Met zijn hond naast zich zit hij tegen de muur. Mensen lopen gehaast langs, met handen vol tassen en hoofden vol lijstjes. Het geluid van zijn vingers op de snaren komt amper boven het drukke gebabbel uit. Slechts een enkeling lijkt zich af te vragen waar de muziek vandaan komt. Zweven de noten zomaar door de lucht?
Kijkend naar de mensen verzint hij hun levens. Drie dochters en een kat, pas getrouwd zonder meubels, uit elkaar maar toch nog vrienden. Zou niemand, al was het maar heel even, hem zien en zijn leven fantaseren?
Regen en wind deren hem niet. Koude maakt het lastig, ontstemde snaren, verstarde vingers. Warmte maak het moeilijk, altijd dorst, verschroeiende hitte. Maar spelen doet hij toch.
Soms herkent een gezicht de noten, draait zich naar hem toe en lacht. Aan het einde van het nummer volgt een eenmansapplaus.
De straat, de snaren, de mensen. Niet alles maar wel genoeg.