Even een korte intro, ik schrijf zo nu en dan korte hondenverhalen voor diverse fora en hondenclubs. Ik probeer verhalen te schrijven over reddingen, dierenleed en mooie belevenissen om mensen bewust te maken van dierenwelzijn. Ik probeer de verhalen altijd goed af te laten lopen, maar soms weet ik nog niet hoe het afloopt. Dit verhaal is het eerste deel van een avontuur dat een hondje beleeft als hij met zijn broertje en zusje in een vuilniszak wordt gedumpt. Ik hoop dat men plezier beleeft aan mijn verhalen!
Er waait een zacht briesje over het kleine riviertje dat door de weilanden stroomt. Het maakt kleine rimpeltjes in het water en de waterlelies dobberen rustig heen en weer. Een groepje eenden strijkt neer en begint in het kroos te spetteren. De koeien grazen in het weiland en staan te herkauwen in de zon. Op het moment dat Emma 13 in het water stapt om wat te drinken en verkoeling te zoeken, botst er een grijze plastic vuilniszak tegen haar neus. Emma duwt er met haar neus tegenaan en vraagt zich helemaal niet af wat het ding in het water doet. Koeien denken daar namelijk niet over na. Emma maakt zich meer zorgen over de hitte van de zon die op haar rug schijnt. Een beetje afkoelen zou niet slecht zijn. Emma loopt verder het water in en duwt met haar buik, die inmiddels het wateroppervlakte reikt, tegen de zak. Langzaam drijft de zak verder, met de stroom mee, op het zachte briesje dat golfjes maakt in het water. Als Emma klaar is met drinken drijft de zak al bij de bocht die het riviertje maakt. Ze staart naar de zak, die een paar seconden later de bocht om verdwijnt.
Het is donker en warm. Mijn ogen willen niet open, ik ben moe. Ik probeer mijn stramme pootjes te strekken en merk dat ik tegen de zachte, warme lijven van mijn broertje en zusje aankom. Ik heb mijn ogen open maar het blijft donker en benauwt. Ik voel me licht in mijn hoofd en wil hoesten. Met mijn neus stoot ik in de zij van mijn grote broer. “Wordt wakker…” fluister ik. Er komt geen reactie. Ik probeer mijn zusje. Ze was al de kleinste van ons drieën en ik vind haar lief. Ze is schattig en ik speel heel graag met haar. “Zusje…. Ben je wakker?” zeg ik. Haar lieve gezicht komt omhoog. “Ik ben al een tijdje wakker, waar zijn we?” vraagt ze. Ik zeg dat ik het niet weet. Maar ik ben bang. De ruimte is vochtig, warm en klein. Ik besluit te stampen met mijn pootjes en te piepen. Het kost me veel energie en ik merk dat het steeds moeilijker word om lucht in mijn longen te zuigen. Nadat mijn zusje en ik een tijdje hebben geblaft en gepiept geven we het op. We krijgen geen piep meer uit onze keel en voelen ons moe. Al die tijd heeft mijn grote broer niet bewogen. Het maakt me bang.
Door de sluis waar het riviertje een kanaal instroomt, drijft een zak. Op het oog lijkt het een gewone zak met huisvuil. Misschien had iemand geen zin om de zak bij het vuil te zetten en is hij uit één van de huizen langs het riviertje erin gegooid. Misschien zat de container vol. We weten het niet. De zak lijkt een beetje te bewegen en misschien, als je goed luistert hoor je dat er een schor gepiep uit komt. De meeuw die naast de zak neerstrijkt op het water verbaasd zich erover. Hij tikt even met zijn snavel in de zak, in de hoop dat er misschien wat eetbaars inzit. De meeuw pikt en scheurt een stuk uit de zak. Het is geen grote scheur, maar net genoeg om wat water de zak in te laten lopen, en ons een hele kleine blik in de zak te laten werpen. Zie ik daar geen kleine, zachte hondenpoot?
Ik ben bang. Er wordt gepikt in de ruimte waar ik inzit. De scherpe snavel komt steeds dichterbij en raakt mijn zusje. Ze gilt. De snavel heeft haar kleine buik opengehaald en er stroomt bloed uit. Ze duwt haar neus in mijn nek en huilt zachtjes. Ik probeer haar te troosten. “Alles komt goed, ik beloof het je…” De snavel heeft een kleine opening in de ruimte gemaakt en ik besef me dat ik in een zak zit. De zak drijft op het water. Water. Door de opening stroomt het water naar binnen en ik voel paniek in mijn lichaam, maar tegelijk denk ik dat ik maar moet slapen. Net als mijn broer. Hij heeft al die tijd nog niet bewogen en zijn lichaam voelt koud aan. Het water sijpelt naar binnen, ik houd mijn oog voor het gat en probeer met mijn poot het water tegen te houden. Mijn zusje blijft huilen. Haar warme bloed vermengt zich met het koude water.
Tim en zijn vader vissen elk weekend in het kanaal. Nou ja, elk weekend… Als het mooi weer is zijn ze er te vinden. In het kanaal zwemmen de mooiste vissen, vind Tim. Zijn vader heeft vorige week een enorme snoek gevangen, vlakbij de sluis. Tim heeft met grote ogen naar het enorme geschubde beest staan kijken. De enge tanden in blinkende rijen heeft hem wat nachtjes slaap gekost. Stel je voor dat zo’n beest onder je bed ligt! In de emmer zwemmen nu een paar kleine voorntjes. Het is rustig, mooi weer en Tim en zijn vader kletsen wat over Lego. Misschien kunnen ze vanmiddag in de tuin hun Starwars-project afmaken. Zou mooi zijn. Tim kijkt in de richting van de sluis en ziet door het stromende water een, ja wat is het eigenlijk, een ding het kanaal ingeslingert worden wat er niet hoort. Nu stromen er wel vreemdere dingen in het kanaal, Tim en zijn vader hebben weleens een fiets, een keukenkast en een halve fauteuil in hun visdraad gehad, maar dit ding is anders. Het lijkt wel een opgeblazen, grijze klikozak.
De zak stroomt langzaam vol met water en ik voel dat ik nat en koud word. Mijn pootjes verstijven en mijn zusje is gestopt met huilen. Ik kan haar niet meer troosten. Ik houd mijn neus dicht bij de hare en voel geen warme adem. Ik por met mijn neus in haar zij. De wereld begint te draaien en ik heb het gevoel dat ik in een draaikolk zit. We vallen met zak en al, en ik weet niet waar naartoe. De zware lichamen van mijn broertje en zusje maken blauwe plekken in mijn lijf, ze botsen tegen me op terwijl het vallen maar door blijft gaan. Ik heb het benauwd, ik wil schreeuwen, maar er komt geen piep meer uit mijn mond. Het wordt zwart voor mijn ogen.
“Kijk pap, daar!” roept Tim. Hij wijst naar de zak en trek aan het shirt van zijn vader. “Dat is maar een zak” zegt hij. “Niks om je druk over te maken, Tim, mensen gooien nu eenmaal dingen in het water”. Tim voelt zich vreemd. De zak lijkt om hulp te schreeuwen en Tim begint een vreemde opwinding, die helemaal niet prettig is in zijn lichaam te voelen. “Nee pap, er is iets met die zak, we moeten hem opvissen.” Zijn vader voelt er niks voor. “Het is vast een zak met afval, Tim, maar als jij vindt dat we hem op moeten vissen, dan zullen we eens zien.” Met hun schepnet reikt papa naar de zak. Hij valt bijna in het water. Tim staat ernaast te trillen op zijn benen en roept, nee hij gilt bijna, Tim wilt wel schreeuwen, “Papa, pak alsjeblieft die zak!” Papa schept nog een keer en dan zit de zak in het net. De steel van het net buigt griezelig door, de zak is zwaar maar niet héél zwaar. Er zitten wel ronde bobbels in de zak en uit een scheur steekt een kleine poot. Als de zak op de oever ligt knielt Tim neer en begint de zak als een bezetene open te scheuren. In de zak liggen 3 kleine, bruine pups. Één pup knippert verbaasd met zijn ogen die al een tijdje geen zonlicht hebben gezien. Hij tilt zijn kop op en Tim ziet hoe de pup diep adem haalt. Tim en zijn vader kijken elkaar sprakeloos aan. Deze 3 kleine pups zijn weggegooid als huisvuil. In een klikozak.
Nastik
Berichten: 175
Geregistreerd: 08-01-09
Woonplaats: Tiel
Geplaatst door de TopicStarter: 05-02-10 18:50
Oei, jammer dat het niet echt gelezen wordt...
Ik wil graag de afloop plaatsen als daar behoefte aan is.