Hoofdstuk 1
Ik zie alleen maar zwart, of eigenlijk, ik denk dat ik zwart zie. Zo noemen mensen dat, als je tegen je oogleden aan kijkt. Maar eigenlijk kijk je niet. Je sluit je ogen, dan kijk je niet, toch? Je hebt je ogen dicht. Ja, dat is het. Ik heb mijn ogen dicht en zie niets.
Maar ik voel gewoon dat het mooi weer is, dat de lucht strak blauw is, dat het heerlijk naar boterbloempjes ruikt, dat de bijen rond mijn hoofd zoemen opzoek naar voedsel. Dat voel ik.
Ik hoor gewoon de jongens uit mijn klas naar de supermarkt gaan, hun pauze verspillen met zich stoerder voordoen dan ze eigenlijk zijn. Ik hoor ze terugkomen, schreeuwend.
Hoe hun kaken krakend de chips vermalen. Hoe ze de cola slurpend naar binnen gieten. Hoe ze wedstrijdjes houden wie het hardst kan boeren. Hoe de meisjes gilletjes slaken van afgrijzen. Stomme trienen.
En maar denken dat ze mooi zijn, knap zijn. Dat ze elke jongen met wat geknipper en kinderachtig gegiechel om hun vinger kunnen winden.
Ammenooitniet.
Daar lig ik dan.
Daar, in het gras.
Met mijn ogen dicht, terwijl ik alles voel en hoor.
Ik lig daar stil te liggen, terwijl de wereld om me heen verder draait. Terwijl de jongeren om me heen verder gaan met hun leven. Nutteloos, naïef, verder.
Terwijl het leven doorgaat, lig ik daar.
Nu moet je niet denken dat ik een een of andere luie puber ben. Een pukkelhoofd dat hele dagen met een zak chips voor de tv hangt. Een brutaal, onverschillig monster dat zich langzaamaan ontwikkelt tot een cholesterolpropje, zodra het bier mag drinken.
Nee, zo ben ik niet.
Terwijl de jongeren daar om me heen verder gaan met hun leven. Hun leven, die ze elk op hun eigen manier leven en het gras me in mijn rug prikt, op dat moment draaien mijn hersenen volle toeren. Ik denk aan hem.
Zijn gezicht, zijn haar, de vorm van zijn neus. Alles kan worden uitvergroot tot een duidelijke, scherpe foto. Een foto in mijn hoofd.
Gedachten, beelden, geluiden flitsen door mijn hoofd. Zijn geur, zijn blik.
Ik probeer alles gedetailleerd terug te brengen, de puzzelstukjes op de goede plek naast elkaar te leggen. Ik probeer alles samen te voegen tot een kloppende foto.
Het lukt niet goed. Ik ben bang dat ik hem zal vergeten. Ik voel een stekende pijn in mijn borst. Tranen wellen op. Larmes.
Terwijl ik aan hem denk, draait de wereld om me heen verder. En iedereen leeft zijn leven nog steeds op zijn eigen manier. Mijn leven bestaat uit denken, voetballen, denken, gek worden, papa.
Maar ik ben niet lui.
Nee, zo ben ik niet.
~
Als ik twee uur later wakker wordt, weet ik eerst niet waar ik ben. Verdwaast, nog half slapend, ga ik rechtop zitten. Ik wrijf in mijn ogen. Langzaam komt het vertrouwde beeld terug. Ik zit op het grasveldje voor de school. De school waar ik nu al zo’n vier jaar iedere dag weer heen fiets. De school waar ik mijn tijd verdoe met leren.
Zuchtend sta ik op. Ik trek mijn shirt recht. Langzaam wrijf ik over mijn wang. Het gras heeft afdrukken achtergelaten op mijn gezicht. oliebol.
Ik raap mijn tas op, gooi hem over mijn schouder en slenter richting de school. Geautomatiseerd loop ik linksom. Mijn onderbewustzijn dwingt me. Net zoals ik links moet schrijven, schieten, ademen. Het geeft me ruimte, hoe gek het ook klinkt.
De coniferenrijen bakenen het schoolplein af. Ik loop er tussen door. Een van de takken striemt in mijn gezicht.
Geweldig. Grassprietenafdrukken met coniferenstriemen in je gezicht. Wat een combinatie. De bel gaat. Nee!
Vanuit het niets komen honderden kinderen tevoorschijn. Ze verdringen zich schreeuwend, beukend, brullend voor de ingang van de school. Iedere keer weer twijfel ik of ik soms last heb van claustrofobie. De horde mensen om me heen benauwt me.
Ik probeer me zo goed en kwaad als het kan een weg door de mensen heen te banen. Om me heen hoor ik gekreun, gegil, gevloek.
Het deert me niet. Als ik maar weg ben, is de enige gedachte die door mijn hoofd dwaalt.
Twee minuten later kan ik opgelucht ademhalen.
~
‘Julian.’
Allemensen. Nog nooit van mijn leven heb ik zo’n mooi meisje gezien.
Ik zit op mijn stoel ergens halverwege het wiskundelokaal en adem de benauwde lucht in. Het maakt dat mijn adem stokt. Ik merk het niet eens. Ik zit daar maar en kijk ik naar haar. Naar het mooiste meisje dat ik ooit gezien heb.
‘Julian.’
Ik hoor mijn naam wel, maar het dringt niet tot me door.
Ik voel hoe mijn hart tekeer gaat. Wist je dat alles waar ‘te’ voor staat niet goed is?
Mijn hart gaat tekeer en ik weet dat het niet goed is.
‘Julian!’
Langzaamaan ontwaak ik uit mijn trance. Mijn trance, verstoord door een oude rokerige stem die mijn naam schreeuw-bromt.
‘Julian, kom eens hier.’ Meneer Dijkstra wijst naar zijn bureau.
Vragend kijk ik hem aan. Is het de bedoeling dat ìk naar hem toekom?
Alsof hij mijn gedachten kan lezen zegt hij: ‘Ja, jij daar. Hier komen.’
Ik sta met trillende knieën op. Wat gebeurt er? Heb ik iets gemist? Welke som moet ik doen?
Het antwoord op mijn laatste vraag zoek ik verwoed op het bord waar allerlei formules en getallen kriskras door elkaar gekalkt staan. Ik word er niet wijzer van.
Want oliebol, daar staat ze. Daar staat ze naast zijn bureau. Daar staat ze naast zijn bureau en ik kom dichterbij. Steeds dichterbij.
Vanaf mijn positie kan ik haar beter bekijken. Ze heeft lichtbruin, golvend haar. Blauwe, ondeugende ogen kijken me vanonder haar lokken recht aan. Ik verslik me. Hoestend en proestend probeer ik me voort te zetten, dichterbij. Steeds dichterbij.
Ik stop als ik vlakbij ben. Vlakbij en net ver genoeg. Piepend haal ik adem. Ik overweeg om naar links te kijken, naar haar. Ik waag het erop. Sluiks kijk ik om en resoluut kijk ik weer voor me. Al was het maar een seconde, het was net lang genoeg om te zien dat ze haar lach probeerde in te houden. oliebol. Toch was het ook kort genoeg om te zien dat haar blik niet minachtend was, eerder… Ja, hoe zeg je dat? Sexy? Ja. Haar blik was eerder sexy.
Bij het idee alleen al, voel ik mijn wangen rood worden. Zeer rood. oliebol.
‘Julian, mijn jongen.’ Meneer Dijkstra kijkt me glimlachend aan. Iedere seconde dat hij langer naar me kijkt, groeit zijn glimlach. Na zeven welgetelde seconden glimlacht hij naar me met een lach waar je gerust U tegen mag zeggen.
Ik voel me vreselijk ongemakkelijk.
‘Julian,’ begint meneer Dijkstra weer. ‘Jij bent een fijne knul, toch?’
Ik knik maar bijwijze van antwoord. Wat een vraag!
‘Mooi, dat is dan geregeld!’ Meneer Dijkstra wrijft zijn handen in elkaar alsof hem zijn favoriete kostje staat te wachten. Zijn ogen glimmen ondeugend.
Zenuwachtig pluk ik aan het boord van mijn T-shirt, nog steeds de aanwezigheid van het mooiste meisje dat ik ooit gezien heb links naast me voelend. Ik haal diep adem.
Recht mijn rug.
‘Wat is geregeld, meneer? Wat? Als ik vragen mag.’ Het komt er toch minder zelfverzekerd uit dan dat ik had gehoopt.
Meneer Dijkstra barst in lachen uit. Hij buldert. De tranen lopen hem over zijn wangen. De klas blijft doodstil. Waaronder ik en het mooiste meisje dat ik ooit gezien heb, natuurlijk.
O, wacht. oliebol. Zij is er ook nog!
Voorzichtig, heel voorzichtig doe ik een nieuwe poging. Ik draai mijn hoofd naar links. Pats!
Recht in het gezicht van Haar. Al mijn lichaamsdelen beginnen ongecontroleerd te trillen.
Ik begin steeds sneller te ademen. Mijn ogen schieten heen en weer over Haar lichaam. Ze blijven hangen bij haar gezicht. Haar ogen hebben een magnetische werking op me, geloof ik. Ik kan niets anders dan haar aanstaren. Mijn verstand verzet zich er tegen, schreeuwend om aandacht, maar mijn gevoel wint. Voor het eerst. Voor het eerst is mijn gevoel me de baas. En het voelt…goed.
Ergens in een verre werkelijkheid hoor ik hoe meneer Dijkstra langzaamaan bedaard.
Snel laat ik mijn blik opnieuw over Haar gezicht glijden. Mijn ogen ontmoeten de Hare. Ze sprankelen. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik slik. Als manier van begroeting knik ik kort naar haar. Hoe stom kun je zijn?
Ze glimlacht. Met Haar mond spelt ze geruisloos: ‘hoi’.
Mijn wangen worden rood. Ik vervloek ze.
Dan dendert de stem van meneer Dijkstra totaal onverwacht door het lokaal.
‘En nu uitgeflirt, kinders!’
Ik schrik me een ongeluk. Zij ook, zie ik. We kijken elkaar aan. Mijn maag maakt een sprongetje. Dan, precies op hetzelfde moment, barsten wíj in lachen uit. De rest van de klas volgt ons voorbeeld. Het maakt dat ik nog harder moet lachen. Ik hik. Ze kijkt me aan met vochtige ogen en weer schieten we in de lach. Ik klap dubbel en hap naar adem. Mijn buikspieren doen pijn. Maar ik vind het totaal niet erg.
Meneer Dijkstra slaat met zijn vuist op tafel.
‘En nu is het uit!’ buldert hij. ‘Ik probeer Julian alleen maar te vertellen dat hij bijles moet geven aan Florence, maar als jullie zo blijven ginnegappen, komen we nergens!’ Hij kijkt de klas woedend aan en lijkt zijn eigen lachbui te zijn vergeten.
‘Aan het werk jullie.’
De klas gehoorzaamt hem braaf. Een enkel meisje giechelt nog wat na.
‘En jullie.’ Meneer Dijkstra wijst naar mij en het mooiste meisje dat ik ooit gezien heb.
O nee; Florence.
‘Jullie mogen op de gang bijlessen.’
Florence en ik knikken.
‘Florence…’ Onhoorbaar laat ik haar naam over mijn tong rollen. ‘Florence…’ Ik kan bijna proeven hoe zoet ze is.
Ik loop richting de deur en kijk haar vragend aan. Zij kijkt vragend terug.
‘Kom je nog?’
‘Moet je je spullen niet meenemen?’
‘Natuurlijk, stom.’ Ik sla met mijn vlakke hand op mijn voorhoofd. Ik snel naar mijn tafel toe en veeg mijn spullen met één hand beweging mijn tas in. Als ik langs het bureau van meneer Dijkstra terugloop, waarschuwt hij me.
‘Doe het wel zachtjes, ja?’
Ik knik en draai me om. Florence staat afwachtend bij de deur.
‘O, en ook veilig begrepen?’ Meneer Dijkstra barst weer in lachen uit.
Ook deze keer blijft de klas verdacht stil.
~
‘Julian heet je, toch?’ Florence kijkt me met haar blauwe ogen enthousiast aan.
‘Ja, Julian. Ja, zo heet ik.’ Het komt er ietwat hakkelig uit, maar het is beter dan niets.
‘En jij dan?’ vervolg ik. ‘Jij heet Florence, of niet?’
Florence giechelt en knikt. Knap vind ik dat. Giechel-knikken. Florence’ haar beweegt om haar hoofd. Vol bewondering kijk ik ernaar. Het is geen bewegen. Dansen, zo kun je het beter noemen. Florence’ haar danst om haar hoofd. Weer zoiets knaps.
‘Hoe oud ben je?’
De vraag doet me even schrikken. Snel herstel ik me.
‘Zestien, zestien en een half. En jij?’
Florence grinnikt-knikt dit keer. ‘Zestien en driekwart.’
‘Echt? Wanneer ben je jarig dan?’
Haar antwoord verontrust me. oliebol. Zestien en driekwart. Dan is ze is ouder dan ik!
‘Drieëntwintig augustus. En jij, Juul?’
‘Juul?’ Het is eruit voor dat ik er erg in heb. Mijn adem stokt. Ik voel me duizelig worden.
Juul, Juul, Juul, Juul. Duizenden keren herhaald het verboden woord zich in mijn hoofd. Het verboden woord, dat verboden werd nadat hij er niet meer was.
‘Julian? Gaat het wel met je?’
Ik schud mijn hoofd. Vecht tegen de tranen. Larmes.
‘Julian?’
Ik buig voorover, met mijn hoofd tussen mijn knieën. Mijn duizeligheid wordt minder.
Juul, Juul, Juul, Juul. Vaag echoot het woord nog door mijn hoofd. Ik haal diep adem en ga rechtop zitten. Florence kijkt me ongerust aan.
‘Had ik,’ Florence dempt haar stem. ‘Had ik dat niet mogen zeggen, Julian?’
Ik knik zachtjes. oliebol! Weer zonder dat ik er erg in had!
‘Het spijt me.’
Ik kijk Florence aan. Haar ogen staan schuldig. Een pijnscheut schiet door mijn lichaam. Ik verpest ook echt alles.
‘Jij kunt het niet weten, Florence. Het is niet jouw schuld.’ Ik praat zachtjes.
‘Wie z’n schuld is het dan wel?’
Florence beseft niet wat ze vraagt, geloof ik.
‘Dat vertel ik nog wel eens, misschien.’ Ik leg de nadruk op misschien. Ik weet namelijk nu al dat ik dat nooit vertellen zal.
‘Dat is goed. Kom, we hebben het er niet meer over.’ Florence’ stem sterft weg als ze onder de tafel duikt.
Ik kijk naar haar rug. Ze heeft ranke schouders. Zou ze sporten?
Ze heeft een zwart T-shirt aan over haar strakke lichaam. Haar lichtbruine haar steekt erop af en glanst verleidelijk naar me. Ik moet me inhouden om niet over haar haar te strijken.
Florence komt weer boven met haar tas in haar handen.
‘Zo, Julian. De bedoeling is dus dat jij me bijles gaat geven.’ Haar hoofd is rood. Ze blaast een pluk haar uit haar gezicht.
Het lijkt wel alsof het nu pas tot me doordringt. Bijles. Ik. Florence. Wiskunde.
Even staar ik haar geschokt aan. Dan begin ik te lachen.
‘Natuurlijk. Komt voor elkaar, hoor!’
Florence kijkt me een seconde aan, legt haar hand op de mijne en zegt quasi streng:
‘maar alleen als het zachtjes en veilig kan!’
‘Akkoord, mevrouw.’
~
Mijn wekker wijst drie over elf aan; ik lig in bed. Ik ben belachelijk moe voor deze tijd.
Toch kan ik niet slapen. Ik moet steeds maar denken aan Florence. Aan haar haar. Haar ogen. Haar mond. Haar lach.
Ik knijp in mijn linkerhand en hoor het papiertje erin knisperen. Haar mobiele nummer staat erop. Eigenhandig geschreven. Ik verbaas me nog steeds over haar prachtige handschrift. Ik strijk met mijn duim zachtjes langs de randen van het briefje.
Morgen lijst ik het in.
En dan, met die gedachte, val ik toch nog in slaap.