geproost te hebben namen ze een slok.
Nu zul je misschien denken dat Horfo de enige is die mij geholpen heeft, maar dat is niet zo. Meerdere mensen hebben mij geholpen. Vaak zonder dat ik dat door heb gehad en dat is allemaal geregeld door professor Areman. Als hij dat allemaal niet had geregeld had ik dit denk ik niet overleefd. Dit alles wist ik nog niet toen ik geboren was hoor en mijn ouders wisten er toen ook nog niets van. Pas toen ik 12 jaar oud gebeurde er dingen waar ik aan twijfelde.
Het was hoog zomer en ik was aan het spelen met de honden op de binnenplaats. De stalhulp kwam met de grote bruine hengst van mijn vader de stallen uit lopen en gaf het paard aan mijn vader die op het paard stapte. Ik wist niet wat mijn vader ging doen dus liep ik naar het paard toen en vroeg: ‘’pappa waar ga je heen? Mag ik mee? Ik wil ook een keer op jou paard rijden.’’ Mijn vader lachte en zei: ‘’deze keer kan je niet mee. Ik heb een afspraak met professor Areman. Hij wilde me spreken over jou voorsp.. uhh….. ik bedoel over jou opvoeding.’’ ‘’Oh, maar mag ik dan niet mee? Het gaat toch over mij?’’ ‘’Het gaat wel over jou maar je mag deze keer niet mee. Misschien een volgende keer.’’ Na deze woorden liep ik beteuterd de stallen in en ging op een strobaal zitten. ‘’Waarom mocht ik nou niet mee. Heel flauw.’’ Toen bedacht ik me dat ik er ook achter aan kon rijden. Ik liep naar de box helemaal achter aan. Daar stond mij mooie zwarte pony. Ik zadelde hem snel op en leidde hem de stallen uit, de poort door. Op straat stapte ik op, gaf mijn paard de sporen en reed in de richting waarin mijn vader was verdwenen.
Na een klein half uurtje reed ik dwars door het boeren land en in de verte zag ik mijn vader rijden. Hij was al langs de akkers van de boeren en reed nu tussen de akkers van de monniken door. Ik kon hem nooit meer inhalen. Maar toen herinnerde ik me dat als ik net na de boeren akkers rechts het bos in ging ik een stuk kon afsnijden. Ik stuurde mijn pony behendig tussen de akkers door en reed een klein pad op dat door het bos liep. Gelukkig had ik veel les gehad en kon ik goed paardrijden, want het was een bochtige weg waarop omgevallen bomen lagen en kleine riviertjes overheen stroomde. Ik reed zonder het tempo te verminderen door de beekjes en sprong over bomen en takken. Op een gegeven moment werd het iets lichter en zag ik tussen de bomen het klooster. Ik reed door het bos uit tot ik bij de poort uitkwam die toegang gaf tot de oude kloostertuin. Deze was niet meer in gebruik dus stapte ik af, maakte de poort open en liep samen met mijn pony de kale, verdorde tuin in. Het zag er maar troosteloos uit zeg. Alles was verdord. Hier was jaren niks meer aan gedaan. Ik bond mijn pony aan een paaltje en liep verder tot onder aan het klooster. Ik wist niet waar mijn vader had afgesproken met professor. Daarom liep ik maar door achter het klooster langs. Daar was de nieuwe kloostertuin. Maar er waren geen monniken aan het werk. Die waren allemaal op de akkers.Het was een monnik. Hij liep naar me toe en maakte een buiging. ‘’Gegroet prinses. Uw vader, de koning, is hier ook.’’ Ik was een beetje verbaasd door zijn officiële woordenkeuze. Maar hier kon ik gebruik van maken. ‘’Goeden dag. Ik ben op zoek naar mijn vader. Waar is hij?’’ ‘’Hij is bij professor Areman. Ik zal u er wel heen brengen Koninklijke Hoogheid.’’ ‘’Dat hoeft niet. Als u me zegt waar het is loop ik er zelf wel heen.’’ ‘’Wat u wilt Koninklijke Hoogheid. Als u hier rechts de deur door loopt komt u in een lage gang. De derde deur links is de bibliotheek. Daar zijn professor Aremand en uw vader.’’ ‘’Hartelijk dank.’’ Ik liep naar de deur toe en duwde deze open. ‘’Maar wat ga ik doen? Ik kan toch niet zomaar binnen komen lopen. Ik mocht niet mee van mijn vader.’’ Toch liep ik naar de deur maar in plaats van naar binnen te gaan legde ik mijn oor tegen de deur. ‘’…mag ze niet weten’’ hoorde ik de stem van professor Areman zeggen. ‘’Maar ze moet het wel weten voordat het gebeurd.’’ ‘’Ik weet het ook niet precies Koninklijke Hoogheid. In de voorspelling staat daar niets over. Maar ik zal hem even voorlezen.’’
Zij die de wereld redt.
Zij die op al haar vragen antwoord wil.
Zij die twaalf lentes oud is.
Zij zal het lot volgen.
Haar reis zal beginnen,
Op de dag dat zon, maan en aarde,
Op dezelfde lijn staan.
Zij zal vertrekken,
In het holst van de nacht.
Niemand die haar ziet.
Niemand die haar hoort.
Maar iemand zal haar volgen.
In het holst van de nacht.
Een schim, die haar angst aanjaagd.
Maar haar leven zal redden.
Voor haar reis begint,
Zal haar moeder veranderen.
Zij die schoner werd,
Bij het dragen van het kind.
Zij zal veranderen.
Veranderen in het monster,
Dat angst en verderf zaait.
Overal in het land.
Mijn vader had stil zitten luisteren. Ik hoorde hem niet. Maar toen zei hij: ‘’is dit alles?’’ ‘’Dit is nog niet alles Koninklijke Hoogheid, maar de geschriften zijn zeer oud en zijn zeer moeilijk leesbaar. Ik doe mijn best maar ik weet niet of het zal lukken.’’ ‘’Maar Areman, mijn vrouw zou Areon nooit aanvallen. Het is haar bloedeigen dochter en mijn vrouw die zo lief en……’’ ‘’Het ging over mij dacht ik met een schok.’’ Toen sprak professor Areman weer: ‘’Na wat ik aan het uiterlijk van uw vrouw heb gezien lijkt het me van wel. Het spijt me heel erg Koninklijke Hoogheid. Het enige wat u kunt doen is uw vrouw en dochter goed in de gaten houden.’’
Ik had genoeg gehoord. Hoe heb ik mijn moeder ooit kunnen vertrouwen. Maar nu wist ik tenminste wie ze werkelijk was. Een monster. Ik liep de universiteit uit, terug naar mijn lieve pony. ‘’Waarom heb ik mijn moeder ooit vertrouwd? Waarom is zij een monster? Wat bedoelt de voorspelling precies?’’ Er waren te veel vragen. Mijn hoofd was te vol. MiHij stond rustig op wat dorre sprietjes te kauwen, maar toen ik kwam aanlopen keek hij op. Ik haalde de teugels van de paal en leidde hem door het poortje. Ik stapte op en gaf hem de sporen. ‘’Ik moet snel naar huis anders merkt mijn vader dat ik hem gevolgd ben en dan zwaait er wat.’’
Ik reed door het bos, langs de akkers, het dorp in naar het paleis. Ik reed om het paleis heen en ging via de achteringang naar binnen. Hopelijk had niemand gemerkt dat ik weg was.
Er zat een klein muurtje om de achtertuin. Het was hoogstens 70cm hoog. Het was de enige manier om redelijk ongezien naar binnen te gaan. Alleen zat er geen hekje. Dus moest ik dit muurtje samen met Aver springen. Ik reed er vol goede moed op af, maar net voordat ik over het muurtje wilde springen rende een bediende naar buiten. Aver schrok en maakte een noodstop voor het muurtje waardoor ik over zijn nek viel en aan de andere kant van het muurtje, voor de voeten van de bediende landde. Ze keek een beetje verbaasd naar mij en zei: ‘’ik maakte me zorgen prinses, ik wist niet waar u was. Het spijt me dat ik u zo liet schrikken, maar laat ik u eest even helpen opstaan.´´ Ze pakte me bij mijn arm en zette me weer op mijn voeten. ´´Ik zal uw pony even pakken en via de normale weg naar stal leiden. Waarom wilde u eigenlijk over dit muurtje springen?´´ ´´Ik..uhh…..ik wilde kijken of ik ook over een wat hoger muurtje kon springen. Ik heb eigenlijk alleen maar over lagere hindernissen gesprongen.´´ Gelukkig zeg. Ze had nikst door. `´Maar had dat dan gezegd prinses, dan had ik u kunnen helpen. Stap nog maar een keer op, dan zal ik je bij deze sprong helpen.´´ Ik klom over het muurtje en stapte op Aver. De bediende pakte een paar rechte takken en legde ze voor de sprong. ´´Zo kunt u de afstand wat beter inschatten prinsen. Als een vanaf daar aan komt rijden.´´ Ze wees naar pad dat in een bochtje naar de muur liep. Ik reed er rustig naar toe en draaide aan het eind om. ´´Oke, galoppeer nu rustig aan en zorg dat je in het midden van de takken blijft.´´ Ik galoppeerde aan en reed op de sprong af. Eerst recht over de takken en sprong toen over het muurtje, waarna ik tot stilstand kwam in de tuin. ´´Dat was een perfecte sprong prinses. Heel goed gedaan. Wilt u nog een keer?´´ ´´Nee bedankt. Ik wil mijn pony niet te veel vermoeien.´´ ´´Hij ziet er inderdaad moe uit zeg. Wat hebt u allemaal gedaan?´´ ‘’Gedaan? Oh, gewoon wat rondgereden.’’ ‘’Dan is het goed. Zal ik uw pony op stal zetten?’’ ‘’Nee, dat doe ik wel.’’ Na deze woorden stapte ik af en liep naar de stallen toe. Ik leidde mijn paard de stal in, zadelde hem af en liep naar het paleis. Daar zag ik mijn moeder in de studeerkamer zitten. Maar ik bedacht me dat ik haar niet meer als moeder moest zien maar als vijand. Dus in plaats van de studeerkamer in te lopen om met mijn moeder thee te gaan drinken liep ik de marmeren trap naar mijn slaapkamer. Daar ging ik aan mijn bureau zitten. Ik pakte een stuk perkament en een ganzenveer met een potje inkt en begon te schrijven.
Het werd een hele lijst met vragen waar ik geen antwoord op had. Ook had ik de voorspelling, in ieder geval het deel dat ik nog onthouden had, opgeschreven. Toen ik klaar was vouwde in het perkament op en stopte het in een leren zakje dat ik met een touwtje om mijn hals hing. Ik moest nog meer doen. Namelijk voorbereidingen voor mijn reis treffen. En mijn vader……wat zal hij wel niet denken als hij hoort dat ik hem achterna ben gegaan. Misschien krijgt hij het nooit te horen. Daar hoopte ik maar op want ik zou mijn vader heel veel pijn doen als hij het wist.
Drie dagen later had ik al heel wat voorbereidingen getroffen. Ik had natuurlijk nog steeds mijn aantekeningen in het buideltje zitten dat om mijn nek hangt, maar ik had ook alvast een zak met een mes, wat gedroogd voedsel, wat kleren en een ganzenveer, inkt en perkament. Nu moest ik nog een kaart hebben. Ik wilde namelijk zo snel mogelijk weg van mijn moeder.
De volgende dag zaten mijn vader en moeder in de tuin te eten. Nu kon ik ongemerkt een kaart een kaart uit de studeerkamer pakken. Ik liep door de gang en hoopte dat mijn ouders me niet zouden ontdekken. Op mijn tenen sloop ik de studeerkamer in. De kaarten lagen in de achterste kast. Maar er lagen zo veel kaarten. Welke had ik nodig? Ik schoof wat kaarten opzij en toen zag ik iets vreemds liggen. Het was een klein kistje. Ik pakte het voorzichtig op en maakte het open. Het was van binnen bekleed met paars zijde. En er lag iets vreemds in. Het was een zilveren ster met ingelegde diamanten. Ik nam het in mijn hand. Het was volgens mij echt zilver want het was redelijk zwaar in verhouding tot zijn gewicht. De ster schitterde toen ik er een zonnestraal op liet vallen. De weerkaatsing in het zilver en de diamanten was nergens anders mee te vergelijken. Het was schitterend. Maar toen bedacht ik me dat ik daar niet voor gekomen was. Ik moest een kaart hebben. Ik zette het kistje weer terug ik de kast en ging verder met zoeken naar een goede kaart. Daar zag ik een kaart van het elfenland. Maar als ik nou verder zou reizen? Dan had ik niks aan deze kaart. Ik moest een kaart hebben waar niet alleen het elfenland maar ook alle omringende landen opstonden. Dus legde ik deze kaart terug en pakte een andere. Op de kaart stond: ‘’elfenland en omringende landen.’’ Die moest ik hebben. Ik nam hem uit de kast en legde alles weer op zijn plek zodat het niet leek dat er een kaart weg was. Ik ging met de kaart naar mijn kamer en gelukkig zag ik niemand en hopelijk zag niemand mij. De kaart borg ik op in de zak waar de rest van de spullen ook aan zaten. Toen ging ik aan mijn bureau zitten om nog wat op de schrijven. Het waren vooral vragen waar ik geen antwoorden op had, maar ik had er ook nog opgeschreven wat ik moest doen voor ik op reis kon gaan. Ik moest nog meer dingen verzamelen en dan vooral informatie over mijn reis. Ik had vervoer nodig. Aver zou mijn trouwe reispartner worden. Verder mocht ik met niemand reizen. Dat kon nog wel eens heel gevaarlijk zijn. Diegene zou mij kunnen uithoren en dan alles aan de vijand vertellen. En die vijand was mijn moeder bedacht ik me voor de zoveelste keer met een schok. Dat mocht ik niet meer bedenken dus haalde ik het stukje perkament uit het buideltje en schreef ik er nog bij: de vijand is niets meer dan de vijand. Daarna borg ik het weer veilig op in het buideltje.
Mijn ouders zaten nog steeds in de tuin. Dus ik liep door naar de bibliotheek waar ik in een van de grote stoelen ging zitten om na te denken. Ik had al best veel spullen. Maar waar moest ik precies heen. Het enige dat ik wist was vluchten. Ik wil ergens anders heen ver van mijn m…… Ik herinnerde me gelukkig wat ik had opgeschreven en zei toen hardop: ‘’Ik wil ergens anders heen. Ver van mijn vijand.’’ Dat klonk in ieder geval beter. Maar ik moest toch ergens heen. Ik wist niet eens wat de voorspelling precies zei. Dus besloot ik om nogmaals naar boven te gaan en de kaart te bestuderen.
De kaart legde ik opengeslagen op mijn bed neer en bekeek waar ik heen kon vluchten. Ik pakte een ganzenveer en zette een stip waar ik nu was. Nu moest ik een veilige route kiezen, zodat niemand mij zag vluchten. Het beste kon ik dan naar het oosten rijden. Daar waren bergen die niet al te moeilijk begaanbaar waren, maar waar je je wel goed kon verstoppen. Het was maar een heel klein gebergte zag ik op de kaart dus daar kwam ik redelijk snel door heen. Op de kaart stonden ook paden getekend die snel naar de andere kant van het gebergte lijden. Dus koos ik een kort pad uit en zetten daar ook weer een stip op. Maar als ik vroeg in de ochtend zou vertrekken zou ik ’s avonds pas door de bergen zijn. Ik moest dus een slaapplek vinden aan de andere kant van het gebergte. Maar er waren geen dorpen aan de andere kant. Alleen wat kleine gehuchtjes waar wat boeren woonde. Daar kon ik vast wel een slaapplek vinden. Alleen zouden ze me vast herkennen. Dat moest ik dus niet doen. Waar kon ik dan slapen? Alle boeren zouden me herkennen als de prinses. Ik kon niet bij iemand slapen. Ik moest dus onder de sterrenhemel slapen. Dat leek me niet echt een fijn idee. Wie weet wat er kan gebeuren. Maar er konden nog veel ergere dingen gebeuren als ik hier bleef. Dus besloot ik toen toch maar om onder de sterrenhemel te gaan slapen. Ik moest niet in het open veld gaan slapen. Zo kon iedereen mij zien. Maar ook niet in het bos. Wie weet wat daar leefde. Ik kon het best aan de rand van het bos gaan slapen. Zo had ik bescherming in het open veld. Maar lag ik niet tussen de wilde dieren. Als ik toen wakker werd moest ik weer verder. Ik keek weer op de kaart waar ik heen kon. Het pad uit de bergen liep verder naar het oosten. Het was een redelijk recht pad dat door een paar dorpen liep. Wel zou ik daar snel gezien worden. Het was een heuvellandschap maar er was verder geen bos meer in de buurt. En wat als ik in de dorpen was? Zouden ze me herkennen? Of zouden ze niet weten wie ik was? Ik moest maar hopen dat de boeren mij niet herkende. Ik kon ook om de dorpen heen rijden. Zo zou ik de minste mensen tegenkomen en liep ik het minste gevaar. Ik zette dus een stip op het pad en zette een pijltje rond de dorpen die ik tegenkwam. Toen zag ik dat er een rivier was. Er was geen brug op de kaart te zien. Hoe moest ik daar nou weer overheen. Aan de overkant van de rivier had de kaart in een keer een andere kleur. Dat was waarschijnlijk een ander land. Dan moest ik ongezien de rivier over zien te komen. Misschien kon ik er wel door heen. In ieder geval kon ik mijn reis niet verder plannen. Ik borg alles op en nam het mee naar beneden. Maar nog voordat ik helemaal beneden was hoorde ik een enorme herrie op de binnenplaats. Paardenhoeven roffelden, mensen schreeuwden en er vielen dingen om. Ik vloog de trap af en rede door de buitendeur naar de binnenplaats. Daar zag ik een enorme chaos. Alle paarden rende in paniek over het erf. Bediendes probeerde ze bij elkaar te drijven en rende met touwen heen en weer tussen de paarden. Mijn vader stond bij de stallen en stuurde mensen aan om de paarden zo snel mogelijk te vangen. Ik stond nog helemaal verbaasd naar het schouwspel te kijken toen de deuren naar de straat open vlogen. Hierdoor ontstond er een nog grotere chaos. De paarden rende naar door de deuren de straat op. Toen zag ik mijn pony. Hij rende in paniek recht op me af. Gelukkig had hij nog niet gezien dat de deuren open waren. Ik zette een stap opzij om mijn pony door te laten en toen hij bij me was greep ik hem bij zijn manen. Hij sleurde me mee de voordeur door waar ik nog steeds voor stond, het huis in. In de snelheid had ik mijn been over zijn rug kunnen slaan en we galoppeerde nu als een dolle door het huis richting de galerij die uitkwam op de achtertuin. Ineens wist ik het. Nu kon ik vluchten. Ik had de tas met spullen voor mijn reis om mijn schouder en ik had mijn pony. Niemand die me zag. Zo kon ik vluchten. Toen galoppeerde Aver de achtertuin in, dwars door de moestuin naar het muurtje. Nu niet twijfelen dacht ik en Aver dacht volgens mij hetzelfde. Hij zette af en we zweefde over het muurtje. Toen we net aan de andere kant van het muurtje geland waren en Aver door galoppeerde, hoorde ik achter me geschreeuw. Het was mijn vader die riep: ''pas op! Haal die paarden nu direct uit mijn huis!'' De rest van de paarden hadden blijkbaar Aver's voorbeeld gevolgd en waren door de deuren het huis binnen gerend. Ze moesten niet achter ons aankomen. Dan zou mijn plan helemaal mislukken. Ik keek snel achterom en zag dat de achterdeuren naar de tuin gesloten werden. De paarden waren gevangen en ik kon vluchten. Aver galoppeerde door over een pad dat naar het zuiden leiden, maar ik moest naar de bergen in het oosten. Hij had geen hoofdstel of zadel en het enige war ik me aan kon vasthouden waren zijn manen. Alleen het probleem was dat daar niet mee te sturen viel. Gelukkig was daar een rivier. Ik zag zo snel geen brug dus Aver zou daar wel moeten stoppen. Het was ook te breed om over heen te springen. En ik kreeg gelijk. We kwamen met een noodstop voor de waterkant terecht. Door de klap lande ik op zijn nek en liet me er toen afgeleiden. Nadat ik was opgestaan greep ik Aver bij zijn manen. Wat moest ik nu. Ik stond hier met een pony zonder hoofdstel en ik wilde op reis. Misschien was dit hele plan toch niet zo’n goed idee. Wat moest ik nu? Ik was nog maar een kind. Ik voelde me eigenlijk heel eenzaam. Er was niemand die mij kon helpen. Maar ik moest sterk zijn. Ik kon dit best zelf. Terwijl ik Aver bij zijn manen vast hield haalde ik uit mijn tas een touw. Hier kon ik wel een hoofdstel van maken. Ik legde het om het hoofd en toen bond ik het om de neus. De stukken die ik aan beide kanten over had kon ik als teugels gebruiken. Dus ik bond ze aan elkaar en sloeg ze over de nek. Maar nu had ik nog geen zadel. Ik kon wel zonder zadel rijden maar het leek me toch prettiger om een zadel te hebben. Daar moest ik nog een oplossing op bedenken. Ik keek dus nogmaals in mijn tas. En het enige bruikbare dat ik zag was een grote deken. Eerst sneed ik er een reep stof af. Dat kon ik om het touw rond de buik doen. Dat zou minder schuren. Toen legde ik de deken over Aver’s rug. Het touw legde ik boven op de deken en haalde deze onder de buik door waar ik de reep stof erom heen draaide. Ik legde er een stevige knoop in. Zo, nu had ik niet alleen een hoofdstel maar ook iets om op te zitten en ook al zaten er geen stijgbeugels aan het zou toch iets comfortabeler zitten. . Ik draaide Aver om en hees me op zijn rug. Mijn geïmproviseerde zadel zat nog best lekker. Ik klikte met mijn tong en we gingen weer op weg. We reden een stukje door het bos richting de plaats waar de heuvels over gingen in bergen. Vanaf daar zou mijn toch echt beginnen.
Ik was nog nooit alleen in de bergen geweest, omdat er volgens mijn vader allemaal vreemde en gevaarlijke wezens woonde. Zoals reuzen, trollen en aardmannen. Als we al door de bergen moesten was dat alleen om naar een tante te gaan die in de bergen woonde en dan werden we begeleid door een aantal lijfwachten.
In de schemering kwam ik aan bij de voet van de berg. Het leek wel of de bergen als een donkere massa over mij heen bogen en mij zouden verpletteren. Ik schrok toch wel een beetje. Waar was ik aan begonnen en vooral waar zou het eindigen. Er drupte een verdwaalde traan uit mijn oog die ik resoluut wegveegde. Ik moest nu niet zielig gaan doen. Ik moest sterk zijn. Ik zou nog wel wat langer voor mijzelf moeten zorgen. Ik vermande mij en stapte af. Ik zou onder aan de berg moeten blijven slapen, want het was al te donker om de bergen in te gaan. In de luwte van een groepje bomen zette ik Aver vast aan een tak en begon mijn spulletjes uit te pakken. De deken haalde ik van Aver’s rug en ging er op zitten. Daar kon ik vannacht wel onder slapen, maar eerst moest ik wat eten en drinken. Mijn eten bestond uit wat gedroogd fruit en het laatste restje brood van thuis. ‘’Thuis, wat klonk dat al ver weg.’’ Na het kleine beetje eten dronk ik wat uit de drinkfles gevuld met wat water uit de beek. Ik rolde mij in mijn deken en settelde mij tegen de boom. Dit was mijn eerste nacht onder de sterren. Ik ging op mijn rug liggen en keek naar de prachtige sterrenhemel. Waar de sterren op mij neer keken en over mij zouden waken. Langzaam begon ik slaperig te worden en uiteindelijk viel ik in slaap.
Ik opende langzaam mijn ogen en besefte even niet waar ik was, maar na een paar seconde realiseerde ik me dat ik op de vlucht was en stond op. Ik voelde dat ik nog stijf was omdat ik op de grond had geslapen. Naast mij stond Aver nog steeds aan de tak vast. Zo te zien had hij een stuk beter geslapen. Ik was namelijk midden in de nacht een paar keer wakker geworden van onbekende geluiden. Ik moest blijven oppassen. De deken waar ik onder geslapen had legde ik weer over Aver’s rug en bond hem met het stuk touw weer vast.
maar dat is mijn mening heheh xD Voor de rest ga ik vlug weer verder lezen ik ben nieuwsgierig zijn op bokt meestal zulke standaard verhalen daar ben ik een beetje zat van dus ben erg nieuwsgierig hierna
:P
) al die kleine dingetjes herschrijven, maar ik ga eerst verder.