Verbaasd keek ik terug, en stak trillend mijn hand uit.
De wolf verroerde zich niet, en bleef me aanstaren.
Voorzichtig raakte ik haar poot aan, en zei zacht, Poot?
De wolf knikte, en tilde haar poot even op.
Ik begreep het niet. Hoe kende ze mijn taal? en waarom moest ik haar poot pakken?
Ze tilde haar poot nog een keer op, en bleef me doordringend aanstaren.
Met een vragend blik pakte ik haar poot.
De wolf knikte zachtjes, bijna onmerkelijk, en jankte zachtjes.
Toen begreep ik het, ze had een wond aan haar poot, en ze wilde dat ik haar hielp!
Voorzichtig pakte ik haar poot, en draaide hem een kwartslag om.
Wat ik zag was niet goed, een grote, ontstoken wond.
Ik trok een pijnlijk gezicht, en de wolf jankte ook even.
Voorzichtig stond ik op, en pakte een waterzak.
Verbaasd keek ik naar mijn kleren.
Hoe wist ik waar de waterzak zat?
Ik haalde mijn schouders op, en liep stapje voor stapje naar een klein stroompje, dat rechtstreeks
van de berg afkwam.
Smeltwater, wist ik. Boven op de berg lag hoogstwaarschijnlijk nog sneeuw.
Ik keen onzeker naar de wolf, bang dat ze dit niet zou toestaan.
De wolf deed niks, maar staarde me nog steeds aan.
Nu liep ik vastberaden naar het riviertje, en vulde mijn waterzak.
Toen ik terugliep naar de wolf, keek ik verbaasd op.
Naast de grijze wolf, zat nu een tweede wolf.
De wolf was een kop groter dan de wolf met de zere poot.
Waarschijnlijk was het dus een mannetje.
Het beest had een enorme kop, met grote felgele ogen.
Hij had een zwarte, warrige vacht, met grote, stevige poten.
Net als het vrouwtje, bleef hij mij aanstaren.
Behoedzaam kwam ik dichterbij, elke spier in mijn lijf gespannen.
Als het enorme beest uithaalde, kon ze nog wegspringen, hoopte ik.
De wolf gromde laag, vanuit zijn keel, maar keek niet dreigend, eerder waarschuwend.
Plotseling snapte ik het.
Ik kwam over als een roofdier, een bedreiging, als ik mij zo gedroeg!
Ik haalde diep adem, en zuchtte diep om totaal ontspannen te worden.
Ontspannen liep ik richting de 2 wolven.
Ik ging voor het vrouwtje zitten, en druppelde wat water over haar poot.
De wolf keek pijnlijk, maar bleef nog doodstil zitten.
Ze jankte zachtjes, en wilde aan haar poot likken.
Ik schudde mijn hoofd, en de wolf keek begrijpend.
Ik keek naar mijn kleren.
Misschien had ik een reepje zacht hertenhuid.
Wonder boven wonder vond ik het ook nog.
Ik herinnerde mij, dat honing genezend was.
Maar waar haalde je in November honing vandaan?
Ik zocht in mijn zakken, en vond een potje, bijna helemaal leeg.
In mijn achterhoofd vroeg ik me wel af, hoe ik hier aan kwam, maar omdat ik druk bezig was, dacht ik er niet meer aan.
Ik haalde met mijn vingers de honing uit de pot, en smeerde het over het de wond.
De wolf keek me vragend aan, maar leek het goed te vinden.
Ik wilde de huid eromheen doen, maar de wolf trok met angstige ogen haar poot terug.
Natuurlijk, bedacht ik me.
Ze kende dit niet, evenmin zoals ze mijn geur niet kende, en dus nog steeds wantrouwde.
Ik liet mijn hoofd hangen, om onderdanig te lijken.
De wolf maakte een zacht geluidje, en ik keek met vertrouwde ogen op.
De wolf knikte, haast onmerkbaar.
Ik keek haar dankbaar aan, en verbond de poot met de huid.
Ondertussen was de grote zwarte wolf verdwenen.
Ik lette er niet op, ik was geconcentreerd.
Ondertussen begon mijn maag te rommelen.
Ik had nog niks gegeten.
Maar wat kon ik hier eten? In dit bos?
Toen ik klaar was, keek ik de wolf goedkeurend aan.
Ze jankte, met haar ogen dankbaar.
Ze keek achterom, waar de grote zwarte wolf aankwam.
Hij had een konijn in zijn grote bek, en legde die voor mij neer.
Met triomfantelijke en vertrouwde ogen knikte het grote beest naar mij.
Ik keek vragend naar het konijn.
Mag ik? Vroeg ik zacht.
Ik schrok van mijn eigen stem, die door de vredige stilte van het bos brak.