[VER] Galapagos

Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
Leonyr

Berichten: 2558
Geregistreerd: 02-10-09
Woonplaats: Zuid Holland

[VER] Galapagos

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 23-10-09 10:23

Ik kan het gewoon níét laten, wil zo graag weten of het nog wel leuk is om te lezen. Dus wat doe je dan? Juist, op Bokt zetten :) Ik hoop dat het bevalt, en ik ben ontzettend blij met reactie's :D
Mischien is het wat lang, maar hopelijk wel de moeite waard. (?)

# P r o l o o g #
Voorzichting schoof ik mijn witte cowboy hoed van mijn hoofd. Galapagos wreef met zijn verharde neus tegen mijn arm. “Wat moet je?” Ik ging overeind zitten en aaide het stevige voorhoofd van Galapagos. “Je hebt honger hè?” Vragend keek ik hem in de ogen. “Laten we nu maar vertrekken. Zoalang het nog ochtend is, is het niet te warm, en Navaja is vlak bij.” Ik stond op, en rekte mijn stijve rug uit. Behendig pakte ik het grote bruine western zadel en liet het op Galapagos zakken. “Zo jongen. Die zit” Ik glimlachte en klopte op de gladde hals van de ruin. Onderzoekend keek ik om me heen. Zand, zand en nog eens zand. “Ik geloof dat we... dadelijk daarheen moeten” Ik wees met mijn vinger naar de bergen verop. Speels hapte Galapagos naar de uitstekende vinger. Snel trok ik hem weg, en zadelde het paard verder op.

Ann is een 16 jarige meid, die haar ouders op 13 jarige leeftijd verloor. Sinds die tijd zwerft ze stelend rond van stad naar stad. En niet zonder risico's


Hoofdstuk 1

Genietend van de stilte stapte Galapagos door het zand. Versuft, moe en sagerijnig liet ik me meevoeren met de bewegingen. Al dagen, al weken, en al jaren slofte we door de woestijn. Van dorp naar dorp, stelend om te overleven. In de meeste dorpen werden we Zwarte schaduw genoemd. En in andere dorpen, werden we Zwarte heldin genoemd. Vast omdat ik daar regelmatig wat uitspook. Diep in mijn gedachte verzonken kwamen we steeds dichter bij de bergen. Galapagos brieste, en ging in draf over. Verschrikt deed ik mijn ogen open. “Voortaan waardeer ik wel een waarschuwing!” Galapagos draaide zijn oor naar achter en schudde zijn hoofd. Hij varanderde van de draf naar de galop en niet veel later kwamen de poorten van Navaja in zicht. “Nog even volhouden jongen. We mogen vast niet zomaar naar binnen. Vorig jaar waren we hier ook al op bezoek” Ik klopte Galapagos op de hals en dreef hem aan. “Nu sneller jongen!” Galapagos versnelde wat, en de poort kwam dichter bij. De 2 poortwachters zaten onderuit gezakt tegen de stenen muur, met hun hoeden voor hun gezicht als bescherming voor de zon. Met een snelle vaart gallopeerde we door de poort. Verbaast zag ik de poortwachters op kijken en schreeuwen. “Perfect gedaan jochie!” Galapagos ging in stap over, en langzaam sjokte we door de stad. Sommige mensen keken argwanend, andere warm en de volgende verdrietig. Ik wist wel wat ze wouden zeggen. Dat arme kind, 16 jaar, en nu al zonder ouders, helemaal doelloos. Ik gniffelde. Ze moesten eens weten. Galapagos was er altijd voor me, en was een soort van broer geworden. “Hè jongen?” Ik glimlachte en kreeg een groenteboer op het oog. De groene verse appels lagen te rijpen in de warme zon, en de groenteboer keek wakend om zich heen. “Nou jongen, de snelle truc dan maar!” Ik dreef hem aan tot de galop, en racete over de straatstenen. Met een paar galopsprongen kwamen we bij de groenteboer, die ons net in het oog kreeg. “Vandaal! Blijf met je poten van die appels af!” Ik grijnsde. “Te laat meneer!” Ik boog naar de krat met appels en kreeg 2 seconde op er een aantal te pakken. Met mijn grote ruwe handen kon ik er net 2 grijpen, en Galapagos galopeerde vrolijk verder. “Knap gedaan jochie!” Ik glimlachte en wreef met mijn nog lege hand over zijn hals. “Kijk eens wat ik heb” Ik pakte een appel en boog voorover. Hongerig hapte Galapagos ernaar. “Dat vind je lekker hè?” Ik aaide hem nog één keer en spoorde hem aan tot draf. We reden nog een aantal steegjes door, totdat ik zeker wist dat we geen problemen meer kregen met de groenteboer. Behendig pakte ik de overige appel en nam er een hap uit. Nieuwschierig keek Galapagos om. “Nee! Jij hebt al gehad!” Beschermend nam ik nog een grote hap een dreef aan. Met een diepe zucht stapte Galapagos voort. “Nog even jochie, dan komen we bij de waterput.” Ik klopte het vermoeide dier opde hals en nam nog een hap uit de heerlijke sappige appel. Blijkbaar had Galapagos er genoeg van. In totaal verzet stond hij stil. “Nee!!! Niet weer. Stom beest...” Ik sprong van zijn rug en liep vooruit. Toen de teugels strak stonden keek ik hopeloos naar mijn paard. Ondeugend en uitdagend kijk Galapagos mij aan. “Anders komen we nooit aan water! Loop nou door” Ik gaf nog een rukje aan de teugells. Zoals verwacht zette Galapagos geen stap. Vermoeid keek ik naar de half opgegeten appel in mijn hand. “Vreetzak” Ik liep weer naar voor en hield de appel voor. Meteen stortte galapagos zich op het eten. Hij brieste tevreden en schraapte met zijn hoef over het straatsteen. “En nu wil je wel hè?” Zuchtend stapte ik op en dreef aan. Gehoorzaam stapte Galapagois weer voorwaarts. “Nog even jongen, en dan zijn we bij lekker water”
“Halt daar!” Ik zag een man met uniform bij de waterput. “Ben jij niet De Zwarte schaduw?”Hij keek me nauwkeurig aan. Koppig bleef ik lekker hoog zitten. “Boeiend. Wat is er nou weer?” De man keek kwaad naar me. “Ik wil je echte naam weten weten. Bovendien heb je nog wat goed te maken in de bak.” Ik zuchte. “Mijn echte naam mag lekker niemand weten.” Brutaal rolde ik met mijn ogen. De man stapte van zijn bruine paard af, en pakte Galapagos bij zijn teugels. “Ben jij niet een beetje te brutaal jongedame?” Hij keek nog eens nauwkeurig, en klakte met zijn tong. Braaf en moe stapte Galapagos ana de hand van de meneer mee. Na een lange tijd stappen kreeg ik het gote grijze gebouw in de gaten. Ik zuchte en keek naar de man. Ik zag wel hoe hij stiekem een oogje in het zeil hield. Galapagos begon te saaie rit te vervelen en hapte soms speel s naar de man. Op zijn beurt gaf die een tik met zijn hand. Verontwaardigd staarde Galapagos voor zich uit. “Je paard word in beslag genomen, en jij gaat naar een pleeggezin” De man keek niet op. “Wat?! Dat kunt u niet maken! Dan pakt u mijn broer af!” Het huilen stond nader bij dan het lachen en ik beet pijnlijk op mijn lip. De man zei niks en bleef stug doorlopen. We waren al zo dichtbij, dat we bij de stal aankwamen, wara Galapagos zou worden ondergebracht. Ik hield me stevig aan de leren knop van mijn zadel vast. Toen galapagos in een van de stallen stond, moest ik wel. Trillend stapte ik uit het zadel. Direct begon ik mijn enigste bezit hevig te aaien. Galapagos keek om. Hij voelde dat er wat ging gebeuren. Even snikte ik. Daarna voelde ik een koude hand op mijn schouder, die me naar het gebouw duwde.
Het was er kil, koud en onaangenaam. De man voor me op de stoel bleven maar vragen stellen. “Hoe oud ben je? En wat is je naam?” Ik haalde me schouders op. “Ik ben 16, en mijn naam gaat u niets aan” Ik keek de man brutaal aan. “Goed... We gaan verder.” Hij leek duidelijk te balen van mijn gedrag. “Hoe heet je paard?” Ik keek hem met open mond aan. “Dit lijkt wel een quiz! Vermoord mij en mijn paard dan meteen! Ik wil niet naar een pleeg gezin, en ik weet wel wat er met die paarden hier gebeurt!” Woest keek ik de onderant wit weggetrokken man aan. “Nou?!” Het gestalte schraapte zijn keel. “Ik breng je naar een cel.” Hij wenkte een collega, die mij ruw vast pakte en naar een cel bracht. Daar zat ik dan. In de koude, kale en vreselijk eenzame ruimte. Galapagos zal afgemaakt worden, en ik naar een pleeg gezin. Ik trok mijn koude benen tegen mijn lichaam. Ik zuchte diep en begon zachtjes te snikken. “En wat is er?” Verschrikt keek ik op. “Wat? Wie?” Ik keek angstig naar achter. Daar zag ik tot mijn verbazing een lang figuur liggen. Ik hoorde hem gniffelen. “Wat is er?! Alsof jij zo stoer bent!” Ik haalde mijn neus op en liep naar het onderste bed, waar ik verveeld ging zitten. “Wat heeft jou hier gebracht?” Het was duidelijk een mannenstem. Ik zuchte, en veegde een traan van mijn wang. “Gewoon. Je kent me vast wel.”Ik stak mijn kin omhoog. “Meisie, ik kom al 5 jaar niet meer in de buitenwereld” Ik haalde mijn schouders op. “Herken je me ook niet als ik Zwarte schaduw zeg?” Ikzelf vond het wel cool. Een schuilnaam, zo zag ik het. Even zag ik het beeld weer van mij en Galapagos door de woestijn. Ik kon nog net een snik onderdrukken. “Of is het beter als ik zeg Zwarte held? De bewaker las altijd uit de krant voor. Lang, lang geleden was dat. Ik hoorde dat je een tijd geleden de stad waarschuwde voor een storm die eraan kwam. Of was jij dat niet?” Ik zuchte, maar dit keer van verdriet. “Ja, dat waren wij. Galapagos en ik...” Ineens hoorde ik het bed kraken, en er sprong een man van het stapelbed. Geschrokken keek ik op. De man had een warm gezicht, tot mijn verbazing. Wel had hij 2 littekens. “Zo, dus jij bent nu de Zwarte held?” Hij keek nieuwschierig naar mijn gezicht. Ik knikte. “Tenminste, dat was ik..” Ik ging languit op het bed liggen, en de man liep naar de voorkant van de cel. “Was je?” Ik snikte even. “Ja, was ik.. Galapagos staat in de stallen, ik denk dat je weet wat er met hem gebeurt?”De man knikte kort, en gebaarde verder te gaan. “De rest ken je wel. Ik word naar een pleeg gezin gesturd, Galapagos word afgemaakt, en het is dus afgelopen.” Ik zag dat de man aan het denken was. Ik bleef stil voor me uit staren. Was het echt afgelopen, of was er nog een heel leven voor Galapagos? Plotseling begon de man te praten. “Kom, we hebben pauze, dan kunnen we mooi buiten praten.”Ik kreeg weer hoop. Ik kon stiekem de stallen in sluipen! Maar helaas, dat kon niet. We gingen naar de achterkant van het gebouw, waar de stal was bedekt met veel hout, en een sterke houten muur. Overal stonden bewakers. “Ik kan niet eens naar de stallen!” De man keek niet eens om. “Dat zul je denken ja, maar niet alles wat je ziet is waar” Hij knipoogde en ging bij wat oudere mensen staan. Ik voelde me vreselijk alleen. Er was niemand van mijn leeftijd, en die vreemde man doet ookal al zo mysterieus. Ik begon rondjes te lopen in de buiten ruimte, en voelde verschillende ogen die naar mij keken. De hoge grijze muren gaven een klein gevoel, en gaf een enorme druk, en hoop dat je ooit je normale leven weer kon oppakken. Ik was bijna blij toen de bel ging, dat we terug moesten.
De nacht was kil geweest, en toen er een klein daglichtje naar binnen scheen, door het miniraampje boven me, sprong ik op. Verbaasd keek mijn celgenoot op. “Wat maakt jou nou wakker?” Met verdwaasde ogen keek hij me aan. Mijn ogen glinsterde. “Ik heb een plan!”


Hoofdstuk 2

“Zit wat in.” De man glimlachte even. “Ik kom hier nooit meer uit. Het is alleen een kwelling voor mij.” Ik straalde. “Maar weet je het zeker?” Ik keek hem twijfelachtig aan. “ik bedoel, waarschijnlijk leef je dan niet meer.” De man keek bedenkelijk, maar knikte toen. “Als mijn straf is uitgezeten, dan word ik toch niet meer levend hier uit gezet.” Hij keek even triest. Ik had medelijden met hem, zijn laatste seconde zou hij hier moeten doorbrengen. Ik zuchte. “Denk je dat het lukt?” De man antwoorde niet, dus ik ging er vanuit dat het wel ging lukken. Toen de bel ging, werden de deuren geopent en konden we naar buiten. Binnen barste ik van de zenuwen. Ik keek nieuwschierig naar de man naast me. Die leek kalm, maar zijn gezicht was wit weggetrokken. Maar waarom? Ik keek nieuwschierig vooruit. Op het plein stonden 5 mannen, stijf staand, in pakken. Ze hadden geweren in hun hand. Ik zonk diep weg in gedachten. Waarom waren hun hier? Toen ik buiten was zag ik andere mannen, die sommige, oftewel de meeste, uit de rij haald. Mijn celgenoot werd niet uit de rij gehaald. Ik wel. Ik moest samen met de rest weer naar binnen. Nog 1 keer keek ik om. Daar stonden 5 mensen, met handboeien om, voor de mannen met geweren. In één keer kreeg ik door wat er aan de hand was. Die mensen zouden doodgeschoten worden! Angstig probeerde ik achteraan de rij te komen, maar de massa was te dik.
Daar zat ik dan. Helemaal, maar dan ook helemaal alleen in mijn cel. Ik zuchte en bestuurdeerde de muren, het dak, en de grond. Allemaal saai. Ik slofte naar het bed, en keek omhoog op het bed van die arme man. Ik schrok. Op het bed lagen sigaretten, een vies tijdschrift, en, een briefje met een pen. Ik keek op het briefje. ‘na de dag dat mijn laatste secondes voorbij zijn, zal dat gelden voor jou paard. Ga schreeuwen en heel gek doen. Je zal over geplaatst worden naar de isoleer cellen. Hiervoor ga je eerst vlakbij de buiten deur. Ik denk dat je nu al een écht plan hebt’ Ik las nog een keer het briefje. Of ik een plan had? Nou en of! Ik draaide me om, toen ik een geluid achter me hoorde. Het was een bewaker. “Wat doe je daar?” Zijn gezicht stond nukkig. “Niets hoor.”Ik glimlachte en klom terug op mijn eigen bed. De bewaker fronste zijn wenkbrauwen, maar liep door. Opgelucht haalde ik adem, en viel langzaam in slaap.
De volgende morgen werd ik verschrikkelijk wakker. Schreeuwende mannen, en een angstig hinnekend paard. ‘Galapagos!!’ Ik sprong op en ramde tegen de tralie’s. ‘Galapagos!!’ Ik hoorde een bewaker mijn cel naderen en ik begon helemaal te trillen. ‘Hou jij je een beetje rustig!’ De norse en stevige man stond nu voor mijn cel. Toen hij zag hoe ik trilde liep hij weg, en kwam niet veel later terug. Nog steeds hoorde je angstaanjagende geluiden van buiten komen. Ik zat nu snikkend op het verharde bed, wachtend op het geweersschot. Toen de bewaker mijn cel binnen kwam, realiseerde ik nauwelijks wat er gebeurde. Ik kon nauwelijks stil zitten, en elke seconde kwam Galapagos naam wel uit mijn mond. Ineens voelde ik een steek bij mijn pols, en keek draaierig naar de plek van de pijn. Er werd net een naald uit gestoken. ‘Nu word je wel rustig’ De bewaker liep weer weg, en mijn hele lichaam liet me in de steek. Ik zakte neer, en zo, dat ik met een klap op de grond kwam. Ik bleef wel wakker, maar kon me niet verroeren. Ik bleef maar wachten, en wachten, na een lange tijd, werd het stil. Er was geen geluid meer. Ik hoorde nog wat geroezemoes, maar ik had geen schot gehoord. Ik beet op mijn lip. Mischien hadden ze het wel buiten het terein gedaan. Allerlei vragen kwamen mijn hoofd binnen, en de stenen vloer begon koud aan te voelen. Na een tijdje begon mijn hoofd vreselijk te bonken, en het duurde ook niet lang meer tot het helemaal donker was in de koude ruimte. Ik begon vreselijk te balen. Hier lang ik dan, net mijn paard verloren, en zonder toekomst. Het was de vraag of imand me nog wilde hebben. Wat zou er dan gebeuren? Ik begon me te concentreren om me te gaan bewegen. De simpele dingen kon ik algauw bewegen, maar het duurde de hele nacht, om mijn hele lichaam op het bed te hijsen.
Met een vreselijk bonkend hoofd werd ik die ochtend wakker. Ik herrinderde me meteen de vorrige ochtend, die zo vervelend was geweest. Op het moment dat de tranen door kwamen, hoorde ik mijn cel opengaan. Dezelfde man van de overhoring stapte naar binnen. “Goedemorgen” Zijn stem klonk ene beetje verlegen. Nukkig keek ik op. “Morgen” Ik keek straal langs het gestalte. Die man boeide me niks. “Ik heb vervelend nieuws.” Hij keek me pijnlijk aan. Nu staartde ik hem met vuurschietende ogen aan. “Mijn paard is afgemaakt?! Goh, wat fijn dat ik daar nog even aan word herrinderd!’ Kwaad en rood van woede staarde ik de man aan. Die schraapte zijn keel en keek beschuldigend weg. “Uhm, nee. Je paard is niet dood.” Ik keek hem nu verbaasd aan. “Wat?!” Mijn ogen vulde zich met tranen. Waar was Galapagos heen? 'Mijn mannen willen hem gaan zoeken. Maar wat ik met hen eens ben, ze kunnen het niet alleen. Dat beest vertrouwd alleen jou, en als jij hem vangt, is hij rustiger.” Hij keek me nu rustig en vragend aan. “Nou?” Ik bleef verstijfd zitten. Dit zou mijn allerlaatste kans op ontsnappen zijn. “Als je denkt dat je dan kan vluchten, heb je het mis!” Hij keek me streng aan. “Je polsen worden aan elkaar bevestigd met een stuk touw.” Ik knikte. “Ik doe het!” De man liet zijn blik veranderen. De uitdrukking was nu weer koel. “Dan gaan we morgenochtend op pad. Ikzelf kan niet mee” Met die woroden draaide hij zich om, en liep de cel uit. Ik bleef stil zitten. In mijn hoofd kwamen allerlei ideeën binnen, maar die werden meteen weer weggestreept. “Allemaal onmogelijk” Mompelde ik, en ik ging languit liggen. Het bed kraakte vervaarlijk, dus stond ik maar op. Rusteloos ijsbeerde ik mijn cel door. Als we Galapagos vonden, dan werd hij toch doodgeschoten. Ik moest dus voorkomen dat dat gebeurde. Maar hoe? De vragen kwamen maar binnen, en nergens was een antwoord. Ook de slaap kwam maar niet tevoorschijn, en na een nacht vol peinzen kwam er weer een vreemde bewaker binnen. Hij had een stuk touw in zijn hand, en liep met forse stappen op me af. Ik kromp ineen en wachtte gespannen af. “Opstaan!”Ik schrok van de harde stem. Ik sprong op, en bleef trillend staan. Ik was moe, en had hoofdpijn. Helaas hield de bewaker daar geen rekening mee. Het touw was eerst losjes, maar met één ruk word het strakgetrokken. Met veel moeite hield ik een schreeuw binnen, en beet keihard op mijn lip. Er werd nog wat gesjort, en daarna werd er een langer einde aan vastgemaakt. Ik zuchtte, en werd met een ruk mijn cel uitgehaald. De man zei verder niks, alles leek hij met zijn krachten te doen. Waar ik overigens heel erg van baalde. “Meneer?” De man keek niet om. Ik baalde. “Weet u mischien al waar mijn paard staat?” Ik zag dat de man heel kort en vaag knikte. Ik zuchtte nu duidelijk. “Ik vind het niet erg als u praat hoor!” Ik keek de man uitdagend aan. Die zei weer niks, waardoor ik nogal zenuwachtig werd. Na een aantal deuren zijn gepasserd, en een aantal vermoeiende trappen af zijn gegaan, kwamen we eindelijk weer aan de voorkant van het terein. Snel kneep ik mijn ogen dicht tegen de scherpe zon. Na een aantal seconde opende ik mijn ogen weer en richtte ze afwerend naar de grond. Het droge stof van de zanderige gond waaide laag op bij elke voetstap. Eindelijk kon ik mijn ogen naar voren richten. Daar stond een mooie goudvos met zijn hoef te schrapen. Nog steeds had de man niks gezegt. Met een paar passen waren we bij de machtige vos, die mij angstig aankeek. Voor zover ik wist had het dier een scherp bit in, en zou een harde hand nodig hebben. En dat kreeg hij. De bewaker stapte met een grote zwaai op het paard, die nu zenuwachtig begon te drippelen op zijn plaats. Nadat de bewaker een hulpje had gewenkt, werd het paard losgemaakt, en konden we weg. Het viel me op dat er geen ander persoon bij was. “Waar is de ander?” Vroeg ik verbaasd. Terwijl ik hoopte dat hij zou antwoorden, hoorde ik vaag gemompel. “Ziek” Ik knikte en voelde ineenkeer een ruk aan het touw. Ik struikelde even en hield nog net mijn evenwicht. Weer was er een ruk. Dit keer blee fik echter niet staan, en belande met een klap op de grond. De bewaker stopte niet. Integendeel. Ik voelde dat hij versnelde, en met moeite stond ik op. Tevergeefs. Meteen viel ik weer. Doordat mijn armen geen steun konden geven, bleef ik maar vallen. Ik voelde hoe een warme vloeistof uit min neus ontsnapte. Even later bleven mijn knieën en ellebogen niet meer heel. Ik begon langzaam te snikken, mijn ogen vulde zich met tranen. 'Waarom doen jullie dit eigenlijk? Om hierna Galapagos af te maken? En mij als een hoopje elende aleveren? Waarom?!' De man keek niet om, zei niet, en reed gewoon door. Ik begon nog harder te snikken, en merkte niet eens dat we waren gestopt. Toen ik weer wat bijkwam, lag er een oude boerderij voor me. Het zag er verlaten uit, was vervallen, en had oude hekken die een trieste indruk gaven. Ik sloot mijn ogen, en liet me langzaam liggen. Mij hoofd bonkte en voelde zwaar. Het verdriet deed nog het meeste pijn. Ik voelde vaag hoe het touw langzaam in beweging kwam, en hoorde later paardenhoeven met krachtige passen weg galoperen. Verbaasd opende ik mijn ogen. Ik lag nog steeds op dezelfde plek. Een oude man, die een vertrokken gezicht had, stapte op mijn af, en tilde me op. Ik sloot mijn ogen weer en wachte geruisloos af.

Langzaam opende ik mijn ogen. Verdwaasd keek ik om me heen. Het was een oude kamer, met een kast en een bed. Vervolgens bekeek ik mijn armen en benen. De wonden waren verzorgd, en ik voelde me een stuk beter. Boven mij was een raam, die duidelijk een tijd niet meer was gewassen. Ik veegde het stof eraf en ging op mijn knieeën zitten. Buiten was het stil. Wás. Al snel hoorde ik een hard geluid. Uit de verte kwam een enorm ding aan. Angstig gebries en hoefgetrappel klonk uit de achterwagen. Verschrikt drong de waarheid tot me door. Galapagos. Dit was de besteming voor Galapagos. De slacht. Ik sprong op, en rende door het oude huis. Ik vloog van de trap af, en struikelde bijna over een gevouwen tapijt. Ik schoot naar de voordeur, en trok de klink naar beneden. 'Nee!' Angstig duwde ik de deur, en daarna trok ik weer. Er was geen beweging in te krijgen. De deur zat op slot. Verslagen keek ik door het raam naast de deur. Mijn prachtige paard. Daar liep Galapagos. Heftig stibbelde hij tegen. Hij hinnekte, hij brieste, en stampte. Zijn blik was gevuld met woede. Zijn oogwit was spierwit, overal waren zijn spieren gespannen. Plotseling draaide hij zijn hoofd, daarna zijn lichaam. Een aantal mannen werden opzij geduwd, en vielen om. Even stond ik oog in oog met hem. Doordringend keek hij me aan. Even was het stil. De tranen in mij barste los. De volgende seconde beland het einde van de zweep op zijn flank. Galapagos gilde, en probeerde naar me te blijven kijken. Het lukte hem niet. Met zwepen, geschreeuw, en bruste kracht werd hij in de trailer geladen. Daar zag ik nog vaag andere paarden die alles deden om te ontsnappen. Snel werd de klep met een klap dichtgegooid. Het laatste wat ik van hem hoorde was een schrille hinnik. Het geluid, waardoor mijn hart brak.


Hoofdstuk 3

Zorgzaam ruste de arm van de oude man op mijn schouders. Ineen gedoken zat ik in een stoel. Waarschijnlijk even oud als de rest van dit huis. Snikkend vertelde ik het verhaal. Van Galapagos, van mijn ouders. Het verhaal wat ik nooit tegen iemand gezegt had. Waarom ik het wel tegen hem vertelde, was me een raadsel. Ik denk door mijn gebroken hart, het verdriet, de pijn dat brandde. Ik keek de man niet aan, ik kón hem niet aankijken. Ik zag niks. In de verte en vaag hoorde ik zijn stem. 'Ik ga zo naar het dorp. Jij werkt voor mij. Ik wil dat jij ondertussen het huis onder handen neemt.' Ik zei niets, ik deed niets. Hoe kon hij? Mijn allerdierbaarste bezit was net afgepakt, en ik moest een huis schoonmaken? Even keek ik hem aan. Een blik vol woede en onbegrip. Ik sprong op van de stoel, en rende door het huis, waarna ik in de zolder belande. Ik hoorde de deur open gaan, en de man vertrekken. Ik zuchte, en dwong mezelf te stoppen met huilen. Ik móést Galapagos terug krijgen. Het moest! Ik stond op, en liep naar beneden. Uiteraard was de voordeur weer op slot. Ik keek naar het raam ernnaast. Meteen kwamen de pijnlijke herrinderingen weer naar boven. Ik draaide me om, en liep richting de keuken. Na even zoekken ondekte ik een mes, en een aantal harde vruchten. Ik liep terug naar het raam. Het was vrij groot, dus het werd nog een hele opgave om het raam te slopen. Ik gooide een vrucht. Mislukt. Het raam had een aantal krassen, maar verder niets. Ik gooide de andere vruchten, maar weer zonder resultaat. Ik liet me op een stoel vallen, en hoorde het gebries van Galapagos weer door me hoofd. Ik zag ons weer door de woestijn galoperen, en de sterren die ons elke nacht weer vergezelden. Ik voelde de kracht van zijn spieren weer onder me. De woede nam de plaats in voor verdriet. Ik pakte weer een vrucht, balde mijn vuist, en gooide, met al mijn krachten, de vrucht richting het raam. Met een luid gerinkel brak het glas. De vrucht vloog met een enorme vaart door de ruit. Ik kreeg een glimlach op mijn gezicht, en liep richting het raam. Snel viste ik het mes uit mijn zak, en werkte netjes de randjes af. Na een vol uur, veegde ik mijn gezicht af, en bekeek het goede resultaat. Na buiten goed gekeken te hebben, klom ik voorzichtig uit het raam.
Het was druk in het dorp. Vrouwen in lange gewaden, mannen met de netste pakken. Liep je niet aan de kant? Werd je overreden door een koets. Het was zo anders. Anders dan in de woestijn, anders als in de gevangenis. Het was open, maar gaf een bedrukt gevoel. Hier en daar kreeg ik verbaasde blikken toegeworpen. Snel liet ik mijn blik rusten op de saaie en grauwe stenen. Na een tijd gelopen te hebben, voelde ik mijn benen behoorlijk, en kwam erachter dat ik zo niks opschoot. Ik keek weer wat om me heen, en zag een wat oudere man bij een boekenwinkel staan. Ik slofte erheen. De man was druk in gesprek met de verkoper, en maakte flinke bewegingen met zijn handen. Snel en gespannen liep ik naar de man, die vervolgens afkeruend stopte met zijn verhaal. ‘Wat?’ Hij keek me streng aan, en ook de verkoper leek niet de aardigste. ‘Ik, eh, vroeg me eigenlijk af... Waar de paardenslacht is?’ de man keek nu nog afkeurender. ‘om die rotknol van je te redden zeker? Politie lijkt me een beter plan.’ Hij keen om zich heen. ‘Nee! Echt niet!’ Mijn stem klonk zenuwachtig. ‘Ik moet daar werken. Dat, eh, moest...’ De man keek me vreemd aan. ‘Best, aan het einde van de straat links, dat zie je het wel.’ Ik zuchte opgelucht, en bedankte de man hartelijk. Vrolijk, met de zon op mijn gezicht, de wind in mijn haren, liep ik zoals de man had gezegt. Woede stak op, toen ik zag waar de man me had heen gestuurd. Het was het politie bureau. Ik liet mijn schouders zakken, en liep weer terug. De zon scheen nog wel, maar stond al laag aan de hemel. Ik begon te snikken, en liet me zakken. Ik plofte neer op de stoeprand. Ineens hoorse ik een luid geschreeuw. ‘Zwarte held! Zwarte held!’ Verbaasd keek ik op. Een jongetje van ongeveer 10 jaar, kwam op mij afgerent. Meteen betrok zijn gezicht. ‘Wat is er?’ Hij trok een schattig pruillipje, wat voor mij genoeg was om een glimlach op te zetten. ‘Mijn paard is naar de slacht gestuurd, en nu kan ik het slachthuis niet meer vinden.’ Even was het jongetje stil. Het was uiteraard vrij veel informatie voor die leeftijd. ‘Aangenaam, ik ben Sem. Ik heb mezelf vernoemd naar de witte held. Ik denk dat mijn vrienden je wel kunnen helpen.’ Trots keek hij me aan. Dit was iets te veel informatie voor míj. ‘Huh?’ het jongetje grijnsde, en rende weg. Ik staarde even voor me uit. Meteen werd ik opgeschrikt. Sem stond weer naast me, met daarachter 4 andere jongetjes van de zelfde leeftijd. ‘Maak kennis met de Witte Bende’ Hij keek verwachtingsvol naar me. Ik grinnikte. ‘Waar is het slachthuis?’ Die woorde kwamen eruit met twinkeltjes in mijn ogen. 'Kom maar mee!’ Enthousiast rende Sem met zijn vrienden voor me uit. Ik sprong op, en rende achter hun aan. Niet veel later kwamen we bij het slachthuis. Sem keek me trots aan en rende weg. Nog wat verbouweerd keek ik hem na. Waarom kwam hij niet helpen? Ik zuchte, en stapte richting de grote ijzeren hekken. Ze waren grauw. De verf was er groot en deels vanaf gebladerd, en hier en daar was het behoorlijk gaan roesten. Ik trok wat aan het hek. Geschrokken sprong ik achteruit. Het maakte een enorm lawaai. Oke, dat werd dus niets. Voorzichtig stapte ik weer richting het hek. Ik zetten mijn voet op één van de dwarse spijlen, en klom ophoog. Na de punten aan de bovenkant te hebben ontweken, sprong ik naar beneden. Een doffe klap doorklonk over het lege erf. Geen reactie. ‘Gelukkig’ Mompelde ik, en liep richting de gebouwen. Even was het raden welke van de velen het was, maar na een enorm lawaai gehoord te hebben, stapte ik toch maar daar naa binnen. Dat ging gelukkig makkelijker als verwacht, en snel liep ik door naar de stal, waar het lawaai vandaan kwam. Ik schrok. Niet een beetje, maar héél erg. Galapagos. Schrammen, wonden, angst. Hij was bezweet, en het bloed druppelde langzaam langs zijn benen naar beneden. Tranen sprongen in mijn ogen. Eindelijk was Galapagos stil. Hij keek me aan. Zijn ogen waren dof, maar zijn oogwit was spierwit. Ik rende de stal in, en sloeg mijn armen om de koude, maar bewete hals. ‘Galapagos! Eindelijk!’ Ik glimlachte door mijn tranen heen. Toen ik naar zijn benen keek schrok ik nog meer. Er zaten splinters in, en zaten vol met de striemen. ‘Jongen toch!’ Ik omhelsde hem weer, en hoorde tot mijn schrik achter me een sttem. ‘Jongedame. Is het je niet opgevallen dat het hek opslot zit?’ Geschrokken keek ik achter me, waar een flink gezette man stond. Ik keek weer naar Galapagos. Hij had moeite te blijven staan, de splinters deden hem verschrikkelijk veel pijn. 'Niemand, maar dan ook niemand, pakt Galapagos van mij af!' Siste ik, en ik schoof de deurgrendel open, stapte behoedzaam achteruit, tot ik bij Galapagos stond. Met een blik vol woede keek ik de man aan. Hij zette een stap in mijn richting, en nam aanstalte om iets te zeggen. Juist op dat moment, pakte ik Galapagos manen vast. Ik trok mezelf op, en binnen een krappe seconde zat ik op de brede rug. 'Nu!' Ik klemde mijn benen om de buik van Galapagos, die zojuist naar voren stormde. De man keek ons met grote ogen na. Eenmaal buiten was het flink donker geworden. De maan, de sterren. Het gehijg van Galapagos was het enige geluid in dit dorpje. Galapagos liep vréselijk kreupel, en had bij elke pas pijn. Toen we bij de muur waren, die niet eens zo hoog was, bereide ik me voor op een weigering. In plaats daarvan spande Galapagos zijn spieren, en vloog. Hij kwam over de muur. Te snel waren we weer aan de andere kant. In plaats van zich op te vangen, zakte hij door zijn voorbenen. Met een klap kwamen aan de grond. Galapagos stond niet op, hij bleef liggen, en kreunde. Niet een beetje, maar heel erg. Hij had pijn. Heel veel pijn. 'Nee! Galapagos!' De tranen schoten in mijn ogen en vloeide met grote hoeveelheden over mijn wangen. Zachtjes waaide de wind door mij heen. Snikkend boog ik voorover. Galapagos keek kreunend op, maar liet zijn hoofd weer zakken. Ik bleef maar snikken, en nog harder toen ik het ijzeren hek open hoorde gaan. De man, de slager, kwam met flinke stappen op mij af. Stevig greep hij me bij mijn kraag. Ik keek de man met angstige, betraande, en boze ogen aan. De man ontweek mijn blik, liet me plotseling los, en stapte wat achteruit. Ik volgde zijn blik, en keek toen naar een trillende Galapagos, met gescheurde knieeën, en bevend van de pijn. Sprakeloos bleven de man en ik staan. Galapagos stond weer. Hij hijde, kreunde, en had pijn.. De man rende naar binnen, ik wist waarom. Ik stapte naar Galapagos toe, en aaide hem over zijn klamme, en bezwete hals. Met tranen in mijn ogen, sprak ik de woorden waarvan ik had gehoopt dat ik ze nooit had hoeven zeggen. 'Galapagos. Het zou een kwelling zijn om jou te laten leven. Ik laat je nooit los, nooit. Je zal altijd in mijn hart blijven. Ik blijf van je houden. Echt.' Ik legde mijn wang tegen zijn wang. En keek in zijn oog. Tranen bleven stromen. Als een paard kon huilen, dan hadden we de tranen nu gedeeld. Dit was het. Het eind. Het eind van onze avonturen, het eind van Galapagos. De man kwam weer. In zijn hand had hij een geweer. Hij schudde zijn hoofd. 'Ookal heb je de regels overtreden, gestolen, en verkeerde dingen gedaan, ik vind het toch vreselijk voor je.' Ik keek de man aan. Door de duisternis was maar een gedeelte van zijn gezicht zichtbaar. Ik knikte, en hield Galapagos nog stevig vast. 'Ga maar aan de kant' Hij knipoogde. Ik knikte weer, maar nu bijna onzichtbaar. Ik stapte voor Galapagos, en bleef voor zijn hoofd staan. Ik aaide zijn hoofd, en bukte. Mijn hoofd was nu bij zijn neus. 'Ik hou van je' Ik gaf een kus op zijn neus, en stapte achteruit. De man stak zijn geweer omhooog, en concentreerde zich diep op Galapagos. Een knal, nog een knal, vuur. Alles leek in één keer te vertragen. Galapagos stormde weg, de koogel werd gemist. Toen ik mijn hoofd naar links keerde stond de saloon in brand. Ook de slager was wit weg getrokken. 'Iemand heeft op de Saloon geschoten, voordat ik schoot. Je paard leeft nog' Ik stapte achteruit, en rende dezelfde in dezelfde richting als Galapagos was gegaan. Achter me hoorde ik sirene's, en geschreeuw. Als verdoofd bleef ik rennen en rennen.


Hoofdstuk 4

Vermoeid zakte ik neer op een steen. Galapagos was Nevaja uitgerend, dus ik ook. Overal was zand. Nergens sporen, of figuren aan de sombere horizon. Aan de ene kant was ik blij. Galapagos leefde nog, hij moest gewoon nog leven. Maar aan de andere kant was ik vreselijk verdrietig. Galapagos was weg. Mischien wel zo ver weg, dat ik hem nooit meer zou zien. Ik zuchte, en liet me naast de steen zakken. Langzaam ging ik liggen, en bekeek de sterren. Die vonkelde net zoals vroeger vertrouwd in de donkere hemel. De maan liet zich maar voor de helft zien, en de kille nachttempratuur was nu goed voelbaar. Niet van dat alles raakte me. Niets bereek mijn hersenen. Alles zat vol met de zorgen over Galapagos. Langzaam sloot ik mijn ogen, de ogen waarmee ik nog steeds Galapagos voor me zag.

Stijf hees ik mezelf overeind. Mijn hele lichaam weigerde dienst te verlenen. Zuchtend keek ik om me heen. Waar was Galapagos heen? Zonder water overleefde ik het niet, en al helemaal niet als ik niet snel vervoer vond. Pijnlijke steken brande in mijn hoofd. Het was ochtend, maar de zon liet zich al helemaal zien. En dat was te voelen ook. Langzaam begon ik weer te lopen. Het zand waaide laag op, en daalde daarna weer rusteloos neer. Elke stap leek een steeds moeilijkere opgave. Mijn hoofd bonkte, en de blaren op mijn voeten waren niet meer op één hand te tellen. Voor me waaide lage stofwolken op. Het was ver voor me, maar je zag dat er iets aan kwam. 'Galapagos!' Ik rende, rende en rende. Al snel was ik heel dichtbij bij het voorwerp. Helaas. Geen Galapagos. Ik liet me tot de grond zakken, en sloeg mijn handen voor mijn gezicht. Even werd het teveel. Al het verdriet van de afgelopen dagen, en dan ook nog zo'n verloren gevoel. Snikkend bleef ik in het snikhete zand zitten. Wat ik echter niet hoorde waren de hoefstappen van hetgene wat ik toen had aangezien voor Galapagos. Een oud gammel wagentje met een nog oudere ezel ervoor stopte voor mijn gezicht. Langzaam opende ik mijn ogen, en zag tussen de tranen door een oudere man met een vertrokken gezicht. 'Meisie, wat is er? Een dame zoals jij hoort hier helemaal niet!' Hij keek me nog eens goed aan, waarna ik mijn ogen naar de grond richtte. 'Ik ben mijn paard kwijt meneer. Een heel bijzonder paard.' Ik merkte hoe de oude man moeite had me te verstaan. 'Je paard? waar is hij heen gerent dan? Ben je eraf gevallen?' ik schudde mijn hoofd, als antwoord op beide vragen. 'Ik weet niet waar hij heen rende, het kan niet ver zijn, hij was gewond. Maar ik leide hem naar buiten, en toen schoot hij er plotseling vandoor.' Het was erg lastig om te liegen, maar nu voelde het gedwongen. Als ik zou zeggen wie of wat ik echt was, dan kon ik mooi weer gaan zitten in de benouwde cel. De man keek me nauwkeurig aan. 'Ik denk niet dat ik je verder kan helpen. Wel kan ik je wat water en voedsel meegeven. Je bent behoorlijk ver van de stad verweiderd. Voor de rest kan ik niet zeggen waar je paard is. Hier een kompas. Als je de noordelijke richting aanhoud, dan beland je als het goed is na 2 dagen bij een paardenhandelaar. Regelmatig vangt hij kuddes paarden. Er is kans dat jouw paard daar ook bij zit.' Dankbaar voor alle woorden en spullen knikte ik naar de man. 'Heel erg bedankt meneer! Hier ben ik u zeer dankbaar voor!' Ik pakte de spullen aan, die ik vervolgens allemaal in de plunjezak propte. Zo hadden Galapagos en ik tenminste nog een kans. Nadat we elkaar gedag hadden gezegt kon de reis beginnen. Met goede moed begon ik te lopen. Zoals de man al had aangegeven, in noordelijke richting.

Het was zwaar. Heel zwaar. Ik kon dan ook mijn ogen bijna niet meer openhouden toen ik in de verte een uitnodigende witte schuur met weilanden zag staan. Het zand zat overal. In mijn haar, schoenen en kleding. Hier en daar waren schaafwonden ontstaan, en mijn keel voelde als schuurpapier aan. Dolblij sjokte ik naar de grote paardenstal, die al behoorlijk dichtbij was. Nu al zag je prachtige sportpaarden, keurige stallen, en mooie hekken. Na mij eerste passen op het grind te hebben gezet, kwam er een man in witte rijkleding op mij af. 'Goedemorgen jongedame. Een rijdier aan het zoeken?' Hij leek vriendelijk, maar ik mocht hem al meteen niet. 'Nou meneer, ik ben opzoek naar een speciaal paard, eentje die...' Hij liet me niet uitpraten, en duwde me in de richting van een prachtige weide. 'Hierzo, hele special paarden, allemaal rond de 1,70, en perfecte springpaarden, of heb je liever een dressuurpaard?' Hij duwde me richting de volgende weide, dat schuin achter het stalgebouw lag. Vanaf deze plek zag ik meteen de wei met de wilde paarden. Ik rukte me los uit de rondleiding van de man, en rende naar de wat minder mooie weide. Mijn ogen vlogen over de paardenruggen. De man wou me blijkbaar niet alleen laten. Binnen een paar seconde stond hij weer achter me. 'Zoekt u iets mevrouw?' Ik liet mijn blik op de kudde rusten. 'Ja, eigenlijk wel. ik zoek een Quarter Horse. Hij is mooi bruin, met donkere manen. Hij was heel erg gewond.' De man leek even te denken. 'Ja, dat paard. Die heb ik hier gehad. Hij was te onhandebaar, bovendien ligt mijn hart niet bij Quarters. Dus, heb ik hem doorverkocht. Als je nu naar het westen lopend gaat, dan ben je er morgenochtend. Ik weet niet of hun hem wel hebben gehouden, maar niet geschoten is altijd mis. Succes met de reis, zal ik je de uitgang wijzen?' Hij keek me vriendelijk aan, maar het was wel te merken dat hij liever had dat ik nu ging. 'Oh, ja is goed.' Ik zuchtte en liep achter de man aan, die na een tijdje lopen me door een uitgang wees. 'Veel succes nogmaals.' Hij draaide zich meteen om, en liep naar zijn stallen. Zuchtend begon ik weer te lopen. Daar ging ik weer. Ik had nog genoeg voedsel en drinken, maar mijn lichaam was alles behalve fit. Maar wat nou als ik Galapagos had? Hoe moest het dan verder? Ik had geen geld om hem over te kopen, geen geld voor een dierenarts, en gezien de wonden konden we nooit meer zo vrij zijn, en zwerven over de kale vlaktes. Als je het zo bekeek, leek het gekkenwerk om nu nog naar hem te zoeken. Als hij niks meer kon, en we overal achterna werden gezeten, dan was er geen leven meer voor ons. Intussen was ik maar gaan lopen, stilstaan had al helemaal geen zin. Ik liet de prachtige stal achter me, en liep de prachtige woestijn weer in. Het zand waaide zacht op, en het was minstens 40 graden. Mijn benen bleven automatisch lopenen, terwijl mijn gedachte nog stilstonden. Die bleven staan bij maar één vraag. Wat bracht de toekomst. De zon zorgde voor een steeds hogere tempratuur, en deed mijn hoofd bonken. Steun zoekend graaide ik met mijn arme in de lucht. Toen ik geen steun meer vond, zakte ik neer, en kwam een zwart beeld voor mijn ogen.

Met heerlijke bewegingen galoppeerde Galapagos voor me uit. Blij rende ik achter hem aan, maar hij ging harder. Heel langzaam liep hij steeds verder voor me. Plotseling zag ik de beelden weer voor me. Hoe Galapagos tegen de slacht had gevochten. Ondanks alle pijn. Met tranen opende ik mijn ogen. Ineens wist ik weer wat er was gebeurd. Ik was neergezakt. De hitte was teveel geworden. Ik keek om me heen, om vervolgens door een raampje naar buiten te kijken. Het was een landhuis. Een vervallen en verlaten landhuis. Was dit de plek waar Galapagos zou zijn? Ik probeerde weer verder te lopen, maar hoe meer ik liep, hoe moeilijker het ging. Half steunend ging ik weer op het bed zitten. Aan de andere kant van de kamer stond een stoel met wielen. Een zelfgemaakte rolstoel. Verbaasd liep ik erheen. Met veel moeite had ik de stoel bereikt, en liet me erin vallen. Ik zocht naar de bandsteunen, en liet me vooruit rollen. Veel kracht had ik nog niet in mijn armen, maar het ging nog niet. Ik rolde de kamer uit, en zag tot mijn verbazing dat er planken op de trappen lagen. Met een warm gevoel van blijdschap rolde ik van de trap af, en kwam niet veel later op het enorme erf van het landhuis. Het was er prachtig. Al on alles wel wat verf gebruiken, en was een veger ook wel welkom. Onderzoekend rolde ik richting het eerste stallenblok. Geen geluid, geen paarden, geen mensen. Ik reed eruit, en ging bij de volgende er weer in. Alle deuren stonden al open. Ik rolde verder, en merkte een verschrikkelijk gebonk, gebries, en gehinnik op. Ik rolde in richting van het geluid, en stond op, zodat ik kon zien wat er in de box was. Ik stond verstijfd. Alles om me heen werd stil, behalve hetgene in de box. Ik kon geen woord uitbrengen, mijn hart, was inmiddels in duizend stukken gebroken. Daar, in het doornatte stro, lag een paard. Bruin, met donkere manen. Een Quater Horse, die de naam Galapgos droeg. Míjn Galapagos. Zijn vacht was dof, zijn oogwit was dof, zijn ogen waren dof, hij was broodmager. Ik opende de deur, nog steeds verstijfd van de schrik, en liet me naast hem zakken. Hij trilde. Zijn wonden waren redelijk genezen, maar er waren veel littekens. 'Mijn jongen... Dit kan niet.' Nee, dit kon niet. Deze woorden mogen niet bestaan, dit was gewoon een droom. Laat het een droom zijn! Ik legde mijn hoofd tegen de bezwete hals, en liet de tranen stromen. De tranen van al die dagen, en weken. Het was verschrikkelijk dat het zo ver was gekomen. Die nacht bleef ik bij Galapagos in de stal, maar hij kalmeerde niet. Helemaal niet. Het was hopeloos. Hij herkende me zelfs niet. Het was een klap. Een enorme klap. De volgende morgen besefte ik dat wachten geen zin had. Ik kon beter gaan zoeken naar de eigenaar, en vertellen dat het einde voor mij in zicht was. Voor mij en Galapagos. Ik stond op, liep met natte ogen naar de stoel en zakte erin neer. Het ging steeds beter, maar nog niet zó goed. Ik rolde overal heen, bijna elk hoekje had ik gehad, tot ik een gangetje ondekte. Het liep tussen het hek en het landhuis door. Verse hoevensporen gaven mij het idee dat iemand daar kon zijn. Inderdaad, nadat ik de hoek om was, kwam er een kraal. Meteen werd mijn blik naar het paard getrokken dat daar iep. Hij was mooi, heel mooi. Pikzwart, en enorme manen. Sokken, en een volle golvende staart. Het was een hengst. Daarna bekeek ik de bak verder. In het midden stond een man die zijn gezicht en lichaam strak met het paard liet meedraaien. Pas later ondekte ik veel meerdingen. Ik kwam dichterbij, en zag dat er geen tuow was tussen de 2 wezens. Het paard danste, en ademde krachtig, je werd eigenlijk aangetrokken door de harmonie tussen mens en paad. De man liet bijna onzichtbare verandering in zijn houding zien. Het paard ging over naar galop, en denderde nu door de bak. De man maakte een teken met zijn zweep, en draaide zijn lichaam. Het paard maakte een prachtige, evenwichtige volte. Verwonderd bleef ik staan kijken .Het gaf je een vreemd gevoel. Je vergat alles, alle problemen, en was totaal opgenomen door de schoonheid. De man liet na nog een halfuur werken zijn schouders zakken en draaide een beetje weg. De hengst draafde zachtjes naar hem toe, en stopte bij zijn schouders. Ik werd helemaal warm vanbinnen. Zeker toen de hengst achter de man aan liep, en hem tot de stalln volgde. Pas toen het paard verzorgd en wel op stal stond keerde de man zich naar mij toe. 'Wil je het nog proberen?' Zijn stem klonk oud, en verlangend, naar iets. Ik haalde mijn schouders op. 'Ik weet het niet. Ik heb gemerkt, dat ik helemaal verslapt ben, en dat Galapagos echt nooit de oude kan worden.' Ik keek de man weifelend aan. 'Denk je? Je gooit geen heel leven weg, omdat er een paar deuken in zitten.' Zijn gezichtsuitdrukking veranderde niet, geen seconde. Ik begon nog meer te twijfelen. Mischien had hij gelijk? 'Maar Galapagos heeft meer als alleen deuken. Zijn hele leven is verwoest.' De tranen brande achter in mijn ogen. Met moeite slikte ik een brok weg. 'Geeft je dat dan geen moed om het weer opnieuw op te bouwen.' Ik haalde hopeloos mijn schouders op, en barste weer in huilen uit. De man zei niets, en liep richting het huis. Ik stapte uit mijn stoel, en liep opnieuw de box van Galapagos in. Hij was moe, en verslapt. Zelfs in zijn ogen herkende ik niet de trotse blik die hij altijd al had gehad. 'Wat moeten we doen? Galapagos, alsjeblieft, ik wil weer kunnen ademen, alsjeblieft, kunnen we het proberen?' Mijn zicht werd wazig door een nieuwe lading tranen. Ik ging tegen hem aan liggen en sloot mijn ogen. Opnieuw zag ik ons door de woestijn galoperen, de ondeugende streken van Galapagos, en de fantastische blik in zijn ogen, die je in een zee van gedachte konden brengen, Toen ik mijn ogen weer opende en weer naar die blik zocht, wist ik dat er nog hoop kon zijn. Al moest het wel van 2 kanten komen. Ik strompelde de stal uit, en zocht lopend naar een halster, wat al snel te vinden was. Ik maakte hem op Galapagos hoofd vast, en trok aan het touw. Galapagos ging wat overeind zitten, en kreunde diep. Hij hoeste 2 keer, en na nog een ruk, stond hij wankelend op zijn benen. Overal was te zien dat hij de hoop had opgegeven, en niet meer wou leven. En ik kan het je vertellen, het scheurt je hart in 2en. De donkere diepte's in de ogen alleen al doen je tranen laten stromen. 'Komop! Lopen! Ik heb ook veel meegemaakt, ik kan waarschijnlijk nooit meer goed lopen, maar ik heb nog hoop! Jij niet!' De tranen leken met liters tegelijk te komen. Alles kwam op me af. Het verdriet van de afgelopen tijd drong nog het meest tot me door. 'Kom op nou!' Huilend rende ik naar Galapagos, die zich meteen weer liet zakken. Ik kroop naar een hoekje van de stal, en bleef daar zitten. Wachtend op de toekomst.


Hoofdstuk 5

Zachtjes kroop ik uit de stal, Galapagos was erg onrustig geworden, en mij leek het beter als ik maar zou gaan. Vermoeid zakte ik weer in de stoel. Voorlopig was ik uitgehuild, en een vreselijke hoofdpijn stak op. Ik reed weer naar het landhuis. In het landhuis was alleen de woonkamer verlicht. Er stonden 3 kaarsen, en de man zat in het midden van de kamer. De haard brande, en een verdrietige CD stond te draaien. Een moment twijfelde ik of ik naar de man toe zou gaan, maar ik reed toch maar door naar de trap. Erop komen was een stuk moeilijker dan eraf. Na al mijn krachten gebruikt te hebben, was ik eindelijk boven. Puffend liet ik me op mijn bed zakken, en bedacht wat er allemaal wel niet was gebeurd. Galapagos was meerdere malen net ontsnapt van de ondergang, en nu zou ik het op moeten geven? Zeker 3 uur zat ik te piekeren, te denken, en te proberen om de slaap te vatten. Na die vermoeiende drie uur, liet ik de gedachtes varen, en viel zonder nadenken in slaap. De volgende morgen was al veel te vroeg gekomen voor mijn gevoel. Ik kon het niet laten om weer naar de stallen te gaan, dus stond ik op, en merkte vreselijke pijn in mijn benen. Een soort van kramp. Snel greep ik de stoel, en liet me er vershrikt in zakken. Ging het elke dag wat slechter, of was dit gewoon spierpijn? Ik hoopte het beste en reed naar de stallen, waar tot mijn verbazing geen Galapagos was. Snel rolde ik richting de kraal, waar ik opgelucht ademhaalde, voor één seconde dan. Daar stond Galapagos. Stond! De man stond in het midden, en keek Galapagos recht in de ogen. Galapagos keek elke keer weg, of legde zijn oren plat, hij vond het niet prettig. Ik zat er een kwartier ademloos naar te kijken, maar liet alle hoop varen toen de man zijn hoofd schudde, en wegliep. Galapagos stond stil, maar liet zich toen weer zakken. Zijn hoop was verdwenen. Langzaam stond ik op, en liep richting de bak. Iets trok mij aan, om de bak binnen te gaan. Niet veel later stond ik er midden in. 'Lopen.' Mijn stem klonk scherp, Galapagos stond op, en keek me smekend aan. 'Lopen.' Ik keek hem strak aan, en ik bruisde van woede. 'Lopen zei ik!' Een pijnlijke steek trok door mijn benen. Galapagos schrok van de harde stem en gooide zijn hoofd omhoog, gevolgd door een kreupel stapje opzij. Een beetje maf bleef ik staan. Hij had een stap gezet! 'Goedzo, laat het maar voor vandaag.' Klonk een stem achter me. Ik keek om. Uiteraard, de man stond daar, nog steeds de vreemde blik in zijn ogen. 'Maar het gaat net zo goed!' Ik snapte hem niet, Galapagos had een stap gezet! Waarom nu stoppen? 'Laat hem nu maar. Hij heeft genoeg gedaan.' De man keerde zich, en liep terug naar het landhuis. Teleurgesteld bleef ik achter. Was dit weer een nieuwe start? Ik zuchte, en ging niet veel later ook weer het landhuis binnen. In de woonkamer zat de man met een boek op zijn schoot. Pas toen ik dichterbij was, zag ik dat het een fotoboek was, met prachtige foto's erin. Ze waren oud, en hier en daar een beetje gerafeld. 'Bent u dat?' En ik wees naar een foto rechts van de bladzijde. Er stond een zwart paard op, precies het paard van de stal hier, en een jonge man stond ernaast. He paard vertoonde een prachtige spaanse pas, in een soort podium van zand. 'Ja.' Ik knikte, en bleef aandachtig kijken naar de foto's die kwamen. Ze werden steeds specactulairder, na een aantal bladzijde's stonden foto's van een steigerend paard, een dansend paard met een groep andere paarden eromheen. Elke keer was het dezelfde man, en hetzelfde paard. 'Is dat niet het paard wat hier staat? En bent.. Bent u dat?' Ik beet op mijn lip. De man ergerde zich duidelijk. 'Dat is East Wind. Mijn Andalusische hengst. Dat is inderdaad hetzelfde paard, maar nu heet hij BorderLine. En inderdaad, dat ben ik.' Ik was een beetje verbaasd over zijn reactie. Ik herkende de omgeving, dat was het aller beroemste paarden 'circus'. Er waren prachtige optredens, en alleen met profs. 'Maar waarom zat u dan daar, dat is een onwijs bekend paardencircus! En nu zit u hier verborgen in een landhuis!' De man leek geraakt. 'Die tijden zijn voorbij. Het Circus ging failiet, en ontsloeg iedereen, vervolgens werden de artiesten achterna gezeten door journalisten. Ik werd gek. En ook ben ik de oude niet meer. BorderLine is ook veranderd. We konden de druk niet meer aan. En ga nu alsjeblieft weg, ik heb je even opgevangen omdat ik al vermoedde dat dit paard van jou was, maar over een week moet je weer weg zijn.' Hij sloeg het boek dicht, en liep naar een andere kamer. Verlaten, en verloren zat ik nog in mijn stoel. Al snel herstelde ik mezelf en rolde de trap op. Nog een beetje verward begon ik na te denken. Ik plofte op mijn bed, eb besloot dat het omkleden maar even moest wachten. Ik zat nu dus gewoon bij een beroemde acteur in huis! Maar dat ik volgende week weg moest, was voor mij veel minder fijn. Galapagos kon nog niet lopen, dus zeker niet rijden. En ik wist zeker dat er nog een heel avontuur voor ons lag. Hoe moesten we aan eten komen, en hoe aan geld? En als Galapagos niet kon lopen, werd vervoeren ook erg lastig. Niet veel later stroomde er zoveel gedachte's binnen, dat slapen erg lastig werd.

De volgende morgen was het een uitdaging om mijn bed uit te komen. Het enige wat mij overhaalde, waren de heerlijke geuren uit de keuken beneden. Ik snoof nog eens diep, en strompelde, dit keer zonder steur, naar beneden. In de keuken stond mij inderdaad iets heerlijks te wachten. Ei, met een een heerlijke tosti.'Je bent zonder stoel?' De man trok zijn wenkbrauwen op, terwijl hij de borden oppakte. 'Goed hè? Nu Galapagos nog.' Ik glimlachte even, maar de man zag het al niet meer. Ik liet mee neerploffen op de stoel dichtbij de tafel, en pakte mijn bord.
De man wachtte eerst even, en haalde een zakje uit zijn broekzak. Vervolgens gooide hij die op tafel, naar mijn kant. 'Hier, voor als je hier vertrekt.' Ik bekeek het zakje, legde mijn tosti weer op mijn bord, en opende het zakje waarna mijn mond open viel. Een aantal gouden munten glinsterde in het plotseling ingevallen licht. 'Maar dit kan ik niet aannemen? U heeft de dierenarts betaalt! Het voer, alles!' Ik trok het touwtje strak, waardoor het zakje weer gesloten was. Pas toen merkte ik op dat het zakje van duur leer was gemaakt. De man keek niet op van zijn bord, en nam een flinke hap. Ik merkte dat ik me er maar bij neer moest leggen, en in stilte genoot ik van mijn tosti.
'Gesmaakt?' De man stond op, en pakte mijn bord aan. Ik knikte heftig, en stond ook maar op. Ik strekte mijn rug, en liep naar de deur. Toen ik de deurklink naar beneden drukte, hoorde ik mijn de man. 'Uhm, ik heb het landhuis verkocht. De dag nadat jij vertrekt, is het officieel van de gemeente.' Ik zuchte. 'En BorderLine?' Er kwam geen antwoord, pas toen ik door de deur was, hoorde ik vaag: 'Die is nog niet verkocht.' Ik wist hoe lastig het was om afscheid te nemen van een paard, en dus vroeg ik niet verder. Mijn volgende doel was om Galapagos weer te laten lopen. Met goede moet pakte ik het halster, het touw, en liep richting de stallen. Meteen werd ik begroet door luid gebries. Ik bedacht me dat de paarden nog geen eten had gehad, en dat Galapagos dus nog behoorlijke honger moest hebben, of niet. Toen ik bij zijn box kwam, bleef ik verschrikt staan. Galapagos stond niet in zijn stal! De box stond wagenwijd open, en zijn halster was weg. Ik rende wer naar het landhuis en stormde naar binnen. 'Meneer! Galapagos is weg!' Nahijgend wachte ik op antoord, wat veels te lang duurde. 'Waar heb je gekeken? In de stallen?' Zijn hoofd verscheen om het hoekje van de keuken. Ik knikte bevend. Het hoofd verdween weer. 'Bedenk dan waar je voor het laatst met hem geweest bent.' Woedend sloeg ik mezelf voor mijn hoofd. Tuurlijk, hij stond nog in de paddock! Met dezelfde vaart als daarnet rend eik naar de paddock, waar tot mijn oplushting Galapagos vacht te zien was. Even bleef ik verbaasd staan. Stond hij nou? Blij sprong ik in de lucht, en zakte meteen weer door mijn benen van de pijn. Dat rennen was te veel geweest. Strompelend liep ik naar de paddock. Galapagos bleef staan, maar was duidelijk blui me te zien. Ik pakte het halster en touw van de bakrand en liep naar Galapagos. Eenmaal bij de warme bruine vacht rustte ik uit. Rennen, springen en lopen was onwijs vermoeiend op deze manier. Vermoeid deed ik het halster om, klikte het touw vast, en begon moeizaam te lopen. Eerst stond het touw strak, maar daarna liep Galapagos achter mij aan. Door heel de bak. Ik weet niet of er een beter gevoel was als dat, maar het was zo onwijs geweldig om een eerst heel ziek paard, nu weer te zien lopen op eigen benen! 'Ik denk dat hij gewoon jou mistte, hij heeft zijn vechtlust weer terug.' Verbaasd keek ik naar achter, waar het gedaante van de man stond. 'En jij heb je krachten ook weer terug.' Bij die woorden draaide hij zich weer om, en liep richting de stallen. Ik beloonde Galapagos, en liet de woorden tot mij doordringen, terwijl ik Galapagos terug bracht naar zijn stal.

Eenmaal in de stal vng ik een glimp op van de man, en het mooie zwarte paard, BorderLine. Ik besloot weer een kijkje te nemen bij de bak. Snel verzorgde ik Galapagos, en liep weer naa de bak, waar de man net BorderLine liet draven. 'Het huis is verkocht.' De man zijn blik bleef rusten op het paard. Zuchtend keek ik neer. Ik moest écht weg. 'En uw paard?' Weer keek de man niet op. 'Die is nog niet verkocht.' De man keek met een ijzige blik naar mij toe, wat mij diep deed kleuren. De volgende seconde's gingen snel. Een grote Fazant sprong op uit de bosjes, om vervolgens luid klapperend weg te vliegen. Op dit moment had BorderLine niet gerekent, en sprong opzij, richting de man. 'Nee, hoooo.' Hij sprak rustig, maar ging toen over in een hoestbij. BorderLine gaf eerst een bok richting de man, draaide toen om, en steigerde bij het hoofd. Machteloos keek ik toe vanaf het hek. Ík zag alles gebeuren. Nog even keek de man op, maar kreeg toen een klap van een hoef. Ik rende keihard naar binnen, en greep naar de telefoon. Snel draaide ik het nummer. Nog nahijgend vertelde ik het aan de vrouw die rustig vragen stelden. Het leek uren te duren voor de ambulance kwam.

Het was 12 uur. 12 uur s'nachts, Met een hevig lawaai denderde de regen naar beneden, op de ramen. Eigenlijk moest het heel knus zijn. Maar in deze regen stond BorderLine nog hevig na trillen. Ik kon mijn ogen niet sluiten, elke keer kwam het beeld weer voor me.Hoe de man de ambulance in werd gebracht, en hoe ik moest hopen dat hij nog zou leven. Waarom ik dat hoopte, dat wist ik niet. Ik kende hem niet eens. Vermoeid stapte ik uit het bed en strompelde naar beneden. Ik trok een jas van de kapstok en stapte naar buiten, de koude natte duisternis tegemoet. De regen leek wel in mijn gezicht te branden op weg naar de bak. En bij de bak werd het weer nog slechter. Een enorme donder en een flits erna deden de hemel oplichten. Geschrokken denderde BorderLine door de bak. Wat mij overhaalde wist ik niet, maar langzaam stapte ik de bak in, en liep gauw naar het midden. Het zicht was niet geweldig, en je zag maar vaag schimmen. Elke keer hoorde je de hoeven weer neer komen, met een geweldig lawaai. Ik bleef BorderLine aanstaren, mar mijn schouders neutraal. Regelmatig schoot hij naar binnen, op een aanval voorbereid. Zo snel als mogelijk zwaaide ik mijn armen, en mijn het natte halster. Geschrokken als hij was, deinsde hij opzij, en rende verder. Urenlang. Uren die voorbij gingen in ijskoude wind en regen onderbroken door flitsen en donders. Maar op dat moment hield niets mij tegen. Iets in mij zei dat ik dat paard móest helpen. Pas na ongeveer 3 uur ging BorderLine over op de draf, en begon al gauw gelijkmatig te lopen. Pas toen het zweet bij ons allebei eraf droop, ging hij over tot stap, en stond stil. Stiekem verlangend naar de warme boxen. Het was echter half vijf toen ik BorderLine goed en wel naar stal kreeg. Eenmaal op stal besloot ik hem grondig te verzorgen. Met grote passen liep ik naar de voerkar, pakte borstels en een deken. Tenslotte nog een warme doek en lauw water. Nu eindelijk rustig en tevreden dronk BorderLine an het water, wat jaloerzie opwekte bij Galapagos. 'Hooo, ik kom zo.' Na mijn stem gehoord te hebben, bleef hij rustig en kreeg ook zijn eten.

Toen alle paarden waren vezorgd, was het erf weer vredig. Nog een beetje miezerregen daalde neer, en een lage mist stak op. Overal lagen enorme plassen, en er waren zelfs 2 ramen gebroken. Binnen hoorde ik een bekend geluid. De telefoon! Snel rende ik naar binnen en greep de telefoon. 'H-h-hallo?' Ik slikte even. 'Hallo' een zelfverzekerde stem klonk. 'Ik bel voor Mr Williams. De bewoner van Valiadestraat 15.' Voordat de man verder kon, en het vrolijke gevoel tot me had doorgedrongen schoot de vraag er al uit. 'Hoe gaat het met hem? Goed?' Opgewonden bleef ik luisteren. Even was het stil. 'Hij is stabiel. U kunt hem vanmiddag komen bezoeken. Goedendag.' Een piepende toon kwam in de plaats van de stem. 'Yes!!' Vrolijk sprong ik, en bij de landing greep ik pijnlijk naar mijn benen. Vrij opgewonden liep ik weer naar de stal. Galapagos was duidelijk klaar met eten, dat hoorde je zo. Ongeduldig gebonk kwam uit de bekende stal. Ik glimlachte, het was alsof de wereld weer straalde.


Hoofdstuk 6

Het grote, witte gebouw viel extra op in dit kleine dorp. Nog niet zo lang geleden was ik aangekomen in Hadasj, hier dus. Met nog wat bibbers in de benen stapte ik op het gebouw af. De klapdeuren gingen met moeite open, en in het gebouw was het ontzettend druk. Mensen in roelstollen, mensen met krukken, het bracht je in een treurige stemming. Met nog een diep zucht, en volle twijfels volgde ik de trappen, de gangen, en de balie's tot ik bij de kamer aankwam. Geen deur, geen gordijn, één open ruimte. En daar, nauwelijks herkenbaar, in het enige bed op deze kamer, lag de man. Vince Casand stond er op het smerige bordje voor op het bed. Bij de man zelf zaten allemaal slangetjes en enge dingen. Het liefst rende ik meteen weg, maar na een brok weggeslikt te hebben waagde ik het toch. 'Hallo?'
De bleke oogleden gingen langzaam open, en doffe, bijna zwarte, ogen keken me glazig aan. 'Jij?' De man gaf een kort gnifje. Daarna praatte hij met schorre stem verder. 'Mijn huis is net verkocht, al voordat dit gebeurde. Je moet overmorgen er al uit.' Geen enkel woordje klonk spijtig. Het was één en al hardheid. 'En BorderLine?' Er sprongen bijna wéér tranen in mijn ogen. 'BorderLine? Die is nog niet verkocht.' Hij keek de andere kant op. 'Ga nu maar, ik hoef geen bezoek.' Dat laatste kwam er zo rot uit, dat ik ook gewoon wegliep, wegliep uit het grote gebouw, wegliep van de stomme man.

Toen ik teleurgesteld terugkwam bonkte Galapagos nog steeds tegen de deur. Woedend rende ik richting de stal en bij de box aangekomen keek ik mijn paard woest aan. ‘Stil! Rotbeest.’ Dat laatste kwam er als gemompel uit, maar hij was al genoeg geschrokken van het eerste woord. Geschrokken gooide hij zijn hoofd omhoog en sprong naar achteren. Balend bleef iks taan, kon ik me maar even beheersen. Met nog een redelijk boos gevoel liep ik naar binnen, het grote huis in. Het werd behoorlijk stoffig overal, maar ik vertikte het om schoon te maken. Die man mocht het lekker zelf doen. Ik stampte naar boven, kleede me om, en verga prompt om de paarden te verzorgen. Meteen schoot ik in bed, suf piekerend waar ik toch heen moest.
Na een lange nacht piekeren gaf ik het op, en stapte met vermoeide benen uit mijn bed, trok een beetje fatsoenlijke kleding aan, en liep op mijn gemak naar de stal. Pas in de stal besefte ik dat ik ze de vorige avond was vergeten. Snel rende ik naar de voerkar en gaf hun een extra portie erbij. Vrolijk hapte ze in de voerbakken, Galapagos bleek zich van de vorige avond niets te hebben herrinderd. Maar goed ook. Direct toen de paarden klaar waren zetten ik ze buiten, meste de stallen uit, veegde het gangpad, nam met de stoffer al het spinnedraad mee, en ging vervorlgens weer de paarden halen. BorderLine raakte gewend aan de afwezigheid van zijn baas, maar toch zag je dat hij iets miste in zijn ogen. Of het verlangen of verdriet was zou geen mens kunnen zeggen. Ik aaide de mooie gladde hals, en klikte het touw vast. Juist op het moment dat het hek openstond ging de telfoon. Even radeloos bleef ik staan. En nu? Ik bond met een snelle knoop BorderLine vast, sloot het hek, en rende naar binnen. Precies op tijd om de telefoon op te pakken. ‘Met de logeerder van Valiadestraat 15’Ik grinnikte even. ‘Hallo, ik bel met niet zo goed nieuws.’ Het was weer die vrouw van het ziekenhuis. ‘Mag ik weten wat er is?’ Die dames praatte ook nooit door. ‘Het gaat slechter met uw vader.’ Mijn vader? Ik haalde mijn wenkbrauwen op. ‘Bent u er nog?’ De vrouw klonk nu opdringerig. ‘Ja, maar hij is mijn vader. Het is man die niet om zijn paard geeft en mij morgen uit het huis stuurt.’ De vrouw kuchte even en was even stil. ‘Juist, maar het slechter. Het zou bijzonder zijn als hij de volgende dag zou halen.’ Ik haalde mijn schouders op. ‘Ach, het zou me wat wezen.’ Achteloos legde ik de hoorn op de haak, liep naar buiten, en nam BorderLine weer aan de hand. Alsof hij het altijd al had gedaan draafde Galapagos mee richting de stallen. Pas op weg naar de stallen realiseerde ik me dat die man die mij had opgevangen en Galapagos had gered nu stervende was. Ik voelde ik me niet lekker. Wat had ik gedaan? Ik gedroeg me zo koel, en nu? Een beetje verstrooid zette ik de paarden op stal, en besloot de man te gaan opzoeken. Wat met BorderLine?

Niet heel veel later stond ik weer voor dat afschuwelijke gebouw. Even zuchte ik, maar sjokte daarna weer het gebouw binnen. Ik wist nu ongeveer waar ik moest zijn, al was het soms toch wel wat onduidelijk. Nadat ik weer wat onformatie had gehoord stapte ik dezelfde kamer in. De slangetjes zaten er nu nog steeds in, maar de man die daar lag leek geen man meer. Het was meer een pop. Iets of iemand dat nooit meer wakker werd. Wat twijfelend stapte ik richting het bed. ‘Meneer?’ Geen antwoord. Hij bleef zwijgend liggen. Een traan zocht langzaam zijn weg over mijn wang. ‘Meneer?’ Ik tikte hem even aan, maar schoot meteen achteruit. Hij was koud! Ijskoud!. De machine naast me gaf eentonig zijn hartslagen aan. Eentonig? Even bleef ik goed kijken. En ja hoor, daar was er weer één lager, en weer één, en weer één. Nu waren ze bijna allemaal laag. Nog lager. En in één keer begon het apparaat te piepen. Een hoog storend gepiep. Meteen kwamen er 2 dokters aanrennen, rende weer weg, en kwamen weer terug. Snel werd ik wat onhondig onzij geduwd en kon ik niets meer volgen. Bevend bleef ik naast het bed staan. De handelingen van de dokters waren snel en handig, en waren met geen mogelijkheid te volgen. Alsof ik in deze toestand in staat was om het te volgen. Dat uur kwamen er veel verschillende dokters en zusters de kamer in. Ik mocht weer zitten, maar niks doen. Niet aantikken, niet praten. Dat was best frustrerend, en even dacht ik erover na om weg te gaan. De paarden moesten nog eten hebben, en ik kon het niet even overslaan. Toen ik de kamer uitstapte keek ik nog even achterom. Leek dat maar zo? Even leek hij te knipperen met zijn ogen. Ik schudde mijn hoofd en stapte de kamer uit.
‘Paardjes!’ Ik rende het grind van de oprijlaan op. Vrolijke geluiden klonken uit de stal. Ik grinnikte. Zo was het verzorgen van de paarden leuk, en het deed me meteen de vervelende dingen vergeten. Terwijl ik voor de tweede keer die dag het gangpad veegde hoorde ik buiten stemmen. Verontwaardigd legde ik de bezem neer en liep de stal uit. Een man stond met een ander echtpaar een gesprek te voeren. ‘Pardon? Wilt u even van dit erf af gaan?’ Meteen keken de mensen om en wierpen een verontwaardigde blik. Blozend keek ik neer, en hoorde nu de stem van de voorste man. ‘Aangenaam. Makelaar van de huizenverkoop Den Huizes. Ik heb kopers voor het huis van je vader, of opa? Voor als je het nog niet weet; morgen moeten jullie het huis uit. Dit zijn de kopers.’ Hij wees met één hand naar het echtpaar. Van de lange woordenstroom wist ik even niets uit te brengen. Ik vermande me, en probeerde dan maar zo gewoon mogelijk te klinken. ‘Natuurlijk, mijn excuses. Aangenaam. En het was al bekend dat we weg moesten hier. We zijn al aan het inpakken.’ Ik zette een glimlach op, maar voelde dat ik elk moment de tranen weer vrij ging laten. Ik liep weer naar de stal, en hoorde daar, tussen mijn tranen door, dat de mensen een kijkje namen in het huis. Langzaam liep ik naar de zadelkamer waar tot mijn opluchting 2 paar zadeltassen stonden. Pas nadat de makelaar en het echtpaar afscheid hadden genomen liep ik weer het huis in om mijn tassen in te pakken. Buiten begin wat zachte motregen te vallen, en al snel werd het binnen ook koud. Rillend pakte ik een vest, en stopte het laatste in de zadeltassen. Eten, geld, flessen drinken, zakmes, kleding, en wat andere overige andere dingen waren opgepropt in de kleine tassen. Net toen ik nog een slaapzak wou pakken, ging de telefoon. ‘Met de bewoner van de Valiadestraat.’ Ongeduldig wachte ik op antwoord. ‘Met de zuster van Vince Casand. Ik heb treurig nieuws. Een halfuur geleden is hij overleden.’ Langzaam voelde ik me duizelig worden. Toch moest ik nog wat weten. ‘Heeft hij nog wat gezegt? Over BorderLine?’ Ik wist dat het stom klonk. Een man in die gezondheid is niet echt de spraakzaamste. ‘Tja, daar vraag je wat. Ik hoorde wel wat gemompel toen ik druk bezig was. Iets van Ann mag BorderLine. Maar het was vaag, ik weet het niet zeker.’ Ik hoorde hoe de vrouw twijfelde. ‘Toch bedankt. Ik, uhm, ben iemand die in zijn huis logeerde, dus verder heb ik er niets meer mee te maken.’ Die laatste woorden kwamen niet zonder tranen eruit. Snel drukte ik het gesprek weg en legde de hoorn erop. Allerlei gedachtes vlogen door mijn hoofd. Pas een kwartier later, toen het al begon te schemeren stond ik weer op, om mijn tas verder in te pakken.

De volgende morgen had ik hoofdpijn. Nee, veel hoofdpijn. Oftewel; een kater. Alles leek me pijn te doen. En ik had totaal géén idee hoe dat mogelijk was. Stijf stond ik op, deed mijn klaargelegte kleding aan, en keek nog één keer de kamer rond. Alles was kaal, overal in het huis. Gisteren had ik alles opgeruimd en weggedaan. Alleen het fotoalbum lag nog op de stoel beneden. Ik besloot mijn laatste maal hier te gaan eten, enn meteen het fotoboek te pakken. Beneden kon het eten me maar niet smaken, en bijna was ik het fotoalbum vergeten. Buiten was alles nog donker, en eenmaal in de stal moest ik het licht aandoen om nog iets te kunnen zien. Snel zadelde ik Galapagos op, en legde er één paar zadeltassen bij. Bij BorderLine werkte niets mee. Hij was onrustig, het zadel was te zwaar, en vervolgens kon ik het andere paar zadeltassen niet vinden. Na een tijd geklungel stond BorderLine buiten met bijna alle bagage vasst gebonden en kwam ik met Galapagos naar buiten. Het vroege ochtenddauw prikkelde in je neus, en liet het kippenvel naar boven komen. Geen weer om in te vertrekken, bedacht ik nors. Ik sloot de staldeur en keek voor de allerlaatste keer over het erf. Leeg en verlaten, zonder afscheid van een aardige die heel veel van me had betekent. Pijnlijk sloot ik even mijn ogen en stapte op de vertrouwde rug van Galapagos. Blijkbaar moesten we eerst even wennen, want de eerste passen waren alles behalve netjes. Braaf, alsof hij het altijd al had gedaan, stapte BorderLine naast mij en Galapagos mee. Zonder enig idee te hebben waar we heen moesten stapte ik over de verharde weg. Zeker 2 uren lang.
Al vrij lang waren er alleen maar bomen te zien met hier en daar een verdorde struik. Ik wist dat ik al snel op de open vlakte moest komen, en zo ongeveer 1 dag rechtuit moest rijden om ver verweiderd te zijn van Hadasj. Al snel bleek dat een verschrikkelijke kwelling. De witte hoed op mijn hoofd kon me niet genoeg beschermen tegen de zon, en ook BorderLine en Galapagos waren enorm aan het zweten. Na een tijd besloot ik maar om ernaast te gaan lopen, wat al snel ook te vermoeiend bleek. Ik laste daarom maar een pauze in, en dronk gulzig van de waterfles, die nu al bijna op was. ‘Straks leven we weer goed Galapagos, zeker weten.’ Nogmaals aaide ik de warme huid, en ook BorderLine kreeg nu een aai. Na nog een slok genomen te hebben, stapte ik op en pakte de kaart. We waren nu zeker ver weg van Hadasj, en wat dichterbij Miraq, dat één van de weinige steden was waar ik nog niet was geweest, in mijn verleden. Ik drukte weer zacht mijn benen tegen Galapagos en zag de moed weer komen. ‘Op naar Miraq!’


Hoofdstuk 7

De hoge kerktorens van Miraq staken donker af tegen de heldere lucht. Al van verre kon je de klokken horen luidde die alweer het eerste uur van de middag aankondigde. Zachtjes sjokte de 2 paarden door het warme zand met een oververmoeid meisje op de rug. Langzaam opende ik mijn ogen, en zag de poorten van Miraq dichterbij komen. Ze stonden open, maar zagen er alsnog niet echt uitnodigend uit. Ik ging even rechterop zitten, en verbaasde me over het feit dat we het zo snel hadden afgelegd. BorderLine en Galapagos waren duidelijk vermoeid, maar draafde nog steeds. Voor Galapagos was dit een ontzettend grote vooruitgang. Ik glimlachte, en hield hem in. Langzaam stapte we door de zwart met rode deuren. Geen enkele wachter keek vreemd op, en niemand keek me boos aan, heerlijk zo’n gevoel. Ik zocht een motel op, met een kleine stal. Het was me niet gegunt. Overal waar we aanklopte was het vol, of we waren er gewoon niet welkom. Uieindelijk vond ik, in een doodlopend straatje, een perfecte hoek. Er waren kranten, en het stonk er niet heel erg. Galapagos en BorderLine bleken het wel jammer te vinden dat ze niet even konden liggen, maar mijn schuld was het niet. Die avond sliepen we gedrieën in met een knorrende maag.
De volgende morgen kon je nu niet echt leuk noemen. Iedereen keek vreemd op toen ze een jong meisje met 2 paarden in een hoekje zagen liggen. Ikzelf was er nu ook niet echt vrolijk onder. Sagerijnig haalde ik een appel uit een zadeltas, en had er 3 happen van, waarna ik het aan de paarden gaf. Ook hun bleken niet helemaal fit te zijn. Toch was er één hoogtepunt deze vroege morgen. De afgelopen nacht was een trein langsgeraasd. Eerst was ik mopperend wakker geworden, maar nu had ik een geweldige ingeving. Een trein, hierzo, betekende een station. Een station en trein betekende vervoer, en vervoer betekende dat we niet meer hoefde te stappen door de droogte van de woestijn. Ik hees me in het zadel, zodat ik meteen een kijkje kon gaan nemen. Ik bond het halstertouw van BorderLine weer aan mijn zadelknop, en begon langzaam door de vroege drukte heen te stappen. Hier en daar kwamen boze woorden mijn oren in, maar die vlogen er meteen weer uit. Zeker toen het station in zicht kwam. Eerst was het een silhouet, maar naarmate je dichterbij kwam, was het een drukte van belang om in de volgende aankomende trein te kunnen. In het station stapte mensen behoedzaam opzij toen ik aankwam. Neerbuigend keek ik vanaf Galapagos neer op de menigte, die mij zonder enig commentaar voor lieten gaan. Daar kwam de volgende trein met luid gebrul aangestormd. Tot mijn opluchting bleven de 2 paarden staan, al keken ze wel even angstig op. Ik reed naar achteren, waar de wagon was voor het vee. Een plank bracht ons in de wagon, en in de wagon kon ik Galapagos vastbinden. Ook BorderLine kreeg een stevige knoop. Ik besloot om bij de paarden te blijven, en al snel begon de trein weer te rollen. Eerst was het voor ons alle drie onwennig, maar gelukkig wende het al snel. Ik pakte mijn slaapzak, en viel in slaap op het zachte stro en de warmte van mijn slaapzak.
Een ijzige kou sneed in mijn wangen, maar vrolijkte mij juist op. Dit was Rusland, het land waar mijn bestemming was. Het land had me altijd al aangetrokken, vanwege de eeuwige sneeuw. Dat was in ieder geval wat ik altijd opving. Ondertussen was ik bijna door al mijn geld heen, aangezien ik nu al drie dagen reisde met de trein. Ook mijn eten kon niet lang meer mee. Maar in Rusland wist ik wel weer aan geld komen, vast en zeker! Piepende remmen brachten de trein tot stilstand, en voorzichtig, met verkleumde handen, legde ik de slaapzak op BorderLine’s rug. Snel maakte ik de paarden los, en sprong op Galapagos’ rug. Toen de deur openging stapte ik naar buiten. Een witte wereld staarde mij tegemoet. Ik reed naar een man op het station, en kocht van mijn laatste geld een kompas en een kaart van Rusland. Na het even bekeken te hebben reed ik van het station af, op naar de nieuwe wereld!

Al uren reed ik door het donkere bos. Alle drie hadden we het koud, en hongerig. Geen eten, en sneeuw die bleef dalen. Ik begon onderand te beseffen dat Rusland helemaal niet zo leuk was. Mischien wel mooi, maar alles behalve prettig. Toch moest er volgens de kaart vlakbij een dorpje zijn, al dacht ik dat een kwartier eerder ook al. Verrasd keek ik op toen een klein herdershutje tevoorschijn kwam. Er stond een houten hek bij, waar een koe aangebonden stond. Ik besloot de paarden er vast te maken, en bij de bewoners vragen of zij me konden helpen. Al een stuk warmer bond ik de paarden vast, legde een deken over ze heen, en liep naar de deur van het huisje. ‘Hallo?’ Na drie keer kloppen werd de deur opengedaan. Een klein verlegen stemmetje zei iets, waarschijnlijk in een andere taal. Verbaasd keek ik naar de onderkant van de deurpost. Een mager jongetje keek me met grote ogen aan. ‘Hello?’ Probeerde ik opnieuw, nu in het engels. Het jongetje keek me weer aan, sloot snel de deur, en nog net horde ik hoe hij het op slot deed. Balend ging ik op de kist zitten naast de deur. En nu? Ik had écht honger, en verder reizen was veels te koud. ‘Who are you?’ Een donkere stem, toch vriendelijk, schrok mij op uit het gepeins. ‘Hello?’ Ik keek nu naar een vriendelijk, gerimpeld gezicht. ‘I’m Ann, I am very hungry, and my horse too.’ Ik wees daarbij naar mijn 2 suffende paarden. De man knikte en gebaarde me naar de deur. De man klopte 3 keer en daarna nog 1 keer, waarna de deur werd opengedaan. Hetzelfde jongetje, nu met een glimlach, deed de deur open, zodat we naar binnen konden. De man zei iets tegen het jongetje, waarbij hij mijn naam noemde, en iets met paarden. Het jongetje knikte en verdween naar een andere kamer. ‘Why are you here?’ De man ging zitten en gebaarde dat ook ik plaats kon nemen. ‘I want too get a job in the city.’ Ik zei het zo, dat het eruit kwam alsof het de normaalste zaak was. De man grinnikte even. ‘Here? In this country? No way.’ Hij grijnsde nog een keertje. Daarna vertelde hij de geschiedenis over Rusland, en dat je nu nergens meer veilig was. Ondertussen kreeg ik te eten, en thee. ‘But why is it not safe?’ Ik had zoveel vragen, maar weinig verstand van engels. ‘Because of warr. They are everyware.’ Nu was het mijn beurt om vragend te kijken. ‘What is everywere?’ De man keek me niet begrijpend aan. ‘The army ofcourse.’ Hij glimlachte even, maar keek daarna meteen weer serieus. De man vertelde, na veel onderbrekingen, dat hij zijn dochter en vrouw was kwijtgeraakt, en zijn huis plus 2 dure paarden. De paarden werden afgepakt voor het leger, er waen nog maar een aantal paarden in Rusland die niet in bezit waren van het leger. Dit was even slikken. Ik keek naar buiten waar BorderLine en Galapagos braaf stonden te eten van het hooi wat was neergelegd. Als de legers hier kwamen, dan werd de koe, de man zelf, en het jongetje meegenomen, om in het leger te gaan. Ze zouden verloren zijn. Als ze nog een paard hadden gehad, knden ze vluchten, nu niet meer. De haard ging aan, en verspreide een warme lucht. De man zei dat ik maar beter kon slapen, zodat ik morgen weer verder kon. Dat aanbod sloeg ik niet af, en viel vrijwel direct in slaap.
De volgende morgen werd ik rillend wakker. Het jongetje en de man zaten aan hun onbijt, en ik besloot om ook maar te gaan eten. Na me omgekleed te hebben schoof ik aan. ‘I made a decision. I have two horses now, so you can have BorderLine, the black horse over there.’ Ik wees naar BorderLine, die steunend tegen Galapagos aanstond. De man keek me eerst vreemd aan, maar gaf me daarna zo’n sterke omhelsing dat ik moest happen naar lucht. De man grijnsde, en legte het uit aan zijn zoon. Niet veel later zetten ik de bagage van BorderLine op Galapagos rug. Ik aaide nog één keer het hoofd van BorderLine. ‘Sorry jochie, maar jij kunt deze mensen helpen.’ Ik kon nog net een traan onderdrukken, en besloot te vertrekken, mijn laatste herindering aan Vince achterlatend. Ik stapte weg, nadat ik de 2 mensen uitgebreid had bedankt. Galapagos had het zwaar. Deze extra bagage maakte hem moe, en niet veel later besloot ik dan ook maar om ernaast te gaan lopen. Dit bleek beter te gaan, en terwijl ik oplette of ik geen leger zag, kwamen we langzaam vooruit door de hoge sneeuw. Vermoeid zette ik nog een paar stappen. Het leek wel of alles bevroren was. Ook Galapagos was meer een ijsje geworden. Ik grijnsde even, waarna ik hem de 2de deken opdeed. Bezorgd keek ik om me heen. Ik had weer wat geld gekregen ik had wat eten, en wat drinken. Maar als de volgende stad niet snel kwam, was ik verloren. Ik aaide Galapagos nog even, en ging op zijn rug zitten. Mischien was het goed als ik ging draven, dan werd hij wat warmer. Dus dreef ik hem aan en zat niet veel later in een heerlijke gelijkmatige draf. Alleen Galapagos bleek het niet geweldig te vinden. Bij elke pas leek hij zwakker te worden. Peinzend keek ik om me heen. Leek dat maar zo? Achter een rij bomen, bijna onzichtbaar, stond een klein huisje, met een klein stalletje erachter. Ik manuvreerde door de bomen, Galapagos achter me aan. Bij het huisje plaatste ik Galapagos in het stalletje. Het was klein, en sommige planken waren verrot. Het stonk en was zeker 10 jaar niet gebruikt. Toch namen we er allebei genoegen mee. Ikzelf liep naar het huisje, wat er zelfs iets erger uitzag. Het stonk, was er koud, en was ook lang niet bewoond. En toch was het wat. Ik legde het zadel ergens in de hoek, en pakte een lucifer en een kaars uit één van de zadeltassen. Nadat die op een tafetje waren geplaatst, aangestoken en al, was de ruimte al iets opgevrolijkt. Buiten begon de maan al zichtbaar te worden, en de kou nam toe. Na wat gegeten te hebben legde ik mijn slaapzak neer en viel in slaap op de verharde grond.
________________________________________

Uhm? Heel mischien reactie's of tips?

Lontje

Berichten: 9350
Geregistreerd: 01-04-05
Woonplaats: pak de kaart van NL, hou hem voor je en kijk recht vooruit... daar woon ik!

Link naar dit bericht Geplaatst: 23-10-09 11:49