Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

. Je schrijft heel beeldend, en daar hou ik echt van!
Ik houd zelf erg van beeldende verhalen en ik ben ook een enorme beelddenker (echt niet normaal meer, alles wat iemand zegt zie ik meteen in alle detail voor me) dus vandaar dat het beeldend schrijven me makkelijk af gaat. Al moet ik ook wel opletten dat ik niet al teveel details in één zin ga proppen, dan krijg je weer een soort overkill.
Heb het druk met school & tekenopdrachten dus het schrijven schoot er wat bij in. Maar hoop zo snel mogelijk iets te plaatsen.
en vooral origineel. Vaak als mensen dit soort Fantasy proberen vind ik dat het te veel een duidelijk verzonnen verhaal wordt. Jij maakt het realistisch. en die namen, die maken het af. 
En het is tenslotte haast altijd een soort strijd tussen goed en kwaad, alleen steeds in een ander jasje.
Ik heb ondertussen al dingen geskipt en toegevoegd, maar kan die post natuurlijk niet meer editten.
Tegen de tijd dat het weer wat verder is moet alles sowieso gewoon echt een paar keer goed overgelezen worden en desnoods deels herschreven.
Ze krijgt een soort flashback van de keren dat ze Erlendur heeft opgemerkt.
Dankje!
Citaat:In de verte klinken gedempte stemmen. Een vrouw praat zachtjes, een man geeft antwoord. Iemand legt een vochtige doek op haar voorhoofd en ze slaat haar ogen op. Boven haar hangt een gezicht met vriendelijke bruine ogen. De vrouw glimlacht naar haar en richt zich dan op. “Foringi! Ze is wakker!”
De man met de blauwe ogen komt haastig aan gelopen. Hij kijkt enigszins bezorgt en knielt naast haar bed. “Hoe is het met je? Wil je wat drinken?” ze schudt haar hoofd. “Ik heb honger.” De man knikt naar de vrouw. “Haal wat brood voor haar.” De vrouw loopt weg en Foringi richt zijn ogen weer op haar. “Het spijt me dat alles zo gegaan is. We konden niet anders.” Hij kijkt om en ze volgt zijn blik; ze zijn in een kleine kamer, met wanden van steen. Er brand een vuur in de haard en er staan wat banken en een tafel. In de hoek staat een grote met ijzer beslagen kist, verder is de kamer zo goed als leeg.
“Waar ben ik? En wie zijn jullie? Waar is Erlendur?” de vragen stromen eindelijk over haar lippen. De man zucht. “Erlendur is hiernaast. Alles is goed met hem.” Het laatste voegt hij er snel aan toe als hij ziet wat ze wil vragen. “We zullen hem niks doen. En jou ook niet, daar sta ik voor in. Het was ook allerminst de bedoeling dat je flauw zou vallen – gelukkig ben je nu weer opgeknapt. We wisten niet dat je zo uitgeput was. Je gaf ook geen kik.” Hij glimlacht. “Knap nu eerst maar even goed op. Rust uit, slaap een beetje. Ik zal je straks door iemand laten halen om je een rondleiding te geven. En wat meer uitleg.” Foringi staat op. Hij glimlacht nog even naar haar, ze probeert zich op te richten om wat te zeggen maar ze heeft er de kracht niet voor. Hij loopt snel naar de deur toe en sluit deze zacht achter zich.
Ze staart naar het ruwe plafond. Wie zijn deze mensen? De man heeft haar in feite nog niks verteld, behalve dan dat Erlendur het goed maakt. Hij klonk oprecht bezorgd over haar en ook de vrouw leek haar heel aardig. Maar wie moest ze nu geloven – de man had op een venijnige toon tegen Erlendur gesproken. Erlendur was ook altijd vriendelijk tegen haar geweest. Wie moest ze vertrouwen?
De deur zwaait open en de vrouw komt voorzichtig de kamer binnen, in haar handen een blad. Ze zet het blad neer naast Alrúns bed en de geur van warm brood en zoete thee slaat ervan af. “Ik hoop dat het je smaakt, het brood is net gebakken. Geniet ervan.” Ze draait zich om en verlaat de ruimte. Meteen draait Alrún zich op haar zij en als een uitgehongerde wolf stort ze zich op het voedsel. Haar gezicht vertrekt pijnlijk als ze haar mond brand aan de hete thee maar ze drinkt gretig door.
Als het brood en de thee op is draait ze zich om en strijkt met haar handen over de lakens. Ze zucht even en probeert even nergens aan te denken, maar het lukt haar niet. In wat voor situatie is ze nu weer beland? Dit had ze nooit kunnen voorzien toen ze daar naast Erlendur stond, aan het eind van het pad naar de boomgaard en voor het eerst uitkeek over Eftir.
Ze ziet Erlendur weer voor zich, maar hij vervaagt en maakt plaats voor Foringi. Zachtjes drukt ze haar vingertoppen tegen haar slapen. Misschien is het maar beter om even helemaal niemand te vertrouwen. Ze sluit haar ogen en duwt haar gezicht diep in het kussen.
Aan het afkoelen van de lucht merkt ze dat de middag ten einde loopt. Ze schudt haar hoofd en neemt nog een hap gras. Ze kauwt op de taaie, smakeloze stengels en scharrelt wat met haar neus door een hoop dode bladeren maar vindt niks van haar gading. Lusteloos loopt ze verder, een stukje van de kudde weg. Dan ziet ze voor zich, onder een boom, een flinke struik. Net als ze haar tanden in de takken wil zetten scheert er een flits langs haar hoofd. Ze schrikt en verheft zich op haar achterbenen en springt opzij. Als ze zichzelf weer onder controle heeft ziet ze dat Heift naast haar staat, met haar oren in de nek en ontblote tanden.
Met een schrille gil haalt ze uit naar Heift en jaagt haar de heuvel af. Dan keert ze terug naar de struik en begint de takken te strippen. Ze schudt haar manen en trekt aan de takken. Niks smaakt haar vandaag, op welke andere dag dan ook had ze zich vol overgave op deze struik gestort maar vandaag blijft ze lusteloos wat aan de blaadjes knabbelen.
Plots bereikt een vreemde geur haar neus en ze steekt haar hoofd in de lucht en snuift diep. Een vlaag van herkenning schiet door haar hoofd en ze draait zich met een ruk om en dendert de heuvel af, struikelend over losse stukken grond en takken. Ze kan nog maar net op tijd afremmen als ze beneden aankomt en ze ziet zijn zwarte gestalte scherp afsteken tegen het blauwe water.
Hij draait zijn hoofd niet om maar aan de stand van zijn oren kan ze zien dat hij haar hoort naderen. Ze komt naast hem staan en kijkt in het water. Haar eigen muisgrijze kleur met de donkere manen lijkt haast sober vergeleken met zijn glimmende donkere vacht en zilverwitte manen. Ze duwt haar neus zachtjes in het water en hun spiegelbeelden rimpelen in duizenden kringen uiteen.
Dreyri knikt met zijn hoofd en kijkt haar dan aan. Dan tuurt hij weer over het water. De stilte hangt als mist tussen hen in. Dan draait hij zijn hoofd ineens haar kant op. “Dat is lang geleden. Je voelt het, ik weet het. We voelen het allemaal. Het hangt in de lucht.” Hij kijkt blind naar de overkant van het water, draait zich dan om en stapt langzaam weg.
Ze kijkt zijn gedaante na tot hij tussen de bomen is verdwenen. Dan werpt ze een blik op haar spiegelbeeld in het water, maar de ogen die haar aankijken zijn de ogen van een vreemde.


Ik heb ook echt dat als je een stuk af heb dat ik heel graag verder wil lezen om er achter te komen wat er nouw gaat gebeuren

Heb wel vaker geprobeerd een verhaal te schrijven maar dat liep altijd stuk. Voor dit verhaal heb ik nog duizenden ideeën in mijn hoofd. 
Maar eerst even wat verder schrijven dan.
Er valt mij één iets op:Fiffill schreef:Je somt veel acties op met 'en'. Je kan meerdere acties ook anders beschrijven:In de verte klinken gedempte stemmen. Een vrouw praat zachtjes, een man geeft antwoord. Iemand legt een vochtige doek op haar voorhoofd en ze slaat haar ogen op. Boven haar hangt een gezicht met vriendelijke bruine ogen. De vrouw glimlacht naar haar en richt zich dan op. “Foringi! Ze is wakker!”
De man met de blauwe ogen komt haastig aan gelopen. Hij kijkt enigszins bezorgt en knielt naast haar bed. “Hoe is het met je? Wil je wat drinken?” ze schudt haar hoofd. “Ik heb honger.” De man knikt naar de vrouw. “Haal wat brood voor haar.” De vrouw loopt weg en Foringi richt zijn ogen weer op haar. “Het spijt me dat alles zo gegaan is. We konden niet anders.” Hij kijkt om en ze volgt zijn blik; ze zijn in een kleine kamer, met wanden van steen. Er brand een vuur in de haard en er staan wat banken en een tafel. In de hoek staat een grote met ijzer beslagen kist, verder is de kamer zo goed als leeg...
En daarna ligt ze weer in de zon. Denkt ze terug aan de jacht? Dat is me nu niet duidelijk.



Citaat:Ze kreunt en wrijft over haar nek, die pijnlijk en stijf aanvoelt. Het liggen op een harde grond is niet bepaald goed voor je botten, denkt ze bij zichzelf. Ze staat op en raapt de deken van de grond. Ze klopt hem wat uit en vouwt hem dan op. Dan draait ze zich om naar Erlendur, die op de grond zit en de grootste takken uit het vuur vist. Ze ziet dat bij de grot al een nieuwe stapel hout ligt.
Citaat:“De Fljót is een rivier in Eftir. Een van de grotere rivieren die vanuit de bergen dwars door de bossen stromen, en uitmonden in het meer. Ze zijn rijk aan vis en het water is helder en schoon.”



Fijn, kan ik dat veranderen.

Wat voor taal had jij verwacht?


Ergens wordt aan Alrún verteld wat een Draumann precies is en hoe het zit met die zielsverwanten, daaruit kan je opmaken hoe het een beetje werkt met haar "dromen" en de dieren. Komt later nog allemaal terug en wordt nog duidelijker gemaakt.