
Een jongen en een meisje. Jaar of zeven, misschien acht of zelfs negen. Het meisje heeft blond haar wat in twee lange vlechten zit. Onderaan een roze strikje met een bloemetje eraan. Sproetjes op haar gezicht. Een klein neusje. Blauwe ogen die stralen. Een simpel shirtje, een spijkerbroek en slippers. Witte slippers met roze stipjes. Dezelfde kleur roze als die van het strikje in haar haren. Omhoog en naar beneden. Wip. Wap. Ze lacht haar tanden bloot, ze mist er eentje, maar dat hoort nou eenmaal zo op die leeftijd. Aan de andere kant zit een jongentje. Hij heeft bruine krulletjes die eigenlijk nét iets te lang zijn en dus voor zijn ogen vallen. Door de wind springen de krullen wat heen en weer. Hij heeft ook blauwe ogen. Een beetje getint door de zon. Ook hij lacht. Mooie witte tanden. Hij heeft ook een spijkerbroek aan, maar dan een stoere. En gymschoenen die overduidelijk niet langer dan een week oud zijn. En ook hij gaat omhoog en naar beneden. Wip. Wap. En daar gaan ze dan samen, een jongen en een meisje. Als zij omhoog gaat, gaat hij naar beneden, en andersom. Hoe simpel?
Maar tien jaar later, gaat het nog steeds zo. Als het meisje verdrietig is, in de put zit, helpt de jongen haar. Hij praat, knuffelt en troost. Hij vrolijkt haar op, ze kan weer lachen. Prijst haar de hemel in. Ze klimt uit het dal, naar de top, omhoog. Een ander moment zit de jongen in de put. Het meisje helpt hem dan op haar eigen speciale manier. Ook de jongen komt weer uit dat dal. En zo gaan ze samen omhoog en naar beneden. Omstebeurt, en toch tegelijk. Net zo simpel, maar wel fijn.
Maar ook die tijden gaan voorbij. En zoals met alles in het leven, wordt ook dat wipwap-effect ingewikkelder dan het was. De jongen en het meisje worden ouder, wijzer, volwassen. Hij nog steeds een spijkerbroek en zijn krullen. Zij nog steeds roze slippers met een bijpassend strikje in haar inmiddels bruin geverfde haren. Het tijdperk van speeltuinen zijn ze allang ontgroeid, maar de ups en downs die ze van de wipwap kennen blijven bestaan, alleen dan wat ingewikkelder. En nog steeds willen ze elkaar helpen, maar ook dat wordt ingewikkelder. Hij heeft een vriendin, relatie, dat soort onzin. Zij ook. Als de jongen weer in de put zit, belt hij het meisje. Ze komt meteen, net als vroeger. Neemt hem in haar armen en troost hem, zoals ze dat altijd deed. Maar tijden veranderen, en dus ook het troosten. Vrienden en vriendinnen denken meer te zien dan de onschuldige vriendschap die ontstond op de wipwap. Jaloezie, confrontaties, gesprekken, oplossingen. En die oplossing is niet altijd leuk. Afstand. De jongen en het meisje houden afstand. Maar ze blijven gaan, omhoog en naar beneden. Soms verder omhoog, of naar beneden, maar het principe blijft hetzelfde. De afstand blijft, wordt zelfs steeds groter. Misschien, groeien ze zelfs uit elkaar. Ze hebben er vrede mee. Hij heeft een vriendin, zij een vriend, dus wat is het probleem? Het leven gaat door, mensen komen en gaan, en zo ook de vrienden die je maakt in de speeltuin. Je wordt zogenaamd volwassen, omdat dat zo hoort. Misschien gaat het zelfs vanzelf, dat volwassen worden. Hoe dan ook, álles verandert wanneer je de enige echte kameraad uit de speeltuin kwijtraakt. Alle eenvoud, hoe simpel die ook was, verdwijnt. Heel kinderachtig, zo’n wipwap, maar ergens toch ook heel fijn. Natuurlijk zijn nieuwe vrienden en vriendinnen fijn, maar zo een als van de wipwap vind je nooit meer. Want je ging samen omhoog en naar beneden. Maar waar het om ging is dat je er altijd samen wel weer uitkwam, hoe dan ook. Als de een wat hoger ging, offerde de ander zich op door lager te gaan. Zulke dingen deed je voor elkaar. En hoe je het ook went of keert, en hoe leuk je relatie ook is, je bent ouder en gaat niet meer op een wipwap. Je gaat nooit meer zó samen omhoog en naar beneden als met je maatje uit de speeltuin. Alle simpele, fijne eenvoud verdwijnt. Maar de herinnering blijft.




Van mij mag je het best vinden hoor, daar niet van 