@magda_90: Ontzettend leuk om dat te lezen. De meeste stukken zijn in bed bedacht, begonnen als dagdroom en gevorderd als echte droom. Maar anders zak ik achter de computer weg in een halfdromende toestand. Zo schrijf ik het beste.
Citaat:FLASHBACK
De pijnscheuten die elke keer door mijn hoofd gaan zijn al minder krachtig. Er is iets koels op mijn hoofd, voorzichtig probeer ik mijn ogen open te doen. Eerst lukt het niet, dus wacht ik weer. Afdwingen werkte de vorige keer niet, dus zal het deze keer ook wel niet werken. Langzaam lukt het toch wel, het is nacht en ik lig inderdaad in een grot. Voorzichtig voel ik aan mijn voorhoofd, er ligt nat doekje op. Duidelijk nog pas ververst, direct slaat de angst toe. Anderen hebben aan mij gezeten! De adrenaline verdoofd de pijn gedeeltelijk en ik ga rechtop zitten. Even duizel ik maar het lukt. Ik zie een schaduw en dwing mijzelf op de benen, tegen de wand aan. De schaduw loopt door, zonder mijn richting op te gaan. Nu pas voel ik de dorst weer. De pijn blijf ik wegdrukken en voorzichtig schuifel ik naar de uitgang van de grot, leunend tegen rotswand aan. Als ik uiteindelijk er ben zie ik dat de grot ligt aan het meer. Voorzichtig doe ik een stap zonder wand en bijna val ik om, dan zak ik door mijn knieën en drink rustig. Het water is niet helemaal schoon aan de rand maar ik durf er niet verder in te gaan, aangezien het hier nog ondiep is. Dan voel ik plots de pijn in alle hevigheid terugkomen, nog net kan ik mijzelf op mijn rug draaien voordat mijn gezichtsveld verdwijnt.
REALITEIT
De wagen is gestopt, een vreselijk geluid is dichtbij, wat is dat? Mijn hele lichaam verstard en het lukt niet om het geluid te plaatsen. Het voelt als een vreselijk iets en er is maar één ding zo vreselijk, gevaar! “Het is goed, niks aan de hand.” De stem van Gabirov is rustig, geen vleugje angst in te bekennen en dat werkt geruststellend. “Wat is het?” vraag ik, nog steeds strak van de spanning en er gaat een schok door mij heen als Gabirov zijn hand op mijn schouder legt. “Rustig maar, het is een sirene.” Dan herinner ik het me weer, van vroeger. Hoe kan alles zo weggezakt zijn? Maar dat doet er niet toe, eerst even kijken waar we zijn. Door het raam is te zien dat we op een parkeerplaats stilstaan, vlakbij een ziekenhuis. Er rijden ambulances af en aan met veel lawaai. De stress is zelfs bij de ingang te zien. Iemand komt op de wagen aflopen.
Als de persoon flink dichtbij is herken ik haar, het is Korporaal Bakker. Als ze weer in de wagen is gaan zitten legt ze de situatie uit. “Er is een ernstig ongeluk gebeurd, een kettingbotsing waarbij vrachtwagens zijn gekanteld en veel gewonden zijn gevallen. Aangezien wij geen spoedgeval betreffen moeten wij wachten totdat de rust is teruggekeerd.” Ik knik, ik heb alle woorden gehoord maar ze dringen niet goed tot mij door. Dit duurt nog wel een tijd, door de drukte kan ik mij niet ontspannen en daardoor werken mijn hersenen anders. Zolang het gevaar op de loer ligt krijg ik mijn hersenen niet aan dit soort denkwerk. Ik zie alles heen en weer gaan, als een waas aan het eind. Het geluid lijkt te vervagen, het wordt uitzonderlijk stil en de woorden dringen tot mij door. De ontspanning, dit heerlijke gevoel, kreeg ik dit maar altijd voor elkaar. Dan verdwijnt het, een hand op mijn schouder brengt me terug naar aarde.
De tijd is flink opgeschoten, na bijna een uur wachten zijn wij eindelijk aan de beurt. Korporaal Bakker is vooruit gegaan om de situatie over mij nog eens uit te leggen. Ze blijft vrij lang weg maar uiteindelijk zegt Gabirov dat ze staat te seinen en dat er nog iemand naast haar staat. Als we er naartoe lopen zie ik dit ook, het is een man naast haar. Een wat vreemde man, zijn uiterlijk is anders, niet te plaatsen. Zo iemand had ik nog nooit echt zien. Ik ga steeds langzamer lopen als we dichterbij komen. Lopend beweegt alles te veel om echt scherp te zien namelijk. Dan sta ik stil, op een meter of drie. Het gevoel is mij zo onbekend. Zijn ogen zijn niet te zien achter de zonnebril die hij draagt, maar zijn hele houding is vriendelijk doch afstandelijk. Vriendelijk knikt hij met zijn hoofd. Even twijfel ik, maar dan knik ik terug. “Hallo, ik ben dokter Ritus, mag ik jouw naam weten?” zijn stem klinkt geïnteresseerd en al is hij wat vreemd, hij is duidelijk niet harteloos. “Dat mag, mijn naam is Lia.” Mijn stem is verlegen, ik weet niet waar ik mijn ogen moet plaatsen. “Welkom in het Sophia kinderziekenhuis. Zal ik je naar je kamer brengen?” mijn gezicht verstard, angstig kijk ik naar Gabirov. “Iedereen hier mag uiteraard mee, maar wees maar niet bang. Ik zal je niks doen.” Door mijn lijf gaat nog een rilling, maar dan knik ik langzaam. “Kom maar mee.”
Ritus leidt ons door het gebouw heen alsof het niets is. Voor mij is het echter overweldigend, zoveel gangen, zoveel mensen. Af en toe haper ik even als de drukte te groot is, hij wacht elke keer op mij. Alles is wit en op de gangen zijn geluiden van blijdschap en verdriet te horen. Mensen die werken en mensen die wachten. Bleek in het gezicht, hopend op goed nieuws. Er worden bedden verplaatst en mensen lopen heen en weer. Na voor mijn gevoel vele gangen en trappen is het dan zo ver, we zijn aangekomen. Bij mijn kamer. Als hij de deur open doet doe ik een pas achteruit. Het is zo anders, zo vreemd. Gabirov seint met zijn hoofd. “Kom, het is niet gevaarlijk.” Langzaam schuifel ik naar binnen. In de kamer is geen raam maar het licht staat aan, enkel een bed en een kastje is er, voor de rest is het leeg. Ritus zegt dat hij weer aan de slag moet, als er iets is moet ik het maar aan één van de broeders of zusters vragen. Zijn stem zei dat zo makkelijk maar ik wist dat ik dat toch niet zou kunnen. “Lia, ga maar liggen probeer nog maar wat te slapen, ondanks dat het eng is. Moet ik bij je blijven?” ik knik, mijn hart bonkt en bonst. De muren komen op mij af en de spanning is hoog opgelopen, de stress is niet kwijt te raken. Waar is dat heerlijke gevoel nou, waar niks nog wat uitmaakte? Hoe kan ik het terugvinden? Ik weet het niet. Besluitloos blijf ik staan. Gabirov loopt even weg, maar komt al snel terug met een klapstoel.
“Zal ik je wat vertellen over wat vroeger mij werd geleerd om te ontspannen? Misschien helpt dat je wat.” Zijn stem klinkt bezorgt, alsof hij niet kan voelen wat ik voel maar weet dat het goed voelt. Alsof hij weet wat voor spanningen ik heb, wat voor gevoel ik heb maar toch weer niet. Uiteindelijk ga ik op het bed zitten en knik ik naar hem.
“Sluit je ogen, en open je oren. Luister naar mijn stem, enkel naar stem. De rest van de wereld is verdwenen en de fantasie die is verschenen. Luister naar mijn stem, het gevaar is geweken. Loop in gedachten naar het strand, voel het zand tussen je tenen kriebelen terwijl je het veilige, stille strand op loopt. Niemand anders is er, want het schemert al. Maar het is zomer dus het zand is nog warm en soepel als je er doorheen loopt. Loop langzaam naar de zee, maar voel ondertussen hoe je lichaam opwarmt van de resterende zon, terwijl het zeebriesje zorgt dat je het niet te warm krijgt. Zachtjes ruist de zee, de wind is namelijk rustig. Alle spanning laat je met het zand tussen je tenen wegglijden. Met iedere stap die je zet verdwijnt er een beetje spanning en als je bij de zee ben aangekomen is alle spanning uit je lijf verdwenen.
De zee komt steeds dichterbij, nog enkele passen en dan sta je op de vloedlijn en zelfs als je hier blijft staan, geen zin in nattigheid zie je de zee steeds dichterbij komen. Het ruisen van de zee wordt steeds sterker en alle bijgeluiden die je tot nu toe nog hoorde verdwijnen. Zodra de zee je voeten raakt voel je jezelf licht worden. De zee koelt je af en maakt je rustig. Met iedere golf die tegen je benen aanspoelt, spoelt er op de terugweg weer een beetje angst weg. Je begint weer te lopen, het water verder in. Het water is fris, maar niet koud. Het is aangenaam. Als je gaat liggen merk je dat je blijft drijven. Alle lichamelijke en geestelijke ongemakken verdwijnen. Je lichaam brengt zichzelf helemaal in rust.”
Gabirov blijft een even stil.
“Als dit gebeurd is draai je jezelf op de buik als je dat nog niet gedaan had en staat op. De rust blijft in je lichaam en je ziet dat je langs de kant van het strand heb gedobberd. Je kleren drogen snel en binnen enkele seconden heb je geen nattigheid meer op je lijf. Rustig loop je langs het strand en als je denkt dat het tijd is loop je rustig de duin op. Open langzaam je ogen en breng jezelf terug in deze ruimte. Hou de rust in je lichaam en bedenk dat niemand je hier kwaad wil doen. Dan komt ook hier alles goed, net als op het strand.”
Langzaam open ik mijn ogen. Mijn geest is rustig, kalm zoals het lang niet geweest is. Anders dan bij de sirenes, maar dit blijft ook nu ik terug in de werkelijkheid ben. Ik knik rustig naar Gabirov, met een ontspannen glimlach op mijn gezicht. “Ga nog maar wat slapen, het wordt een lange dag.” Ik ga liggen en sluit mijn ogen. Mijn lichaam is zo ontspannen dat ik direct weg zak, dobberend op het water, met in de buurt het strand.
Was ik bijna vergeten het stuk te posten.

