Even een heel klein stukje van het vorige einde opnieuw gedaan, andere woordkeuze. 
Citaat:
DEEL 4
Als ik toen toch bezig was m’n hart te luchten en alles aan het opnoemen was, kon dit er ook nog wel bij. Weetje wat me ook dwars zit? Ik denk dat iedereen dat raar vind en iedereen zal denken jeetje, wat een onzin.
Maar, dat is dat wanneer een jongen een complimentje geeft het me gewoon teleurstelt. Ik weet niet wat het is, misschien omdat ze dan alleen maar naar je uiterlijk kijken. Ik wil ook wel is dat een jongen op me valt omdat die m’n innerlijk mooi vind en niet m’n uiterlijk. Maar, dat is volgens mij wat teveel gevraagd.
Precies een week later, trok ik het echt niet meer. Ik had eindelijk nog iemand in vertrouwen genomen, omdat het gewoon niet kon allemaal. Elke dag met hem gepraat, elke dag geprobeerd mezelf open te stellen en eerlijk te zijn, maar ook hij had door dat het steeds slechter met me ging. Hij stond erop dat ik met m’n ouders ging praten of in ieder geval met iemand. Dit weigerde ik, ik kon het niet. Mijn ouders weten niets over mij, niets over mijn gedachte gang. Ze zullen me niet begrijpen, ben ik bang. Daarbij, begreep ik mezelf niet eens meer, hoe kon ik het dan ooit iemand uitleggen? Niet dus. Verdomme, ik voelde mezelf gewoon steeds dieper wegzakken. Net alsof ik op een vals platte weg fietste. Ik vooruit probeerde te komen, maar niet eens de kracht had om op dezelfde plek te blijven fietsen en dus steeds verder achteruit reed.
Op dat moment miste ik je paardje het allermeest, niet speciaal jou paardje, maar gewoon de aanwezigheid van een paardje. Een waar je, je hele verhaal bij kwijt kan. Een die je mee kunt nemen naar buiten en in volle galop zonder zorgen over de zandpaden kunt crossen. Dat de wereld, voor eventjes perfect lijkt te zijn. Heerlijk lijkt me dat.
De dag daarna, zou ik je weer voor het eerst zien, sinds die ene nacht. Ik zag er tegen op. Wat moest ik zeggen? Hoe moest ik tegen je doen? Gewoon maar weer vrolijk, doen alsof ik nergens mee zat? Je wist toch wel dat ik ergens mee zat. Maja, je vader die ook mee was natuurlijk niet. Hoe zou je eruit zien? Moe, met wallen onder je ogen of heel vrolijk en opgewekt. Hetzelfde masker dat ik al een tijdje draag. Die dag dat jij wedstrijd had kwam. Het was eigenlijk weer vanaf oud af aan. We hebben er geen woord over gezegd, dat was misschien wel een beetje jammer. Aan de andere kant, wat had ik tegen je moeten zeggen? Je wist toch wel hoe ik me voelde.
Je reed en redelijke proef en je sleepte nog een (voor jou) onverwachts winstpunt binnen. Achja, die ene keer dat je een winstpunt verwachtte kreeg je hem niet en nu verwachtte je hem niet en kreeg je hem toch! Volgens mij was dat toch wel positief.
De dagen die daarop volgden, ging het steeds slechter met me. Nog slechter? Ja, nog slechter. Ik had zelf niet verwacht dat het nog slechter met me kon gaan, maar het tegendeel was waar. Ik begon steeds vaker er aan te denken, hoe ik het beste een einde aan alles kon maken. Ik geloofde er niet in dat er een oplossing was voor al die problemen en gevoelens die ik had. Ik haalde de raarste dingen in m’n hoofd. Water in een spuitje doen en dat in mezelf spuiten. Ik had immers net geleerd met biologie dat dan al je rode bloedcellen zouden knappen en dat je dood zou betekenen. Leek me geen verkeerd idee, niemand die dat waarschijnlijk door zou hebben. Toch gruwelde ik van het idee en wist ik zelf ook wel dat ik het niet wilde, het echt niet wilde. Ik kon niet iedereen achterlaten, iedereen die er zo voor me was geweest en de mensen die van me houden. Toch bleven de gedachtes, hoe kon ik mensen het minst laten schrikken, hoe kon ik mensen het minste een trauma op laten lopen. Gewoon wat pillen slikken of toch ergens vanaf springen?
Ik probeerde die nare gedachtes uit m’n hoofd te verdrijven en me volledig op andere dingen te storten. Weer was school het bokje. Natuurlijk vond school het niet erg of eigenlijk mijn huiswerk niet. Het was alleen maar goed. Toch zei iemand tegen me, dat deze manier net als cocaïne was. “Eerst gaat het alleen maar beter, maar op een gegeven moment breekt het je”. Daar had ze denk ik wel gelijk in, helaas.
Ik begon me ernstig af te vragen of ik niet al ingestort was. Want dit voelde toch wel echt als een diep gat, waarin ik gevallen was en zag de oplossing niet meer. Waren dan de problemen en de ‘bijna aan het einde maken’- actie van jou, dan toch het laatste zetje geweest? Het valt je vast wel op, dat ik nooit het woord ‘zelfmoord’ gebruikt, dat is omdat ik er een hekel aan heb gekregen. Kan het niet meer over m’n lippen krijgen. Ik noem het altijd anders.
Maar als ik dan al was ingestort, dan had ik hiervoor al op instorten gestaan. Waarom had ik dat dan niet door? Had ik het dan echt veel te druk met van alles en nog wat, dat ik niet eens naar mezelf heb kunnen luisteren? Niet eens aan mezelf heb gevraagd, hoe het nou werkelijk met me ging? Heb ik dan al die tijd, zelfs voor mezelf dat masker gedragen? Ik weet het niet, maar het zal allemaal wel opgestapeld zijn, al die problemen van andere, m’n eigen problemen en de druk van school. Dat is dan een hele beste stapel geworden, geloof ik.
Toen ik je weer sprak, vertelde je dat het weer goed was tussen jou en Dianne. Ik was blij voor je, eindelijk een probleem minder. Aan de andere kant, werd ik er onzeker van. Wat als straks weer de roddels rond gaan, weer een grote ruzie? Dat kon ik niet aan op dat moment, echt niet. Dat wist jij ook wel .. althans dat denk ik. Of had je niet door dat het slecht met me ging? Ik hield me wat afzijdig, want ik raakte weer wat dieper in de put. Ik wist gewoon dat er toch wel weer een tijd kwam, dat we weer met zijn drieën ruzie kregen dat we weer alle drie ons poedersuiker voelen of één of twee.
Het was weer is tijd om m’n hart te luchten, die jongen, die al die tijd al naar me luisterde was zo lief. Probeerde echt met me mee te denken, maar het enige dat ik kon. Was boos en kortaf reageren, al z’n ideeën afkraken en chagrijnig doen. Ik kon mezelf wel wat aan doen, ik bedacht me dat ik maar snel lekker moest gaan douchen en naar bed moest gaan.
Nou, van lekker douchen kwam niet veel terecht. Ik dacht: “even snel m’n benen scheren, haren wassen en naar bed”. Alle oliebol kwam in me op. Zo ellendig had ik me nog niet gevoeld de laatste tijd. Ik bleef mezelf maar overtreffen, ’s middags had ik ook al ruzie gemaakt met een andere vriend. Ik geloofde hem niet, toen die vertelde dat het blowen maar bij een paar keer bleef. Ik had natuurlijk nooit moeten zeggen dat ik het niet geloofde, want hij gelooft mij áltijd, wat ik ook zeg. Maargoed, ik was het vertrouwen kwijt. In alles en iedereen. Ik wist niet meer wat ik wel moest geloven en wat niet. Je maakte je echt zorgen om me hè? Dat ik met TE veel zat, zei je. Je had wel gelijk, maar had nooit verwacht dat je dat zo uit jezelf zou zeggen. Je was echt te lief voor me, ik had dat niet verdiend. Ik deed zo banketstaaf tegen alles en iedereen. Daarom werd dat scheermesje ook wel heel erg verleidelijk ..