[VER] van lang, lang geleden it returned: fight of freedom!!

Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
secricible

Berichten: 26491
Geregistreerd: 07-07-04
Woonplaats: Maasbommel

[VER] van lang, lang geleden it returned: fight of freedom!!

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 30-04-09 23:43

Poeh, poeh... Dit gaat echt de langste post worden die ik ooit op bokt heb geplaatst }:0
Ooit, heel lang geleden, zo'n 4 of 5 jaar ongeveer begon ik aan een verhaal te posten hier op bokt, fight of freedom. Ik was toen al een eeuwigheid bezig, maar het wilde niet vlotten om eerlijk te zijn...
Nu, vandaag, ben ik weer opnieuw begonnen om het af te ronden. In verhuizingen en computerwissels ben ik alles kwijt geraakt dat ik ooit gemaakt heb, inclusief mijn schitterende einde, waar ik zo blij mee was, dit hoop ik dus echt nog terug te krijgen.

Even nog wat vooraf: De eerste 12 hoofdstukken heb ik dus echt al jaren geleden geschreven, toen ik een jaar of 15/ 16 was. Ik WEET dat hier een hele hele heleboel aan schort en als alles af is ga ik hier eens overnieuw naar kijken, hopelijk kan ik dan eens even flink de bezem er doorheen halen. Kritiek mag, maar ik weet niet of dit heel veel zin heeft. Hoofdstuk 13 heb ik nu pas weer geschreven. Aangezien het weinig zin heeft alleen dat te posten voor tips, dus ook de rest ;)

Fight of freedom (oftewel FoF) begon ooit als een schrijverstest voor mezelf, waarbij ik wilde proberen in een ik-vorm te schrijven en bovendien in tegewoordige tijd en zo had ik nog een aantal eisen (bijvoorbeeld 2 pagina's per hoofdstuk). Dit bleek niet bepaald gemakkelijk te zijn, maar ik heb sommige dingen doorgezet en sommige laten vallen (zoals de 2 pagina's per hoofdstuk). Doordat het eigenlijk nooit bedoeld was om als verhaal te verschijnen zijn de eerste paar hoofdstukken wat schots en scheef op elkaar gezet, er gebeurt een hoop zonder eigenlijk doel en pas toen ik ontdekte dat het een best wel oke verhaal was ben ik er een plot bij gaan maken. Een beetje omgekeerde wereld. Ik beloof dus dat ik het begin nog eens aan zal pakken en zal herschrijven ;).
Bokt vond het toen echter al prachtig en dus vond ik dat ik het nu maar eens opnieuw moest posten (de modjes krijgen een hartaanval als ik dat andere topic weer open denk ik, dus vandaar ;)) Ik hoop beterschap te kunnen beloven. In ieder geval begint over 10 weken mijn zomervakantie en dan heb ik aaaaaalllleee tijd om te schrijven :P Veel plezier enneh, het is altijd leuker om te schrijven als je veel reacties krijgt :P Oneliners mogen via PB hoor ;)

Als laatste: laat je niet afschrikken door de grote hoeveelheid tekst, als je een stukje leest en daar feedback op geeft is het wat mij betreft prima ;) Ik houd gewoon van tips :P

Citaat:
Hoofdstuk 1:

Langzaam kom ik bij, ik kan me niet bewegen. Ik heb geen gevoel meer in mijn armen, na een tijdje merk ik dat ze op mijn rug zijn vast gebonden. Mijn ogen zijn bedekt, of de ruimte is totaal zwart. Ik probeer te schreeuwen. Een stuk tape smoort mijn gil.
Paniek overmant me, maar ik onderdruk het. Wat was het laatste wat ik me kan herinneren voor ik hier wakker werd?

Het was ongeveer 3 uur. Ik zocht mijn fiets. Iemand had hem verzet, dus ik moest eventjes zoeken. Mijn huis stond een stuk buiten het dorp, ik moest het laatste stuk alleen fietsen over een verlaten landweggetje. Dat deed ik al 3 jaar, ik raakte er aan gewend. Maar vandaag was anders. Ik werd ineens van mijn fiets gesleurd. Auto’s raasde langs, niemand schonk aandacht aan mij. Langzaam werd het zwart om me heen.

Waarschijnlijk had iemand mij verdoofd, slaapgas, wat dan ook. Nogmaals probeer ik te gillen, maar het heeft geen nut. Waar ben ik? Om mij heen is het stil, behalve een gezoem, een bekend gezoem. Ik kan het niet thuis brengen. Ineens beweegt alles om mij heen en ik weet het: ik lig in een auto. Plots klinken er stemmen.
“Ze is wakker” Ik ken de stem niet. De stem klinkt zwaar.
“Ik hoor het. Het is nog een eind. Je hebt haar te weinig gegeven.” Nog een onbekende stem. Hij klinkt verwijtend naar de andere. Te weinig wat? Ik hoor iemand over de bank schuiven. Even is het stil, het volgende moment voel ik een sterkte geur en wordt er iets tegen mijn neus aangeduwd. Chloroform! Ik probeer niet door mijn neus te ademen, maar door de tape om mijn mond kan ik niet anders. Langzaam val ik terug in het zwarte gat.

Als ik weer wakker word, kan ik me eerst niet herinneren waar ik ben. Na een tijdje komen de gedachtes terug. Niet dat het wat uitmaakt, nu weet ik het nog steeds niet.Mijn armen en benen zijn nog steeds gebonden en ik zie niets. Ik hoor geen motor meer, dus staat de auto stil of ben ik ergens anders. Maar ik voel niet meer het leer van de bank, maar een koude betonnen vloer. Waarschijnlijk het laatste dus.
Wat ging er gebeuren? Ik probeer niet in paniek te raken. Doodsbang blijf ik liggen. Meer kan ik trouwens ook niet. Wat gaat er gebeuren? Waarom hebben ze me ontvoerd? Mijn ouders zijn niet rijk ofzo. Een andere reden kan ik niet bedenken.
Om mij heen is het stil. Het verontrust me, ben ik alleen hier? Of zouden ze zich gewoon stil houden, zaten ze ergens boven en hadden ze me in een kelder achter gelaten. Ik probeer te gillen: ieder teken van leven zou goed zijn, het maakt niet uit wie er zou komen. Het geluid klinkt schel in de stilte, ondanks de tape die het grootste deel van de schreeuw dempt, maar dat maakt me niet uit. Zolang ze me maar horen. Verder blijft alles stil, er komt geen reactie.
De tijd verstrijkt, ik weet niet hoe lang het duurt. Minuten, uren. Misschien wel dagen. Ik begin de hoop te verliezen, zouden ze me hier achter laten? Waarom hebben ze me dan meegenomen? Zelf loskomen is onmogelijk.
De deur gaat open. Ik blijf doodstil liggen, bang voor het onbekende. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit zo bang ben geweest. Iemand tilt me op en gooit me over zijn schouder.
Stil blijven liggen, ze doen me toch niets als ik niets kan?
Net als ik me af begin te vragen waar ik terecht kom, word ik hard op de grond gegooid. Ik kreun even van de pijn. Het volgende moment bedenk ik me hoe stom dat was: ik had mezelf verraden.
“Ik zei het toch, ze mankeert niets. Ze is wakker” de zware stem weer
“Ik wil eerst weten wat ze opbrengt” Deze stem had ik nog niet gehoord, hij heeft een zwaar accent, wat ik nog nooit eerder heb gehoord. En wat werd er bedoelt met opbrengen?
“Het is graag of niet”
Iemand zucht.
“goed dan”
Het touw om mijn enkels wordt doorgesneden en iemand duwt me vooruit. Bijna struikel ik over de drempel. Aan de wind te voelen sta ik weer buiten. Iemand duwt me de auto in, duwt me op mijn knieën en sluit de portier. Wat gebeurde er allemaal? Mijn gedachten dwalen af naar mijn moeder, zou ze me al aan het zoeken zijn?

Mijn moeder stond in de keuken met de telefoon in haar hand. Ze was in paniek. Een rustige stem klonk aan de andere kant van de lijn.
“Wat kan ik voor u doen?”
Duidelijk opgelucht begon mijn moeder te vertellen
“mijn dochter is vandaag niet thuis gekomen na school.”
“waarschijnlijk is ze gewoon met een vriendinnetje mee, maakt u zich geen zorgen”


Ik en een vriendinnetje, ik heb nooit vriendinnetjes gehad op school. Ik ben altijd een buitenbeentje geweest en dat bevalt me goed. Ik houd er niet van om allemaal mensen om me heen te hebben. Alleen ik en soms een klasgenootje, voor een opdracht. Dan ontdekken ze dat ik toch best gezellig kan zijn, maar gewoon erg stil ben.

“Mijn dochter gaat bijna nooit naar vriendinnen toe en als ze dat wel doet belt ze eventjes. Er is iets gebeurt”
“Goed mevrouw, sinds wanneer is ze weg?”
“Sinds vanochtend 8 uur, toen ze naar school ging”
“Hoe laat is ze normaal dan thuis?”
“Rond half 4”
“We zullen er werk van maken”


Natuurlijk deden ze dat niet en mijn moeder zou valse hoop krijgen. Misschien dat ze overmorgen eens op zouden bellen om te vragen of ik al thuis was. Zou ik dan thuis zijn? Waarschijnlijk niet.
De auto start en met een schok val ik opzij. Ik durf niet overeind te komen en blijf liggen. Ik vraag me af waar ik ben en waar ik naar toe ga. Wat er gaat gebeuren. En wat er bedoelt was met opbrengen? Zouden ze denken dat ik hele rijke ouders heb? Dat ze miljoenen losgeld zouden betalen voor mij? Wat zou er dan gebeuren als ze er achter kwamen dat dat niet zo was, dat mijn ouders een gewoon gezin waren, niet arm, maar ook niet rijk.
Ik kan me het beste zo rustig mogelijk houden. Dan vind ik vanzelf een antwoord op alle vragen.


Citaat:
Hoofdstuk 2:

De auto stopt. Iemand grijpt me vast en trekt me de wagen uit. Ik beland met mijn knieën op de grond, maar wordt meteen meegesleurd. Waarschijnlijk naar binnen. Ik hoor iemand een deur openen en ik word naar binnen geleid. Iemand dwingt me op mijn knieën en snijdt de doek om mijn ogen los. Dan loopt hij weg. Ik kruip in een hoekje van de ruimte en kijk om me heen. Een kleine grijze ruimte. Nauwelijks 2 bij 2 meter. Rechtop staan is niet mogelijk, ik moet me al bukken als ik gewoon zit. De muren zijn van beton. De deur die ik open hoorde gaan blijkt een celdeur te zijn. Het is er schemerig, tussen de tralies door valt een klein beetje licht. Kan iemand mij vertellen wat de bedoeling is?
Langzaam verstrijkt de dag, er komt bijna niemand langs. En als er iemand langs komt schenkt deze geen aandacht aan mij. Mijn polsen doen zeer en ik begin honger te krijgen. Aan de streep licht die zich verplaatst zie ik dat langzaam maar zeker de dag verstrijkt. Dan is het helemaal donker. Slaap overmant me en is zelfs sterker als mijn honger. Langzaam val ik in slaap.
Als ik wakker word is het nog steeds donker. Ik vraag me af waar ik wakker van ben geworden en kom er dan achter dat het komt door het rommelen van mijn maag. Ik heb gigantische honger. De laatste keer dat ik had gegeten was voor school, minstens een dag geleden. Misschien wel 2, of 3. Toch val ik weer in slaap en word pas weer wakker als het een dunne straal licht naar binnen schijnt.
Dit keer is niet mijn buik de reden, maar de deur die open gaat. Iemand komt binnenlopen. Hij heeft een zwarte bivakmuts op. En hij heeft, tot mijn grote verbazing, een bord en een beker bij. Eten! Hij snijdt de touwen om mijn polsen door en trekt de tape van mijn mond. Dan schuift hij het bord voor me neer. Ik val meteen aan op de armzalige brokjes brood. Waarschijnlijk gewoon restjes die de anderen niet op hadden gekund, maar dat maakt me niet uit. Binnen een paar minuten heb ik het eten naar binnen geschrokt, maar het zorgt er alleen voor dat ik meer honger krijg. Maar het bord is leeg en de man loopt weg, de deur achter zich dicht gooiend.
Mijn armen zijn vrij en doen lang niet meer zoveel pijn. Er staan rode striemen overheen van de touwen. En nog steeds geen uitleg, geen verklaring, waarom ik hier ben. Langzaam verstrijkt de dag, zoals de vorige dag, niemand die aandacht aan me besteed, niemand die me iets verteld, geen fatsoenlijke maaltijd, helemaal niets. Dagen gaan voorbij, misschien meer. Ik kan het niet meer bijhouden.
Een man komt op me aflopen, zonder wat te zeggen sleurt hij me aan mijn arm mee. Ik durf niet tegen te stribbelen en loop mee zonder te vragen. Misschien dat ze me vandaag vertellen wat er aan de hand is. Maar eigenlijk weet ik beter. Ondertussen vraag ik mij af wat voor gebouw dit is. Het ziet er uit als een soort legerkamp, alles is van beton gemaakt. Ruimtes zijn kil ingericht.
Ik kom in een grotere en ruimere kamer. Er staat een bureautje in de ruimte en ze hebben geprobeerd het een beetje gezellig te maken. Zonder succes. Achter het bureautje zit een man, maar door het weinige licht dat in de kamer schijnt kan ik zijn gezicht niet zien.
De man achter me dwingt me op de grond te gaan zitten, bindt mijn handen achter mijn rug vast en blinddoekt me.

Mijn moeder deed de deur open, voor haar stond de postbode met een pakketje. Ze pakte het aan en liep er mee naar binnen. Binnen pakte ze het pakje uit, er zat een videoband in.
Een beetje verbaasd stopte ze de videoband in onze videorecorder. Alleen ruis. Ze was al onderweg naar de videorecorder om hem uit te zetten, toen er een beeld verscheen.
Op het scherm was een grote grijze kamer te zien, helemaal van beton. In een hoek stond een bureautje. En, tot haar grote schrik, haar eigen dochter, gebonden en geblinddoekt voor het bureautje. Een man stond naast haar. Hij hield zijn geweer op haar gericht.
Ze kon het niet, ze kon niet verder kijken. Maar ze moest. De man naast haar dochter begon te spreken en vertelde zijn eisen.
Mijn moeder rende zo snel mogelijk naar de telefoon en belde de politie op. Ze had nu bewijs. Ze vertelde het hele verhaal, de politie beloofde meteen te komen


“Alles is goed met mij. Ik mankeer niets. Mam… Schiet alsjeblieft op.”
Ik voel het pistool tegen mijn slapen. Ik wil niet dat mam ze betaald, ik wil niet dat ze aan hun eisen voldoet. Maar wat kan ik anders? Ik zit hier in een kaal gebouw, heb geen idee waar ik ben, en er is een pistool op me gericht. Waarom voel ik me dan toch schuldig?
Laat haar alsjeblieft naar de politie gaan, zoals in al die series. Dan hoeft ze niets te betalen en niets te doen en kom ik toch thuis. Dat zou geweldig zijn. Helaas is de werkelijkheid niet zo. Waarschijnlijk kom ik hier nooit meer weg of zullen mijn ouders voor altijd moeten blijven betalen. En zal een van de ergste criminelen weer op vrije voeten komen. Waarom hadden ze mij uitgekozen? Niet een of andere belangrijk persoon met macht.
Ik begin aan de touwen te trekken, het is verdomme niet eerlijk. Ik heb ze niets gedaan. Wat heb ik te maken met een of andere idioot die in de gevangenis zit? Het pistool wordt dichter tegen mijn slaap gezet.
“Ik zou uitkijken als ik jou was”
Het had ook geen zin, ik zou hier nooit wegkomen. Iemand greep mijn arm en trok me overeind, waarschijnlijk zou hij me brengen naar het kleine muffe hokje. Er was maar één lichtpuntje te vinden in mijn gedachtes: ik wist nu waarom ik hier was.


Citaat:
Hoofdstuk 3

Meer tijd verstrijkt langzaam, ik kan het al lang niet meer bijhouden. Mensen lopen dagelijks langs, soms zie ik andere kinderen van mijn leeftijd langskomen. Maar achter geen enkele loopt een bewaker of wie dan ook.
Iemand maakt het deurtje open en trekt me naar buiten. Het is nog donker buiten, maar een oranje gloed komt al van achter de horizon tevoorschijn. De man duwt me het gebouw uit, buiten zijn meer kinderen. Van mijn leeftijd, maar ook jonger, zeven of acht. Ik word de vrachtwagen in geduwd. Iemand snijdt het touw om mijn polsen door. Ongeveer een half uur later rijdt de vrachtwagen weg. We zitten met zo’n 50 opeen gepakt. Ik voel me als een stuk vee, op weg naar het slachthuis en neem me voor vegetariër te worden. De reis duurt niet lang. Even later staat de wagen stil. De klep wordt omlaag gehaald en we worden de vrachtwagen weer uit gejaagd. Dan verdelen ze ons in groepen van ongeveer tien en leiden ons op deze manier het gebouwtje in, wat voor ons staat. Binnen staat niets meer als een groezelige lift. Hij lijkt wel 100 jaar oud en alles behalve veilig. Er is nauwelijks plaats voor 5, toch worden we met alle 10 erin geduwd. Langzaam zakt de lift omlaag, piepend en met veel moeite. De grond komt steeds dichterbij en om ons heen worden lange schachten zichtbaar. We zitten in een mijn! Schokkend komt de lift tot stilstand. Onder staat al iemand te wachten.
Ik krijg een pikhouweel in mijn hand geduwd. Langzaam wordt de groep kleiner, mensen worden andere gangen in gestuurd of worden door een ander tot stilstand gedwongen. Ik onderga hetzelfde lot, iemand pakt me aan mijn kraag en dwingt me tot stilstand. Hij bindt een ijzeren ketting om mijn been en loopt dan weg. Ik kijk rond, om mij heen zijn meer kinderen, ik zie het meisje dat naast mij zat in de vrachtwagen. En iedereen is steen aan het hakken. Hele gangen door de mijnen heen. Gemaakt door kinderhanden. Die mensen moesten gek zijn, dat kon niet anders.
“AAAH” Ik zak neer op mijn knieën, een brandende pijn striemt mijn schouder. Ik kijk achter me. Een man met een zweep in zijn hand kijkt me aan. Naast hem staat een gevaarlijk uitziende hond.
“Ga je nog beginnen?”
Ik pak de pikhouweel vast en begin op de stenen te slaan. Zonder richting, zonder doel. Niet nadenken, hakken. Alleen hakken. Langzaam verschijnt een gat voor me. Hakken. Niet stoppen, geen eten, geen drinken. Mijn tong lijkt van leer. Mijn armen zijn gevoelloos. Ik ben uitgeput.
Ik zak neer op mijn knieën, ik ben kapot, ik ben doodmoe. Op handen en knieën probeer ik op adem te komen. Maar niet lang. Een striemende pijn trekt weer door mijn lichaam en ik kom overeind. Een meisje loopt langs, ze heeft een schep in haar hand, achter haar een meisje die een kruiwagen duwt. Ze kijkt me aan.
“Je bent nieuw hier he?”
“Ja, hoe weet je dat?” Ik kijk haar aan. Haar gezicht is zwart van het vuil en ze kijkt vermoeid uit haar ogen, alhoewel haar lichaam er uit zit alsof ze pas net is begonnen. Ze heeft lang zwart haar, maar dat zou ook kunnen komen van het vuil. Haar leeftijd schat ik op 16, een jaar ouder als ikzelf.
“Omdat je nu al moe bent. Dat hebben alleen de nieuwelingen. Je went er vanzelf aan.” Ze glimlacht zwak.
”Ik moet nu verder.” Zonder verder wat te zeggen loopt ze verder. Er vanzelf aan wennen… Ik vraag me af hoelang zij dit werk dan al doet. Weken? Maanden? Misschien wel jaren? Ik heb kinderen zien lopen van zeven jaar, zat ze hier al 9 jaar?
Ik zie weer een bewaker naderen en hak verder, zo goed en kwaad als het gaat. Een klein meisje loopt langs, waarschijnlijk net 6. Ze heeft een tas in haar hand. Een bewaker loopt naar haar toe en trekt het tasje ruw uit haar handen. Zonder de man aan te kijken, draait het meisje zich om en verdwijnt net zo snel als ze gekomen is. De man haalt een pakje broodjes uit het tasje en begint te eten. Ik voel mijn maag knorren, maar onderdruk het gevoel. De restjes brood en vlees geeft hij aan de hond. Dan komt er een grote thermoskan uit de tas. Ook deze wordt leeggedronken. Hij kijkt me even aan, een gemene glimlach verschijnt op zijn gezicht. Ik draai me om en ga verder. Ik vraag me af tot hoe laat dit door gaat. Mijn handen zijn rood en er beginnen blaren te vormen. Ik scheur een stuk van mijn shirt af en wikkel dat om mijn handen. Het gat in de wand begint steeds groter te worden, ik vraag me af waar het voor dient. Wat er uit deze mijnen gewonnen wordt. Ik ben geen steenkool tegengekomen, geen goud of diamanten, helemaal niets. Ik vraag me af hoe het met mijn moeder gaat en of de politie me al op het spoor is.

Mijn moeder zat in een klein kamertje, een politieagent zat tegenover haar, aan een tafel.
”We hebben uw dochter nog niet kunnen vinden. De enige aanwijzing die we hebben, is dat deze ontvoering veel lijkt op een aantal andere die we hebben meegemaakt.” De agent keek haar ernstig aan.
”En waar hebben jullie die kinderen gevonden?” Mijn moeder leek meer hoop te krijgen. De agent daarentegen steeds minder. Het maakte mijn moeder zenuwachtig.
”Deze kinderen zijn tot op de dag van vandaag niet teruggevonden. Het is niet duidelijk of ze nog leven. Natuurlijk is er in dit geval veel meer hoop op, omdat we de eisen kennen. Maakt u zich niet te druk. Zolang we contact hebben met de ontvoerders is er nog hoop.”
Mijn moeder had haar handen voor haar mond geslagen en was in huilen uit gebarsten. Niet duidelijk of ze nog leven…. Haar dochter mocht niet dood zijn…


Een schril fluitje klinkt door de gangen. Een bewaker komt aanlopen, hij maakt de riem om mijn enkel los en trekt me aan mijn arm mee, met de rest. De krakende lift brengt ons weer boven. Het is nu donker buiten. Ik kijk omhoog, boven me stralen de sterren helder. Ze lijken naar me te lachen. Ze geven me troost en een klein beetje hoop. Een klein beetje hoop, dat weer vervliegt als ik een tijdje later weer alleen in de kleine ruimte zit.


Mijn gevangenis……


Citaat:
Hoofdstuk 4

Met een hard gepiep gaat de deur open. Ik kijk op. Een man van ongeveer 35 jaar kijkt me aan. Ik durf hem niet aan te kijken, tot hij zijn hand uit steekt. Zijn ogen staan warm, niet kil en vals, zoals alle andere mensen die ik heb gezien tot nu toe.
“Ik zal je hier uit helpen, volg me.” Zijn stem klinkt vriendelijk. Ik voel wat warmte in mijn lichaam terug komen. Mijn hart zegt hem te vertrouwen. Op handen en voeten kruip ik uit het hok, als een geslagen hond, die een nieuw baasje vind: bang, hopend op wat vertrouwen.
“Wacht hier” Hij loopt de gang door en legt een stapeltje bankbiljetten neer op een tafeltje. Bovenop legt hij een briefje. Hij pakt mijn hand en neemt me onder lichte dwang mee naar buiten. Ik voel me als een klein kind dat verdwaald is. Ik vertrouw hem, hij zal me thuis brengen.
Hij maakt auto open en ik stap in. Zelf stapt hij voorin en hij rijdt weg. Op het klokje voorin zie ik dat het 3 uur is, midden in de nacht. Het gezoem van de auto maakt me kalm. Ik ontspan. Naast me ligt een deken. Ik spreid hem over mijn schouders. Mijn lichaam voelt zwaar, langzaam val ik in slaap.

Als ik wakker word, raak ik in paniek. Waar ben ik? Na een paar seconden komt alles terug naar boven, ik was gered, ik zou naar huis gaan. Ik kijk op het klokje, het was al 5 uur, we reden al 2 uur. We moesten er toch bijna zijn?
“Hoe lang is het nog?” Mijn stem klonk hees, bijna onherkenbaar. “Ik verlang mijn ouders weer te zien.”
“Je ouders? We gaan niet naar je huis. We gaan eerst langs mijn huis. Daar zijn we zo.” Ik begin in paniek te raken. Niet naar huis? Toch protesteer ik niet. Hij zal me daarna toch wel naar huis brengen, dat weet ik zeker.
In een gure straat stopt de auto. Samen lopen we naar binnen. Het huis ziet er niet zo uit als ik verwacht zou hebben. Het is kaal, totaal niet gezellig. Hij pakt mijn hand en neemt me mee naar boven. Ik zie een kleine slaapkamer.
“Er liggen schone kleren voor je. Er is een badkamer naast de kamer.” Daarna liep hij weg. Ik keek rond in de kamer. Een bed in de hoek, met een klein kastje. Een grotere kast staat in de hoek. Er hangen wat oude kleren in. In de badkamer staat een douche, er hangen een paar handdoeken.
Een paar minuten later klettert het warme water op mijn schouders. Ik geniet ervan en voel me bijna als herboren. Van werken in die mijn en dagen lang in een muf hokje zitten ga je je niet bepaald schoner voelen.
Nadat ik mijn haren heb gewassen en mezelf goed heb schoon geschrobd, zet ik het water uit. Ja, ik voel me nu duidelijk beter, schoner als toen. Ik stap uit de douche en pak een handdoek.
Hij is hard, maar voelt desondanks toch lekker aan. Langzaam droog ik mezelf af, nog even nagenietend van de heerlijke douche.
Als ik bijna afgedroogd ben, voel ik ineens 2 handen op mijn schouders. Ik schrik en draai me met een ruk om. Achter mij staat mijn redder. Ik deins achteruit, en bedenk me dan dat ik naakt ben. Snel wikkel ik de handdoek om mijn middel.
“Zonder vind ik je stukken mooier.”
Ik deins terug, maar achter mij staat de douche, zodat ik niet verder kan. Ik wil hem van me af duwen maar hij grijpt mijn polsen.
“Laat los… LAAT LOS!!!” Schreeuw ik, maar hij luistert niet. Hoe had ik me zo kunnen vergissen? Waarom heb ik hem vertrouwd. Ik zit hier vast, als een rat in de val. Met zijn handen grijpt hij mij in mijn nek en streelt hem zachtjes.
Dan trekt hij me mee, naar de slaapkamer. Het grote bed dat er nog geen uur geleden gezellig uitzag, lacht me nu vals toe. Nogmaals probeer ik me los te rukken, maar ik krijg een klap tegen mijn gezicht.
“Alsjeblieft, nee, laat me gaan.. Nee, alsjeblieft…” Het heeft geen nut, hij luistert niet, hoeveel ik ook smeek. Dan lijkt het alsof ik in een ijskoude douche sta.

Hij loopt de gang door en legt een stapeltje bankbiljetten neer op een tafeltje. Bovenop legt hij een briefje.

Hij betaalde voor mij.. Om mij mee te mogen nemen. Hij duwt me achterover op het bed. Hij rommelt wat in het kleine kastje naast het bed en haalt er met één hand vier paar handboeien uit, terwijl hij mij met de andere hand op het bed vasthoudt. Ik voelde mijn hart kloppen en ik lig te trillen van angst. Een zachte ‘klik’ verbreekt de stilte, gevolgd door een andere ‘klik’ en ik kan mijn handen, die boven mijn lichaam aan de tralies van het bed zijn gebonden, niet meer bewegen. Ik voel tranen in mijn ogen, maar knipper ze weg. Geen zwaktes tonen.
Hij loopt naar mijn voeten en grijpt mijn linker vast, ik trap naar hem, zodat hij mijn voet niet kan vastpakken. Het mislukt en hij trekt mijn enkel naar zich toe. Met mijn andere voet probeer ik hem te stoppen, maar hij trekt mijn voet zo hard naar zich toe, dat ik begin te schreeuwen.
“Ik zou eens beginnen met meewerken, als ik jou was.”
Ik kan het niet, ik wil het niet. Hij duwt mijn enkel, zodat deze bijna onder mijn rug ligt en zet hem vast aan een ijzeren stang, die verborgen lag onder het beddengoed. Met mijn andere enkel gebeurt hetzelfde. Als laatste blinddoekt hij mij en plakt een stuk tape over mijn mond. Als ik ineens iets zachts in mijn oren voel schrik ik op.
“Stil maar, het zijn maar watjes. Ik behoud graag mijn privacy in iets dat zo intiem is als dit.”
Hij kust me op mijn voorhoofd, ik probeer mezelf weg te trekken, zonder nut. Intiem.. Voor hem misschien, zeker niet voor mij. Ik hoor niets, ik zie niets en kan niets zeggen. Ik heb alleen een ongelooflijke angst voor wat er gaat gebeuren. Angst… Ik ben niet zo bang geweest, niet eens toen ik wakker werd in die verdomde auto. Het begin van alle ellende. Mam, waar ben je?

Mijn moeder zat thuis op de bank, samen met mijn vader. Hij had een arm om haar heen geslagen en suste haar om te vertellen dat het allemaal wel goed kwam. Dat ze terug zou komen. Maar ze kon het niet geloven, ze wilde wel, maar het ging gewoon niet. Alle hoop was verloren. Ze hoorde niets meer van de geldeisers en de politie had verteld dat ze de andere kinderen ook niet hadden terug gevonden. Zelfs kinderen van 6 jaar oud!
Meisje, waar ben je toch?


Ik voel dat hij met zijn handen mijn hals streelt. Alsjeblieft, nee, dit wil ik niet! Mijn eerste keer.. Niet zo, maar met een lieve jongen, romantisch. Niet vastgebonden en met een man van 35 jaar. Dan verdwijnt alles en voel ik niets meer. Is hij weg? Ik trek aan de boeien, maar krijg een harde klap in mijn gezicht.
Hij speelt een spelletje met me, om me te laten zien wie de baas is hier. Dat hij alle macht heeft over mij, en dat ik zijn slaaf ben. Nog meer stilte om me heen… Weer twijfel ik of hij niet is verdwenen, maar ik durf me niet meer te bewegen. Dan voel ik ineens iets bovenop me. Vol van angst begin ik te huilen, het laatste wat ik voel voor het zwart wordt, is dat hij over mij beweegt.

Alsjeblieft, laat me gaan…


Citaat:
Hoofdstuk 5

Als ik wakker word, doet alles zeer. Iedere spier in mijn lichaam brandt. Ik voel mijn armen en benen nauwelijks meer. Alleen dat mijn armen nog steeds gespreid van mij hangen. Ik vraag me af of ik nog steeds op het bed lig, maar als ik me een beetje beweeg voel ik niets op mijn rug. Na een tijdje dringt de druk op mijn armen tot me door, en kom ik tot de conclusie dat ik aan mijn armen omhoog hang. Mijn voeten zitten vast, maar de touwen zijn zo lang, dat ik ze wel kan bewegen. Als ik met mijn linkerbeen langs mijn rechterenkel beweeg voel ik broekspijpen. Ik voel me opgelucht, hij heeft me wel aangekleed. Toch griezel ik, als ik denk dat hij aan mij heeft gezeten.
Om mij heen is het stil. Ik weet niet of ze de watjes in mijn oren hebben laten zitten, of dat het echt zo stil is hier.

Mijn moeder liep het politiebureau binnen. Hoe vaak was ze hier nu al geweest de laatste paar dagen? Een agente kwam haar al tegemoet en leidde haar een klein kamertje in. Een andere politieagent was binnen, samen met een tv-scherm. Hij knikte haar vriendelijk toe. Ze ging zitten.
“We hebben weer nieuws van uw dochter, een andere videoband. Ze zijn er achter dat de politie erbij is gehaald en hebben de band naar ons gestuurd. Als een soort… bedreiging.”
Mijn moeder sloeg haar handen voor haar mond.
“Ze hebben haar toch niet…niets…”
“Nee, ze is ongedeerd, ze hebben haar niets ernstigs aan gedaan. Maar ze is zwaar ondervoed en heeft veel blauwe plekken. Het kan schokkend zijn.”
Ze begon te huilen en verborg haar gezicht in haar handen. De agent klikte naar de agente in de hoek en deze startte de band.
In een grote zwarte loods zag ze haar dochter. Om haar polsen, ellebogen en bovenarmen zaten grote brede leren banden. Zoals je ze zag in films van de middeleeuwen, om hun polsen te beschermen tegen messteken. Het enige verschil was, dat hier ijzeren ringen aan zaten. Via deze ringen waren dikke touwen om haar armen heen gedraaid, achter haar rug langs naar haar andere arm en zo aan het plafond met katrollen omhoog getakeld. Om haar enkels zaten dezelfde leren boeien, vast aan de grond . Ze was gekleed in een zwarte broek, die veel te groot leek en een kort wit bloesje, dat er ook veel te groot uitzag. Onder het bloesje waren duidelijk haar ribben te zien, zo sterk als ze vermagerd was. Op haar gezicht zaten grote blauwe plekken, en ook in haar zij was blauw te onderscheiden. Maar waar mijn moeder het meest van schrok was de grote rode streep die over haar borst liep. Het leek op een brandwond.
Haar dochter had een doek over haar ogen en een stuk tape over haar mond. Ze leek nergens op te reageren. Haar kin hing op haar borst. Leefde ze nog? Een man kwam in beeld, hij leek veel op de man die de vorige keer ook op de video had gestaan. Hij had een vreemd accent wat nauwelijks thuis te brengen was. Het was dus iemand anders.
“Wij weten dat de politie erbij is gehaald. Ons kan het niet schelen, onze eisen veranderen niet. Wij hebben geen angst voor politie. Jullie hebben nog 1 maand de tijd om te bereiken wat wij jullie verteld hebben. Zorg er voor dat je ons niet teleurstelt, dat je je dochter niet teleurstelt. Ons heeft u er niet mee, er zijn genoeg andere meisjes die hier argeloos rondlopen. Uw dochter daarentegen, heeft één leven. Kostbaar voor u, onbelangrijk voor ons.
De rest drong niet door bij mijn moeder, ze zag dat haar dochter bewoog, haar hoofd kwam omhoog en ze begon haar boeien af te tasten. De man ratelde door, maar haar dochter leek het niet te horen. Na een tijdje vond ze schijnbaar weer rust, want haar hoofd kwam weer te rusten op haar borst. Wat hadden ze met haar gedaan?


Nog steeds hoor ik niets, maar de druk op mijn armen wordt steeds zwaarder. Doordat mijn armen een stukje uit elkaar hangen, komt er extra druk op. Ik wacht op een teken van leven, waarom komt dat niet? Ik wacht af, tijd verstrijkt. Minuten, secondes? Uren? Mijn lichaam wordt loom, maar door de pijn kan ik niet in slaap komen. Toch kom ik langzaam in een roes. Slapen doe ik niet, maar wakker ben ik ook niet meer. Ik schrik op als ik ineens een hand aan mijn gezicht voel. De tape wordt van mijn mond getrokken. Ik knijp mijn kiezen op elkaar van de pijn. Wat gaat er gebeuren? Ik voel dat de watjes uit mijn oren getrokken worden. Dus toch…
“Drink.”
De stem klinkt hard, door de stilte van de laatste tijd. Een rietje wordt in mijn mond gestoken. Gulzig drink ik met grote slokken. Het koele water glijdt door mijn zere keel. Een verlichting. Veel te snel is het glas leeg.
“Honger?”
Onzeker knik ik. Mijn maag rommelt en zet mijn woorden kracht bij. Een stuk brood wordt in mijn mond geduwd en op deze manier word ik gevoerd tot de honger begint te stillen. Dan valt het ineens stil. Weer ben ik alleen in de duisternis die mij omringt. Ik hoor iemand binnen komen, maar durf niets te zeggen. Die verdomde pijn in mijn armen!
Dan valt ineens alle druk weg en val ik neer op mijn knieën. Een pijnscheut schiet door mijn been omhoog. Ik laat een gefrustreerde grom horen.
“Wat is het meid, bevalt het je niet.”
Ik zeg niets terug. Maar ik herken de stem.. Het accent. Ik voel iemand achter mijn hoofd en de blinddoek wordt los getrokken. Ik knijp mijn ogen dicht. Er is nauwelijks licht in de ruimte, maar het is genoeg om me te verblinden. Langzaam open ik mijn tranende ogen weer. De ruimte lijkt op een oude loods. In de tijd dat ik verdoofd ben geweest, ben ik dus duidelijk ook verplaatst. Ik probeer mezelf overeind te trekken, maar wordt hardhandig omlaag geslagen. De man loopt naar mijn arm toe. Nu kan ik hem pas goed zien. Hij lijkt op de man die de eerste keer achter mij stond, toen er een video werd gemaakt voor mijn moeder. Hoe zou het met haar zijn? Als ik goed kijk, zie ik dat hij iets kleiner is als de man voor wie ik hem aanzag.
Hij klikt een haakje los. Aan mijn armen zitten leren banden, die mij verhinderen mijn ellebogen en polsen te buigen. Om de leren banden zitten ringetjes, en door deze ringetjes loopt een dik koord. Het begin zit vast met een haak, om mijn pols gewikkeld en vast gemaakt aan het eerste ringetje. Langzaam haalt hij het touw uit de ringen, waardoor ik mijn armen kan laten zakken. Mijn spieren zijn verkrampt, iedere beweging doet zeer. Ook mijn andere arm wordt langzaam los gemaakt. Hij zet zijn knie in mijn rug en dwingt me op mijn buik. Op deze manier maakt hij de riempjes van de banden om mijn armen los. Ik verzet me niet, het heeft geen zin. Mijn lichaam doet teveel pijn. Rennen is onmogelijk. Bovendien zitten mijn enkels nog vast. Ineens voel ik koud ijzer om mijn nek. Een halsband wordt om mijn hals gesloten en als ik een klik achter in mijn nek voel weet ik dat hij op slot zit, onmogelijk er af te trekken. Om mijn polsen komen dezelfde ijzeren boeien en met een klik worden deze aan de achterkant van de halsband vastgemaakt. Dan pas worden mijn enkels losgegespt en word ik op mijn voeten gedwongen. Ik hang zwaar in de armen van de man achter mij, ik kan onmogelijk op mijn eigen benen staan. Hij tilt me op en draagt me naar een wagen, waar hij me op de achterbank legt. Iemand grijpt me vanuit de auto en trekt me verder de wagen in. Mijn hoofd rust op iets zachts. Waarschijnlijk een been.
De auto wordt gestart en rijdt weg.

Waar word ik nu naar toe gesleept?


Citaat:
Hoofdstuk 6

Mijn armen doen steeds meer pijn, door het liggen in dezelfde houding. Ik probeer op te kijken, naar de persoon achter mij, maar hij is uit mijn gezichtveld.
“Mijn armen doen zo’n zeer.” Mijn stem is nauwelijks hoorbaar, maar ik voel dat de persoon achter mij zich beweegt. Een hand strijkt over mijn voorhoofd. Ik verbaas me, er zit een vrouw achter mij! Ik probeer overeind te komen, maar kan nergens steun vinden.
“Alsjeblieft?” Probeer ik nog.
“Probeer wat te slapen.” Haar stem klinkt warm. Ze spreid een deken over me uit en strijkt nog eens over mijn voorhoofd. Ik durf niet te slapen, en met de pijn in mijn armen is het onmogelijk. Ik probeer zo te gaan liggen dat het de minste pijn doet. Het werkt niet. Woede begint zich langzaam in mij te ontkroppen. Hoe lang nog? Ik ben moe, heb pijn, honger en dorst. Toch zeg ik daar niets over.
“Kun je mijn armen niet onder mijn rug weghalen? Ik kan toch niet weg van hier…” Het is waar wat ik zeg, maar ik weet dat ik mezelf met deze woorden heb overgegeven. Ze kijkt de man voor in de auto aan, hij knikt. De vrouw helpt me overeind en maakt mijn handen los, om ze daarna voor mijn lichaam terug aan de halsband vast te maken. Voorzichtig helpt ze me weer te gaan liggen. Dan schikt ze de deken weer over me heen. De pijn in mijn schouders verdwijnt. Langzaam val ik in slaap.
Als ik na een tijdje wakker word, zucht ik. Mijn dromen waren onrustig en niet vrolijk, maar beter als de werkelijkheid.
De rest van de reis verloopt in stilte. Niemand zegt meer wat. Ineens steekt de bestuurder zijn hand op. De vrouw helpt me overeind.
“We zijn er over een kwartier.” Ik vraag niet waar “er” is.
“Vertel tegen niemand dat je iets hebt gegeten of gedronken. As je hun wat verteld, breng je niet alleen ons, maar ook jezelf in gevaar.”
Ze maakt het haakje voor bij mijn polsen los en brengt ze voorzichtig weer naar achter. Mijn spieren protesteren, maar ik weet dat het toch geen zin heeft. Ze haalt een flesje water uit een tas op de grond. Dan haalt ze iets uit haar zak. Het zijn tabletten.
“Hier, dit zijn tabletten om je te kalmeren en de pijn te verzachten. Ik weet niet wat ze van plan zijn, maar ik hoop niet dat je het nodig zal hebben.” De woorden jagen me angst aan, maar ik slik de pillen toch door met wat water.
“Zorg ervoor dat je hen niet aankijkt. Ze zullen je er voor straffen.” Ze pakt een doek en bindt deze om mijn mond. Dan stopt de auto. Mijn lichaam trilt van angst. Ik herken deze plek… De legerbasis. De vrouw helpt me de auto uit en dwingt me dan tot stilstand. De man klikt 2 boeien aan mijn enkels. Met lichte dwang duwt ze me naar de ingang van het gebouw. Nee.. Niet daar terug. In mijn hoofd zie ik allerlei ontsnappingspogingen, me tussen de twee mensen achter me worstelen en wegrennen, ze allebei neerslaan. Het lijkt allemaal even onmogelijk. Een bewaker opent de deur. Bij iedere stap die ik zet hoor ik de ketting over de grond schuren. Ik voel me als een vals wild beest aan de ketting en dat een muilkorf om heeft. Het enige verschil is dat ik niet meer wild ben, maar zo mak als een lammetje. Alles zou ik doen, als ze me rust zouden gunnen. Mijn ogen zijn nog steeds op de grond gericht, overal waar ik loop, voel ik starende ogen.
Ik heb geen idee wie “hen” zijn, maar het lijkt me het beste gewoon niemand aan te kijken.
We lopen een lange wenteltrap af, verder omlaag. De grond in. Ik kijk op, om mij heen zie ik alleen traliedeuren, met daar achter uitgemergelde gezichte. Uitgehakte grotten langs de hele muur. Uitgehakt… de mijnen…

Het gat in de wand begint steeds groter te worden, ik vraag me af waar het voor dient. Wat er uit deze mijnen gewonnen wordt. Ik ben geen steenkool tegengekomen, geen goud of diamanten, helemaal niets.

Alles door kinderhanden gemaakt. Kinderen die hun eigen cel uithakken. De man, die nog steeds voor me loopt, klopt op een grote houten deur. 2 Mensen openen de deur van binnen. Voor mij is een gigantische zaal van steen. Aan de muren hangen grote wanddoeken en in de kamer lopen vele mannen en vrouwen rond, vaak gevolgd door een (jong) kind. Helemaal achterin staat een grote stoel, als een soort troon. Ik wil hier weg! In paniek begin ik me los te rukken en tot verbazing voel ik dat de handen me los laten. Ik draai me om en ren weg. De ketting om mijn enkels belet mij hard te rennen, maar het doet me niets. Ik moet hier wegkomen! Achter mij hoor ik schreeuwen, maar ik versta het niet. Er staat een deur open en ik ren naar binnen. Mijn hart klopt in mijn keel. Ik beland in een gang, met aan de weerzijde kleine zijgangen. Ik kan verdomme niet rennen met die kettingen om mijn enkels! En als ik val.. Dan ben ik verloren, ik kan nooit overeind komen zonder mijn armen. De voetstappen klinken steeds dichter bij, totdat een hand mijn enkel vastgrijpt en ik op mijn gezicht val. Ik kan de klap onmogelijk opvangen en voel een pijnlijke steek in mijn gezicht. Als ik probeer overeind te komen voel ik iets warms over mijn gezicht vloeien. Iemand grijpt mijn armen van achter vast.
“Maar dat is dus niet de bedoeling.” Een kille stem achter mij. Ik word weer terug gesleept naar waar ik vandaan kwam, ondanks de verwoede pogingen me los te worstelen. Meer mensen hebben zich verzameld in de zaal, en staren mij aan. De man duwt me tot vlak voor de troon en dwingt me te knielen. Dan pas vallen de leren banden op de grond me op. Met geoefende vingers bevestigd hij deze strak aan mijn polsen en enkels, zodat ik niet overeind kan komen. Woest kijk ik de mensen om mij heen aan, kwaad om wat ze me aandoen. Kwaad omdat ze me niet met rust laten. Kwaad omdat ze mijn leven op deze manier willen tekenen. Ik hoor dreigende voetstappen achter me. Ik wil me omdraaien, tot ik me iets bedenk.

“Zorg ervoor dat je hen niet aankijkt. Ze zullen je er voor straffen.”

Maar het kan me niets schelen, ik hoop dat ze me er voor zullen slaan. Dat ze zich niet kunnen beheersen, van mijn part mogen ze me doodslaan. Hier weg komen lukt toch niet, dat is me zojuist wel duidelijk geworden.
“Dus jij dacht slim te zijn?”
Negeren.
“Ik zal je vertellen dat dat je niet lukt. Alles is hier beveiligd, het is gemakkelijk je terug te vinden, maar onmogelijk om te ontsnappen uit deze ruimtes. Dat zou je na 3 weken toch door moeten hebben.”
DRIE weken? Dat is onmogelijk… Zo lang zit ik hier toch nog niet? Ik voel dat de doek voor mijn mond wordt weggehaald.
“Heb je honger?” De man verschijnt voor me, zijn blik staat niet medelevens, maar genietend. Genietend van mijn machteloosheid, genietend van de pijn die hij me aandoet. Ik geef geen antwoord. In plaats daar van verzamel ik de laatste beetjes vocht in mijn mond en spuug hem in zijn gezicht.
Hij lijkt niet kwaad, in tegendeel. Hij grijnst.
“Drie weken, en nog heeft is ze niet gebroken. Ik verheug me al op de grote dag.”
Waar heeft hij het over? In hemelsnaam, praat niet in raadsels!
“Jullie weten wat jullie te wachten staat.”
Een onbekend iemand loopt naar me toe en maakt de leren riemen los. Dan grijpen 2 mannen mijn armen vast en trekken me mee, naar de gang waar ik nog geen uur geleden zelf heen rende.
Als ze me nu eens iets zouden vertellen…


Citaat:
Hoofdstuk 7

Twee dagen.. Twee dagen ben ik al weer terug in dit koude hok. In deze kleine ruimte waar ik me nauwelijks om kan draaien, waar ik opgesloten zit als een beest. Waar ik nauwelijks te drinken of te eten krijg en waar ik door iedereen wordt genegeerd als ik wat vraag. Want vragen doe ik, ondanks dat ik weet dat ik geen antwoord zal krijgen. Ondanks dat ik niets te weten kom, blijf ik vragen.
“Wanneer mag ik naar huis?”
-stilte-
“Wat willen jullie van me?”
-stilte-
“Mag ik alsjeblieft iets eten?”
-stilte-
“Hoe lang ben ik hier al?”
“ZWIJG!”
Verschrikt kijk ik op. Een man haalt de deur van het slot en opent deze. Stil loop ik achter hem aan, naar buiten, waar een auto staat te wachten.
“Waar ga ik naar toe?”
-stilte-
Ik stap in, de man sluit de auto en gaat zelf voorin zitten. De auto rijdt weg, en ik zie het land aan me voorbij trekken. Overal om me heen zie ik vrolijke mensen over de straat lopen. Ouders met kinderen, jonge stelletjes, En niemand schenkt aandacht aan een auto die langs komt rijden. Het landschap wordt steeds minder druk, tot ik uiteindelijk alleen nog maar een paar boerderijtjes zie staan. En dan rotsen, niets anders meer dan rotsen en zand. Tot de auto stopt. Het eerste huis dat ik zie in deze woestenij. Achter ons stopt nog een auto, die me nog niet eens was opgevallen. Drie mannen stappen uit. Aan de band om mijn nek binden ze een ketting en daarmee trekken ze me naar binnen, tot in een hoek van de keuken, waar ze de ketting vastbinden aan een haak aan de muur. Ik ga tegen de muur zitten en trek mijn knieën op tot mijn kin, met mijn armen er omheen. De mannen grijpen wat flesjes bier uit de koelkast en beginnen te praten en te lachen. Zo onopvallend mogelijk probeer ik de ketting los te maken, zonder succes. De klok in de keuken slaat 3 keer. De mannen kijken op.
“Eindelijk.”
Ze staan open en maken de ketting los, om me naar buiten te slepen. Ik probeer me los te rukken, zonder succes. De man geeft me een stomp in mijn maag, en ik zak neer op mijn knieën, maar de andere man trekt me mee. Met moeite probeer ik overeind te komen, en zo goed en zo kwaad als het gaat strompel ik mee.
Zodra de mannen stilstaan, zak ik, naar adem snakkend, door mijn knieën, op de grond. Achter mij hoor ik een andere auto aankomen. Ik voel opluchting. Als het mensen zijn die niet bij hen horen…. Zouden ze de politie bellen? Vast wel.
De deuren van de wagen gaan open, maar ik durf niet achter mij te kijken. De man naast mij draait zich om.
“Het geld?”
“Dat heb ik.”
Een grote brok vormt zich in mijn keel. Ik herken die stem. Ik probeer overeind te komen, en kijk op. Eindelijk, na al die tijd.. Ze hebben me gevonden. Eindelijk, ik mag naar huis. Mijn moeder, ze is er… Naast haar staat een andere man, met een agent. Dus hier deden ze het voor..
“Geef mij het geld.” De man naast me heeft een gemene grijns op zijn gezicht, ook hij weet dat het eindelijk zo ver is. Dat ze hun geld krijgen.
“Eerst mijn dochter.”
“Jij hebt geen macht om iets te willen. Ik stel de eisen. Ik stel voor dat wij eerst krijgen waar wij om hebben gevraagd en daarna krijg jij je dochter terug.”
“Hoe weet ik dat jullie niet liegen?”
“Dat weet je niet, daar zal je op moeten vertrouwen.”
“Ik heb geen reden om jullie te vertrouwen.”
“Dan verzin maar een reden, want het is de enige manier waarmee wij akkoord gaan.”
Ik hoor de spanning die er klinkt in het gesprek. Ik snap wat mam bedoelt, ook ik vertrouw niet dat ze me laten gaan, als ze hebben wat ze willen.
“Goed, jullie krijgen eerst wat jullie willen. Maar ik wil er zeker van zijn, dat ik daarna mijn dochter terug krijg.”
“En hoe had je dat bedacht?”
“Dat mogen jullie mij vertellen.”
“Luister goed, ik heb geen zin in deze spelletjes. Wij krijgen wat wij willen, daarna laten we je dochter vrij, en hoeven we niets meer met elkaar te maken te hebben. Maar dan moet dit spelletje afgelopen zijn, en wil ik nu zien waar we voor zijn gekomen.”
De agent liep naar de achterbak van de auto en haalde er een tas uit. Waarschijnlijk zat daar het geld in. Hij opende de handboeien van de man naast hem en deze liep naar ons toe, met de tas vol geld naast zich. Hij grijnsde.
“Dus dit is de schoonheid die mij mijn vrijheid terug gaf?”
“Jup, dat is ze.”
Aarzelend kwam mijn moeder naar me toe lopen, ik probeerde op mijn benen te staan, wat met moeite lukte en liep haar tegemoet. Tranen stroomde over mijn gezicht, en ook mijn moeder hield het niet droog. Eindelijk, na een maand hield ik haar weer in mijn armen, iemand die me liefhad, die mij zag zoals ik was en niet als een middel om te krijgen wat ze wilden. Eindelijk kon ik weer naar huis, bijkomen van alles. Naar mijn vriendinnen, mijn eigen leven weer oppakken. Weer gewoon naar school, doen alsof er niets was gebeurt al die tijd. Weer normaal eten en slapen in een fatsoenlijk bed. Eindelijk…

Het gevoel alsof mijn keel werd afgesneden liet mij ontwaken uit mijn gedachten. Mijn adem werd mij ontnomen en ik werd naar achteren getrokken, uit de armen van mijn moeder, die in shock zag wat er zich achter mij afspeelde.

De halsband..

“Dat was wel weer genoeg voor vandaag. Tot de volgende ontmoeting, mevrouw.”
En zonder verdere woorden werd ik weggesleurd.


Citaat:
Hoofdstuk 8
Na niet meer dan 3 passen, voel ik de grond onder me verdwijnen en val ik op de grond. Twee armen grijpen mij vast en tillen me overeind. Ik sluit mijn ogen, om ze nooit meer open te willen doen. Het doet te veel zeer. Als een levenloze lappenpop hang ik in de armen van de man, en na een niet lange tijd word ik neergelegd. Onder mij voel ik de koude en harde vloer.
“Zag je het gezicht van die vrouw? Dacht echt dat ze d’r kind terug kon hebben.” De man lacht hard, en het duurt niet lang voor de andere mee lachen. Geluidloos stromen de tranen over mijn wangen.
Niet lang daarna staan ze op en de man die zich niet lang geleden bij de groep heeft gevoegd tilt me op, tot in de kofferbak van de auto. Met een doffe knal slaat deze dicht, maar het geluid dringt nauwelijks tot me door. Deuren openen en slaan even later weer dicht. Een dof gezoem vult de benauwde ruimte waar ik in lig. Ik hoor stemmen van voor uit de auto komen. Net te zacht om het te kunnen horen, net te hard om het te negeren. Ze klinken opgelucht. Ik kan niet horen wat ze zeggen. Ik ben uitgeput, ik heb geen energie meer. Mijn gedachten dwalen af naar mijn moeder, en ik vraag me af wat er in haar om gaat.

Mijn moeder was net thuis en meteen in tranen uitgebarsten. Mijn vader probeerde haar te troosten, maar was zelf ook radeloos. Ze hadden toch wat ze wilde? Samen bleven ze verdrietig en eenzaam achter op de bank in de woonkamer. Ze wisselde geen enkel woord uit, de stilte zei meer dan woorden ooit zouden kunnen. Enkele minuten bleef het stil, totdat de telefoon ging. Mijn moeder nam op. Ze hoorde een stem met een vreemd accent aan de andere kant van de lijn.
“Geen politie bij de ontmoeting was er afgesproken, wij zullen u binnenkort informeren over een volgende ontmoeting. We zijn uitgepraat.”
“Wacht!! Hoe is het met mijn dochter?” Maar alles wat achterbleef was een eindeloze toon.


Langzaam wint de duisternis het van mijn hoop en zonder energie om verder te kunnen vechten, verwelkom ik de duisternis in mijn lichaam. Rillend van de kou in de achterklep van de wagen val ik langzaam terug in een diepe slaap.

Als ik wakker word, bevind ik me in een redelijk grote cel. Ik heb geen idee waar ik naartoe gebracht ben. De deur is dicht en ik kan er niet doorheen kijken. Ik ben te moe om het raam te proberen, maar waarschijnlijk is dit te hoog voor mij om door te kunnen kijken. Stil en versuft blijf ik liggen op het dunne matras waar ze mij op neer hebben gelegd en ik geef me opnieuw over aan de vermoeidheid, maar de slaap weigert mij tot zich te nemen.

De deur slaat open, en met een ruk word ik wakker uit mijn slaap. Een meisje komt binnen strompelen en zakt door haar benen zodra ze binnen is. Ze lijkt niet ouder dan een jaar of 12. Even kijken we elkaar aan. Dan kijkt ze weg. Ik volg haar bewegingen, ze gaat bij het raampje zitten waar enkele felle lichtstralen door heen schijnen. Opnieuw probeer ik oogcontact met haar te maken, zonder resultaat.
“Nog maar 2 maanden.” Zegt ze zacht.
Ik vraag wat ze bedoelt, maar ik krijg geen antwoord. Langzaam valt ze in slaap, terwijl haar bedroefde, blauwe ogen zich sluiten. Ook ik sluit mijn ogen weer, en dit keer slaap ik snel in.

Als ik mijn ogen open zie ik om mij heen groene velden. Zonder mensen, zonder dieren. Als ik om me heen kijk, zie ik alleen een groene zee, afgewisseld door kleine groepjes met witte bloemen. Geen enkel geluid dringt tot me door. Als ik naar de bloemetjes toe loop, om ze beter te bekijken, verdwijnen ze. Zoals een regenboog, nooit kom je dichter bij. Ik blijf het proberen en ineens blijft één bloemetje staan, terwijl de rest verdwijnt. Als ik het bloemetje opraap en weer opsta, staat er een meisje voor mij. Hoewel ik haar nog nooit heb gezien, ken ik haar. Ze heeft lang zwart haar en donkerbruine ogen. Ze draagt een lange witte jurk.
“Ben je daar eindelijk, Macy?” Vragend kijk ik haar aan.
“Eerder kon ik niet komen.” Schuldig kijkt ze me aan.
“Mag ik met je mee?”
Droevig schudt ze haar hoofd. Boven mijn hoofd vliegt een groep arenden over. De voorste valt mij meteen op. Hij is veel groter als de rest en ze lijken hem te volgen. Ik wil ze volgen, de wereld achter me laten, en me vrij voelen. Vliegen waar ik heen wil, en geen muur die me tegen kan houden.
“Het is tijd om terug te keren.”
“Macy.. Alsjeblieft.. Houd me hier. Laat me niet terugkeren.”
“Eens zul je hier mogen blijven, maar nu niet. Nu moet je terug.”
Met tranen in mijn ogen knik ik.
“Tot ziens”
Nog voor ik kan antwoorden word ik wakker, met tranen in mijn ogen. Eindelijk was Macy mij weer op komen zoeken, het was al bijna 3 maanden geleden. Macy zag ik nooit, behalve op momenten dat ik haar echt nodig heb, zodat ze er is om mij hoop te geven. Maar nooit mocht ik blijven, altijd moet ik weer gaan. Maar ik houd me vast aan de belofte dat ik eens daar mag blijven en zal mogen leven in een wereld die geen kwaad lijkt te kennen.

Als ik rond kijk, zie ik dat het meisje is verdwenen.
“Nog 2 maanden” De gedachte ruist als een stoorzender tussen alle andere gedachtes in. Wat was er over 2 maanden? Ik vraag me af of ze nog terug komt, en dan wel een antwoord zou willen geven op mijn vragen. Maar op dit moment kan ik niets anders doen dan wachten, wat er gebeurt.
Een man die binnenkomt verstoort mijn gedachtes. Hij legt wat oud brood voor me neer en knikt. Ik pak het brood en begin te kauwen. Het is moeilijk te eten. Het brood is oud, taai en niet zoals ik het gewend ben, maar al het voedsel wat ik krijg houd me in leven, en dat is waar nu alles om draait.
Als het eten op is, geeft hij me nog een beker met water. Ik probeer de broodkorsten weg te spoelen, zonder succes. Zonder een enkel woord gesproken te hebben, loopt de man weer weg, en laat mij weer alleen achter.

Opnieuw sluit ik mijn ogen, en hoop opnieuw te mogen dwalen in deze groene velden, waar verdriet een vreemde is.

Kom me halen, alsjeblieft.


Verlangen jullie ook al zo naar een plot. Nou, hier begint het verhaal een echte vorm en richting te krijgen ;)
Citaat:
Hoofdstuk 9

De groene vlakte strekt zich nog steeds voor mij uit. Maar ik loop door. Voor mij staat een grote toren. Ik loop er heen en kijk door een klein raampje naast de deur. De ruimte is zwart, maar in een hoek staan grote kaarsen en ik zie de contouren van een kleed, dat ik niet beter kan zien vanaf hier.
Voorzichtig probeer ik de deur. Luid krakend gaat deze open en ik loop naar binnen. Zodra ik binnen ben, hoor ik zware scharnieren achter mij sluiten en kijk ik om. De deur heeft zich gesloten. De kaarsen zijn verdwenen, er blijft niets anders achter dan duisternis.


Op dat moment schrik ik wakker.Voor mij staat een fors gebouwde man. Met een handgebaar wenkt hij mij te komen en zo snel als ik kan loop ik naar hem toe. Ruw grijpt hij mijn arm en trekt me mee naar buiten. Ik loop met hem mee, om mij heen zie ik meer kinderen lopen. In grote groepen, ongeveer 70 man, worden we in kleine vrachtwagens geduwd. Weer overmant een stikkend gevoel me. Ik kan nauwelijks bewegen en nog steeds worden er meer kinderen in de wagen geduwd. Oudere kinderen van 16, 17 jaar houden jongere kinderen beschermend vast, zodat ze niet vertrapt worden of tillen hun kleine lijfjes zelfs op hun schouders. Op het moment dat ik denk dat ik stik, wordt eindelijk de klep gesloten. Ik voel een handje dat angstig mijn hand vastpakt en ik knijp er zacht in om te laten weten dat ik haar vast heb. Schokkend komt de wagen in beweging en met veel moeite blijf ik overeind. Ik voel vele voeten die op die van mij stappen, maar er is geen ruimte. Vallen betekend je einde. De reis lijkt eindeloos, bij iedere bocht worden mijn voeten opnieuw vertrapt. Langzaam wennen mijn ogen aan het duister en zie ik de angstige gezichten van de mensen om mij heen. Iedere bocht opnieuw komt als een verassing, die ons allen doet wankelen.En dan eindelijk die schok die ons allemaal naar achteren duwt als de wagen tot stilstand komt. Gerommel achter mij en voetstappen die langs mij naar voren lopen, buiten waar het licht schijnt. Dan komt ons een brede lichtstraal tegemoet en gaat de laadklep open. De hele groep schuifelt naar buiten en de kleintjes worden weer op eigen voeten gezet. Naast mij staat nog steeds het meisje dat mijn hand vasthield. Voorzichtig kijk ik haar aan. Ik kijk recht in twee bekende grijze ogen. Het is het meisje dat ik een paar dagen geleden heb gezien bij mij in de cel. Voorzichtig laat ik haar hand los, maar ze blijft me vasthouden.
“Hoe heet je?” Ze durft me niet langer aan te kijken en staart naar haar voeten. Toch antwoord ze me.
“Kaya.” Haar stem is nauwelijks hoorbaar.
“Je hoeft niet bang voor me te zijn, Kaya,voor niemand. Ik zal je beschermen. Hoe lang ben je hier al?”
Ze kijkt me aan.
“Sinds ik zes ben.”
“Hoe oud ben je nu?”
“Twaalf jaar” Ik schrik, al 6 jaar.Waarschijnlijk had ze nog nooit leren lezen of schrijven.
“Is het dan echt onmogelijk om te ontsnappen?” Een lichte wanhoop klinkt door in mijn stem. Kaya kijkt me heel even aan, meteen kleine flits van moed in haar ogen, maar de lichtjes doven snel weer uit en ze staart weer naar de grond.
“Niet alleen. Als ze je pakken dan sterf je.”
“En als ze je niet pakken?”
Ze kijkt me aan, de kleine lichtjes van hoop zijn teruggekeerd.
Een bewaker loopt langs, hij kijkt ons achterdochtig aan, maar loopt weer door.
“Zou jij het durven?” schichtig kijkt ze om zich heen.
Ik knik, alles zou beter zijn als hier te blijven. Al zou ik er bij sterven, ik zou sterven in vrijheid. Mijn strijd zou eindelijk gewonnen zijn, zelfs al zou ik mijn leven verliezen.
Op dat moment komt de bewaker opnieuw aanlopen, en met een kwade blik in zijn ogen grijpt hij Kaya vast en trekt haar met zich mee. Nog eenmaal zie ik de angstige blik in haar ogen, voor ze weer verdwijnt in de vrachtwagen. Angst overmant me en laat de tranen uit mijn ogen vloeien. Ze hebben gehoord wat ze zei, anders kan het niet.
Ik word bij de rest van de groep geduwd, en we komen terecht op een groot veld, waar we niets anders doen als de grond omploegen en bewerken. Wij verbouwden het eten van onze bewakers. De macht van de mensen om me heen dringt weer eens tot me door.
Maar ik denk vooral aan Kaya. Waar zou ze zijn? Zou ze nog leven? Zou ik haar ooit weer zien?
Eindelijk hoor ik een lange, monotone toon klinken en in een lange rij lopen we terug naar de vrachtwagen. Dit keer voel ik geen kleine hand die angstig die van mij vast pakt, zoals Kaya. Alleen blote voeten, die constant op die van mij stappen, tot ze gevoelloos zijn van de pijn. De reis lijkt langer als de heen weg, maar toch komt de schok weer, waarmee we tot stilstand komen en de lichtstralen mij weer tegemoet komen.
Als ik de cel weer in kom, zie ik een kleine gestalte zitten bij het raam. Een warm gevoel komt over mij heen, en alleen de uitputting die mijn lichaam beheerst, weerhoudt mij er van om naar haar toe te rennen.
“Kaya?”
Ze draait zich om, een kleine glimlach speelt om haar lippen.
“Je bent terug.”
Ik knik. Het geluk in mijn lichaam verspreidt een gevoel dat sterker is als het verdriet.
“Waar was je? Je verdween ineens.”
De glimlach verdwijnt. Stil wens ik dat ik niets had gevraagd, maar ik ben te benieuwd.
“Ze besloten mij een.. andere.. opdracht te geven.” Het is me duidelijk dat ze er verder niets over kwijt wil, dus zwijg ik.
“Vertel me verder, hoe wilde je hier verdwijnen?”


Citaat:
Hoofdstuk 10

Vol verbazing kijk ik haar aan. Het plan klinkt logisch, maar onmogelijk en levensgevaarlijk.
“Kaya.. Dit is levensgevaarlijk. De kans dat het mislukt is te groot.”
De vriendelijke blik in haar ogen verandert in een vijandige blik.
“Fijn. Dan blijven we hier. Ik dacht dat jij te vertrouwen was, dat jij wilde vechten voor vrijheid.”
Even val ik stil. Dan knik ik.
“Je hebt gelijk, sterven zullen we toch. Laten we dan sterven in vrijheid.”
Kaya’s plan was goed uit gewerkt, maar het overtuigen van kinderen zou weken duren. Verraad tegenover de bewakers, zou de dood betekenen en deze angst maakte hen loyaal tegenover degene die zij haatten.
“Kaya, hoe wil je iedereen overtuigen? Hoe weet je dat niemand ons zal verraden?”
“Dat weet ik niet, ik kan alleen maar hopen op de goedheid van anderen.”
Ik knik, en weet dat hiermee ons gesprek is afgesloten. Voorzichtig laat Kaya zich omlaag glijden vanaf het raam en samen zitten we in stilte naast elkaar, tot de laatste zonnestralen verdwijnen en de nacht ons in duisternis hult.

Nog voor de eerste zonnestralen de horizon bereiken staat er een bewaker voor onze deur, die ons naar buiten leidt, de vrachtwagen in. Stil begin ik aan ons plan, en ik hoop dat Kaya hetzelfde doet. In stilte fluister ik de mensen die langs me staan in, wat we van plan zijn. Dat ze ons kunnen vertrouwen, en dat we de politie zullen waarschuwen. Na de lange reis, hebben we pas 3 mensen overtuigd. Het plan klinkt steeds onmogelijker. Maar ik weet dat er geen weg terug meer is. En hoe langer we door gaan, hoe meer mensen ons zullen helpen.
Vanaf dat moment verandert de sfeer die er hangt. Kaya en ik komen vermoeider als ooit terug in onze cel, en steeds meer kinderen kijken ons na. De rust op de gangen verandert in stil gefluister. Af en toe een opgewonden stem, als iemand het plan voor het eerst te horen krijgt. Steeds meer kinderen horen ons plan, en steeds groter wordt mijn angst, dat iemand ons zal verraden. Maar het blijft stil, en de bewakers lijken niets door te hebben.

Twee weken zijn we nu bezig aan het plan.En al twee weken kom ik vermoeid terug, niet alleen van het werken, maar ook van het beantwoorden van vragen. En steeds weer, wordt Kaya ergens anders heen gebracht. Steeds weer, slaap ik alleen in, en wordt samen wakker.

In de verte lijkt de duisternis van de toren een lichtpuntje te geven. Ik ren er heen. Het is niets meer als een kaars, maar in het zwakke schijnsel zie ik een deurklink. Ondanks dat ik overtuigd ben dat de deur gesloten zal zijn, trek ik er toch aan. Tot mijn verbazing opent deze zich. Achter de deur bevindt zich noch een ruimte, noch een uitgang die mij naar buiten kan brengen. In een vormloze zwarte ruimte, zie ik niets meer als een trap. Langzaam klim ik omhoog, en open het luik dat zich bovenaan bevindt. Er boven is een prachtige ruimte, niet licht en niet donker, niet groot en niet klein. Niet zwart en niet wit. Woorden bestaan niet om deze kamer te beschrijven. Ik klim door het luik en sta op. Achter mij sluit het luik zich met een doffe klap. Weer ben ik gevangen.

Met een gilletje word ik wakker. Kaya ligt naast mij en word ook langzaam wakker. Voor ons staat een bewaker en met een woeste blik kijkt hij ons aan. Snel sta ik op, Kaya volgt mijn voorbeeld. Een nieuwe dag, dezelfde vrachtwagen en dezelfde plantage.
Ik schrik op uit mijn gedachtes als mijn arm ruw op mijn rug gedraaid wordt. Terwijl de man boeien om mijn armen slaat, slaan mijn gedachtes op hol. Dit klopt niet. Dit hoort niet, normaal liepen we ook ongeboeid naar de vrachtwagen. Kaya staat achter me, ze kijkt me met grote, bange ogen aan. Ook zij weet dat het niet klopt. Als ook haar handen achter haar rug vastgebonden zijn, worden we ruw meegetrokken door de bewaker.
Kaya kijkt me angstig aan, ik probeer haar gerust te stellen. Maar ook ik voel angst opgekropt in mijn maag, als een blok steen dat ik niet kwijt kan raken.
Als Kaya een andere ruimte in geduwd wordt, begint ze te gillen. Ik slik.
“Kaya, ik kom terug, het komt goed!”
Huilend en schreeuwend verdwijnt Kaya. De tranen branden in mijn ogen, maar ik knipper ze weg. Ik mag niet huilen, ik moet Kaya beschermen.
Een koude wind komt me tegemoet. We lopen een koele ruimte in. Rillingen lopen over mijn rug, niet alleen van de kou, maar ook van angst.
Midden in de kamer word ik op mijn knieën gedwongen en zware leren banden worden mijn knieën en enkels vast gemaakt aan de grond.
Krakend gaat de deur open en een tweede man komt binnen lopen. Hij draagt een kleine kachel met hem mee en knikt naar de andere man. Deze heeft nog steeds mijn armen vast maar grijpt nu met een hand mijn haar vast en dwingt mijn hoofd naar beneden. Mijn voorhoofd raakt de koele tegels. Ik probeer mezelf los te trekken, maar de hand in mijn haar laat niet los en de man negeert mijn tranen en snikkende smeekbedes om me los te laten. Een hand grijpt mijn kin vast en met veel dwang wordt mijn mond open geduwd, waarna er een doek in mijn mond geduwd wordt en ik verplicht wordt te zwijgen. En alles met die hand die mij dwingt om onbewegelijk te blijven zitten op mijn knieën die van de pijn beginnen te branden.
Ik denk aan Kaya, wat zouden ze met haar gedaan hebben? Had dit te maken met ons plan? Of was dit wat Kaya nacht na nacht door moest maken, als ze haar weer uit haar cel verwijderde. Achter mij hoor ik een klik, zoals je dat hoort bij een zakmes en mijn spieren spannen zich. Zou dit het einde zijn? Zou ons plan hier beëindigt worden? Maar hij snijdt alleen de laatste rafels stof van mijn lichaam. De rafels, die eens mijn kleding waren. Dan trekt de man mijn hoofd opzij, ik kijk de andere man recht in het gezicht aan, de spieren in mijn nek gillen om bevrijd te worden.
“Luister goed, ik vertel het maar een keer. We hebben ergens opgevangen dat jullie plannen maken om hier weg te komen. Ik wil horen wat jullie plannen zijn, anders zul je pijn voelen, en je zult het niet snel vergeten. Wat zijn jullie plannen?”
Een roodgloeiende stang komt uit het kacheltje, en ik weet dat als ik niet vertel wat we van plan zijn…. Ik durf de woorden zelfs niet te denken. De blik in mijn ogen wordt hard, harder dan hij al was. Vol woede kijk ik hem aan, vuur brandend in mijn ogen en ik spuug naar hem. Met moeite spreek ik de woorden uit, die door de doek verminkt worden tot een hees gemompel.
“Neem een taxi naar de hel.”

Citaat:
Hoofdstuk 11

Al uren loop ik door deze lange zwarte gang, mijn lichaam brandt, maar ik kan niet stoppen. Ik mag niet stoppen, ik moet Kaya vinden. Langzaam versnelt mijn pas en ik ren verder. De gang heeft geen muren, en boven mij is het zwart. Er is geen plafond te zien, geen hemel.
Ik ren linksaf, en voor mij zie ik eindelijk Kaya. Ze ligt op de grond, snikkend en haar lichaam lijkt niets meer als een zwak omhulsel dat haar geest op onze wereld houdt. Vlak voor ik bij haar ben, zie ik dat ook onder mij niets is, en dat ik in het niets ren. Gillend val ik omlaag.

Als ik mijn ogen weer open zie ik om mij heen weer de kamer, die niet met woorden te omschrijven is, en weer ben ik verbaasd van haar schoonheid. Langzaam loop ik door, de gedachtes aan Kaya ben ik vergeten, mijn hele gedachten is bij de kamer, en niemand kan dit verstoren. Ik lijk wel gehypnotiseerd. Ik schrik op, als voor mij een touwladder hangt. Terug kan ik niet, dus klim ik de ladder op. Boven kom ik in een nieuwe kamer terecht. De muren zijn spierwit. Het plafond is wit, zelfs de grond waarop ik loop. Ondanks dat ik vieze voeten heb, blijft de vloer spierwit, alsof ik er boven zweef. De hele kamer wordt verlicht door kaarsen en door de witte wanden moet ik mijn ogen dichtknijpen. Als ik omlaag kijk, langs de ladder, zie ik niet meer de kamer waar ik net nog liep, maar een groot zwart gat zonder bodem. Alsof je in een put kijkt, waarvan de bodem te diep is om te kunnen zien. Ik weet dat ik niet meer terug kan en dat ik weer gevangen ben.


Als ik wakker wordt, voel ik niets anders als de brandende pijn op mijn rug. Alsof er duizenden messen in mijn rug gestoken zijn, maar ik weet beter. Bij de gedachte aan de geur van het verbrande vlees op mijn rug wordt ik weer misselijk. Ik probeer mijn gedachte weg te houden bij de likkende vlammen die ik nog steeds op mijn rug voel. Met veel moeite draai ik mijn hoofd naar de cel, die naast mij ligt, maar ik zie Kaya nergens. Een angstig gevoel vormt weer een brok in mijn keel, bij de gedachte dat Kaya dit misschien ook door heeft moeten maken. Zou zij het ook vol hebben kunnen houden om te zwijgen, ondanks de dreiging van de vuurrode pook tegen haar rug?
De deur van de cel vliegt open, en belandt tegen mijn rug. Ik gil van de pijn, achter mij hoor ik een gelach. Een lach van leedvermaak. Dan zachte voetstapjes die naar mij toe rennen. Kaya.
“Gaat het?” Ze legt een hand op mijn rug. Waarschijnlijk bedoelt om mij te sussen, maar ik geef nog een gil. Mijn hele lichaam schokt mee. Zo voorzichtig als ze kan, probeert ze het shirtje omhoog te trekken. Het is veel te groot, waardoor de meeste pijn me bespaard blijft, maar ik kan het gesis wat tussen mijn tanden doorglipt niet tegenhouden.
“Wat hebben ze met je gedaan?” Met een geschokt gezicht kijkt ze naar mijn rug. Ik durf zelf niet te bedenken hoe het er uit moet zien. Ik vertel haar het verhaal, maar als ik moet vertellen hoe ze met die pook… Ik word weer misselijk bij de gedachte. Ook Kaya’s gezicht wordt wit en ik pak voorzichtig haar hand vast.
“Het is oké, het gaat wel over. Is alles goed met jou?” Ze knikt stil.
“Er is niets speciaals gebeurt met mij.” Ik kijk haar aan, ik weet dat als ik het nu niet vraag, ik de kans niet meer krijg. Toch huiver ik, ik vraag me af of ik het wel wil weten.
“Kaya… Wat hebben ze met je gedaan? Waar ben je iedere nacht?”
Stil staat ze op en ze draait zich om, zodat ze met haar rug naar mij toe staat. Met veel moeite weet ik overeind te komen, tot ik zit.
“Het is niets.. Ik..” Stottert ze.
“Kaya.. Het is oké, je kunt het me vertellen.”
“Nee, het is echt niets, er is niets met me aan de hand.”
“Waarom ben je dan iedere avond weg?”
Ze draait zich om, zodat ze me aankijkt. De tranen stromen over haar wangen.
“Eens, toen ik nog een vertrouwen had in mensen, heb ik een grote fout begaan. Ik dacht dat er hier mensen rondliepen die ik kon vertrouwen. Daar boet ik nu voor. Dat is mijn straf en mijn kwelling. Dat is mijn verdriet. Tot de dag dat ik sterf.”

De deur slaat open, en met een ruk word ik wakker uit mijn slaap. Een meisje komt binnen strompelen en zakt door haar benen zodra ze binnen is. Ze lijkt niet ouder dan een jaar of 12. Even kijken we elkaar aan. Dan kijkt ze weg. Ik volg haar bewegingen, ze gaat bij het raampje zitten waar enkele felle lichtstralen door heen schijnen. Opnieuw probeer ik oogcontact met haar te maken, zonder resultaat.
“Nog maar 2 maanden.” Zegt ze zacht.

Mijn eerste ontmoeting met Kaya…
“Kaya, en wat is er over 2 maanden dan?”
Haar eens zachte en warme ogen, veranderen in koude tunnels.
“Wat weet jij daar van?”
“Op de dag dat ik je voor het eerst zag, de dag dat je mijn cel binnen kwam lopen, fluisterde je “Nog maar twee maanden.” Ik dacht… Ik dacht dat dit er waarschijnlijk wel wat mee te maken zou hebben.”
Stil knikt ze, en ze veegt de tranen uit haar ogen.
“Ja, dat klopt.” Ze zucht diep. “Er is zoveel wat hier gebeurt, wat jij niet weet. Wat jij niet wil weten, en wat jij nooit te weten zal komen. Ben er blij om en vraag niet door. Het zal je niet opluchten, als dat is wat je denkt.”
“Ik wil niet dat het oplucht, ik wil alleen weten waar jij bent iedere avond. Ik ben bang Kaya, ik vrees voor je. Wat doen ze met jou, en met de andere kinderen?”
Ze knikt, alsof ze zojuist iets voor zichzelf heeft besloten. Vervolgens gaat ze naast me zitten.
“Misschien heb je gelijk, misschien moet ik het je vertellen. Maar het is een lang verhaal, en het zal niets anders doen als je angst geven. Misschien durf je hierna niet meer verder met ons plan. Dat kan ik dan begrijpen. Maar je moet het weten.”
Ik pak haar hand vast en knik.
“Ik laat je niet in de steek Kaya, maar ik wil weten of ik me zorgen over je moet blijven maken.”
“Het is hier een werkkamp, een werkkamp waar je al maanden zit.”
Ik kijk haar vreemd aan.
“Dat wist ik al, ze ontvoeren kinderen om te werken.”
“Maar dat is niet alles, buiten werken wordt hier meer gedaan. Hun straffen zijn vreselijk. De zweep is een van de mildste straffen die ze hebben. Iedere avond wordt ik weg gebracht naar een gebouw hier in de buurt, met 2 andere kinderen.”
Ze lijkt niet verder te willen gaan, maar ik weet dat ze het nu moet vertellen, het moet eruit, als gif uit je aders moet, omdat je anders zal sterven.
“Wat gebeurt er daar met je? En waarom juist jij?”
“Het is onze straf, voor de mislukking van mijn leven. Eens probeerde wij al te ontsnappen, maar dit mislukte. Sindsdien hebben wij de ergste straf gekregen die ik ooit heb meegemaakt.”
Ze schudt haar hoofd, alsof ze niet verder kan gaan. Maar dan komt het ‘verlossende’ woord eruit, wat mij naar adem laat snakken. Ineens vallen alle stukjes op hun plaats. Ineens weet ik waar ik terecht ben gekomen.
“Wetenschappelijke proeven, wij worden gebruikt voor niets anders als menselijke proefkonijnen.”

Citaat:
Hoofdstuk 12

Ik kijk haar geschrokken aan. Dit moet een grap zijn. In mijn gedachten komen meteen allerlei beelden op, van jonge kinderen met slangetjes, naalden en andere walgelijke dingen in hun lichaam. Ik schud de gedachtes weg.
“Kaya…” Begin ik, maar ze schudt haar hoofd, als teken dat ik niet verder moet gaan.
“Zwijg erover. Ik moet het overdag meemaken, laat me dan ’s nachts ergens anders aan denken.”
Ik knik.
“We zullen opschieten Kaya, hoe sneller je hier weg kan, hoe beter.” Ze knikt en een flauwe glimlach verschijnt om haar lippen. Ik trek haar naar me toe en gearmd vallen we in slaap. De brandende pijn in mijn rug probeer ik zoveel mogelijk te negeren.

’s Ochtends word ik met een schok wakker. Kaya ligt naast me op de grond, slapend. Haar armen heeft ze om mijn middel geslagen en haar hoofd leunt op mijn bovenbeen. Ik glimlach en voorzichtig maak ik me los uit haar greep. Ik sta op en klim naar ons raampje. De sterren staan nog hoog in de hemel. De zon begint heel in de verte op te komen en verspreid een oranje gloed. Honderd kilometer verderop zit misschien een verliefd stelletje naar de opkomende zon te staren. En ze zouden niet doorhebben dat een eind verderop iemand door de tralies naar diezelfde zon zat te kijken. Een traan loopt langs mijn wang en ik slik een brok weg. Als ik een arm op mijn schouder voel kijk ik op. Achter mij zit Kaya.
“We komen hier weg.” Zegt ze zacht en ik glimlach en knik.
“Ja.” Fluister ik schor, het is het enige wat ik kan zeggen.

Onze gedachtes worden ruw verstoord als de deur open zwaait en er een stuk brood met een fles water naar binnen worden geduwd. Het valt ze niet eens op dat Kaya en ik niet zichtbaar zijn. Maar het geeft me hoop, misschien valt het ze dan ook niet op als we ontsnappen.
Als de deur dichtslaat klim ik naar beneden, en breek twee kleine stukjes van het brood, zoals ik al enkele dagen doe. De rest verstop ik weer in mijn zakken.
Kaya, die ondertussen ook naar beneden is geklommen, pakt één van de stukjes brood en ik volg haar voorbeeld. Beide kauwen we het taaie stuk brood weg. Het is niet veel ,maar net genoeg om in leven te blijven.
In mijn zakken zit al een kleine voorraad, genoeg om een week van te blijven leven. Als het op is, kruipen we weer tegen elkaar aan, wachtend tot Kaya weer wordt weggetrokken. Maar er gebeurt niets. De deur gaat niet open, er staat geen woedende bewaker om het kleine meisje weer weg te rukken. Ik kijk Kaya aan.
“Ik denk dat je met mij mee mag vandaag.” Zeg ik. Kaya’s ogen beginnen te stralen. Ook ik voel een vreemd gevoel in mijn maag.
“Vandaag.” Fluistert Kaya en ik knik. Vandaag. Vandaag zal het gebeuren. Vandaag zullen de bewakers het meemaken. Vandaag zullen we zegevieren.
Stil wachten we tot ze ons komen halen. Voor het eerst word ik ongeduldig. Hoe sneller hoe beter.
Wat als ze niet komen? Bedenk ik me ineens. Wat als ze ons voortaan niet meer uit de cel laten. We niet meer hoeven te werken…
Dan slaat de deur open en de prop in mijn keel verdwijnt. Gelukkig! Snel kijk ik Kaya even aan. Ze kijkt ernstig. Haar gezicht verraad niets.
“Eruit!” Schreeuwt de man. Hij ziet er guur uit. Een zwarte snor en baard en hij is bruin gekleurd door de zon. Zijn buik puilt uit zijn broek. Voldaan kijkt hij op ons neer, terwijl hij ongeduldig met de stok tegen zijn bovenbeen tikt. Vlug lopen Kaya en ik de cel uit, door de gang, naar de rest van de groep. Ik voel zachte tikjes tegen mijn onderarm en tel ze in stilte. Als ik er vijf heb gevoeld glimlach ik. Veel kinderen kijken mij hoopvol aan. En eindelijk kan ik doen waar ik al zolang op wacht. Ik knik. Het is bijna onmerkbaar, maar er verandert iets in de groep. Doffe ogen beginnen weer een beetje te glinsteren en mensen kijken elkaar aan met een opgeluchte blik. We worden de vrachtwagen in gedreven en ik neem weer één van de kleinste kinderen op mijn schouders, terwijl ik voel hoe jongere kinderen mijn handen en warmen vast grijpen voor steun.
De vrachtwagen komt schokkend in beweging en ik stap achteruit om mijn evenwicht te bewaren. Zoals altijd is de reis een hel, mijn voeten worden vertrapt en overal staan mensen tegen mij aan. Af en toe zie ik voor mij een gestalte inzakken, die door het tekort aan zuurstof in de benauwde vrachtwagen is flauwgevallen. Maar net zoals altijd eindigt de ellende ook weer en schokkend komt de wagen tot stilstand.
Krakend gaat de klep open en weer een stem die schreeuwt dat we er uit moeten komen. Als een kudde vee worden we van de parkeerplaats afgedreven, als iemand te ver van de groep verwijdert raakt, hoor ik een fluitend geluid, gevolgd door een klap en een gil. Ik probeer me af te sluiten van alle geluiden en alleen te denken aan straks. Een schep wordt in mijn handen geduwd. Kaya kijkt me angstig aan en ik glimlach naar haar.
“Denk aan later, Kaya. Denk aan later.” Ze knikt en veegt de tranen weg. Weer merk ik dat ik bewondering heb voor het kleine meisje. Zes jaar kent ze al niets anders als ellende, en nog blijft ze dapper. Ik geef haar een zacht kneepje in haar schouder, als teken dat ze moed moet houden. Ze kijkt omhoog en een glimlach verschijnt op haar gezicht. Ze is duidelijk blij weer buiten te zijn, de zon weer te zien.
Ik zet mijn schop op de grond en begin te graven, lange horizontale sleuven. Kaya volgt mijn voorbeeld en zo komen we de dag door. Af en toe geef ik haar stiekem een klein stukje brood, zodat ze op kracht blijft. Twee maal klinkt het fluitje dat de aflossing en lunch van de bewaking aangeeft, maar ik kijk niet op. Ik voel hoe mijn lichaam langzaam vermoeid raakt, en ik begin rustiger te graven, om mijn krachten te sparen. Ondertussen bestudeer ik de omgeving. Buiten de grote akkers die we bewerken lijkt er geen beschaving te zijn hier. Af en toe zie ik een boom, maar het is vooral zand en gras. Het zal niet makkelijk worden. Water lijkt er wel te zijn, maar diep onder de grond. We zullen moeten graven om erbij te kunnen.
Toch zie ik alles positief in. Het is geen kale en droge woestijn. In dit klimaat kunnen mensen leven. Ik hoop dat dat ook het geval is. Dat we snel de politie kunnen bellen. En mijn ouders.

Mijn moeder werd zuchtend wakker. Ze lag in een ziekenhuisbed en mijn vader zat naast haar. De zorgen van de laatste weken waren haar teveel geworden. Mijn vader hield bezorgd haar hand vast, ook hij leek compleet uitgeput. Politie liep in en uit sinds de mislukte ontmoeting. Daarna was er geen contact meer geweest. Mijn moeder had geen hoop meer.

Citaat:
Hoofdstuk 13

Plotseling klinkt de zoemer die het einde van de dag aankondigt. De zoemer die normaal betekend dat massa’s kinderen zich verplaatsen naar de overvolle vrachtwagens. De zoemer die pijn betekend, maar ook rust en eten. Ineens begin ik te twijfelen. Het lijkt allemaal wel onmogelijk, met het handjevol eten en geen water. We hebben geen idee waar we zijn. Maar het is al te laat. Het plan is al in werking getreden, al direct nadat ik ja knikte vanmorgen.
Ik probeer achteraan te blijven lopen en houd Kaya’s hand vast om haar niet kwijt te raken in de grote massa’s. Achteraan lopen betekent zweepslagen en al snel bijt ik mijn tanden op elkaar als ik een schrijnende pijn op mijn schouder voel neerkomen. Plotseling hoor ik een gil voor mij. Ondanks dat ik dit moment zelf had voorgesteld, schrik ik toch. Twee kinderen vallen neer op de laadklep. Doordat deze schuin loopt, rollen zij tegen diegene achter zich aan. Door de grote drukte ontstaat er een gigantische chaos, die alleen maar groter wordt als kinderen de aandacht van de bewakers proberen te trekken.
Ik twijfel niet en grijp een stuk stof van Kaya’s shirt vast en trek haar mee, tot in een van de lange gleuven die we die dag gegraven hebben. Ik weet dat er gecontroleerd zal worden of de sleuven leeg zijn, maar waag het er toch op. Een betere verstopplek is er niet in dit kale niemandsland. Voorzichtig kijk ik over de rand en zie dat het opstootje, wat veroorzaakt was om de bewakers af te leiden, hardhandig wordt neergeslagen. De tranen springen in mijn ogen als ik kinderen hoor gillen van de pijn. Enkele jonge kinderen smeken de bewakers om te stoppen. Ik kijk Kaya aan. Ook zij heeft tranen in haar ogen.
“We moeten door. Als ze ons niet verraden, zal dit onze enige kans zijn.” Ze knikt. Ze weet het zelf ook.
Als de vrachtwagens vol geladen zijn, slaan de deuren dicht. Ik weet dat het nu gevaarlijk wordt. En inderdaad, langzaam lopen de bewakers onze kant op, om de velden te controleren op achterblijvers. Het is nu of nooit.
Met alle kracht die ik geprobeerd heb te sparen de afgelopen dagen, weken, spring ik uit het gat en ren. Kaya zit vlak achter me, ik hoor haar ademhaling vlak naast me.
Ik weet dat de bewakers ons niet achterna zullen rennen. Ik weet ook wat ze wel doen en ben doodsbang. Op het moment dat de eerste kogel naast me in het zand neerslaat weet ik dat het geen loze dreigementen waren die de bewakers hadden gebruikt. Naast mij hoor ik een gil van angst en ik begin te zigzaggen, hopend dat Kaya hetzelfde zou doen. Enkele minuten nadat ik geen schoten meer hoor val ik hijgend op de grond neer, achter een boom. Ik weet dat deze poging zinloos was geweest. Het zou niet lang duren of ze zouden ons hier vinden en weer meenemen. Naast mij zakt Kaya neer en het eerste wat ik zie is bloed. Ik kijk ongelovig op, dit kan toch niet echt gebeurt zijn? Ik schiet haar direct te hulp, maar ze weert me af.
“Er is niets aan de hand, het is maar een klein wondje. Een kogel schampte mijn hand. Ik ben erger gewend” De waarheid van die woorden treft me hard. Ik scheur een stuk van mijn shirt af en geef haar dit. Dankbaar wikkelt ze het om haar hand, om het bloeden te stoppen.
Het is stil… Ineens dringt het tot me door. Ik kijk Kaya aan.
“Er zijn geen bewakers.. Ze komen ons niet zoeken.” Vluchtig kijkt Kaya rond, terwijl ze langzaam beseft dat ik gelijk heb. Ik zie haar lachen. Het is een van de weinige keren dat haar echt zie lachen.
Ondanks dat het veilig lijkt, weet ik dat we verder moeten. We kunnen niet stoppen tot we echt uit de buurt zijn.
“Kaya, we moeten door, het kan een val zijn. Ze hebben te weinig moeite gedaan om ons te stoppen, ze zullen ons later komen zoeken.” Maar Kaya schudt nee.
“Nee, dat doen ze niet. Kijk naar het land om ons heen. Bruin, dor, triest. Buiten enkele boompjes, kale struikjes en af en toe een polletje gras staat hier niets. Dat weten zij ook. Ze zullen denken dat we hier om komen. Wellicht zoeken ze over een paar dagen de omgeving af naar onze lichamen, om zekerheid te hebben, maar alleen als ze niets beters te doen hebben. Een klopjacht is teveel moeite, als de natuur het ook voor hen kan oplossen.”
“Dan zullen we een manier moeten vinden om te overleven. We hebben wat brood gespaard. De bomen hebben genoeg water om te leven. Dan zullen wij ook water vinden. We hebben al die tijd op weinig geleefd, dat kunnen we nu ook. Laten we nog een stuk lopen tot het donker wordt, dan zullen we dan slapen.”
Kaya knikt. We staan op en lopen verder, terwijl we af en toe om ons heen kijken. Zo verzekeren we onszelf er van dat er echt geen mensen zijn om ons terug te brengen en ons te straffen. Ik huiver als ik denk wat deze straf in zal houden en bid dat ik er nooit achter zal komen.
Het is onmogelijk in te schatten hoe lang we lopen. We weten beide niets af van navigatie en proberen alsmaar rechtuit te lopen, met niets anders als de bomen om ons er van te verzekeren dat we niet in cirkeltjes lopen. Dan begint het te schemeren. Samen graven we een kleine kuil om in te liggen, zodat we niet gemakkelijk te zien zijn. Al snel valt Kaya in slaap. Op dat moment besluit ik wakker te blijven om haar te beschermen voor… Voor wat eigenlijk? Wilde beesten? Bewakers? Met niets anders als mijn T-shirt en wat brood zal ik weinig uit kunnen halen. Toch voelt het beter om voorbereid te zijn als er iets gebeurt. Ik ga verzitten om een prettige houding te vinden. Kaya’s hoofd valt tegen mijn schouder en ik houd haar vast, om haar warm te houden. Mijn gedachten dwalen af naar thuis, naar mijn moeder en vader.

Huilend werd mijn moeder weer wakker, zoals altijd. Mijn vader hield haar hand vast en wreef een koude doek over haar voorhoofd. Ze was dun geworden, doordat ze geen hap door haar keel kreeg. De nachtmerries die ze ’s nachts over haar dochter sloopte haar. Het laatste telefoontje was de hoop geweest waar ze zich aan vast geklampt had, de enige hoop om haar dochter nog levend terug te zien. Maar hierna had ze niets meer gehoord en de hoop was verdwenen. Ze was ingestort.
Een agente kwam binnenlopen. Mijn moeder wist al dat ze niets te vertellen zou hebben, zoals dat ze gisteren niets te vertellen had, en eergisteren.
“Er zijn geen nieuwe aanwijzingen. Ik vrees dat als we niet snel iets horen, we geen aanknopingspunten meer hebben. We kunnen dan weinig meer voor u betekenen.”
De woorden gingen langs mijn moeder heen, maar mijn vader sprong overeind, kwaad. Nee, woedend.
“Hoe kunnen jullie? Het is mijn dochter, hoe kunnen jullie het onderzoek sluiten, terwijl ze nog niet hier is, maar God weet waar.”
“Het spijt ons. We kunnen niets meer betekenen als er geen nieuwe aanwijzingen komen. De kans is groot dat we voor het leven van uw dochter moeten vrezen.”
Weer begint mijn moeder te huilen, zoals ze altijd deed. Haar dochter, ze kon niet dood zijn, ze kon niet weg zijn.

Zou het echt zo gaan? Zouden ze het opgeven en me niet meer zoeken. Zou ik op die grote stapel komen met ‘vermist, maar niet gevonden’ of zoiets? Nee, ik zou thuis komen en mijn moeder weer zien. De vermoeidheid begint ook mij langzaam te overmannen en mijn ogen vallen dicht.

Langzaam loop ik langs de randen van de ruimte, op zoek naar een uitgang of iets anders dat me verder helpt. Ik vind niets. Ik blijf staan bij een kaarsje en kijk naar de vlammen. Achter mij hoor ik een geluid, dat ik niet kan beschrijven. Als ik om kijk zie ik plotseling in een hoek van de ruimte een stenen wenteltrap. Verbaasd dat ik deze gemist heb, loop ik naar boven, maar de wenteltrap lijkt geen einde te hebben, ik loop en loop en loop, maar kom niet boven.
Ik begin te rennen, maar nog lijkt de wenteltrap geen einde te hebben. Gefrustreerd slaak ik een gil.


Ik schrik wakker. Kaya hangt boven me.
“Gaat alles goed? Ik hoorde je gillen in je slaap.” Ik knik, niet in staat om iets te zeggen. Mijn tong zit aan mijn gehemelte geplakt en mijn mond voelt kurkdroog.
“Het is licht, we kunnen verder.” Nog steeds niet in staat om te praten sta ik op en loop achter Kaya aan. We lopen, onderweg eten we af en toe een stukje brood. In de bomen hangen douwdruppels van de nacht, die we opdrinken. Het is niet veel, maar genoeg om de ergste dorst te stillen.

Dagen gaan voorbij, de zesde dag is bijna verstreken en het brood is bijna op. Ik begrijp nog steeds niet hoe we zo ver hebben kunnen komen op een half brood en het vocht van de boombladeren. Ons lichaam moet zo aangepast zijn door de karige maaltijden die we dagelijks kregen. Zowel Kaya als ik zijn beide uitgeput. Plotseling kijkt Kaya op, met haar hand boven haar ogen om de zon te weren.
“Een huis! Ik zie een huis!!” Onze reis lijkt ten einde.

fjordjes

Berichten: 14013
Geregistreerd: 03-07-05

Re: [VER] van lang, lang geleden it returned: fight of freedom!!

Link naar dit bericht Geplaatst: 01-05-09 00:35

Goed geschreven! De hoofdstukken zijn wat kort maar dat maakt het er zeker niet minder om. Schrijf maar gauw een nieuw hoofdstuk.

maxie

Berichten: 2248
Geregistreerd: 14-07-02
Woonplaats: groningen

Link naar dit bericht Geplaatst: 01-05-09 21:50

ik vind het echt super mooi geschreven ben benieuwd naar het volgende stuk!

gerlienke
Berichten: 1613
Geregistreerd: 17-12-04
Woonplaats: Eibergen

Re: [VER] van lang, lang geleden it returned: fight of freedom!!

Link naar dit bericht Geplaatst: 04-05-09 16:20

Goed stuk:D ik volgde dit verhaal een paar jaar geleden ook en ben blij dat je er mee verder gaat:)

P_A_R_Love

Berichten: 2370
Geregistreerd: 06-04-07

Link naar dit bericht Geplaatst: 11-05-09 19:01

Ik lees ook mee :)

bluebeauty
Berichten: 569
Geregistreerd: 12-06-05

Link naar dit bericht Geplaatst: 12-05-09 09:14

Nog een meelezer. Wat een spannend verhaal en je schrijft ook echt goed!