LET OP. Niet zo geschikt voor jongere lezers
Dit gaat geen fanfiction van een ander boek/film worden, maar een heel nieuw verhaal met een vaker gebruikt onderwerp, dit omdat ik het geweldig vind om over vampiers en dat soort dingen te schrijven.
Proloog
Mijn voetstappen weergalmen in de gang terwijl ik wegren. Weg van de bedreiging die me volgt, weg van het moordzuchtige monster dat me achterna zit. De maan is verdwenen achter de dikke wolken en het enige licht in het steegje komt van een flakkerende lamp. Ik struikel en val met mijn hand in een gebroken bierflesje. Het bloed sijpelt langs mijn arm terwijl ik moeizaam op sta en door ren. Achter mij klinkt het zachte geruis van mijn achtervolger. Dan staat hij voor mij. Ik kijk in de zilvergrijze ogen en voel een rilling over mijn rug lopen. Met een ruk draai ik mij om en wil het steegje uitrennen.. Maar de weg is geblokkeerd. Weer de zilvergrijze ogen met de moordlustige blik. Nogmaals draai ik me om maar mijn achtervolger is sneller. Met een harde klap land ik tegen de muur en met pijn in mijn ribben blijf ik liggen. Het enige geluid wat ik hoor is het druppen van het bloed uit mijn hand op de vochtige straat stenen. Mijn achtervolger komt dichterbij en ik ruik de walm van dood en verderf die om hem heen hangt. Met langzame passen komt de man op mij af en ik voel een afschrikwekkende angst door mij heen gaan. Het lijkt of alle lucht om mij heen verkild en ik kijk omhoog naar zijn gezicht. De moordlustige blik in zijn zilvergrijze ogen is sterker geworden en ik huiver. Dan grijnst de man en zie ik dat hij een spiegelend wit gebit met angstaanjagend scherpe hoektanden heeft. Met een van angst verknepen stem vraag ik fluisterend: ‘Wie ben jij…’ De man komt dichterbij en hurkt voor me neer. Ik ruik de bittere lucht van oud bloed en lees de spot in de zilvergrijze ogen van de man. Mijn achtervolger grijnst zijn scherpe tanden bloot en met een schorre stem die duivels klinkt geeft hij mij zijn naam: ‘Alucard.’ Dan buigt mijn achtervolger zich over mij heen en ik voel een helse pijn in mijn hals. En dan, niets meer.
Hoofdstuk 1
Een glanzend zwarte mercedes rijd de oprit op en het grind knerpt onder de wielen. Het is het jaar 1980 in Italië, Napels. De golven slaan tegen de kustlijn en laten een nevel van zeewater over de tuin dalen. De auto remt en een knappe jonge vrouw met een lange wapperende jurk komt uit het huis gerend. De deur van de zwarte mercedes gaat open en er stapt een lange man uit met lichtblond haar en donkere ogen. De vrouw stopt enkele meters voor de man en kijkt hem glimlachend aan. Haar lichtgroene ogen stralen terwijl ze naar hem kijkt en met haar zachte melodieuze stem zegt ze: ‘Daniël, je bent eindelijk weer thuis.’ De lange knappe man glimlacht zijn perfect witte gebit bloot en stapt met uitgestrekte armen op de vrouw af. De vrouw rent op hem af en laat zich in de armen van de man vallen met een teder gebaar legt ze haar gezicht op zijn schouder en omhelst hem. ‘Ja, ik ben weer thuis.’ De man omhelst zijn vrouw en kust haar teder op de mond. Hand in hand beginnen ze naar het schitterende huis te lopen terwijl de frisse oceaanwind door hun blonde haar strijkt. ´Daniël, waar ben je geweest.’ De knappe man glimlacht naar zijn vrouw en kijkt haar vol liefde aan. ‘Dat doet er niet toe, ik ben weer terug.’ Het jonge echtpaar stapt het prachtige witte huis binnen en sluit de zware deur met zilver achter zich. Hun voetstappen klinken door de gang terwijl ze lachend door het huis lopen en praten over wat er de laatste maand is gebeurt. ‘Debore, het is goed om weer thuis te zijn.’ De slaapkamer deur word met een klap dichtgeslagen en de gordijnen worden gesloten.
Het is stil in de keuken, Debore ligt nog op bed en het is middernacht. De jonge knappe man loopt te ijsberen door zijn studeerkamer. De plafondhoge kasten langs de wanden staan vol met oude boeken en vreemde voorwerpen. De studeerkamer is zijn domein en niemand mag erin komen, zijn vrouw Debore niet, maar ook zijn bedienden die het grote huis schoonmaken zijn niet welkom in zijn kamer. Hier in deze kamer liggen zijn geheimen verborgen en worden de leden van de Libera Homines uitgenodigd. Een geheime gemeenschap die de mensen wil bevrijden van de vijand, moordlustige, bloeddrinkende onmensen die vele moorden hebben begaan en angst hebben gezaaid onder de mensheid. Daniël zucht en gaat aan zijn bureau zitten en pakt een boekwerk uit een van de laden. Met een ouderwetse ganzenveer begint hij in sierlijke letters te schrijven.
19-07-1980.
De reis naar Wales verliep soepel en er waren geen roddels geplaatst door de kranten en het nieuws. Dat was een opluchting voor ons, er zijn geen mensen meer in de wereld die van het bestaan van de bloeddrinkers afweten. Er zijn al 3 maanden geen nieuwe vijanden gesignaleerd en geen vermisten meer bij gekomen. Het begint in vergetelheid te raken en binnenkort kan de Libera Homines succesvol afgesloten worden. Het waren lange en zware jaren, veel van onze leden en voorvaderen zijn omgekomen bij het beschermen van de mensheid. Maar ook vele daders werden vermoord en verbrand. De vrijheid van de mensen is nabij, de tijd van de vampiers is over. We hebben gewonnen, zij hebben verloren. De laatste naar ons weten is verbrand in Engeland, Wales. We zijn veilig. Onze plicht is gedaan.
Met een gelukkige zucht klapt Daniël het boekwerk dicht en houd het in het licht van de kaarsen. Met een glimlach weet hij dat dit boek niet meer nodig is en laat het boek zakken. Al snel vatten de bladzijden vlam en hij gooit het boek in de openhaard. De vlammen worden groten en verteren het boek, al snel is er niets meer van over. Met een goed gevoel draait de jonge blonde man zich om en wil de kamer uitlopen. Dan slaat de schrik hem om zijn hart. Op de deur staat met bloederige letters een Latijnse tekst geschreven. Ego umbra ibo vitare et hoc modo mortem obire. Nomen mihi est ALUCARD.(*) Met een hart dat als een gek tekeer gaat begint hij te rennen naar de slaapkamer van Debore. Laat het niet Debore zijn, laat het alsjeblieft niet Debore zijn! Zijn voetstappen klinken luid op de trap terwijl hij zich naar boven haast. Met een kleine krachtinspanning gooit hij de zwarthouten deur naar de slaapkamer open en ziet hoe Debore verbaast op het bed zit. Het blonde haar van de jonge vrouw hangt omgekamd om haar gezicht en met een bezorgde uitdrukking in haar lichtgroene ogen vraagt ze aan Daniël: ‘Wat is er aan de hand?’
(* Ik zal als schim leven en op deze manier sterven. Mijn naam is Alucard.)
Tips zijn zeer gewenst



