leuk dat Trooi nu op aarde is en alle dingen nog moet leren kennen. Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek
leuk dat Trooi nu op aarde is en alle dingen nog moet leren kennen.
Citaat:De volgende dag sta ik met de eerste stralen op. Eerst rek ik me uit en kijk naar buiten. De zon staat laag aan de hemel nog maar er is al veel te zien en het landschap wordt iedere keer dat ik er naar kijk mooier en mooier. Ik zie Mikador lopen in de verte, hij ziet er voor mijn gevoel droevig uit. “Je mist je baasje, hè?” fluister ik en het lijkt net alsof hij me hoort, dan hinnikt hij lang, schel en luid. Ik zoek mijn kleren bij elkaar en ga dan naar de badkamer, waar ik zie dat die kamer nog niet gedaan is. Even zucht ik maar dan ga ik me gewoon douchen, terwijl ik zachtjes dat liedje over die hengst die in de put zat neurie. “Blaas de trompet nu voor mij, speel het om mij er weer bovenop te krijgen.” De douchestraal staat heel zacht maar ik sta er dan ook flink lang onder, geen haast is er dus het kan gewoon. Volgens mij is Rewno nog niet opgestaan, maar dat weet ik niet zeker. Na een hele lange tijd douchen besluit ik dat ik niet schoner word en dus ga ik mij maar een beetje afdrogen de rest laat ik gewoon drogen. Gewoon door stil te staan en na te denken over wat er nu moet gaan gebeuren. Als ik vrijwel helemaal droog ben besluit ik dat ik nog niet mijn volledige kledingset aan doe maar alleen nog maar mijn ondergoed, broek en shirt. Ik besluit eerst de studeerkamer af te maken voordat ik aan de badkamer ga beginnen maar eerst, besluit ik, ga ik bij het raam kijken voor hoe laat het is en of Mikador nog te zien is. Mikador is weg maar de zon geeft aan dat het al een flinke tijd later is, hoe laat precies kan ik niet van deze zon aflezen. Het landschap is nu weer anders gekleurd, nu een mooie zachte glans erover heen in plaats van de rode glans die ik vanmorgen zag en de felle glans die ik overdag zag. Nu besluit ik toch maar verder te gaan met het opruimen en ontstoffen van de studeerkamer, dit moet toch ook nog verder gebeuren maar ik zeg tegen mijzelf dat ik het landschap echt nog een keer moet tekenen. Na enige tijd hoor ik wat gestommel op de trap en ik ga even kijken. Het blijkt Rewno te zijn, tenminste zijn lichaam, zijn geest lijkt nog te slapen. “Weet je wel hoe laat het is? Ga slapen, dat wil ik namelijk ook kunnen doen. Over een uur of 3 is het pas tijd om op te staan.” Als ik zeg dat ik niet meer kan slapen dan loopt hij als een zombie naar beneden en vraagt mij te volgen. Hij pakt een apparaat, een soort scanner, en zegt dat ik hiermee boeken kan lezen. Ik knik en laat hem met rust, slingerend gaat hij zijn slaapkamer weer in om verder te pitten. Ik keer terug naar de studeerkamer en bekijk de boekenkast. Zo ver was ik nog niet met afstoffen dus zachtjes doe ik dat, tegelijk met een boek uitkiezen. Na zo’n 4 planken boeken valt mijn oog op een plank met wiskunde-boeken. Heel precies weet ik niet wat dat is maar als ik er even in blader dan lijkt het me interessant. Na deze plank ook nog even te hebben ontstoft kijk ik hoeveel delen er precies van zijn, 30 blijkt. Ze staan allemaal op volgorde en er staan sterren op de kaft die het niveau vertellen. Ik besluit de 1 gewoon maar te pakken en daar ben ik blij om, dit blijkt vrij pittige stof te zijn. Ik pak wat lege papieren en een pen, daarna ga ik aan de slag. Al snel ben ik ingespannen bezig om de sommen uit te rekenen, dit is dan beginners. “Ik zal waarschijnlijk nooit deel 30 halen, wat is dit moeilijk zeg.” Zucht ik zachtjes. Maar wanneer Rewno langs komt voor de tweede keer, deze keer wel wakker, ben ik bijna klaar met het eerste hoofdstuk. Hij komt zeggen dat het ontbijt beneden klaar staat en ziet dan dat ik met een wiskundeboek bezig ben. “Ben je alleen met dit hoofdstuk de hele tijd bezig geweest?” vraagt hij, “Nee, ik heb ook nog een tijdje gekeken wat voor boeken er waren en even naar buiten gekeken maar voor de rest wel.” Glimlach ik. Dan zegt hij dat ik dan waarschijnlijk niet zo veel wiskunde heb gehad aangezien het niveau van dit hoofdstuk nogal laag is. “Dat klopt, ik ben nooit naar school geweest. Tellen, simpele rekensommen, lezen en schrijven leerde iedereen in ons dorp van hun ouders en ik was daar geen uitzondering in. De rest was niet belangrijk volgens iedereen. Ook ik heb dit gedaan met mijn kinderen, want ik heb deze informatie nooit gemist.” Zeg ik enigszins verbaasd. Nu kijkt Rewno zeer verbaasd en antwoordt daarna een beetje haperend dat de thee koud aan het worden is. “Thee?” “Een soort ertho.” “Oké.” En samen lopen we naar beneden. Ieder in onze eigen gedachte verzonken. Pas als we de eetkamer binnengaan gaan we weer een beetje op elkaar letten.
Rewno heeft de kleine eettafel gedekt want we hebben voor deze maaltijd niet zoveel ruimte nodig en Rewno lijkt deze tafel gezelliger. We eten brood, plakjes brood zelfs in plaats van hompen. We eten in stilte, om één of andere reden is de sfeer kil. Als we klaar zijn met eten vraagt Rewno of ik mee ga naar Mikador maar tot zijn verbazing schud ik nee. “Waarom niet?” vraagt hij. “Eerst wil ik dat hoofdstuk van wiskunde afmaken, daarna zal ik wel kijken. Hij kijkt me wantrouwig aan maar laat het, de sfeer is volledig verpest maar de reden ervan is voor mij onbekend. Die zal ik ook pas over een tijdje te weten komen.
Ik help met afruimen en verbaas me weer eens over hoe groot alle ruimtes eigenlijk zijn. Rewno heeft me al een keer tussen de bedrijven door verteld dat de grote gang niet eens meer in gebruik is omdat ze toch niks aan zoveel ruimten hadden. Toch wil ik die gang nog wel eens gaan bekijken. Na het afruimen ga ik naar boven en Rewno vertrekt door de achterdeur. Ik hoor hem fluiten en daarna Mikador aan komen rennen. Even komt er een glimlach op mijn gezicht, dan loop ik verder de trap op en sluit na mij de studeerkamer weer. Ik ga aan de mooie houten studeertafel zitten en pak het boek en de papieren er weer bij. Het zijn nog maar zo’n tien opgaven dus na een kwartier ben ik er klaar mee. Zeer tevreden en voldaan, want ik heb er veel van geleerd. “Zal ik de kamer verder stoffen of iets anders gaan doen?” vraag ik me hardop af, ik besluit naar beneden te gaan. Eenmaal beneden aangekomen schenk ik wat water in een glas en drink het op. Nog steeds heb ik dorst maar na nog een glas stop ik toch maar, ik ga opnieuw naar boven. Wanneer ik halverwege de trap ben hoor ik echter een vrouwenstem. “Rewno, ben je thuis?” Ik storm de rest van de trap op en duik de logeerkamer in. Snel trek ik mijn cape aan en na een blik in de spiegel weet ik dat die goed zit. Dan slinger ik mijn zwaard op de rug, zachtjes sluip ik naar de deur want ik hoor voetstappen in de gang. Al mijn spieren span ik en dan open ik de deur…
Een oudere vrouw blijkt achter de deur te staan en als ze mij ziet gilt zij met zeer hoge tonen. Direct ontspan ik, deze vrouw is ongevaarlijk en ik vraag haar te stoppen met gillen. Dan hoor ik iemand anders aan komen stormen en direct span ik alle spieren opnieuw aan, klaar om de strijd aan te gaan. Dit blijkt niet nodig te zijn, de aanstormende persoon is Rewno. Langzamer dan eerst maar toch wel zeker, ontspan ik mijn spieren weer. “Moeder, het is goed. Het is een vriend van mij. Dit is Trooi, hij woont tijdelijk hier omdat hij geen onderdak heeft in deze stad. Trooi, dit is Arania, mijn moeder.” Ik ben even helemaal verbijsterd, dat was het laatste wat ik had verwacht. “Ze zou toch pas woensdag komen?” vraag ik haperend, en Arania, die ondertussen gestopt is met gillen, kleurt enigszins rood. “Ik kom al tijden op vrijdag ondanks dat ik betwijfelde of je nog wel terug kwam.” Dat laatste is heel duidelijk naar Rewno gericht, deze verkleurt nu dan ook. “Och moeder toch, ik heb beloofd dat ik terug zou komen en ik houd mij altijd aan mijn beloften. Ik weet het, ik ben zeer lang weggeweest maar altijd heb ik geprobeerd terug naar mijn huis te keren.” En hij sluit haar in zijn armen. “Het duurde gewoon te lang, normaal laat je in de tussentijd iets van je horen. Nu niks, geen belletje, geen briefje en je hebt zelfs je paspoort niet opgehaald.” Huilt Arania. Ik laat hen maar met rust, ze moeten erg veel bijpraten blijkbaar. Ik ga naar beneden en dan besluit ik de grote gang van de onderverdieping eens helemaal af te lopen, het blijkt nog veel groter te zijn dan dat ik had ingeschat.
Citaat:Er zitten veel bochten in de gang waardoor je het einde niet kan zien maar het is duidelijk vooral lang, niet te missen dat deze gang door de muur gaat waarin dit huis gemetseld is. Die muur was een oude stadsmuur, later is het veranderd naar een scheiding van het land van de grote adel, daarvoor was dit huis een kleine basis. Nog steeds loop ik door de gang, deze loop ik helemaal uit terwijl ik de kleine, smallere gangen negeer aan de rechterkant. Aan de linkerkant zitten deze kleine gangetjes niet, hoogst waarschijnlijk omdat je die aan de buitenkant van de muur dan zou kunnen zien. Na zo’n vijf minuten ben ik aan het einde van de gang, die ondertussen ook steeds minder verlicht wordt. Aan het eind zie je zelfs alleen nog maar vage omtrekken van deuren en toortsen, zo oud is dit gedeelte. Toch merk je dat hier wel vernieuwingen zijn aangebracht, ze worden alleen niet of beter gezegd, niet meer, gebruikt. Helemaal aan het eind van de gang zit een smalle deur, deze is smaller dan de andere deuren die ik ben tegen gekomen en hij ziet er ook minder stevig uit. Hij blijkt echter nog heel stevig te zijn en niet meet te willen werken. Hij wil namelijk niet open maar na flink wat aanduwen gaat hij dan toch. Krakend, piepend en krassend schuift hij langzaam met een grote krachtsinspanning van mijn kan open. De kamer waar ik nu in terecht kom is nog donkerder dan de gang. Geen hand voor ogen is er te zien dus voorzichtig tast ik de muur af in de hoop dat deze kamer wel een lichtknopje heeft. Deze hoop blijkt niet vals te zijn als ik er na even zoeken er ééntje vindt. Maar als ik hem omschakel en het licht komt langzaam op gang ben ik verbijsterd van wat ik zie, dit is namelijk onbegrijpelijk…
Het is een hele kleine kamer en ook is hij heel erg stoffig. Het is heel veel meer dan duidelijk dat er al lang geen mensen meer zijn geweest hier. Wel blijkt er een raam in de muur aan de rechterkant te zitten, maar echter klein en zeer vuil. Het bed staat op lange poten, een mens kan eronder staan, met daaronder een klein bureau op maat gemaakt volgens mij. Op dat bureau liggen nog wat oude boeken, met ontzettend vergeelde kaften door de oudheid van deze exemplaren. De kamer zelf is maximaal 2 bij 2 meter, erg klein dus. Waarom zouden ze deze kamer hebben gebruikt als ze zoveel grote kamers hebben? Ik heb geen idee maar alle ruimte die hier is wordt wel honderd procent gebruikt. Aan de muren hangen posters en foto’s van artiesten en van een jongen die lijkt op mij toen ik nog maar 15 jaar was. Op het bureau staan verder ook nog wat pennen en een tekenblok, ook ligt er een zeer dun schrift dat duidelijk veel in handen is geweest en waar wat in geschreven is. Dit staat er op de laatste bladzijde, de rest is eruit gescheurd:
16-03-1978
Lief dagboek.
School is echt een ramp, vandaag ben ik weer getrapt en geslagen. Mama weet er niks van want ik wil haar geen pijn doen, maar of ik dit nog lang kan hebben dat denk ik niet. Ik dwaal vaak rond in de achtertuin en vanmiddag heb ik een leuk plekje ontdekt, helemaal achterin. Daar is een kleine grot met vele inhammen, in één inham komt na zo’n 4 meter een kleine binnenplaats. Daar heb ik een schets van gemaakt in mijn tekenblok, best goed gelukt vind ik zelf. Mijn cijfers zijn nog steeds de hoogste van de klas want het maken en leren van mijn schoolwerk is het enige dat me nog op de been houdt. Als ik vandaag of morgen niet meer schrijf, dan weet je dat ik er een einde aan heb gemaakt. Ik ga het namelijk echt niet veel langer meer volhouden. Ik weet dat ik eigenlijk naar mama en papa moet gaan maar wat kunnen zij er aan doen, niks toch? Het zal nog tijden duren voordat ze dan mij kunnen vinden, want niemand weet van die plek af, behalve jij. Maar aangezien ik mama en papa op het hart heb gedrukt nooit jou te lezen weet ik dat jij het niet door zal vertellen. Niet voordat iemand anders, anders dan pap en mam, jou in zijn of haar handen neemt en leest, maar dan moet dit al heel lang geleden zijn. Ik neem nu afscheid van je, je was altijd mijn steun maar ik heb besloten nu te stoppen met leven. Ondanks de pijn die ik bij mijn familie achterlaad. Ik hield van deze kamer, waar ik vele uren heb gezeten. Ik hield van de achtertuin, waar ik vele uren heb rondgedwaald. Ik hield van mam en pap en de rest van de familie, waar ik vele uren mee heb gekletst. Ik hield van jou, waar ik vele uren in heb geschreven. Tot ziens mijn dagboek, ik zal je missen.
Groetjes Joost.
Ik ben sprakeloos, nu snap ik waarom deze kamer zo stoffig is. Ik slik, hij heeft geweten dat ooit iemand dit bericht zou lezen. Dan besluit ik in het tekenblok te kijken voor de grot. Het tekenblok heeft vele tekeningen, allemaal heel gedetailleerd en duidelijk met overgave getekend maar dat was toch niet genoeg om hem op de been te houden. Dan zie ik een jongen die ontzettend veel lijkt op mij toen ik jong was, zelfportret staat er in kleine letters onder. “Dit heeft Arania waarschijnlijk ook laten schrikken, ik leek te veel op hem. Op Joost in volwassen versie.” Komt in mij op. Ik blader verder en zie dat hij ook van paarden heeft gehouden en van honden. Uiteindelijk zie ik de tekening waar hij het in zijn dagboek over heeft. Een kleine grot met inkepingentje, er staat een taal, oud Languaans, maar daarvan zijn de details te grof. Ik kan het dus niet uit de tekening lezen. Ik besluit verder rond te kijken in de kamer, de posters zijn deels ook wiskundige bladen zie ik nu. Dan maak ik voorzichtig het raam een beetje schoon, een mooi stukje van de tuin ligt achter dat raam. Allerlei verwilderde planten nu maar er is duidelijk te zien dat het ooit heel erg bijgewerkt is. Geen enkele bloem bloeit niet mooi, alle kleuren zijn perfect. “Joost, had je dit maar kunnen zien. Het is perfect voor jou, jouw moeite daarbuiten is het waard geweest. Had je nou nog maar kunnen leven, hadden ze je het leven maar niet zo zuur gemaakt. Dan had je dit kunnen zien en had ik jou kunnen ontmoeten.” Ik voel me verdrietig, ze hadden het recht niet om hem het leven zuur te maken en hij had duidelijk potentie in zoveel dingen. “Waarom nou hij, hij die het goed deed?” vraag ik mij fluisterend af, dan besluit ik terug te gaan. Ik loop terug naar de deur, kijk nog één keer achterom naar het leven van de jongen die voor mij onbekend is. Fluister dat ik zijn lichaam zal zoeken en zal bergen en doe dan het licht uit. Voorzichtig loop ik naar buiten en zo zacht mogelijk trek ik de deur dicht. Dan loop ik de gang door, steeds lichter wordt het in de gang. Aan het eind van de grote gang gekomen, besluit ik naar boven te gaan. Nog even wat ontstoffen, Rewno en zijn moeder staan er nog steeds. Wanneer Arania mij ziet schieten bij haar de tranen in de ogen. Nu weet ik het zeker, zij is de moeder van Joost.
De ramen van de studeerkamer staan nog steeds open, ze zijn duidelijk daar niet naar binnen geweest. Ik stof rij voor rij af en kijk regelmatig wat boeken in. Zo zie ik nog meer soorten wiskundeboeken, geschiedenisboeken, vele encyclopedieën over van alles en nog wat, woordenboeken en ook een boek dat de bijbel heet. Na een korte periode, zo’n uur schat ik in, zijn alle boeken afgestoft. Ondertussen zijn denk ik Arania en Rewno naar beneden gegaan want ik heb minstens één persoon van de trap af horen gaan en het is stil geworden op de gang hierboven. “Trooi, tussendoortje!” roept Rewno en ik besluit dus naar beneden te gaan. Ook nu hangt er zo’n droevige sfeer in de lucht en plots bedenk ik dat Rewno al eerder heeft gezien dat ik op Joost lijk, nu nog kijken hoe ik mezelf naar buiten ga krijgen. “Ik ga denk ik zo naar Mikador, die is toch achter?” vraag ik behoedzaam, wachtend op antwoord. Zowel Rewno als Arania knikken gelijktijdig, maar het blijft stil en de sfeer blijft droevig. Na nog vijf minuten staan we gelijktijdig op en dan zegt Rewno dat ik wel alvast naar Mikador mag gaan, dat hij wel mijn spullen opruimt. Ik bedank hem en ga naar buiten, dan fluit ik Mikador op.
Citaat:Zeer enthousiast hinnikt Mikador en springt aan in galop om zo snel mogelijk naar mij toe te gaan. Dan blijkt dat ik ook somberheid af straal want aarzelend gaat hij draven en dan stappen, plotseling denk ik aan Iris en zeg tegen hem dat ik geen nieuws heb over haar, maar dat ik graag een grot wil opzoeken die ergens in deze tuin is, ergens achterin. Mikador wordt direct weer wat vrolijker en gaat weer vlot dravend naar mij toe, dan nodigt hij mij uit om op zijn rug te gaan zitten en ik neem deze uitnodiging dankbaar aan. Als ik op hem zit begint hij direct te galopperen maar als ik hem vraag wat rustiger te gaan door middel van de woorden: “Rustig aan jochie, we hebben geen haast.” Gaat hij dat ook braaf. Opeens begin ik de omgeving te herkennen. ‘Wat is die boom gegroeid. Heeft niemand meer iets aan mijn tuintje gedaan? De bloemen staan er erg mooi bij dit jaar. Jammer dat de kleine bosjesman dood is gegaan.’ Waar komen deze gedachten vandaan? Hoe moet ik de omgeving hier kennen. Dan zie ik het zelfportret van Joost weer voor me en de gedachte die daarbij opkomt druk ik snel weer weg. “Dat kan gewoon niet.” Zeg ik streng tegen mijzelf. Ook Mikador lijkt iets te voelen, hij gaat stappen en stopt daarna. Hij is duidelijk niet op zijn gemak en ik verwacht dat het te maken heeft met mij in combinatie met die grot. Niet alleen de grot of alleen mij want naar beide ging hij vol overgave naartoe. Ik besluit het aan hem te vragen. “Wat is er Mikador?” maar hij beeld uit dat hij verward is en het dus niet weet. Ik besluit af te stappen en dan loop ik voorzichtig de grot in. Wanneer ik een tweede stap de grot in doe krijg ik plotseling een daghengst (tegenovergestelde van een nachtmerrie).
De laatste minuten van Joost.
“Het is nu echt voorbij.” Fluister ik, wetend wat ik net heb gezegd en zeker ervan dat het de waarheid is. Langzaam loop ik de grot in en ik voel dat de onderwereld me al mee wilt nemen. Ik wil echter alleen op de rots in het middelpunt van de grote inham sterven. Deze inham komt tevoorschijn nadat ik langs drie kleine inhammen ben gegaan. Ik begin te bidden…
“Oh neem mij mee, laat mij door gaan naar de hemel. Ik weet dat ik geen heilige was maar toch, neem mij mee naar de hemel en laat mij daar wachten op mijn familie tot zij zich bij mij voegen. Vaarwel mooie wereld, je was te streng voor mij. Ik vertrek nu, laat je met rust. Ik zal je nooit meer storen, want daar heb je last van. Tot ziens, moge de wereld doorgaan voor anderen. Amen”
Met gemengde gevoelens maar met een duidelijk doel loop ik de grote inham in, waar ik voor het laatst zal gaan bloeden in dit leven, en ga op de grote rots in het midden zitten waar ik ook al eerder deze middag heb gezeten. Mijn vader, moeder, vrienden en familie schieten door mijn hoofd. Dan zie ik het beeld van mijn broer. “Ik zal jullie, maar voor jou, missen.” Zeg ik zachtjes. Dan zie ik de beelden van degene voor me die me het leven zuur hebben gemaakt. Ik trek mijn dolk, even haper ik nog maar dan snij ik in één enkele beweging mijn keel volledig open van rechts naar links. Een grote pijn beheerst mij even, dan ben ik weg. Ik ben verlost.
De grote inham.
Ik schrik terug naar de wereld van dit moment. “Wat ontzettend voor die jongen dat hij zo ver heeft moeten gaan om verlost te zijn, maar waarom voel ik me zo verbonden met deze plaats?” vraag ik me af. Voorzichtig besluit ik verder te lopen op zoek naar de grote inham. Al snel zie ik de eerste inham, deze is zo’n twee meter diep, een meter hoog en een halve meter breed. Na een flauwe bocht zie ik ook de tweede en derde inham, deze zijn niet veel anders dan de eerste hoewel de derde wel drie meter diep is en zo’n anderhalve meter hoog aan het begin. Nog een flauwe bocht de andere kant op en dan ontdek ik een spleet die dan de grote inham moet zijn. Ik loop nog wat dichterbij en voel dat hier vele geesten ronddwalen, als ik al zou willen zou ik hier ook niet naar boven kunnen trouwens. Heel vreemd maar misschien ontdek ik later wel waarom dit is, zo lang ben ik toch nog niet een spirit. Dan ga ik de hoek om bij de grote inham, ‘Pijn, kort maar hevig…’ gaat er door mijn gedachten. Joost misschien weer? Als ik ook kijk om de hoek zie ik de grote rots met daarop het skelet van Joost, de rots is inderdaad in het midden van de grote inham. Van Joost zijn er alleen nog maar botten, maar toch word ik naar het lichaam toegetrokken. Als eerbetoon raak ik heel even de botten aan maar wanneer ik dit doe voel ik dat lichaam en ziel verenigd worden. Ik ben te verbaasd om nog een eerbetoon uit te spreken. Daarna fluister ik: “Dat kan toch niet? Dat… Dat kan gewoon niet.” Maar ik weet dat wat ik denk wel echt zo is, er is gewoon geen andere verklaring voor, ik weet dat het waar is. Ik been al eerder op de aarde geweest alleen herinner ik me er niks meer van omdat het is geweest in de vergeten periode, deze heeft 16 jaar geduurd. “Zo oud zal Joost wel zijn geworden.” Fluister ik nauwelijks hoorbaar. Ik kan het nauwelijks geloven maar
Ik schrik op: “Wat ontzettend, maar waarom voel ik me zo gebonden met deze plaats?” vraag ik me af. Dan loop ik door de grot, drie kleine inhammen verschijnen en dan komt de grote inham tevoorschijn. Ik voel dat hier vele geesten ronddwalen, plotseling zie ik het skelet van Joost, op de rots in het midden van de grote inham. Alleen de botten zijn er nog, maar ik word naar het lichaam toegetrokken. Als ik ze aanraak voel ik dat ziel en lichaam verenigd worden. “Dat kan toch niet?” fluister ik. “Dat… Dat kan gewoon niet.” Maar ik weet dat het wel zo is, ik ben al eerder op aarde geweest in de vergeten periode, die heeft 16 jaar geduurd. Ik kan het nauwelijks geloven maar ik weet dat het waar is, dat het zo is, dat ik dit ben geweest. Dan denk ik aan de tekens op de muur en besluit deze te gaan vertalen, misschien vertellen zij mij meer zodat ik eindelijk kan begrijpen hoe dit komt. Aan het begin heb ik moeite met de tekst maar uiteindelijk vormen de letters woorden en weet ik dat er dit staan.
Hier, waar de hemel en aarde samen komen. Zullen geesten verschijnen en verdwijnen. Een plaats waar ze over kunnen stappen naar de wereld van de levenden, een plaats waar ze terug kunnen naar het rijk van de doden. Hier zullen ze dit doen, keer op keer op keer. Geen mens zal naar boven kunnen zonder te sterven, geen geest kan naar beneden zonder te gaan leven. Een weg van geboorte, sterfte en wedergeboorte totdat de tijd daar is dat men klaar is om boven te blijven. Ieder zijn weg zal anders zijn en elke weg zal maar één keer door deze persoon betreden worden. Daarna sluit de weg zich en zal hij een andere route moeten zoeken. Dus bedenk goed wanneer je deze weg neemt en bedenk dat je zo dus niet meer terug kan.
Ik sta helemaal te trillen op mijn benen, ieder woord, iedere zin klopt. Alles wat er staat klopt gewoon en het gevoel dat ik niet terug naar het dodenrijk kan, naar de “World of spirits” dat ik eerder had klopt dus. Nu ik terugdenk bedenk ik dat ik nooit terug gekund heb als ik net terug kwam van de andere wereld. Dan hoefde ik altijd maar één stap opzij te doen om terug te kunnen maar op precies dezelfde plek kon én kan het niet. Plots zie ik de dolk liggen van Joost, van mijn tijdelijke ik. Ik zie zoveel gelijkenissen met mijn eigen, zelf gesmede zwaard dat ik deze trek en hem naast de dolk leg. Wat ik had gezien blijkt te kloppen, de dolk is bijna een kleine versie van mijn zwaard. Ondanks zijn kleine maat is hij echt bijna identiek aan mijn zwaard. De kanten, de graden gebogen, de materialen zo mogelijk hetzelfde en nog meer van deze details. Dan zie ik een kleine riempje op de plaats waar ooit zijn middel heeft moeten zitten, hieraan zit een klein hoesje. “De koker voor zijn dolk,” Fluister ik, “mijn kinderkoker en mijn kinderdolk.” Plots weet ik weer waarom ik mijn zwaard op deze manier heb gesmeed, omdat ik mijn kinderdolk zo prettig vond vechten. Mijn kinderdolk is zijn kinderdolk, ze zijn identiek. Dat weet ik zeker ondanks dat ik deze niet meer bij mij draag. Dan besluit ik de grot uit te gaan, mijn geest blijft echter op één of andere manier nog even in de grot dwalen. Wanneer ik echter vraag aan Mikador om mij te volgen voel ik dat mijn geest me snel inhaalt. Ik besluit terug naar het huis te gaan om aan Rewno te vragen hoe het nu met Iris gaat.
Citaat:Vrolijk loop ik naar boven, ik ga verder aan hoofdstuk 2 van wiskunde. Deze gaat al sneller dan het 1e hoofdstuk, maar ik ben toch pas klaar als ik voor het eten geroepen wordt. Arania zit ook aan tafel en vraagt na enig haperen of ik mijn zwaard af wil doen. Ik knik als bevestiging en leg hem in één beweging af. Rewno kijkt echter heel verbaasd en zegt daarna: “Begin jij je al thuis te voelen Trooi?” Ik glimlach als antwoord. Arania vraagt wat voor vreemde vraag dat is, het is toch logisch om je zwaard af te leggen wanneer je gaat eten. Ook al is het al onlogisch om hem de rest van de dag te dragen. Ik schud als teken dat het voor mij heel gewoon is. “Waar ik vandaan kom houden we het zwaard dag en nacht om als je niet thuis bent. Als je wel thuis bent dan leg je het zwaard meestal ’s nachts wel af, maar de meeste leggen het tijdens het eten ook thuis niet af. Doe je dit wel dan leg je hem binnen handbereik neer, daarom vraagt Rewno dit.” Arania is er stil van en Rewno kleurt een beetje. “Hé, ik kom nou eenmaal uit een vreemd gebied, er zijn daar andere regels.” “Dat is waar…” zegt Arania. “Zullen we nu gewoon gaan eten, ik heb best wel trek en het ziet er zalig uit.” Ze knikken en Arania schept op. Het eten smaakt erg goed en ik bedank haar aan het eind voor het goede koken. Het is duidelijk dat ze dit compliment waardeert en ik help mee met afruimen. Doordat we het met zijn drieën doen zijn we zo klaar en dan vraagt Arania of ze mijn zwaard mag bekijken. Even ben ik te verbaasd om te antwoorden maar daarna zeg ik dat het op zich wel mag maar dat het niet al te schoon is. “Ik wilde net vragen of er ergens een doekje was waarmee ik mijn zwaard kon schoonmaken.” “Dat geeft niet, ik kijk wel door de vuile laag heen. Ik vind zwaarden interessant, heb je deze zelf gesmeed?” Ik knik, “Dan zijn ze namelijk extra bijzonder en kan je eraan aflezen met wat voor persoon je te maken heb.” Ik bloos lichtjes, de verbazing van Rewno wordt steeds groter. Ik kijk hem aan met een blik van, maakt het uit? Hij fronst zijn wenkbrauwen even maar vergeet het daarna. Na enige tijd krijg ik het zwaard weer terug. “Je bent geen echte vechter, doch wel een krijger. In ieder geval van bloed en opleiding, maar je geest is anders. Ben je later nog wat anders gaan doen soms?” krijg ik van Arania te horen. Ik knik bedachtzaam, zwaardlezen is een moeilijk iets en zij is er blijkbaar goed in. Langzaam krijg ik meer respect voor haar, meer dan alleen dat ik een gast van haar ben. Toch klopt er iets niet, maar ik besluit mijn mond erover te houden. “Ik ga naar boven toe, volgende hoofdstuk van wiskunde maken. Ingewikkeld is deze stof zeg, nooit gemerkt dat ik het nodig had eigenlijk.” Rewno glimlacht, “Je hebt het waarschijnlijk ook bijna nooit nodig gehad omdat niemand het bij jullie kon. Bij ons wordt het echter ontzettend veel gebruikt, daarom is het wel handig als je het kan. Maar opzich maakt het niet zo veel uit, het is alleen dat we natuurlijk niet weten hoe lang je blijft. Misschien blijf je nog wel jaren en dan is het handig als je het kan. Het kan echter ook dat je maar even blijft, een paar weken. Dan zal je er niet zo veel profijt van hebben.” Ik knik, af en toe is het toch redelijk lastig te bevatten. “Nou ja, ik ga naar boven. Je weet mij te vinden.” We glimlachen beide, onze blikken wenden zich daarna af. Ik ga naar boven en begin aan hoofdstuk 3, na een half uur stop ik echter. Ik kan mij niet concentreren, er is te veel gebeurd vandaag. Ik besluit te gaan mediteren, mijn gedachten zakken weg en als ik mijn ogen weer open doe is mijn hoofd veel kalmeer, ondertussen is het donker geworden. Ik sta op en kijk naar buiten, Mikador graast vredig onder mijn raam. Ik besluit naar beneden te gaan om te zeggen dat ik ga liggen, beneden is er niemand. Voorzichtig loop ik naar de slaapkamer van Rewno, de deur is dicht. Zachtjes open ik de deur en zie daar Rewno liggen, een glimlach komt bij mij te voorschijn. Daarna ga ik op mijn tenen naar boven kleed mij uit op mijn kamer, waar Arania is weet ik niet. Ik ga liggen en val al snel in slaap, mijn lichaam verlatend ga ik naar boven. Lord Podo Willowbottom had mij namelijk geroepen. “Wat is er mijn lord?” vraag ik terwijl ik diep buig uit respect. “Je wordt levend, als je zo door gaat zal je voor lange tijd niet meer terug kunnen keren naar het dodenrijk. Je hebt zelf de keuze in de hand: wordt mens en sterf pas als je tijd weer gekomen is óf keer terug naar de “World of Spirits”. Het is je eigen keus, morgennacht wil ik je antwoord weten. Je kunt gaan.” Ik knik als bevestiging en vertrek daarna, met nog een dilemma. Eigenlijk weet ik het antwoord wel, ik blijf. Maar het is zo definitief en ik zit met nog wat in mijn hoofd. “Wordt mens…” ik mag geen Razz blijven. Op zich snap ik ook dit wel, maar het maakt het besluit toch extra lastig. Het zal afhangen van wat Rewno antwoordt op mijn vraag. “Mag ik hier blijven wonen?”, het antwoord zal ik morgen krijgen, ik vraag het nadat we bij Iris zijn geweest.
Een schot! Ik schiet in mijn kleren en slinger mijn zwaard op de rug, dan storm ik de logeerkamer uit. Er staan 2 mannen beneden, blauw aangekleed met de wapens in de aanslag, maar ze hadden duidelijk nog niet geschoten, het was de deur geweest die ze open hadden getrapt. Ik trek direct mijn zwaard en Rewno komt ook uit zijn slaapkamer. Nog niet fatsoenlijk wakker vraagt hij wat er hier de bedoeling van is. Ondertussen hebben de mannen mij echter opgemerkt en zijn de wapens op mijn gericht, klaar staand om te schieten. Ik ben ook klaar om het gevecht aan te gaan, maar Rewno volgt de blik van hen en ziet mij dan staan. “Trooi, doe dat zwaard weg!” beveelt hij, dan vraagt hij nogmaals wat hier aan de hand is. De mannen doen ook hun wapens weg als ze zien dat ik mijn zwaard wegstop. “Wie is hij?” vraagt degene die vooraan staat. “Truywequ Yiepris is mijn naam, wie zijn jullie?” vraag ik met enige gepaste wantrouwen. Wie stormt er namelijk ’s nachts een onbekend huis binnen met de wapens in de aanslag? “Politie, ik ben Hans Bakker en hij is Marc Leeuwen. We werden gestuurd omdat er duidelijke aanwijzingen waren dat er hier terroristen zouden zijn, huiszoeking dus.” Ik glimlach, die hebben lef. Rewno keek echter heel verbaasd en voelde zich plotseling duidelijk niet zo op zijn gemak. “Oké, ik zal mijn moeder even wakker maken, dan schrikt ze zich niet helemaal een ongeluk. Ja, Trooi doet altijd zo. Hij is nogal schrikachtig.” Ik kijk enigszins geïrriteerd maar laat. “Ik ga weer aan hoofdstuk 3.” Rewno glimlacht, “Je gaat je gang maar, wees echter wel wat vriendelijker tegen hen. Ze doen je niks zolang jij hen niks aandoet.” Ik laat het en loop naar boven, ondertussen kijken die mannen rond. Het werken gaat al een heel stuk beter dan gisteravond, maar alsnog niet super. Toch werk ik verder, ik wil het namelijk gewoon af hebben voor het ontbijt. De mannen komen nog een keer langs, even meekijken. “Nooit wiskunde gehad?” vraagt Marc, ik schud mijn hoofd als antwoord. Hij legt mij nog wat uit en opeens snap ik het beter. Daarna gaan ze weer verder, mij met rust latend. Als Rewno roept voor het ontbijt ben ik al halverwege het 4e hoofdstuk. “Hoe gaat het ermee?” “Oh, goed hoor. Halverwege hoofdstuk 4, het schiet dus al aardig op. Ik ga zo nog even naar Mikje, waar staat de zon als we naar Iris gaan?” Arania antwoordt, “Als hij voorbij zijn hoogtepunt is.” Ik knik als dank. “Wie is Mikje?” vraagt Hans. “Oh, dat is Mikador son of the legend of hell.” Zeg ik, “Een paard.” Voegt Rewno snel toe als er vreemde blikken op de gezichten van Hans en Marc komen. Loop anders maar even mee, dan zal ik hem laten zien. Dan loop ik naar de achterdeur, aan de voedstappen is te horen dat ze mij volgen. Zachtjes gaat er een fluitmelodie over het landschap, Mikador antwoord meteen, de hinnik is duidelijk te horen maar komt van ver. Pas na enige tijd zie ik hem aan komen rennen, in volle galop vliegt hij over de paadjes. Dan remt hij af en draaft voor de rest naar mij toe. “Hé jochie, hoe gaat het nu met je?” zachtjes hinnikt hij, even laat hij zijn oren hangen. Dan zie ik hem opklaren, hij briest uitgebreid. “Wil je weer aan de slag Mik?” Hij begint uitbundig met zijn hoofd te schudden, op en neer. “Ja dus, stukje wandelen?” Hij schud zijn hoofd, van links naar rechts, langzaam. “Stukje rijden dan, dressuur?” Nu knikt hij wel met zijn hoofd, nog steeds erg enthousiast. “Ik zal terug zijn wanneer de zon voorbij zijn hoogtepunt is.” Rewno knikt, dan vertrek ik. Ik hoor Hans nog wat vragen maar kan niet meer verstaan wat, ik wordt één met de Mikador.
Citaat:We lezen elkaars gedachten, “Blijf bij ons, je tijd komt wel weer terug.” Schiet er door mijn gedachten heen. “Ik vind het fijn om te horen dat het goed met Iris gaat, hoe je me op de hoogte?” sluit hij het contact. Ik heb geen vragen kunnen stellen noch beantwoorden. Hij is beter in dit dan ik. Na een half uurtje hebben we een flink stuk afgelegd. Hij is ondertussen al wel gaan draven, het landschap is hier echter prachtig dus laat ik hem stappen. Langzaam stapt hij door dit mooie stuk tuin heen, het is zo’n 30 meter van de muur af. De bloemen staan in volle bloei en het struikgewas is netjes verdeeld, alsof er iemand de hele tijd door aan het tuinieren is maar toevallig net even de spullen heeft weg gelegd, dan bepaald Mikador de richting. Hij galoppeert weer aan en al snel zit hij in rengalop. Het gevoel van eenheid is volledig weggevaagd en mijn pogingen hem te laten stoppen mislukken. We racen verder en komen erg diep in de tuin. Dan zie ik de volgende woning, daar stopt het erf. Altijd is alleen de linkerkant van jou, maar er wordt niet echt op gelet. Waarom zouden ze, achterin kwam je toch nooit. Hij remt langzaam af, dan zitten we weer in stap. “Mam, Bistor is er weer!” vrolijk hoor ik een meisjesstem. “Ik kom al.” Het meisje loopt al naar buiten en komt op Mikador af. Ik vouw mijn benen omhoog zodat ze mij niet direct raakt. Ze is blind, haar ogen zijn wit en het is te zien aan hoe ze loopt. Mikador hinnikt, nu loopt ze gerichter naar ons toe, hij strekt zijn hals zodat ze hem kan aaien over het hoofd. Dan komt de moeder naar buiten en die is minder blij. Ze schrikt namelijk van mij, “Lizie, kom hier! Er zit een man op Bistor.” Lizie doet een paar passen naar achter en ik spring van Mikador af, “Nu snap ik waarom je zo’n haast had Mik, je had een vriendinnetje gezocht.” Dan richt ik mij tot de moeder. “Laat ik mij voorstellen, ik ben Truywequ Yiepris. Ik ben van hiernaast. Dit paard heet trouwens Mikador, son of the legend of hell. Hem mag je Mikador noemen en ik wordt meestal Trooi genoemd.” Daarbij buig ik lichtjes om mijn respect te tonen. “Bistor heet Mikador?” zegt het meisje twijfelend. “Dat klopt.” Dan komt de moeder langzaam dichterbij. “Waarom loopt hij vrij rond als hij een eigenaar heeft?” “Mikador bedoel je? Oh, ik ben de eigenaar niet hoor. Dat is Iris, maar ik zorg er tijdelijk voor. Hij loopt altijd vrij rond, hij blijft toch wel in de buurt en weet tot waar hij mag gaan.” De moeder lijkt even na te denken en vraagt dan: “Iris wie?” Daar moet ik even over nadenken maar dan bedacht ik dat ze had gezegd dat ze Iris Koning heette en dat zeg ik dan ook. “Is ze in het ziekenhuis? Dat is nieuw voor mij.” Dan kijk ik naar boven en zie dat de zon bijna over zijn hoogtepunt is. “Ik moet gaan, zal ik Mikador nog terug laten gaan als ik aan de andere kant ben of zal ik zeggen hem bij het huis in de buurt te blijven.” Dan zegt Lizie plots iets. “Hier terug laten komen astublieft. Ik ben dol op Bistor, op hem kan ik tenminste rijden.” Even kijk ik vreemd, maar dan zie ik de glinstering in zowel haar als Mikador’s ogen. “Wees dan wel voorzichtig, hij is erg gevoelig.” Dan klik ik met mijn vingers en komt Mikador naast mij staan. Ik spring erop en laat hem een suptiele steiger doen als groet. “Tot weerziens”, dan vertrek ik terug Lizie ook dag zegt. De moeder groet met haar hand. Mikador draait op zijn achterbenen en galoppeert weer terug naar huis. Onderweg hebben we nog een keer heel even contact, net een flits om zijn boodschap naar mij over te brengen. “Ik heb overal toch een goede rede voor.” Ik glimlach, snugger paardje. Na een kwartiertje zijn we weer bij het huis, Hans en Marc zijn nog aan het praten met Rewno en Arania. “Je bent net op tijd, Marc en Hans gaan mee en dan bevestigen zij aan de politie dat Iris weer gevonden is. Ze was namelijk vermist.” Ik knik, dan loop ik rustig nog een paar meter met Mikje mee, hij blijft de terugweg stappen en draven want het was toch wel een stevig afstandje om te galopperen. “Veel plezier en niet stiekem bokken, hè.” Zeg ik met een glimlach, dan begint hij te draven. Ik keer om en dan gaan we in een wagen zitten, Rewno zit achter het stuur. “Je eerste autorit Trooi, kijken of je autoziek wordt.” Even is er een vragende blik in mijn ogen te zien maar Rewno zegt al snel. “Een wagen wordt ook wel een auto genoemd.” Dan knik ik, ontspannen ga ik zitten en doe ik een riem voor mijn buik net als de rest. De auto begint geluid te maken en al snel zie ik de wereld aan mij voorbij gaan alsof ik op een paard zit in rengalop. De reis duurt zo’n 1½ uur, Rewno begint licht te stressen omdat het volgens hem te lang duurt maar uiteindelijk zijn we er. Bij een groot wit gebouw dat een ziekenhuis genoemd wordt.
Als we over de oprijlaan lopen komt er net weer een ziekenwagen aan, met sirenes enzo, er komt een klein meisje uit hoewel het erg snel gaat dacht ik te zien dat ze op mijn dochter leek toen ze klein was. Even voel ik een steek door de borst, maar dat moffel ik weg, mijn besluit staat al vast. Ik loop achter Rewno aan die zich even meldt bij de balie, dan gaan we naar kamer 165 op de intensive care. We moeten rustig doen en mogen niet langer dan een kwartiertje blijven. Mij maakt het niet uit, een kwartier is lang genoeg om haar levenssignalen te controleren. Na even zoeken hebben we kamer 165 gevonden, ik ga als eerste naar binnen en zie haar liggen. Ze is een heel stuk sterker geworden en ik zie haar handen reageren op de deur. “Hé Iris, leuk dat je wakker bent.” Zeg ik zachtjes. Dan komen ook Marc, Hans en Rewno binnen. “Dit zijn Rewno, Hans en Marc. Rewno heeft ons hierheen gekregen en Hans en Marc zijn 2 agenten.” Langzaam opent ze haar ogen, ze kijkt om zich heen en zachtjes zie ik haar lippen bewegen. Ze vormen hoi, maar er komt geen geluid uit haar mond. “Ze zegt hoi.” Vertel ik aan de rest, want deze stonden een beetje vreemd te kijken. Dan vraagt Marc of zij Iris Koning is. Haar lippen vormen ja. Ik knik bevestigend, dan vraagt Marc of ze wilt dat haar ouders op de hoogte gesteld worden dat ze terecht is. Weer vormen haar lippen ja. “Fijn.” Zegt Marc, dan verlaten hij en Hans de kamer. Rewno vraagt of hij een mindmeld mag doen zodat ze niet hoeft te praten. Weer vormt ze ja. Dan legt hij zijn hand op haar gezicht en zie ik ze beide vertrekken naar een andere wereld. Ik laat ze even alleen en ga even naar Marc en Hans. Ik loop de kamer uit maar zie ze niet zitten. Ook als de gang uitloop zijn ze er niet, dan bedenk ik dat ze wel vertrokken zijn. Wat hadden ze nog voor nut nu ze de informatie hadden die ze nodig hadden. Ik keer weer terug naar kamer 165, er gaan net 2 doktoren naar binnen. Ik loop achter ze aan, Rewno sluit net de mindmeld af. “Hoe gaat het?” vraag ik aan één van de twee doktoren. “Met haar gaat het goed, maar ze heeft ondertussen wel weer rust nodig. De twee agenten zijn al vertrokken, ik zag ze net beneden lopen. Het is ook voor jullie tijd om te gaan.” “Wanneer kan ze weer praten?” “Dat duurt nog wel even ben ik bang. Ze was er erg slecht aan toe toen ze hier kwam. Niet alleen lichamelijk maar ook geestelijk. Ze bleef ook maar doormompelen over Mikador. Wat ze precies zei weet ik niet, maar dat slaat toch nergens op.” Ik glimlach. “Mikador son of the legend of hell is haar paard. Ze heeft het al een tijd niet meer gezien. Daarom zal ze er wel om gevraagd hebben. Het gaat erg goed met hem en zeg maar tegen haar als ze weer wakker is dat hij ook iemand anders blij aan het maken is, een blind meisje, en dat ik goed op hem zal blijven letten. Ik ben Truywequ Yiepris trouwens. Ik ga achter in de kamer staan, Rewno vertrekt. De andere dokter vraagt of ik ook wil vertrekken en ik antwoord daar nee op, “Ik zou jullie graag bezig willen zien, ik zal hier achterin blijven staan.” De twee doktoren kijken even naar elkaar en beginnen daarna alle gegevens van Iris te controleren, ook vervangen ze wat zakjes. Na nog even overlegt te hebben zeggen ze te vertrekken en ik volg hen naar buiten. Daar staat Rewno te wachten, ik loop met hem mee. We gaan weer terug naar de auto, hij staat duidelijk te springen om mij iets te vertellen dus zetten we er een flinke looppas in.
Citaat:Eenmaal ingestapt en weer op de grote weg begint Rewno te vertellen over zijn gedachtenversmelting. “Het was heel vreemd. Even voelde ik weerstand maar al snel vertrok deze. We zaten in een meisjeskamer, Iris haar kamer vertelde ze. Ze is aan het twijfelen of ze wel weer terug naar haar gewone leven wilt, aangezien er zo veel veranderd is voor haar. Ik heb toen gevraagd of ze dit nader wilde verklaren. Ze liet mij beelden zien van de mishandeling bij de Razz, daarna de ontsnapping en toen weer de gevangenneming door Tivor. Elke keer voelde ik de emoties die zij voelde en merkte de gedachte die zij had erbij. Toen ik dit allemaal zag merkte ik pas echt hoe bijzonder ze is. Nadat ze alles had laten zien voelde ik dat ze weer gewoon vrijheid wil maar bang is dat haar pleegouders haar dat niet meer gaan geven aangezien ze zolang weg is geweest. Ze noemde het levenslang huisarrest. Dat wil ze niet maar ze wil ook wel weer terug om weer bij haar 2e vader en moeder te zijn. Wat logisch is natuurlijk, ondanks dat ze vrij wil blijven. Ze heeft dus gevraagd of we samen met haar pleegouders gaan praten als ze weer naar huis mag. Ook wil ze dat jij haar peetvader wordt, als jij dat tenminste wil. Ik heb gezegd dat we zeker willen praten en dat ik alles zal doorgeven. Daarbij heb ik vertelt dat Mikador het zeer goed heeft, hij sterkt echt aan. Daarbij glimlachte ze en vroeg of jij nog steeds voor hem zorgde. Ik heb dat maar bevestigt. Ze vroeg wat jij nu doet en ik heb maar gezegd dat jij je over wiskunde buigt. Ze vond je er wel een typ voor dus begreep het. Nou, ze heeft nog wel meer verteld maar dat was het zo’n beetje. Nog ergens specifieke vragen over?” Ik schud mijn hoofd. Ik raak even in gedachten verzonken aangezien ik terugdenk aan vannacht. Wat lijkt het lang geleden. Plots bedenk ik wat ik nog moest vragen, dat had ik bewaard voor dit moment. “Rewno?” “Ja?” “Zou ik bij jou mogen blijven wonen?” “Hoezo? Je gaat toch weer terug naar boven?” “Dit weet ik nog niet zeker, ik sta voor de keus om naar boven te gaan of mens te worden. Beide mogelijkheden bevallen mij niet zo.” Even kijkt Rewno me vreemd aan, dan trapt hij op de rem, er gebeurd een ongeluk voor onze neus. Er kruist een vrachtwagen de weg over, deze raakt twee auto’s waarbij één overreden wordt en nog vier auto’s knallen erboven op. Hij kantelt, achterop onze wagen klapt iemand anders. Het hele gebeuren heeft 3 seconden geduurd, met fatale gevolgen. Alles staat stil, snel spring ik de auto uit en ren naar de overreden wagen. Er is echter direct al te zien dat er niets meer aan te doen is, de vier inzittenden leven niet meer, op slag dood waren ze, zo aan de verwondingen te zien.
Terug in het muurhuis.
Arania en Rewno zitten aan tafel, stilzwijgend. We zijn naar huis gebracht door een politiewagen, onze auto lag in puin. Hij was klaar voor de vuilnishoop, net als vele anderen. Zeven doden, 16 kritieke gewonden waarvan een aantal uit de kettingbotsing kwamen die volgde. Nog eens 23 lichtgewonden, waarvan Rewno er een is. Hij heeft zijn pols zwaar gekneusd, waaraan hij veel pijn heeft. Arania is ontzettend geschrokken, ze was Rewno bijna weer kwijt. De ambulance was zeer snel ter plaatse en iedereen werd weggehouden van de auto’s. Politie zorgde zonodig voor vervoer, zodat er zo snel mogelijk zo min mogelijk mensen meer rondliepen. Rewno werd als één van de laatste geholpen, ik was ondertussen de kinderen aan het kalmeren van wie de ouders wel gewond of dood waren maar zij niet. Deze taak werd niet vervolgd toen ik weg moest, ze lieten hen vrijwel aan hun lot over. Ik snap de mensen weer minder. De kinderen moesten toch geholpen worden, maar blijven mocht ik niet. Ik besluit naar buiten te gaan, Mikador is in de buurt aan het grazen en komt aanlopen. Hij voelt dat ik van streek ben en komt maar langzaam dichterbij. “Het is niks met Iris hoor, met haar gaat het goed.” Zeg ik tegen hem, toch blijft hij aarzelen. “Ga maar gewoon verder grazen.” Dan loop ik verder de tuin in. Ik loop tot de kamer van Joost, en werk zijn tuintje bij. Heerlijk ontspannen wordt ik ervan, dat was dan ook wel nodig. Plots hoor ik iets, het komt uit Joost zijn kamer. Als ik dichterbij sluip en door het raam gluur, zie ik Arania. Even ben ik te verbijsterd om te reageren, dan ziet ze me en snel schiet ik weg. “Joost? Joost, ben jij dat?” roept ze, met ontzettend veel ongeloof in haar stem. “Joost? Wie dan ook antwoordt alstublieft!” Ik besluit tevoorschijn te komen. “Vanavond zal ik het uitleggen.” Zeg ik, daarna ren ik weg. Na enige tijd kom ik bij een meertje aan, aan de randen groeit lang riet. Met een harde slag van mijn zwaard snij ik een flink stuk riet af, dit ga ik vlechten totdat het een mand is. Na enige tijd is er ook een deksel bij, dan vertrek ik naar de grotten achterin de tuin.
Als ik de grotten nader voel ik weer de grote verbintenis met de bovenwerelden. Het zal nog een lange tijd duren voordat ik Lord Podo Willowbottom, Alash en Saturnus weer zou zien, hoewel ik die laatste ook liever niet zie, zal het wel vreemd zijn. Ja, ik heb mijn beslissing genomen. Ik blijf en zal weer menselijk worden. Het weer klinkt vreemd in mijn oren maar het is het feitelijk wel. Ik zal de volwassen versie van Joost worden, zijn kinderlichaam zal ik begraven. Om dit te doen heb ik de mand gemaakt, om hem zijn lichaam een laatste eer te bewijzen. Als ik naar binnen loop, zijn er ogen van boven op mij gericht. Voorzichtig leg ik de botten in de mand, de schede en het mes doe ik bij mijzelf om. Dan neem ik ze mee naar een plaats dicht bij huis, maar begraaf ze nog niet. Daar mag Arania over beslissen, voor mij zijn het toch voornamelijk nog een stapel botten, een lege huls. Ik zet de mand bij een kleine beek, dan ga ik naar het muurhuis toe.
Arania zit al aan tafel te wachten, Rewno is er niet maar aangezien ik zacht gesnurk hoor, verwacht ik dat hij op bed ligt. “Volg mij maar.” Is het enige dat ik hoef te zeggen, zwijgend gaan we naar de kleine beek. Daar aangekomen kniel ik bij de mand en haal langzaam de deksel eraf. “Dit zijn ze.” Arania trekt wit weg en snel sta ik op en voorkom dat ze omvalt. “Het is alleen het lichaam, de geest van hem ben ik. Het zijn mijn verdwenen jaren, steeds krijg ik flashbacks van hem terug. Ik zal hem worden, menselijk zelfs. Hij heeft het zo gewild, echt.” Langzaam zakt ze door haar knieën, ze pakt de schedel en drukt hem tegen haar lichaam aan. “Wat wil je dat er mee gebeurd?” vraag ik na enige tijd, als ik denk dat het passend is. Ze kijkt op, diep in mijn ogen ziet ze de reflectie van Joost. “Ik zal de politie bellen en daarna laat ik hem begraven.” Dan legt ze de schedel terug en doet de deksel op de mand. Voorzichtig tilt ze de mand op en dan lopen we naar het muurhuis, “vanaf nu mag jij dit weer jouw huis en thuis noemen.” Fluistert ze bij de deur. Er beginnen tranen over haar wangen te lopen, met mijn vinger veeg ik ze weg en troostend aai ik haar over haar wang. Even leggen we onze voorhoofden tegen elkaar, ‘Dank je wel.’ Flitst er door mijn gedachten, ze knikt als onze hoofden weer op passende afstand zijn. Dan draait ze zich om, “Wel te rusten.” Zegt ze nog, dan gaat ze naar haar kamer. “Wel te rusten.” Antwoord ik als ik de trap op ga. Op de logeerkamer ontkleed ik mij en dan ga ik liggen. Al snel val ik in een diepe slaap, dan is Lord Podo Willowbottom er weer. “Je hebt je besluit genomen. Vanaf nu af aan ben je menselijk, je bent 36 jaar. Geboren op dinsdag 6 januari 1970, je houdt de volledige naam Truywequ Yiepris op je paspoort. Veel succes.” Dan verdwijnt de bovenwereld, contact maken is niet meer mogelijk.
Citaat:“Ai, ik ben roze!”
Langzaam word ik wakker, mijn hoofd is stiller dan normaal. De zon is net aan de horizon, maar straalt al flink wat licht uit. Als ik zo een half uurtje gelegen heb is de zon al een flink stuk hoger, daarom besluit ik uit bed te komen. Als ik het deken van mij af sla, sta ik toch even te kijken. “Ai, ik ben roze!” glipt er uit mijn mond. Ik wist dat het zo zou zijn maar nu het echt zo is, is het toch even slikken. Ik besluit me aan te kleden en daarna naar de studeerkamer te gaan, weer aan mijn wiskunde. Ach, het lukt steeds beter. Als ik hoofdstuk 6 af besluit ik een ander ding te gaan doen. Na even rondkijken tussen de boeken, denk ik aan het boek dat al eerder mijn aandacht heeft getrokken. De bijbel, ondertussen heb ik al begrepen dat het voor sommigen als een heilig boek wordt omschreven, daarom ga ik er met extra veel respect mee om. Ik begin te lezen en al snel ben ik erin vertrokken, ik schrik pas op wanneer de deur open gaat. “Trooi, we gaan eten… Wat zie jij eruit!?!”, het was Arania. Ik kijk haar maar met een semi-beledigde blik aan, “Tja, dat noemen ze menselijk blijkbaar.” Ze glimlacht en wenkt me. Dan gaan we samen naar beneden.
Als Rewno me ziet schiet hij in de lach, “We gaan vandaag nog naar de kapper.” Grapt hij, maar ik schut heftig nee. “Doe niet zo flauw, ik knip gewoon de puntjes bij en dan doet hij het in een staart. Dat is goed genoeg.” Beschermt Arania mij, “Is ook best, zolang hij maar niet zo blijft rondlopen.” Rewno heeft echt flink wat lol om mijn haar. Misschien had ik in de spiegel moeten kijken, dan had ik er zelf ook wel om gelachen, maar nu snap ik het niet helemaal. “Weet je eigenlijk wel waar we het over hebben? Wacht maar, ik pak even een spiegel.” Het was alsof ze mijn gedachten gelezen had. Na enige ogenblikken komt ze terug, inclusief borstel en schaar. “Dat gebruiken we straks pas, eerst even jou jouw haar laten zien en daarna eten.” Mijn haar ziet er vreselijk uit, het is tot halverwege mijn middel, kastanjebruin en vanaf mijn schouders erg onverzorgd. Rustig eten we, maar daarna ben ik de pineut. Het gaat er tot mijn schouders af en daarna doet ze er een staart in. Uiteindelijk ziet het er heel aardig uit, maar vreemd is het wel. Ik heb zo’n 185 jaar geen haar gehad. Daarvoor was het 10 jaar grijs en voor dat was het de kleur van geel zand. Ik krijg van Rewno een zwarte broek en een zwart shirt met lange mouwen. “We gaan naar het politiebureau.” Zegt hij, direct weet ik dat we Joost zijn botten gaan wegbrengen.
Arania trekt steeds witter weg en ik ben blij dat Rewno de auto bestuurt. Na een korte tijd zijn we bij het bureau aangekomen en ik draag de mand naar binnen, Arania en Rewno lopen voor mij. “Wacht hier maar even.” Zegt hij tegen Arania bij een stoel. Ik ga naast haar staan en knik naar hem. Dan loopt hij naar het loket, wat ze precies zeggen kan ik niet verstaan maar de mond van de agente die naar hem luistert zakt steeds verder open, haar ogen kijken steeds meer mijn kant op. Dan loopt ze weg, na enkele minuten komt ze terug. Ze heeft twee mannen meegenomen en ze vragen ons mee naar achter te gaan. Arania is flink bleek maar door de verwarde situatie die er nu ontstaan is lijkt niemand het op te merken. Als we bijna bij de deur zijn gaat het echter mis, snel zet ik de mand neer en vang haar op. Ze is flauw gevallen.
Langzaam doet ze haar ogen open, aan haar gezicht zie ik dat ze niet weet waar ze is. “Je bent op de EHBO-kamer van het politiebureau, je was flauw gevallen. Doe maar even rustig aan.” “De botten?” “Die zijn ze aan het onderzoeken, Rewno is erbij. Ze knikt en probeert langzaam rechtop te zitten, na enige pogingen lukt dit. “Hoe lang denken ze dat het onderzoek gaat duren?” “Vier weken zeiden ze, maar zeker weten doen ze het niet.” Ze knikt, dan klimt ze van de onderzoekstafel af en blijft er nog even tegen leunen, even trekt ze bleek weg maar al snel komt de kleur weer terug. “Zullen we gaan?” Ik knik, rustig lopen we naar het laboratorium. Rewno is geïnteresseerd aan het kijken wat ze doen enz. maar alsnog roep ik hem en dan gaan we naar huis.
We kunnen lekker buiten zitten want het is warm, Arania geniet van de zon en ik ben een beetje met Mik aan het klieren. Ik heb de hoeven bijgewerkt en hem uitgebreid gepoetst en nu zijn we gewoon een beetje aan het spelen. De brievenbus kleppert en Rewno besluit te kijken wat er gebracht is. Het blijkt de krant te zijn, maar wat er op de voorpagina staat, laat ons versteld staan. Hoe weten ze dat?
‘Iris Koning gevonden!
Na precies 45 dagen vermist te zijn is Iris Koning weer terecht. Ze ligt in het Hermunzen Ziekenhuis omdat ze erg verzwakt gevonden is, ondertussen knapt ze flink op maar wat ze had zal waarschijnlijk een raadsel blijven. Toen haar pleegouders het nieuws hoorden waren ze dolgelukkig. Dit waren vaders woorden: “Ik weet nauwelijks wat ik moet zeggen, aangezien er nergens ook maar enig teken van leven was had ik er al een zeer slecht gevoel bij. Het is namelijk niks voor haar om te vertrekken en niks meer van haar te laten horen.” De pleegouders zijn ondertussen al bij haar langs geweest en waarschijnlijk mag ze over tien dagen naar huis. Nu mag ze echter nog maar zeer weinig bezoek krijgen en dat wordt opgedeeld tussen haar pleegouders en vrienden van haar, die echter niemand kent.’
De rest van de dag zijn we er mee bezig, vandaag mogen namelijk haar pleegouders het uurtje bezoek gebruiken. Plots bedenk ik dat ik het tegen één persoon heb gezegd, de buurvrouw. Als ik aan Arania vraag of zij weet wat voor werk die vrouw doet, zegt ze: “Die zit in dat wereldje, hoezo?” Dan zeg ik wat ik haar heb verteld. “Dan weten we nu hoe de krant aan die informatie komt. Melissa, zo heet de buurvrouw, is dan nog aardig geweest. Normaal zou ze ons er al lang met naam en toenaam in hebben gezet. Wat ben ik blij dat ze dat niet heeft gezegd, het zou een ramp zijn.” Dan gaat de telefoon, Rewno neemt op en zijn gezicht wordt bleek. “We komen eraan…”
Bijna zijn we bij het ziekenhuis, de toestand van Iris is zeer verslechterd, ze heeft meerdere malen een hartaanval gekregen. Wanneer we aankomen is het verdacht stil, er is geen wind, geen aan- en afrijdende ziekenwagens en ook de gangen zijn vrijwel leeg. Al snel zijn we bij haar kamer, haar pleegouders zijn binnen. We openen de deur en ik ga aan de andere kant van het bed staan. Voorzichtig aai ik haar over de wang. “Trooi?” zegt ze zachtjes, ze komt bij.
“Wat is er?”
“Zal jij voor Mikador blijven zorgen?”
“Je blijft leven, echt!”
“Één geven één nemen.”
“Heus, dat is niet zo.”
Dan begint ze te hoesten, er gaan lampjes knipperen en de vader drukt op een knop. Direct wordt het rumoerig op de gang. Er komt een dokter aangerent, het is echter al te laat, ik voel haar geest ontglippen. Nog even zie ik haar.
“Tot weerziens, ik zal je opzoeken.” Fluistert ze, dan verdwijnt ze.
