Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz
:D
Citaat:“Hoo”, commandeert Ryan Quantore als we bij het kamp zijn aangekomen. Quantore stopt onmiddellijk en blijft nahijgend stil staan. Ryan en ik laten ons van hem afglijden en zetten hem dan weer bij de andere pony’s.
“Sinta, wil jij even met hem stappen?”, vraagt Ryan aan een meisje die een jaar of 12 lijkt. “Natuurlijk”, knikt ze en neemt Quantore over. “Ryan?”, vraag ik als we weer richting de caravans lopen. “Wat is er?”, vraagt Ryan. “Bedankt”, zeg ik zachtjes. “Graag gedaan”, zegt Ryan en ik zie voor het eerst sinds onze eerste ontmoeting weer een glimlach op zijn gezicht. Als we het kamp binnenlopen komt Mohito gelijk op ons aflopen. “Hoe ging het?”, vraagt Mohito nieuwsgierig. “Nou we hebben het adres..”, begin ik. “Maar toen moesten we snel wegwezen want er kwam een stel kinderen op ons afgerend, dachten dat we beroemd waren ofzo”, zegt Ryan sarcastisch en kijkt met een spottende blik naar mij. “Ik ben blij dat jullie veilig zijn teruggekomen dan”, zegt Mohito bezorgd. “Ja ik ook, gelukkig hadden we Tor bij ons”, zegt Ryan. “Snel als de bliksem is hij dan hè”, zegt Mohito met glinsterende ogen. Glimlachend kijk ik hem aan. “Maar Mohito..”, begin ik voorzichtig. “Nu ze me gezien hebben.. ben ik bang dat ze me gaan zoeken”, zeg ik en ik sla mijn ogen neer naar de grond om mijn tranen te onderdrukken. “Hoe bedoel je”, vraagt Mohito en als ik hem aan kijk zie ik dat zijn blik veranderd is in een bezorgde en trieste blik. “Dat ze me gaan zoeken en mijn vader kennende geeft hij niet zomaar op”, zeg ik treurig. “Wat wil je daarmee zeggen Anna?”, vraagt Mohito. Het lijkt wel iedere keer als hij boos is of als er wat aan de hand is hij pas mijn naam noemt. “Dat ik niet langer bij jullie kan blijven”, zeg ik zachtjes en ik kan de tranen niet meer tegenhouden. Ik heb me nog nooit ergens zo thuis gevoeld en dan moet dat na een paar dagen al weer voorbij zijn. Mohito drukt me tegen zich aan. “Bij ons ben je toch veilig”, troost Mohito mij. “Ja wij houden die stadsmensen wel op afstand hoor”, zegt Ryan strijdlustig die tot nu toe niks meer had gezegd. “Ze zullen het hele bos onderzoeken en niks heel laten tot ze me gevonden hebben en ik zou niet willen dat er iets met jullie gebeurd”, snik ik. “Dus ik denk dat het beter is.. dat het beter is dat ik ga”, zeg ik dapper. “Hoe sneller ik mijn oma heb gevonden, hoe sneller ik terug naar huis kan en hoe sneller ik hier weer terug ben”, zeg ik. “Misschien heb je daar wel gelijk in”, zegt Mohito. “Maar je gaat niet alleen”, zegt Mohito. “Wie gaat er mee dan?”, vraag ik verontwaardigd. “Ik ga met je mee”, zegt Ryan die naast me staat en me een kneepje in mijn schouder geeft. Mohito knikt goedkeurend naar Ryan. “Ik denk dat jullie ook gelijk moeten gaan”, zegt Mohito dan. “Oké”, zeg ik zachtjes.
Ryan en ik hebben de hoognodige dingen meegenomen. We hebben broden mee, stukken fruit, wollen dekens en warme kleren. “Jullie nemen Quantore mee”, zegt Mohito. Er word een zadeltas op Quantore zijn rug gelegd en daar worden de spullen in gestopt. Ook krijgt hij een touwhalster om, met lederen teugels. “In onbekende omgeving is het wel belangrijk dat je hem vast kan zetten”, vertelt Ryan. “Ik ga regelmatig met hem naar het dorp en dat weet hij zijn plek, vandaar dat ik hem los liet staan”, vertelt Ryan en hij glimlacht weer even. Mohito heeft aan Cenille uit gelegd wat we gaan doen en dan komt ze naar ons toe. Ze aait Ryan over zijn bol en brabbelt iets naar hem en geeft hem dan een knuffel. Dan loopt ze naar mij toe en geeft me een prachtig bloedrode armbandje en drukt ze mij stevig tegen haar aan. Ze brabbelt ook iets naar mij in onverklaarbare taal. “Ze zegt dat het voelt alsof je haar dochter bent”, vertaalt Mohito voor mij. “Dat armbandje was ooit van haar moeder geweest”, vertelt Mohito. “Maar dat kan ik niet aannemen”, zeg ik ongelovig en ik wil het armbandje af doen maar Cenille houd me tegen. “Voor jou”, zegt Cenille dan. Ik druk de kleine vrouw nog even tegen me aan en bedank haar. “Het is 3 dagen lopen naar Gasto”, vertelt Mohito. “Wij trekken eind van de dag ook weer verder, maar Ryan weet waar we naar toe gaan”, vertelt Mohito verder. “Gaan jullie hier weg”, vraag ik geschrokken. “Ja, wij kunnen hier nu ook niet blijven, we willen niet dat iemand van ons afweet”, zegt Mohito. “Het spijt me dat jullie door mij moeten verplaatsen”, zeg ik mij schuldig voelend. “Dat geeft niet dromer, we hebben het voor je over”, zegt Mohito glimlachend. We nemen nog een laatste keer afscheid en dan gaan we op pad. Ik zit bovenop Tor en Ryan loopt naast hem, hij weigerde om ook op zijn rug mee te rijden. “Zolang we in het bos rijden gaat het goed, maar als we door open velden moeten dan moeten we wachten tot het donker is”, vertelt Ryan. “Waarom mag niemand jullie eigenlijk vinden”, vraag ik nieuwsgierig.
Ik verwacht een bot antwoord, maar ik merk dat Ryan steeds meer los begint te laten. “De mensen hier houden niet meer zo van kampers”, zegt Ryan. “Vroeger stalen die mensen heel veel en dachten de mensen altijd dat het heksen waren”, vertelt Ryan. “Dus het is eigenlijk gewoon angst?, vraag ik. “Inderdaad, de mensen kennen ons helemaal niet”, zegt Ryan. “Maar wat doen ze dan als ze ons vinden?”, vraag ik. “De meeste worden opgepakt en worden zonder pardon in de cel gegooid of erger..”, zegt Ryan. “Jeetje, waar gaan we heen met de wereld”, vraag ik beduusd. “Ach”, zegt Ryan alleen maar. Dan komt zijn onverschilligheid weer naar boven.
We lopen ondertussen al een paar uur en het is nog steeds warm ondanks dat het al tegen de avond is. Er staan steeds minder bomen langs de bospaden en dan houd Ryan Quantore halt. “We wachten hier totdat het donker is”, commandeert Ryan. Ik stem in en laat me van Quantore afglijden. Quantore laat zich gewillig vastbinden zodat hij daarna kan grazen. Ryan ploft neer tegen een boom en ik ga zuchtend naast hem zitten. “Waar gaat de rest nu naar toe?”, vraag ik. “De rest trekt naar het zuiden, naar Waki, daar ligt ook een groot bos”, zegt Ryan. “En hoe ver is het dan vanaf Gasto tot Waki?”, vraag ik. “Ik gok zo rond vijf dagen”, somt Ryan op. Ik laat mijn hoofd tegen de boom aan leunen en sluit dan even mijn ogen. “Deed hij het vaak?”, vraagt Ryan dan vanuit het niets. “Sorry?”, vraag ik. “Of hij het vaak deed”, vraagt Ryan nogmaals, die er duidelijk moeite mee heeft het te vragen. “Wie wat vaak deed?”, vraag ik nog steeds niet begrijpend. “Of je vader.. je vaak sloeg zeg maar?”, vraagt Ryan. Als ik naar hem kijk zie ik dat hij zijn gezicht afwend. “Ik wist niet dat Mohito dat verteld had”, begin ik. “Maar mijn vader was heel vaak agressief en greep me regelmatig bij mijn arm, maar hij heeft mij één keer echt geslagen”, zeg ik. Nu merk ik dat ik het eigenlijk steeds makkelijker vind om er over te praten. Ik heb mijn vader echt achter me gelaten, het enigste is dat ik mijn moeder wel mis. “Waar sloeg hij je?”, vraagt Ryan. “In mijn gezicht..”, antwoord ik zachtjes. Dan pas kijkt Ryan mij aan en ik zie zijn waterige ogen. “Hé, wat is er”, vraag ik meteen. “Mijn vader sloeg me ook”, vertelt Ryan maar verder vertelt hij niet. “Dat spijt me”, probeer ik hem te troosten. “Waarom spijt het jou, jij hebt toch niks gedaan!”, zegt Ryan dan met overslaande stem. “Ik wou alleen maar..”, begin ik geschrokken. “Nee, niks Anna, jij kan hier helemaal niks aan doen en ik wil je medelijden niet”, zegt Ryan dan bot en dan draait hij zijn rug naar mij toe. “Ik wil je alleen maar helpen”, zeg ik boos. “Ik hoef je hulp niet”, zegt Ryan mopperend. “Dan toch niet”, zeg ik. “Nee dan niet”, zegt Ryan. Zuchtend draai ik me dan ook om, eigenwijze jongen.





Je ziet vanzelf wanneer het weer over gaat in Anna's verhaal. Ik heb ook alweer een nieuw stuk
dus als er weer genoeg reacties zijn dan plaats ik die gelijk weer 
Citaat:Ik zit weer lekker onderuit gezakt in mijn grote leren stoel, waar je bijna met ze tweeën in kan zitten. Sinds kort heb ik mijn eigen kamertje gekregen vlak bij de achterdeur en naast de keuken. Mijn leren stoel staan in een hoek en daar tegenover staat een zacht eenpersoonsbed voor de nachtdiensten. Ook staat er een nachtkastje met daarboven een kleine tv. Ik was net weer aan het indutten toen ik wat gerammel in de keuken hoorde. Dat zal Anna wel zijn die honger heeft, denk ik bij mezelf. Dan hoor ik een jas die aangetrokken word en een rits die dicht gedaan word. Ik hoor zachte voetstappen richting de achterdeur lopen. “Oké, nu moet ik het toch even gaan checken”, mompel ik in mezelf. Ik loop voorzichtig naar de achterdeur en zie dat Anna net de deur open wil maken. Ik leg een hand op haar schouder “En waar denk jij naar toe te gaan?”, vraag ik. Ze schrikt duidelijk en draait zich om. “Waar ga je op dit late tijdstip naar toe Anna, heb je soms een vriendje?”, vraag ik nieuwsgierig grappend. Ik merk dat het even duurt voor dat ze antwoord geeft. “Ik heb inderdaad een vriendje ja”, zegt Anna. Ik kan haar gezicht niet goed zien dus ik weet niet of ze de waarheid spreekt. “Wie is dat dan?”, vraag ik. “Ik vertel je morgen alles goed?”, vraagt Anna. Ik merk dat ze ongeduldig word, maar ik weet niet zo goed wat er aan de hand is. “Oké, maar doe je wel voorzichtig?”, zeg ik. “Ik wil het niet op mijn geweten hebben dat jou iets overkomt”. “Ik ben altijd voorzichtig”, glimlacht Anna. “Tot morgen”. “Tot morgen Anna”, zeg ik.
Het zit me toch niet lekker dat Anna de deur uit is geslopen, dat doet ze normaal nooit. Ik hoop maar dat ze snel weer terug is. Toch val ik na enkele minuten in slaap.
Paar uur later begint het langzaam weer te leven in huize ´Steen´. De schoonmaaksters maken zich weer gereed en de kok is alweer bezig met het maken van het ontbijt. Ik word ook langzamerhand wakker en rek me uit. Dan hoor ik een schreeuw van Ina boven. Ik weet niet hoe gauw ik uit mijn stoel moet opstaan en naar boven moet rennen. Het komt uit de kamer van Anna vandaan. Ik krijg het in ene heel benauwd en weet niet zo goed of ik de kamer wel binnen moet lopen. Straks is Anna niet meer teruggekomen, straks is ze ontvoerd. Ik bedenk me van alles wat er met haar gebeurd kan zijn, maar eigenlijk wil ik daar niet eens over nadenken. Ik open de deur en houd dan mijn adem in. Ina zit in elkaar gedoken huilend op de grond en ik zie Fred staan met opgeheven handen. Zodra hij mijn ziet laat hij zijn arm gelijk zakken en kijkt geschrokken naar mij. “Wat doe jij hier”, roept hij kwaad. Dan komt hij op me aflopen en blijft dreigend voor me staan. “En ik heb jou toch ingehuurd om op mijn dochter te letten, waar is ze nu appelflap”, roept Fred met overslaande stem. “Waar is ze?!”, vraagt Fred nog een keer als ik niet antwoord. Ina zit nog steeds snikkend op de grond. “Ik.. ik weet het niet”, stamel ik. “Daar heb ik toch niks aan”, roept Fred kwaad en hij begint langzaamaan rood aan te lopen. Ik heb hem nog nooit zo kwaad gezien. Dan duwt hij mij aan de kant en beent de slaapkamer uit van Anna. “Als ik er te pakken krijg”, horen we Fred nog zeggen. Dan bekommer ik mij om Ina.“Gaat het wel mevrouw Steen”, vraag ik bezorgd en kniel bij haar neer. “Mijn Anna”, snikt ze alleen maar en duwt een briefje in mijn handen.
Lieve mam,
Ik weet dat u dit als eerste zal lezen, want u bent altijd de eerste die mijn slaapkamer binnenloopt. Ik ben ergens achter gekomen, wat ik graag wil uitzoeken. Ga niet naar me op zoek, ik kom wel weer terug.
Ik hou van u.
Veel liefs van u Anna.
Ik weet niet goed hoe ik moet reageren. Ze was de vorige avond erg zenuwachtig maar ik had niet verwacht dat ze weg zou lopen. Ik til Ina van de grond en zet haar op het bed van Anna. “Hoe kan ze dit nou doen Joop?”, vraagt Ina snikkend. “En waar is ze achter gekomen, ik snap er niks van?”, vraagt ze snikkend. De tranen stromen over haar wangen en nu zie ik pas dat er een straaltje bloed langs de zijkant van haar hoofd loopt. Er zit een grote plek ter hoogte van haar wenkbrauw. “Èén momentje mevrouw Steen”, zeg ik en ik loop snel naar de badkamer voor een natte washand. Als ik terugloop naar de kamer zit ze nog steeds in elkaar gedoken op het bed van Anna. Ik ga naast haar zitten en druk de washand zachtjes tegen de zijkant van haar hoofd. “Au, dat doet zeer”, snikt ze. “Sorry, mevrouw Steen maar het moet even”, zeg ik. “Ik weet dat dit niet mijn zaken zijn, maar doet meneer Steen dit vaker?”, vraag ik bezorgd. “Zeg het alsjeblieft tegen niemand?”, vraagt Ina en ze kijkt me angstig aan. “Nee, natuurlijk niet”, zeg ik. Dan duurt het even 5 minuten voor Ina weer wat zegt. “Wat moeten we nu doen?”, vraagt Ina en terwijl ze dat vraagt rollen er weer een aantal tranen over haar wangen.
Dat was nu drie dagen geleden gebeurd, wat een vreselijke dag was dat. Ina is in bed gekropen en is er de rest van de dag niet meer uit gekomen. De hele dag heeft ze naar muziek van Celine Dion geluisterd en dan vooral het nummer “My heart will go on”. Fred was woest en heeft denk ik zo al zijn personeel uitgescholden. Hij gaf iedereen de schuld van alles en al helemaal naar Ina toe. Hij sleurde haar uit bed zodat hij haar vervolgens een aantal klappen kon geven en zij weer op bed kon vallen met een aantal blauwe plekken en een bloedneus. Ze zag er niet uit en ik zorgde voor haar.
Die arme Ina, ik heb zoveel medelijden met haar. Ik vroeg haar aangifte te doen maar dat wil ze niet zegt ze, maar ik weet wel beter. Ze durft het gewoon niet, ze is als de dood voor haar man.
Tot er gebeld werd eind van de middag door de gemeente van het dorpje verderop. Kinderen hadden haar gezien maar ook de moeder van een van de kinderen en ze hadden ons gelijk gebeld. Er werd verteld dat ze samen met een jongen het bos waren ingevlucht. Ina kwam haar bed weer uit en haar geluk kon niet op, ze had weer hoop en wilde haar dochter dolgraag weer zien. Ook Fred was gelijk weer liever voor zijn vrouw en ze hadden een heel zoekteam opgesteld en ze zouden gaan zoeken. Ik mocht niet mee en moest thuis blijven om op het huis te letten en wachten dat Anna misschien thuis kwam. Het is ondertussen 9 uur s´avonds en het begint langzaamaan donkerder te worden. Ik heb nog steeds niks gehoord, dus ik verwacht er niet veel van meer van. Zuchtend zak ik in mijn stoel, als ze haar niet snel vinden dan vermoord Fred ze vrouw nog eens.
Anna:
Het begint ondertussen langzaam donkerder te worden wanneer ik mijn ogen weer open. Ryan heeft nog steeds niks gezegd en zit ook nog steeds met zijn rug naar me toe. “Ryan?”, zeg ik zachtjes maar ik krijg geen reactie. Ik sta op en loop om hem heen zodat ik voor Ryan sta. Ik zak door mijn knieën en zie dan dat hij ligt te slapen. Mijn hart maakt weer een sprongetje, wat is hij toch knap. Ik blijf even vertederd naar hem kijken maar dan denk ik weer aan zijn botte gedrag. Ik schud hem heen en weer en dan schiet Ryan overeind en slaat om zich heen. Voor ik het weet heb ik een klap tegen mijn hoofd te pakken en val beduusd op mijn kont naar achteren. Dan ziet Ryan dat ik het ben en schrikt hij zich rot. “Anna, het spijt me, ik had naar gedroomd en..”, begint Ryan. “Het geeft niet, daar heb ik ook wel eens last van”, glimlach ik. Even kijkt Ryan me diep in mijn ogen aan. Het lijkt alsof hij me wat wil vertellen, “We moeten gaan”, zegt hij dan. Hij legt de zadeltassen weer op Quantore en maakt hem los. “Moet ik je weer een voetje geven”, vraagt Ryan. “Nee, ik loop wel”, zeg ik en dan gaan we op pad. Het is ondertussen al aardig donker maar gelukkig heb ik twee sterke mannen bij me. Ryan en Quantore.


Citaat:“Maar dat heb ik er allemaal voor over, ik zou mijn leven niet anders willen lijden”, lieg ik.
!
Ben weer erg benieuwd naar het volgende stukje!