Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek
Let alleen wel op je d en t... die haal je nog wel eens door elkaar
Shannie schreef:hahaha wat een verhaal, ik snap wel dat je hier niet zo snel mee kan doorschrijven, je moet het natuurlijk eerst weer meemaken![]()
Je hebt het weer leuk geschreven allemaalLet alleen wel op je d en t... die haal je nog wel eens door elkaar

*
?
Citaat:‘Maar vertel eens! Jullie hebben dus gezoend?’ Ik knik. ‘Aha! Ik wist het! Maar en hoe nu verder tussen jullie?’ Ik haal mijn schouders op.
‘Ik zou het niet weten.’
‘Echt niet?’
‘Nee.’
Citaat:Even staar ik voor mij uit. Zo meteen heb ik pauze en het ziet ernaar uit dat hij precies op hetzelfde tijdstip pauze heeft. Hoe zou het gaan? Hoe zal hij tegen mij gaan doen? Afstandelijk? Of juist niet? Zou hij iets hebben losgelaten over dat we gezoend zouden hebben? Of is er niemand die er iets vanaf weet? Dan bedenk ik mij even dat ik als ik wil geen pauze bij hem in dezelfde ruimte hoef te houden, we hebben nou eenmaal een rokers en een niet rokers kantine. Hij rookt. Ik niet. Plotseling schrik ik op door een hoop herrie uit het magazijn. Mijn nieuwsgierigheid borrelt op als ik merk dat Rutger niet op zijn afdeling is. Heeft het wat met hem te maken? Even speelt het idee op dat hij zo erg aan mij dacht en dat er daardoor zo’n herrie uit het magazijn kwam. Helaas moet ik die gedachte snel van mij afschudden als ik ontdek dat hij uit de winkel komt rennen in plaats van uit het magazijn. Goed het heeft dus niks met mij te maken. Ik kan dus weer van mijn roze wolk afkomen. Een roze wolk die wel iets lijkt te verdwijnen. Even werp ik een blik op het brood wat ik in mijn handen heb. Het is een brood met meel aan de buitenkant. En stom genoeg heb ik het brood even tegen mij aangehouden. Het resultaat is dan ook duidelijk zichtbaar op mijn bloes, er zit een mooi broodpatroon van meel op. Met een zucht leg ik het brood in de snijmachine en begin mijzelf wat af te kloppen. Ellen begint te grijnzen.
‘Lukt het?’ Met een scheve blik kijk ik haar aan.
‘Waar ziet het naar uit?’ Zucht ik.
‘Verliefdheid.’
‘Hou je mond. Ik ben niet verliefd, ik vind hem gewoon leuk. Hij heeft wat.’ Merk ik, mijzelf nog steeds afkloppend, op.
‘Ja, probleem wat zich afspeelt in het magazijn.’ Ellen haar ogen beginnen te twinkelen. Ik begin te lachen. Dan begint de oven te piepen en wijs ik naar Ellen en dan vervolgens naar de oven.
‘Jij was de bakker vandaag!’ Merk ik vrolijk op. Ondertussen werp ik nog even snel een blik op mijn al iets beter uitziende bloes en veeg er nog even met mijn hand overheen.
‘Ja, ik ga al! En nee, je bloes krijg je toch niet meer schoon!’ Terwijl ze bij mij langsloopt werp ik haar even een blik toe.
‘En dat kan ik ook niet helpen!’ Deelt ze mij nog snel mee voordat ze de oven open maakt. Ik haal mijn schouders op en ga weer aan het werk.
Tegen een uur of 6 zijn Ellen en ik eindelijk klaar met werken. Rutger heeft mij een paar keer aangekeken, verder geen woord of wat dan ook. Even twijfel ik aan mijzelf. Ligt het aan mij? Zijn de verhalen over hem dan toch waar? Wat is het met hem. Ellen werpt een snelle blik op mijn persoontje.
‘Gaat het?’
‘Ja hoor, blij dat we eindelijk vrij zijn.’ Reageer ik nuchter.
‘Daar had ik het niet over.’ Klinkt het spottend terug.
‘Dat weet ik.’
‘Waarom zeg je niet wat je ervan vind dan?’ De nieuwsgierigheid staat op Ellen haar gezicht te lezen. Ik glimlach even.
‘Omdat ik het zelf niet weet. Ligt het aan mij, ligt het aan hem. Wat wil hij, wat wil ik.’
‘Waarom ben je met hem gegaan dan?’
‘Nou…’ Even ben ik stil en zit op het goede antwoord te wachten. Waarom ben ik met hem gegaan? ‘Het leek op dat moment een geweldig goed idee.’ Merk ik dan op. Ellen begint te lachen.
‘En nu?’
‘Nu ben ik aan het twijfelen en baal ik van mijzelf dat ik met een kerel ben gegaan die ik bijna dagelijks zie en nu zo doet. Ik snap het niet.’ Even haal ik mijn schouders op.
‘Het heeft weinig zin om te zeggen dat ik je had gewaarschuwd zeker?’
‘Dat kun je beter niet doen. En ik weet het, maar om nou te zeggen dat ik dat nou zo leuk vind.’ Ik grijns even. ‘Zullen we maar gaan?’ Ellen knikt.
‘Morgen ben ik vrij’, verzucht ze. Even kijk ik haar jaloers aan.
‘Ik niet, maar als jij vrij bent betekend dat dus dat ik met Anne moet werken.’ Even trek ik een zielig gezicht. Ellen geeft mij een klap op mijn schouder.
‘Je overleeft het wel!’ probeert ze mij op te vrolijken.
‘Vast wel. Maar jij bent er overmorgen weer?’
‘Ja! En dan laat jij mij maar even weten hoe het verhaaltje verder gaat tussen jou en je weet wel wie.’
‘Ik heb een vermoeden wie je bedoelt.’ Ik begin te lachen.
‘Denk ik wel weet wie je bedoelt ja.’
‘Nou werk ze morgen, succes en tot overmorgen maar weer. En je houd mij op de hoogte! Ik heb geen zin om weer conclusies te moeten trekken!’
‘Ha! Okey, ik ben schuldig. Nou tot overmorgen dan maar!’
De volgende ochtend gaat mijn wekker om half 6. Slaapdronken gooi ik mijn arm op mijn wekker die met een hoop lawaai van mijn nachtkastje afstuitert. Hij is gelukkig wel uit. Tevreden draai ik mij nog even om en merk dat ondertussen mijn radio is aangegaan. En tot mijn irritatie is het ook nog een nummer waarvan je verschrikkelijk chagrijnig van wordt. Dit is geen goed voorteken, realiseer ik mij. Een paar minuten later gaat mijn telefoon af. Wekker nummer 3. Ik druk blind een van de toetsen in en probeer mij nog even weg te laten zakken in de dromen die ik had. Ook al weet ik ten eerste niet meer waar het over ging en ten tweede kan ik mij alleen maar bedenken dat het een leuke droom moet zijn geweest anders was ik vast wel al wakker geschrokken. Plotseling hoor ik het luide gepiep van mijn wekker weer. Mijn wekker die dus ergens op de grond moet liggen. Mopperend knip ik mijn nachtlampje aan en sla de dekens van mij af. Dan werp ik op onhandige wijze een blik onder mijn bed waar ik vervolgens mijn wekker vandaan vis. Een wekker die ondertussen aangeeft dat het 39 over 5 is.
‘Snooze’, mompel ik en druk de grote knop in, vervolgens zet ik mijn wekker weer terug op het nachtkastje en knip ik mijn lamp weer uit. Daarna rol ik mij weer in mijn dekens en sluit nog heel even mijn ogen. Ik hoef toch pas om 7 uur op mijn werk te zijn. Als ik net mijn ogen weer dicht heb gaat mijn telefoon weer af.
‘Ach laat ook maar!’ Mopper ik. Voor de tweede keer druk ik mijn telefoon uit. Dan knip ik mijn nachtlampje weer aan. Vervolgens bedenk ik dat het nog maar 20 voor 6 is en dat ik dus nog tachtig minuten heb om er normaal en wakker uit te zien én op mijn werk te komen. Alle tijd van de wereld dus. Nog even duik ik in de dekens en sluit nog heel even mijn ogen. Op de achtergrond is de muziek veranderd in een lekker wakker worden nummer en ik voel mij al een stuk beter.
‘We shall see’, mijmer ik.
Een kleine tien minuten later stap ik dan alsnog mijn bed uit. Mijzelf afvragend of Rutger misschien iets over zaterdag heeft laten vallen tegenover zijn vrienden. Die, jammer genoeg, ook collega’s zijn.
‘Nou, als hij mij zo zou zien dan zou hij al sowieso niks gezegd hebben.’ Mompel ik als ik mijn spiegelbeeld in de spiegel bekijk. Mijn mascara, die ik er zoals gewoonlijk weer eens niet af heb gehaald, is op mijn wangen beland. Mijn ogen staan nog slaperig en mijn huid is bleek. Als klap op de vuurpijl staan mijn haren alle kanten op en ziet mijn hoofd er dus uit als een ragebol. Ik vis een borstel uit mijn kast en probeer mijn haren iets te fatsoeneren. Wat een pijnlijk karwijtje blijkt te zijn. Een paar minuten vervloek ik alle klitten totdat ze uit mijn haren zijn. Één blik in de spiegel verteld mij dat mijn haren nu stijl langs mijn gezicht hangt. Beter. Bovendien, ik hoef er toch alleen maar een staart in te doen en daarna mijn pet op. Ik vis een haarelestiekje uit mijn toilettas en maak een slordige knot in mijn haren.
‘Ach ja, heb je net alle klitten eruit, kun je zo weer opnieuw beginnen.’ Mopper ik even. Dan kijk ik in mijn kast opzoek naar kleding die ik op mijn werk kan dragen en kleed mij om. Vervolgens ren ik de trap af. Iets in mij zegt dat ik alweer bijna te laat ben. En daar is mijn baas vast niet blij mee. In de douche verwijder ik met een doekje nog even snel de laatste resten make-up en breng een nieuw laagje aan. Een paar minuten later kijk ik tevreden in de spiegel. Zo kan ik er tenminste mee door, plus het feit dat ik hoop dat Rutger redelijk normaal doet. Niet te afstandelijk, niet te aanhankelijk, gewoon normaal. Gewoon als collega’s.
.. Maar je beschrijft alles erg goed en leuk! Ga zo door en we want more

Je blijft een leuke manier van schrijven hebben
Citaat:Vervolgens ren ik de trap af. Iets in mij zegt dat ik alweer bijna te laat ben. En daar is mijn baas vast niet blij mee. In de douche verwijder ik met een doekje nog even snel de laatste resten make-up en breng een nieuw laagje aan. Een paar minuten later kijk ik tevreden in de spiegel. Zo kan ik er tenminste mee door, plus het feit dat ik hoop dat Rutger redelijk normaal doet. Niet te afstandelijk, niet te aanhankelijk, gewoon normaal. Gewoon als collega’s.
Citaat:En dat gewoon als collega’s met elkaar omgaan blijkt er duidelijk niet in te zitten. Meneer doet kortaf, kijkt mij amper aan, negeert mij en werkt mij op deze manier behoorlijk op mijn zenuwen. Blijkbaar kan hij zonder drank op niet normaal doen. Even werp ik een blik op Anne, Anne en ik liggen elkaar niet zo. In tegenstelling tot gister is het nu stil op de bakkerij. We doen ons werk, wisselen zo nu en dan een woord. Maar gelachen, dat wordt er niet. En gepraat over Rutger al helemaal niet. Ergens vertrouw ik Anne niet zo, ik heb het idee dat ze achter je rug om hele verhalen over je rond verteld die niet waar zijn. En daar heb ik een hekel aan.
‘Wanneer wil jij pauze?’ Klinkt het opeens naast mij. Ik haal mijn schouders op.
‘Het maakt mij niet zoveel uit, heb nog geen zin in eten of wat dan ook. Hoe laat is het eigenlijk?’ Even neem in Anne op, het is duidelijk dat ze een rokerspauze nodig heeft.
‘Nou het is half 10. En ik heb het wel aan pauze toe.’ Reageert ze kort. Ik bedenk even hoe geweldig aardig ik haar vind. Niet dus. Ik knik even.
‘Van mij mag je gaan, dan ga ik om kwart voor wel.’ Anne glimlacht even.
‘Is goed, tot zo!’ En ze sprint weg. Ik schud even mijn hoofd en ga door met werken. In mijn ooghoeken zie ik Rutger voorbij lopen. Gaat hij pauze houden of niet? Als hij dat wel doet, dan boort Anne dus een pauze door mijn neus met hem. Een kwartiertje waarin ik hoopte iets te peilen. Dat die peiling er niet in zit krijg ik een kwartiertje later door als ik aan het pauze houden ben. Het blijkt namelijk dat Rutger zijn pauze er alweer op heeft zitten. Maar twee van zijn vrienden zitten er wel. Thijs en Rene. Met een zucht schuif ik bij hen aan en begin op mijn gemak mijn keizerbolletjes te besmeren met huzarensalade.
‘Eet smakelijk’, Klinkt het uit Rene zijn mond.
‘Dank je!’ reageer ik opgewekt.
‘Heb wel eens gehoord van dat chatprogramma op de computer?’ Vraagt hij opeens. Verbaast kijk ik hem aan.
‘Sorry?’
‘Dat chatprogramma. Iets met een n, m en een s of zoiets. Ken jij dat?’ Even kijk ik hem moeilijk aan. Houdt hij mij nou in de maling of weet hij echt niet dat het MSN is?
‘Ken je dat niet? Vervolgd hij dan. Even werp ik een blik op Thijs die enthousiast aan het knikken is. Ik begin te twijfelen en begin mij af te vragen waar dit over gaat.
‘Nou, ik denk dat je MSN bedoelt.’ Zeg ik dan. Nog steeds peilend.
‘Ja dat ja! En dan kun je met plaatjes praten.’ Ik word hier in de maling genomen, realiseer ik dan. Dan is het nu de vraag of ik meespeel of niet.
‘Die meiden op vakantie hadden het ook de hele tijd over MSN. Maar ik heb geen idee wat dat is hoor.’ Klinkt het dan onschuldig. Weer ben ik stil en neem bedenkelijk een hap van mijn broodje.
‘Rutger weet het denk ik wel wat MSN is Rene.’ Zegt Thijs opeens. Bijna stik ik in de hap die ik van mijn broodje nam en snel slik ik de hap door. Daarna giet ik wat van mijn drinken in mijn keel. Thijs en Rene zitten mij onschuldig aan te kijken.
‘Gaat het een beetje?’ In Rene zijn ogen is een schittering zichtbaar, zijn mond vormt langzaam een grijns. Ik knik. Snel neem ik nog een slok water en realiseer mij tijdens die slok dat Rutger dus wél iets heeft losgelaten tegenover Thijs en Rene. Heel fijn. Dat betekend dus dat binnenkort de hele supermarkt het weet.
‘Goed wij gaan weer aan het werk. Zie je straks!’ Beiden staan met een grote grijns op en lopen de kantine uit. Tot mijn opluchting ben ik nu even alleen. Snel pak ik nog even de krant en lees nog snel een paar strips, mijn horoscoop en een artikel wat mijn interesse weet te wekken. Dan zit ook mijn pauzetijd erop en ga ik weer naar beneden. Bij mijn afdeling aangekomen werp ik nog even snel een blik opzij. Daar zie ik Rutger, Rene en Thijs. Ze staan met z’n drieën te lachen. Dan merken ze mij op. Snel wend ik mijn blik af en loop door. Goed, in de maling worden genomen, okey. Maar of er nog meer achter zit, dat weet ik niet. En een deel van mij baalt daarvan.
‘Fijne pauze gehad?’ Vraagt Anne aan mij als ik weer in de bakkerij sta. Ik knik.
‘Mooi, als we nou even flink doorpakken, dan kunnen we vroeg naar huis. Ik heb het wel weer gezien hier.’ Zegt ze dan.
‘Goed plan.’ Zeg ik kort. Echt zin om nog langer met haar aan het werk te zijn heb ik niet. Binnen twee uur zijn we door het werk heen en kunnen we naar huis. Helaas is Rutger een uur eerder al vertrokken. Zonder ook maar een kick te geven richting mijn persoontje. Ergens begint het idee te knagen om hem per direct al uit mijn hoofd te zetten. De redenen zijn vrij simpel. Zijn gedrag is vreemd, hij kan niet zoenen en hij komt niet verder dan het melden van het simpele woord ‘hoi.’ Wat moet ik met zo’n kerel?
Als ik thuis kom besluit ik toch even achter mijn computer te kruipen. Wie weet zijn er nog mensen online. Ik meld mij aan en zie dat ik ben toegevoegd. Door Rutger. Dus toch! Ik accepteer hem en merk meteen dat hij online is. In het half uur daarna word ik niet veel wijzer over wat hij nou eigenlijk wil. Bovendien met ik het gesprek gaande houden en wordt het een vraag antwoord gesprek. Of hij nou ook echt interesse in mij heeft kom ik niet te weten. Als ik het gesprek af sluit probeer ik alle feiten op een rijtje te krijgen. We zijn met elkaar gegaan, daarna stuurde hij een smsje, vervolgens doet hij op het werk alsof ik lucht ben en kan hij alleen hoi zeggen. Daarna voegt hij mij toe op MSN en spreekt mij aan, maar ik moet het gesprek gaande houden.
‘Dit is hopeloos’, mompel ik hardop.
‘Wat is hopeloos?’ Mijn moeder, die nét mijn gemompel hoorde kijkt mij nieuwsgierig aan.
‘Een kerel’, zeg ik met een zucht.
‘O? Is hij leuk?’
‘Hij is een collega en zaterdag hebben we gezoend.’ Mijn moeders haar ogen lichten even op. In haar ogen brandt nieuwsgierigheid.
‘En verder?’
‘Wazigheid.’ Mijn moeder haalt haar schouders op. Even kijkt ze teleurgesteld, dan glimlacht ze even.
‘Jij bent toch morgen ook aan het werk?’ Plotseling beginnen alle alarmbellen te rinkelen.
‘Ja, maar jij komt niet langs om hem te bewonderen want het is toch niks.’ Reageer ik lichtelijk geïrriteerd. Mijn moeder kijkt mij even onderzoekend aan, haalt haar schouders op en loopt vervolgens de deur weer uit. Ik draai even met mijn ogen. Alsof het allemaal al niet ingewikkeld genoeg is.
s’Nachts lig ik nog een tijd te draaien in mijn bed. De slaap kan ik absoluut niet vatten. Een tijd lang lig ik te piekeren over hoe het nou allemaal zit. Maar verder dan de conclusie dat hij mij misschien wel gebruikt heeft kom ik niet. En die conclusie vind ik tien keer niks. Ten eerste vind ik het gebruiken al niks, maar om gebruikt te worden, dat is nog erger. Vervolgens vraag ik mij af waarom ik zoveel aandacht aan hem besteed. Is hij het wel waard? Als hij mij heeft gebruikt, nee. Heeft hij mij niet gebruikt, dan wel. Maar aan de andere kant, gebruiken is ook weer een groot woord. En mijn instelling van die avond was een lolletje. Die heb ik gehad. Is het dan niet normaal om het gewoon te laten rusten? Zo bijzonder is hij niet. Hij is een collega, een leuke collega misschien waarvan ik wist dat ik hem wou toen ik hem voor het eerst zag. Even probeer ik een reden te bedenken waarom ik hem wou. Of misschien wil. Hij ziet er leuk uit, maar hij kan niet zoenen. En zijn karakter sluit ook niet bij mij aan. Even denk ik aan het gesprek wat hij en ik hadden via MSN, zijn sterrenbeeld is stier. De mijne is schorpioen. Sterrenbeelden die tegenpolen van elkaar zijn. Tegenpolen horen elkaar aan te trekken. Maar op dit moment vraag ik mij af, of ze elkaar niet juist afstoten. Dan voel ik hoe mijn ogen langzaam dicht beginnen te vallen en ik langzaam voel ik mij wegzakken in een slaap vol dromen.
Citaat:Sterrenbeelden die tegenpolen van elkaar zijn. Tegenpolen horen elkaar aan te trekken. Maar op dit moment vraag ik mij af, of ze elkaar niet juist afstoten. Dan voel ik hoe mijn ogen langzaam dicht beginnen te vallen en ik langzaam voel ik mij wegzakken in een slaap vol dromen
Citaat:Om vijf voor zeven zet ik mijn fiets op slot en zet mijn pet alvast op.
‘Zo wat zie jij er beroerd uit vandaag!’ Klinkt het opeens opgewekt naast mij. Ik schrik op en kijk opzij. Zonder dat ik het doorhad is Ellen naast mij gaan staan.
‘Jij ook een goedemorgen! Heb je er zin in vandaag? Je bent zo wakker!’ Groet ik terug.
‘Nee, ik heb geen zin, maar jij hebt vast wel iets te vertellen. Tenminste, jij maakt mij niet wijs dat jij niet iets hebt opgemerkt over..’ Plotseling houdt ze haar mond en werpt een blik over de straat. Ik volg haar blik en zie dat Rutger eraan komt. In een slakkentempo zet Ellen haar fiets, die ze nog vast had, op slot en geeft mij een paar blikken. Dan hoor ik naast mij een stel piepende remmen en vlieg voor de tweede keer vandaag bijna de lucht in van schrik.
‘Goedemorgen’, merkt Ellen scherp op. Rutger begint te lachen.
‘Hoi! Wat kijk jij verschrikt.’ Richt hij zich tot mij.
‘Ik ben zojuist voor de tweede keer vandaag geschrokken en het is amper zeven uur s’ochtends!’ Reageer ik. ‘Hoi trouwens!’ Groet ik daarna vrolijk. Rutger kijkt mij even verbaast aan en stapt vervolgens van zijn fiets af. Naast mij schraapt Ellen haar keel.
‘We komen te laat binnen en dan gaat Arjan zeuren!’ Waarschuwt ze. Ik knik en gebaar tegen Rutger dat wij alvast naar binnen gaat, hij glimlacht even. Dan draai ik mij om en samen met Ellen loop ik naar binnen. Tijd om weer aan de slag te gaan.
‘Wat ik nou niet snap, is dat jij hem leuk vind. Leg mij eens uit, wat is er nou zo leuk aan hem?’ Ellen heeft haar hand in haar zij geplaatst en leunt op haar gemak tegen de broodmachine aan. Ik voel dat ik een kleur op mijn wangen begin te krijgen. Even kijk ik naar de afdeling groente waar ik hem niet kan ontdekken, dan haal ik even mijn schouders op.
‘Ik zal het niet weten’, verzucht ik dan. Ellen kijkt mij even moeilijk aan en loopt naar mij toe. Als ze voor mij staat werpt ook zij een blik naar de afdeling groente en neemt iemand op. Als ik mij even snel omdraai zie ik dat Rutger ondertussen weer op zijn afdeling is.
‘Goed, als ik even mag? Hij is klein, zijn haar zit raar en als ik goed kijk zie ik dat hij op zijn achterhoofd al iets begint te kalen. Bovendien kan hij niet dansen, is hij heel rustig, kijkt hij vaak chagrijnig en zijn bloes zit niet normaal. Kijk dan hoe hij erbij loopt, zijn schort hangt over zijn kont en blijft maar net hangen. En zijn bloes heeft hij erover hangen alsof het hem allemaal niet interesseert. Hij rookt en niet zo’n klein beetje ook en ik geloof dat ik je iets hoorde zeggen over het feit dat hij niet kan zoenen. Nou ja, feit, jouw mening. Hij heeft de reputatie player en er gaan verhalen over hem dat hij elk weekend wel een flink glaasje alcohol lust. Of dat waar is weet ik niet want ik spreek hem nooit met uitgaan, wat ik ook niet van plan ben. Echt ik snap niet wat je nou zo geweldig aan hem vind. Hij heeft zoveel nadelen én toch val je op hem.’ Ellen trekt haar wenkbrauw op en kijkt mij bedenkelijk aan. Tja, waarom vind ik hem leuk? Ze heeft gelijk wat Rutger betreft. Alles wat ze noemde is waar. Nou ja, dat gerucht weet ik niet en die reputatie moet ook nog maar blijken maar toch. Waarom vind ik hem dan zo leuk? Ik spreek hem amper. Ja een beetje op MSN of via SMS, maar daar houdt het ook op. Misschien is het omdat hij amper wat loslaat, dat ik nieuwsgierig naar hem ben. Maar waar ben ik dan precies nieuwsgierig naar? Is hij een uitdaging?
‘Ik denk dat hij gewoon íets heeft. Ik weet niet wat, maar hij heeft iets.’
‘Nou onder andere een hele reeks vijftienjarige meisjes achter zich aan.’ Klinkt het nuchter. Ik trek mijn wenkbrauw even op.
‘Als hij daar verder niks mee uitvreet.’ Zeg ik schouderophalend. Naast mij klinkt een diepe zucht.
‘Wat jij wil.’
Tot mijn teleurstelling ontdek ik tegen één uur dat Rutger vrij is. Goed dat heeft natuurlijk een pluspuntje, nu concentreer ik mij tenminste meer op mijn werk dan op hem. Maar toch hoop ik dat hij er nog is. Gewoon om hem in de gaten te houden. Of te controleren dat hij mij ook in de gaten heeft, niet dat hij dat doet. Piekerend staar ik een aantal seconden voor mij uit. Ellen is even met pauze, dus aan haar heb ik op dit moment ook niet. Dan bestudeer ik het vegertje in mijn handen even. Ook al is het tijd om de broodmachines schoon te maken, ik kan mij er echt niet toe zetten om ook maar iets te gaan doen. Ik voel mij futloos, doelloos en vooral uitzichtloos. Dan ontdek ik hem voorin de winkel, zo te zien gaat hij nog even boodschappen doen. Denk ik, hoop ik. Mijn hart maakt een klein sprongetje als ik hem mijn kant zie oplopen. Daar komt hij aan. Zou hij vandaag dan toch nog een keertje besloten hebben wat meer tegen mij te zeggen? Zo rustig mogelijk, én vooral mijn snel kloppende hart negerend, probeer ik nu toch mijn werk te doen. Ik laat mijn ogen over de machine voor mij glijden en probeer op de knop snijden te bewegen. Dat het niet lukt dringt niet tot mij door. Wat juist wel tot mij door dringt is dat hij door een vriend geroepen wordt en omdraait. Even werp ik een blik in zijn richting. Ik zie dat hij wat tegen die vriend zegt en even krijg ik de hoop dat hij toch nog weer naar mij toekomt. Maar hij doet juist het tegenovergestelde. Hij loopt juist van mij af en ik voel mij even vernederd. Maargoed, wat verwachtte ik ook. Dat hij naar mij toe zou komen? Dat hij ook maar de moeite zou nemen een gesprek met mij te voeren? Waarom zou hij? Of liever gezegd, zo belangrijk ben ik nou ook weer niet voor hem. Kom op, hij heeft toch zoveel liefjes gehad, ik ben gewoon een nummer. Blijkbaar. Langzaam voel ik mij boos worden. Nou ja, boos, kwaad eerder. Waar denkt hij wel niet mee bezig te zijn? Kom op zeg, zo leuk is hij nou ook weer niet. Sterker nog, hij is zo saai. Er komt gewoon geen woord uit. En dat is gewoon saai. Plus alle feiten die Ellen vanochtend al opnoemde. Hij heeft toch teveel vriendinnetjes, is irritant op zijn eigen manier en weet ik veel wat nog meer. Maar wat hij vooral is, hij is leuk. Hij heeft wat. Maar wat, dat weet ik nog steeds niet. En daar kan ik gewoon zo kwaad om worden. Want hij is alles wat ik niet leuk vind én toch val ik op hem. Even werp ik een blik naar buiten, tenminste, wat ik van buiten kan zien. Meteen heb ik spijt dat ik dat heb gedaan. Ik zie hem net de deur uitlopen. Goed, dat was het dan. Even haal ik diep adem. Ach ik heb een leuke avond gehad toch? Een beetje jammer dat hij dat allemaal moet verpesten door juist zo te doen. In gedachten speel ik allerlei scenario’s af. Ik merk aan mijzelf dat ik het liefst achter hem aan ren om hem daarna eens flink te gaan vertellen wat ik van hem vind. Gelukkig realiseer ik mij dat dát geen goed idee is. Dat werkt alleen maar averechts.
‘Rustig meis, het komt uiteindelijk vast wel goed.’ Stel ik mijzelf hardop gerust, het komt vast wel goed. Ooit. Hoe, wat en wanneer is een raadsel, maar dat maakt niet uit. Ik werp nog even snel een dodelijke blik naar de plaats waar hij zojuist is verdwenen. Dan zie ik de volle plastik zak staan. Die moet de container in, die container staat buiten. Één plus één is twee, buiten plus Rutger plus ik is toevallige ontmoeting? Ik grijp de zak vast en probeer in mijn haast een knoop op de zak te leggen. Na een paar pogingen heb ik eindelijk de zak dicht. Goed, gaan met de banaan! Ik zet nog even mijn pet recht en haal diep adem. Het volgende moment kan ik mijzelf wel een klap voor mijn gezicht verkopen. Wát doe ik nou? Wil ik achter hem aan? Ga ík als een schoothondje achter hem aanlopen? Achter een kerel die zoveel nadelen heeft en weet ik veel wat allemaal nog niet meer? Dan realiseer ik dat ik inderdaad bijna op het punt sta om dat te doen. Opeens kan ik mijzelf nóg wel een klap verkopen. Als dit zo doorgaat, dan loopt het verkeerd af met mij. Ergens in mijn buik spelen wat kriebels op. Ik hoor een zucht uit mijn mond komen en krijg door dat het al verkeerd met mij aan het aflopen ís. Ben ik nog op tijd om een verliefdheid tegen te houden?

Citaat:‘Rustig meis, het komt uiteindelijk vast wel goed.’ Stel ik mijzelf hardop gerust, het komt vast wel goed. Ooit. Hoe, wat en wanneer is een raadsel, maar dat maakt niet uit. Ik werp nog even snel een dodelijke blik naar de plaats waar hij zojuist is verdwenen. Dan zie ik de volle plastik zak staan. Die moet de container in, die container staat buiten. Één plus één is twee, buiten plus Rutger plus ik is toevallige ontmoeting? Ik grijp de zak vast en probeer in mijn haast een knoop op de zak te leggen. Na een paar pogingen heb ik eindelijk de zak dicht. Goed, gaan met de banaan! Ik zet nog even mijn pet recht en haal diep adem. Het volgende moment kan ik mijzelf wel een klap voor mijn gezicht verkopen. Wát doe ik nou? Wil ik achter hem aan? Ga ík als een schoothondje achter hem aanlopen? Achter een kerel die zoveel nadelen heeft en weet ik veel wat allemaal nog niet meer? Dan realiseer ik dat ik inderdaad bijna op het punt sta om dat te doen. Opeens kan ik mijzelf nóg wel een klap verkopen. Als dit zo doorgaat, dan loopt het verkeerd af met mij. Ergens in mijn buik spelen wat kriebels op. Ik hoor een zucht uit mijn mond komen en krijg door dat het al verkeerd met mij aan het aflopen ís. Ben ik nog op tijd om een verliefdheid tegen te houden?
Citaat:Ken je dat? Dat je één zeker persoon maar niet uit je hoofd kan krijgen. Wát je ook doet, het lukt gewoon niet. Het is twee uur ‘s nachts, slapen kan ik niet. Nog steeds heb ik het beeld in mijn hoofd dat hij van mij wegloopt. Misschien niet bewust, misschien wel. Wie zou het zeggen? Het feit is op dit moment dat ik er vanaf het moment dat ik wou gaan slapen erover lig te piekeren. Een tweede feit is dat ik morgen wél om zeven uur op mijn werk moet zijn. Dat houdt in dat mijn wekker om zes uur gaat. En dat betekend weer, dat ik nog maar 4 uurtjes heb om te slapen. Even vraag ik mij af of dit nou verliefdheid is. Die ene persoon maar niet uit je hoofd kunnen krijgen en ‘s nachts je hoofd over dezelfde persoon breken. Het lijkt mij van niet. Maar het is op dit moment wel zo dat hij mij op dit moment, waarschijnlijk onbedoeld, uit mijn slaap houdt. Toegeven, ik vind het niet erg om hem de hele tijd in mijn gedachten te zien, het is een fijn uitzicht. Aan de andere kant, hij wil mij toch niet dus wat doet hij in mijn gedachten? Met een zucht draai ik mij om en pak mijn mobiel. Zonder dat ik het besef klik ik naar zijn naam. Dan klap ik mijn telefoon dicht. Wat wil ik ermee bereiken om naar zijn naam te gaan staren? Denk ik dat ik daardoor wél kan slapen? Didn’t think so. Met een diepe zucht leg ik mijn mobieltje terug. Ik moet een plan B verzinnen. Ik wil hém. Het maakt mij niet uit hoe hij zoent, ik wil hem gewoon. Het is alleen de vraag hoe ik hem kan krijgen. Of ik hem nog kan krijgen. Ik draai mij om en vouw mijn arm onder mijn hoofd. Zodra ik mijn ogen sluit zie ik zijn gezicht voor me. Zijn ogen, zijn lippen, elk klein detail. Als het kon wou ik hem aanraken, maar ik weet dat het er niet inzit. Ik geef een diepe zucht en probeer zijn beeld uit mijn gedachten te krijgen. Ik besluit om aan mijn opleiding te denken, mijn opleiding waarvan ik volgende week de introductie heb. Iets waar ik veel zin in heb. Eindelijk een ding wat ik echt wil. Waar ik echt zin in heb. Eindelijk mijn eigen ding doen. Langzaam voel ik mij wegzakken in een diepe slaap. Net voordat ik echt in slaap val doemt het beeld van Rutger nog één keer op. Ik glimlach even, vervolgens zak ik echt weg in een diepe slaap vol dromen.
Lichtelijk chagrijnig loop ik de volgende dag rond op mijn werk. Het wil vandaag voor geen meter. Mijn gedachten heb ik er niet bij, ze flitsen van Rutger naar volgende week, even naar het werk zelf, dan weer naar thuis, dan naar het weekend waarvan ik nog maar een paar dagen verwijderd ben en ga zo maar door. Ik concludeer na een tijdje dat ik gewoon een baaldag heb. Het wil niet, het gaat niet en dat zal de rest van de dag waarschijnlijk ook niet gebeuren. Jammer maar helaas, het zit er gewoon niet in. Maar dat laat niet weg dat ik wel de hele dag naar Rutger zit te staren. Ook niet zo handig. Want dat leid niet alleen mij af, ook Ellen zit mij in de gaten te houden. En dat resulteert in opmerkingen zodat ik wel toe ga geven dat ik hem wél leuk vind.
‘Geef nou maar toe dat je als een blok voor hem bent gevallen. Er komt trouwens vanmiddag nog een nieuw meisje, Monica. Ze komt invallen voor Anne, Anne heeft een longontsteking opgelopen namelijk.’ Iets in mij vind het wel even fijn dat Anne er voorlopig niet is. Ook borrelt er wat nieuwsgierigheid in mij op. Wie mag die Monica dan wel niet zijn?
‘Hey zo te zien ben je nu ook weer met je gedachten ergens anders! Dat is fijn! Denk je tenminste ook niet de hele tijd aan meneer daar!’ Grijnst Ellen opeens. Ik verschiet van kleur.
‘Ik dacht echt niet de hele tijd aan Rutger hoor!’ Probeer ik mijzelf te verdedigen. Ellen kijkt mij onderzoekend aan.
‘Vertel, waar dacht je dan aan? Je leek zo ver weg met je gedachten.’
‘Toevallig aan de introductie van volgende week. Hoezo?’
‘Aha! Nou wie weet kom je wel een veel leuker persoon tegen dan Rutger.’ Concludeert Ellen.
‘Met als risico dat ik met een toekomstig klasgenoot loop te flikflooien?’ Reageer ik verontwaardigd.
‘Nou, je doet dat hier ook met een collega weet je nog?’
‘Goed, schuldig. Maar dat is anders!’ Ellen begint te lachen.
‘Dat mag je mij dan nu wel heel snel uitleggen.’
‘Ik wou hem al toen ik hem voor het eerst zag. Dat is alles.’ Ik haal mijn schouders op.
‘Op welke manier van willen?’ Ellen begint te grijnzen. Ik voel dat mijn wangen rood begint te worden. ‘Zeg waarom loop je nou paars aan?’ Vervolgd Ellen dan.
‘Oh, niks. Hoezo ben ik paars?’
‘Nou, knalrood dan. En ik weet niet waarom jij opeens zo’n kleur krijgt. En dat ga jij mij vast wel vertellen. Dus in welke zin van willen?’ In Ellen haar ogen brand ondertussen nieuwsgierigheid. Dan zie ik Mullema, onze baas, verschijnen met een blond meisje naast zich.
‘Hebben de dames even tijd? Ik wil jullie graag voorstellen aan Monica.’ Mullema kijkt Ellen en mij even aan en zijn blik blijft even op mij hangen. ‘Heb je het zo warm van het werk of is er wat anders?’ Richt hij zich dan tot mij. Mijn wangen kleuren nog roder.
‘Niks aan de hand meneer! Hoezo?’
‘Je wangen zijn zo rood. Maar even ter zake. Ik breng jullie hier even jullie nieuwste aanwinst, Monica. Zorg goed voor haar dames!’ Hij draait zich om en laat Monica bij ons achter. Een blond meisje kijkt ons verlegen glimlachend aan.
‘Hai!’ Klinkt het dan opeens vrolijk, ik glimlach even. Ze geeft mij meteen de indruk dat ik haar wel mag. Ellen en ik stellen ons snel voor.
‘Ik zal je even ons werkplekje laten zien hier,’ Glimlacht Ellen.
‘En waarom jij nou paars aanliep mag jij straks gaan vertellen!’ Grijnst ze naar mij. Ik grijns terug en ga snel weer aan het werk. Er is door mijn gedroom nog heel wat te doen.
Het is al tegen vijven als ik eindelijk thuis ben. Zuchtend zak ik op de bank.
‘Moe?’ Begroet mijn vader mij. Ik knik. Hij glimlacht even.
‘Was het zo druk dan?’ Klinkt de stem van mijn moeder uit de keuken.
‘Nee, viel wel mee. Het was alleen een lange dag.’ Reageer ik mat.
‘Van zeven tot vijf dus? Dat is dus tien uur.’ Rekent mijn vader snel uit.
‘Met een uur pauze eraf.’ Help ik hem snel uit die droom.
‘Dat is dan toch negen uur.’ Merkt hij scherp op.
‘Klopt, maar er was ook veel werk vandaag.’ Dat het vele werk onder andere door mij komt laat ik maar even achterwege.
‘Hoe kan dat dan?’ Mijn moeder mengt zich weer in het gesprek.
‘Oh, er was een nieuw meisje, Anne is ziek. Longontsteking. Vandaar.’ Leg ik snel uit.
‘Anne ziek? Ach dat vind jij ook zo erg zeker!’ Mijn vader neemt mij even op. Ik haal mijn schouders op.
‘Nou het is wel zuur voor haar, maar dat nieuwe meisje is wel aardig. Is het meteen een stuk gezelliger op de bakkerij. Niet dat het met Ellen niet gezellig was hoor! Maar met Anne was het zo verschrikkelijk stil.’ Leg ik snel uit.
‘De gezelligheid. Is het niet iets te gezellig dan?’ Grijnst mijn vader. Ik voel dat ik begin te blozen.
‘Valt wel mee, we doen nog wel wat hoor!’ Verdedig ik mijzelf snel. Op het gezicht van mijn vader verschijnt een grote grijns.
‘Of is het de liefde die jou zo in dromenland brengt?’ Klinkt het dan. Heel fijn! Mijn vader heeft blijkbaar door dat ik er niet helemaal bij ben met mijn gedachten. En dit is dan het resultaat. Ik sta dus onder de noemer ‘verliefd.’
‘Nou als het maar een betere kerel is dan Joeri dan ben ik al lang blij!’ Mijn moeder komt vanuit de keuken naar ons toegelopen en gaat op een stoel zitten. Haar ogen nemen mij onderzoekend op.
‘Ik denk dat je gelijk hebt Henk, onze dochter is verliefd.’ Luidt dan haar conclusie. Goed, helemaal fijn. Twee ouders die mij onder de noemer ‘verliefd’ zetten. En beter dan Joeri? Dat gaat nogal makkelijk. Even voor de duidelijkheid, Joeri is exlief twee, diegene die meer interesse in een vriendin had dan in mij. Of Rutger beter is dan Joeri moet ik nog maar merken. Ik ben nog niet met die vriendin uitgeweest in zijn buurt. Misschien wordt het dus maar eens tijd dat hij voor die test geworpen wordt.
Nouja, verder mijn complimenten! Ik lees hier echt lekker doorheen.
)