Naast paarden ben ik ook gek van schrijven en schrijf regelmatig verhalen die vervolgens nooit af komen, maar goed.
Ditmaal ben ik erg enthousiast begonnen en ik vond het 'goed genoeg' om met jullie Bokkers te delen
Voorheen heb ik hier ook een verhaal geschreven ([FK] [VER] Te laat ..)en dat was een groot succes. Ik hoop dat te kunnen evenaren.
Opbouwende kritiek en spellingsfoutjes wil ik graag horen en als jullie het niets vinden ook, dan ga ik niet verder
Veel leesplezier!
1.
Met vereende krachten duwde ik zijn slappe lichaam van het mijne. Het ging verassend gemakkelijk. Het statief van mijn nachtlampje gleed uit mijn hand. De tijd dat ik het veracht had om zijn kitcherige uitstraling leek ver weg, heel erg ver weg. Voorzichtig kwam ik overeind. Ik trilde weliswaar onbedaarlijk over mijn hele lichaam, ik was nog verassend helder. Hoewel ik zojuist nog totaal in paniek had verkeerd was ik nu rustig en vastberaden. Via een kier van het raam gleed een koude stroom lucht naar binnen. Hij streek langs mijn, op mijn witte slipje na, naakte lichaam. Ik keek nogmaals naar het roerloze lichaam naast me. Ik haalde diep adem en rolde zijn lichaam van het bed. Met een doffe klap kwam het op de vloer terecht. Als verstijfd bleef ik zitten, maar er kwam geen geluid uit één van de andere kamers. Ik zette mijn voeten op de grond zodat de topjes van mijn tenen zijn zij net niet raakten en stond wankelig op. Ik stapte over hem heen en graaide mijn nachthemd van de grond. Mijn knokkels zagen wit van de kracht waarmee ik het vastklemde. Op mijn tenen haastte ik me naar de deur. Ik legde mijn hand op de glanzende goude klink en opende hem ondersteund door licht gekraak. Even bleef ik vertwijfeld in de deuropening staan en wierp nog eenmaal een blik achterom. Zijn lichaam lag nog altijd bewegenloos op de koude vloer. Ik slikte. Het enige teken van leven dat het nog vertoonde was het licht op en neer gaan van zijn borstkas. Er streek een nieuwe stroom koude lucht langs mijn huid heen dat kippenvel veroorzaakte. Het vervloog mijn twijfels en ik stapte de hal in.
Het afschuwelijke hoogpolige tapijt kriebelde de onderkant van mijn voeten en dempte eveneens het geluid dat mijn voetstappen maakte. Ik holde zo goed en kwaad als het ging de trap af en trok mijn zwarte jas van de kapstok. Ik snakte naar frisse lucht. Schoenen, ik moest nog schoenen aan! Mijn blik gleed even kort over de rijen schoenen die zich onder de kapstok bevonden. Ik koos voor een paar witte, afgesleten gympies. Ik trok mijn nachthemd over mijn hoofd en opende de voordeur. Al lopend over het tuinpaadje wurmde ik me in mijn jas en begon te rennen. Het grind kraakte onder mijn schoenzolen. Het was pikdonker en de wind sloeg wild in mijn gezicht. Ik sloeg linksaf en rende onder het flauwe licht van de lantaarns over de stoep. Steeds verder en verder weg van mijn huis. Of het gebouw dat mijn huis moest voorstellen. De wind prikte zo venijdig in mijn ogen dat ze begonnen te tranen. Achter een waas van traanvocht rende ik door de straten vertrouwend op mijn intuitie, op mijn gevoel. Het enige waar ik op dit moment nog op kon vertrouwen.
Naarmate ik langer aan het rennen was werd mijn tred onregelmatiger. Ik viel langzaam terug in tempo tot ik uiteindelijk nog slechts gehaast liep. Ik hijgde en het koude zweet liep in straaltjes langs mijn rug. De klamme avondlucht viel als een deken om me heen. Ik was compleet uitgeput, maar merkte dit nu pas. Een houten bankje volgespoten met graffiti bood uitkomst. Ik liet me er huiverend op zakken. De planken waren nat en vies, maar dat was wel het laatste waar ik me zorgen over maakte. Dat ik me verschrikkelijk vies voelde had een geheel andere oorzaak. Hoe was het zo ver gekomen? Hoe had ik dit ooit laten gebeuren? Waar zat ik met mijn gedachten? Ik was niets meer dan een goedkope prutsmuts, een vieze goedkope prutsmuts! Het was nu te laat om terug te gaan. Er was geen ontsnappen meer aan. Ik had hem zojuist bijna vermóórd. O god, ik had hem bijna zijn leven ontnomen! Ik zetten mijn handen in mijn haar en trok er uit pure frustratie zachtjes aan. De in elkaar verstrengelde slierten voelde klam en futloos aan. Ik kneep mijn ogen krampachtig dicht en probeerde mijn ademhaling onder controle te krijgen. Mezelf verwijten maken had geen zin. Rustig blijven en nadenken. Met trillende benen stond ik op. Ik moest terug gaan. Ze zouden me vroeg of laat toch vinden waar ter wereld ik me ook zo verstoppen. Bovendien was ik pas zestien. Vluchten was totaal zinloos. Verder dan de grens zou ik niet komen. Ik dwong mijn benen te bewegen. Traag begon ik terug te lopen. Stapje voor stapje. In de verte hoorde ik de kerkklokken slaan. Tijd speelde geen rol..
Hoe lang ik over de terugweg heb gedaan zal ik nooit weten. Het enige dat ik weet is dat ik een engeltje op mijn schouder heb gehad die nacht. Ik sloop het huis binnen en trok mijn jas en schoenen uit. Geluidloos begaf ik me naar de keuken waar ik me in één van de witte plastic stoelen liet glijden en naar het tafelblad staarde. Boven lag een man, een jongen te vechten voor zijn leven. Door mijn toedoen. Het was zo onwerkelijk dat ik het zelf nauwelijks kon bevatten. Langzaam stond ik op en liep naar de gootsteen. Ik stak mijn vinger in mijn keel. Ik kokhalste en gaf over. Net zo lang tot ik het gevoel had volledig leeg te zijn gelopen. Met mijn hand zocht ik op de tast één van de keukenkastjes die makkelijk te openen waren. Ik haalde een zoals altijd perfect schoon en belachelijk glanzend glas naar voorschijn en liet het vol stromen met water. Gulzig slokte ik het naar binnen. En daarna nog één en daarna nog één. Met mijn maag slechts gevuld met klotsend water ging ik weer zitten. Ik ademde zwaar. Ik moest bij hem gaan kijken. Ik kon hem niet aan zijn lot overlaten. Ik had hem nu genoeg gestraft. Ik had hem tenslotte bijna zijn graf ingeslagen. Verkerend in een soort van shock begaf ik me geluidloos naar boven. Steunend op de trapleuning. De deur naar mijn kamer kwam steeds dichterbij. Bij elke stap die ik zette gleed een nieuwe rilling van angst en pijn door me heen. Wat als hij was gestopt met ademen? Wat als hij was opgestaan en nu op me wachtte, zinnend op wraak? Ik bleef staan en omklemde met mijn rechterhand de ijskoude deurklink. Mijn hart bonste in mijn keel, het angstzweet brak me uit en mijn gehoor en zicht waren minimaal. Focus je gebood ik mezelf en ik deed de deur open. Ik had de meest gruwelijke taferelen verwacht. Eerlijk waar. Dit sloeg echter alles. Door het donker kon je het slecht zien, maar ik zou zijn silhouet overal herkennen. Hij zat op de rand van mijn bed. Zijn gestalte was lang en angstaanjagend. Hij zat voorover gebogen met zijn handen in zijn haar. Als verstijfd bleef ik in de deuropening staan. Mijn ogen prikte en de tranen weldde op. Van angst en van opluchting. Hij leefde nog, ik had hem niet vermoord.
'Je ziet wat witjes.'
Zijn zware basstem rukte me onmiddelijk terug uit mijn korte moment van opluchting. Hij had zijn hoofd opgetild en boorde zijn blik in de mijne. Door zijn voorhoofd liep een dikke denkrimpel. Ik hield mijn lippen stijf op elkaar geperst en zweeg.
'Ik mag van geluk spreken dat ik nog leef.'
Elke klank die hij te weeg bracht deed pijn aan mijn oren. Hij klonk zo stoïcijns, zo kalm dat het weerzinwekkend was. Ik beet op mijn onderlip.
'Of moet ik zeggen dat jij van geluk mag spreken dat ik nog leef?'
Ik bleef koppig zwijgen. Hij keek bijna triomfantelijk zag ik nu. Mijn ogen waren gewend aan het donker en ik dacht in een flits zelfs een grijns op zijn gezicht te bespeuren.
'Als je niets wil zeggen is dat ook prima. Ik doe het woord wel. Ik neem graag de touwtjes in eigen handen zoals je weet.'
Dat deed me beseffen dat als ik niets deed hij zo ongestoord door zou gaan. Hij praatte me een schuldgevoel aan. Pakte me op mijn zwakte punt. Ik sloot enkele seconden mijn ogen, raapte al mijn moed bij elkaar en keek hem toen aan. Vijandig.
'Je bent het niet waard.' Fluisterde ik minzaam.
'Dat is een compliment neem ik aan?'
Ik zag hem minzaam glimlachen. Zijn lichaam kwam in beweging. Nu pas zag ik dat hij nog steeds naakt was. Hij stond op en liep naar me toe. Tergend langzaam strekte hij zijn hand naar me uit. Ik deinsde achteruit, de hal in en draaide me vliegensvlug om. Mijn blik schoot schichtig van links naar rechts. De trap op of de trap af? De trap op. Ik vloog naar links, mijn hart kloppend in mijn keel en vloog de trap op. Kabaal maken, ik moest kabaal maken. Ik stampte verwoed op de houten treden in een wanhopige poging hulp in te schakelen. Ik hoorde zijn snerpende, holle gelach achter me. Vlák achter me. De badkamer. Binnen minder dan een seconde vloog ik de badkamer in. Ik had de deur al bijna dicht toen hij ergens tegen aan klapte. Zijn voet. Zonder enige moeite duwde hij de deur open hoewel ik al mijn gewicht in de strijd gooide. In een flits stond hij binnen en drukte de deur in het slot. In een laatste wanhopige poging te ontsnappen sprong ik naar achter tegen de muur. In twee passen was hij bij me en omsloot met zijn hand mijn keel.
'Dus jij wilt verstoppertje spelen?' Fluisterde hij dreigend, hijgend in mijn gezicht.
Ik zei niets en voelde de tranen over mijn wangen vloeien. Mijn benen waren slap eveneens als de rest van mijn lichaam. Terugvechten had geen zin. Niet meer..
Waar je misschien op kan letten is dat je een komma plaatst tussen 2 persoonsvormen, dat doe je namelijk over het algemeen niet.
Ik heb wel weer het een en ander gevonden voor je om te verbeteren