Wauw, ik heb echt trouwe fans Na het lange wachten, hier is (het begin van) Hoofdstuk 4!
Hoofdstuk 4 We hadden die avond nog lang gepraat. Eigenlijk alleen maar over mij. Hij hield zich op de achtergrond. Hij wilde geen informatie over zichzelf kwijt. Ik wilde zo graag alles over hem weten, maar ik sloot er vrede mee. Hij wilde nu ten minste met mij praten! De volgende dag waren veel vluchtelingen al vertrokken. Op weg naar hun huis. Thuis… Wat verlangde ik ernaar. De pijn van mijn moeders hard doorboorde mijn ziel. Ik was haar dochter! Haar enige dochter! Weg… ver van huis en in haar ogen waarschijnlijk allang dood. Mijn broers… wat zullen die denken? Ik slenterde door het tentenkamp. Veel tenten werden al afgebroken. Paarden werden klaargemaakt voor een lange rit. We zouden snel vertrekken. Op een afstand zag ik Jayden met een wat oudere man praten. Hij keek wat ernstig, knikte en liep toen weg, richting mij. Ik wilde niet te opdringerig zijn en daarom vroeg ik er niet naar. ‘Weet je het zeker?’ vroeg hij aan mij. Ik keek hem aan en zei: ‘Ja.’ Hij zuchtte even en glimlachte toen kort. ‘Het wordt gevaarlijk,’ ging hij verder. Hij probeerde mij op elke manier van mijn keuze af te brengen. Ik besloot er niet op te reageren. ‘Wanneer vertrekken we?’ vroeg ik toen, als bevestiging naar hem. ‘Vanavond,’ antwoordde hij.
Ik wist dat de kans heel klein was, maar ergens had ik gehoopt dat ik meer tijd had. Tijd om nog even langs huis te gaan. Om te laten weten dat alles goed met mij was. Dat ik nog leefde en ik ging strijden voor ons land, onze veiligheid, voor vader… Maar het was niet anders. Vanavond zouden we vertrekken. Waarheen eigenlijk? Hoe moesten we iemand vinden zonder te weten waar diegene zich bevond? Was dit het begin van een eindeloze zoektocht?
De avond brak aan en er kwam een koele wind opzetten vanuit het oosten. Jayden kwam naar mij toegelopen. ‘Je moet bewapend zijn,’ zei hij en reikte mij een klein, vrij kort mes aan. Ik pakte het aan en stak hem door mijn riem heen. Vervolgens hield hij een pijl en boog voor mij. ‘Kan je hiermee overweg?’ Ik knikte. Hij moest een weten. Ik kon al boogschieten toen ik acht was. Mijn vader had het mij geleerd. Ik kon een lopend konijn neerschieten vanaf honderd meter afstand. Ik bond hem achter op mijn rug. Ik volgde Jayden geluidloos. Hij wees een paard voor mij aan. Een zwarte koele hengst. Ik klopte het dier op de hals. Jayden liet mij alleen. Iedereen was vrij stil. Elk takje dat kraakte kon je horen. Niet veel later kwam Jayden op een donkerbruin paard aanlopen. ‘Opstijgen,’ riep hij nu luid. Alle ruiters klommen op hun paard. Ik ook. De hengst schraapte ongeduldig over de grond. ‘We rijden met tweetallen naast elkaar, stapvoets,’ riep hij nu. Hij wenkte naar mij. Ik kwam naast hem en met dat reden we het donkere bos in. Ik bleef zwijgzaam. Eenmaal toen ik meerdere ruiters achter mij hoorde praten trok ik ook mijn mond open. ‘Waar rijden we heen?’ vroeg ik aan Jayden. Hij keek opzij, zuchtte even en leek mijn vraag te negeren. ‘Dat doet er niet toe,’ antwoordde hij toen wat bot. Ik besloot mijn mond maar weer te houden. De rest van de rit veranderde er niet veel. Ik had geen woord meer gezegd. Ook tijdens het eten hield ik mij gedeisd. Toch kwam Jayden naast mij zitten bij het kampvuur. ‘We overnachten hier,’ zei hij toen plotseling. ‘Oké,’ zei ik enkel en nam een hap van mijn brood. Ik staarde naar het vuur en volgde de vonkjes die ervan af kwamen en naar de hemel reikte en dan plotseling verdwenen. Ik zag in mijn ooghoek dat hij naar mij keek. ‘Een heldere nacht. Dan gaat het koud worden,’ zei hij. Ik glimlachte kort en knikte instemmend. ‘We hebben genoeg beschutting,’ zei ik toen. Het bleef ongemakkelijk om met hem te praten. De ene keer deed hij zo vriendelijk en op het andere moment kwam hij bot uit de hoek. ‘We hebben extra deken mee, mocht je er een willen dan..,’ ‘Bedankt,’ antwoordde ik al voordat hij zijn zin kon afmaken. Er hing een ongemakkelijke sfeer. Ik wist zelf eigenlijk niet eens waarom ik zo bot tegen hem deed. ‘Sorry,’ zei ik er maar snel achteraan. ‘Het geeft niet,’ antwoordde hij daarop.
Het werd inderdaad een koude nacht, zoals hij voorspeld had. Ik kroop al vroeg mijn tent uit. Een dichte mist trok zigzaggend door de bomen en de zon kon maar moeilijk een opening vinden. ‘Goedemorgen,’ klonk er achter mij. Ik schrok me rot, want ik had niemand horen aankomen. Ik wendde me om en zag dat het Jayden was. ‘Goedemorgen,’ zei ik nu met een glimlach. ‘Ik had je niet horen aankomen.’ ‘Jij bent vroeg,’ zei hij. ‘Jij ook,’ zei ik er met een grijns achteraan. Hij lachte. Ik staarde voor mij uit. ‘Is het wel verstandig om te rijden in die mist? Dat kan nog wel eens gevaarlijk zijn…’ zei ik wat zacht om geen verkeerde indruk te maken. ‘Geen enkel probleem,’ zei hij overtuigend met een geïrriteerde zucht erachter aan. Met dat liep hij weg. Weer had hij zo’n rare stemmingswisseling. Ik begreep er echt niks van. Het maakte mij een beetje kwaad. Even wilde ik gewoon naar huis gaan. Naar mijn moeder en mijn broers. Maar toch werd ik ergens door aangetrokken. Of het Jayden was, of puur uit eigen belang kon ik nog niet plaatsen. Ik besloot het maar even achter wegen te laten en liep naar mijn paard. Ondertussen kwamen meerdere hun tent uit en begonnen alles op te ruimen. We zouden snel weer verder gaan. Terwijl ik mijn paard aan het klaarmaken was kwam er een jongen naast mij staan. Het was de hoefsmid die mij wegwijs had gemaakt in het kamp. ‘Wat is er?’ vroeg hij mij. Kennelijk was er op mijn gezicht een vorm van irritatie te zien. ‘Hij is gewoon zo.. zoo… ‘ ik kon niet op het woord komen. ‘Koppig?’ vulde hij aan. Ik knikte. ‘Je moet je het er niet van aantrekken. Zo is hij altijd geweest.’
De laatste zin bleef in mijn hoofd hangen. ‘Zo is hij altijd geweest…’ Ik had het idee dat er iets achter zat. Iets veel dieper. We reden – net als gister – twee aan twee door het mistige bos. Deze keer reed ik achter Jayden, naast de hoefsmid , waarvan ik zijn naam nog niet wist. Het beloofde weer een eindeloze tocht te worden, wat niks opleverde. Maar daarin had ik het behoorlijk mis… We reden in stap door het dichte bos. De mist trok nu zover dicht dat we nog geen vijf meter zicht hadden. Ik draaide me hoofd abrupt om toen ik een harde kreun hoorde en een van de ruiters met een harde klap op de grond terecht kwam en bewegingsloos bleef liggen. We werden aangevallen! Ik greep mijn pijl en boog van mijn rug en spande een pijl op mijn boog. Mijn ogen schoten alle kanten op, niet wetend waarheen ik moest richten. Er volgende nog meer pijlen onze richting op. De hoefsmid werd in zijn arm geraakt, terwijl een pijl vlak langs mijn oor schoot. De paarden begonnen wild rondjes te draaien en te steigeren. Ik schoot hier en daar pijlen de dichte mist in, in hoop een tegenstander te raken. Mijn plan werkte toen ik geschreeuw hoorde. Jayden riep het bevel om te vluchten. We moesten die dichte mist uit zien te komen. In een denderende galop reden we het onbekende in. Niet wetend wat er op ons pad te verwachten was. Achter klonk het gevecht nog. Sommige van onze mensen konden niet ontvluchten. Zij waren door het lot genomen…
Laatst bijgewerkt door jesss_amigo op 30-05-13 14:14, in het totaal 1 keer bewerkt
Verslagen stapten we een tijd later van ons paard af. Bijna de helft van de groep waren verloren geraakt aan de strijd. Verschillende emoties speelden een gevecht in mijn lichaam. Een groot gevoel van verlorenheid en machteloosheid, maar ook een sterk deel van kwaadheid. Ik was zo ongelooflijk boos. Ik had hem gewaarschuwd! Ik zei dat we niet moesten rijden! Maar die eikel weigerde naar mij te luisteren en deed gewoon lekker wat hij zelf wilde. Ik streek met mijn hand over mijn hoofd en ijsbeerde wat heen en weer. Enkele ruiters waren gewond, maar gelukkig wel ontvlucht. De heler probeerde de wonden te behandelen met de weinige spullen die ze tot haar beschikking had. Ik zag Jayden wat verderop staan te praten met zijn ‘adviseurs’. Ik kon net aan horen wat ze zeiden. ‘We moeten voortzetten,’ zei een van zijn adviseurs. ‘We kunnen niet langzamer reizen vanwege de gewonden… Die zullen hun eigen weg moeten volgen.’ Mijn handen begonnen te trillen van woede. Ik stapte op Jayden af en duwde hem met twee handen achteruit. ‘Eikel!’ schreeuwde ik boos. ‘Hoe durf je!’ Een van zijn adviseurs greep mijn arm en trok mij achteruit. Maar de adrenaline gierde door mijn lichaam en ik trok mij los. Ik sloeg Jayden op zijn gezicht. Alle andere ruiters keken verbaasd onze kant uit. Jayden zei niks. ‘Zeg dan iets!’ schreeuwde ik hem toe. ‘Je durft niet de waarheid te zeggen hè! Je durft mij geen gelijk te geven!’ Weer greep de man mijn arm, dit keer steviger. Ik gaf weer een ruk. Ik kwam niet los en werd achteruit getrokken. Weg van Jayden. Weg van de groep. Ik hield mijn boze blik op hem gericht, totdat hij achter de bomen verdween. Ze bonden mijn handen bij elkaar met een grof en scherp touw. Ik verzette mij hevig. De adrenaline gierde nog steeds door mijn lichaam. Mijn ademhaling was zwaar en snel. Een van de mannen duwde mij tegen een boom en maakte het touw achter de boom vast. ‘Ga maar even afkoelen!’ bromde de man. Ik keek hem woedend aan. Hij keerde mij de rug toe en liep weg.
De zon verdween achter de bomen en het geluid van de vogels maakte plaats voor andere dierengeluiden. Een heldere maan verlichtte het duistere bos. Het geluid van brekende takken deed mij doen aanwakkeren. Een mannelijke gedaante kwam mij richting uit. Slank, maar toch gespierd. Mysterieus, maar toch zo bekend. Ik keek hem recht in zijn blauwe ogen aan. Hoewel ik vond dat ik tamelijk kalm was,voelde het alsof mijn hart uit mijn borstkas bonkte. Hij hurkte, zodat we op gelijke ooghoogte kwamen. Zijn hoofd was nog geen twintig centimeter van mij verwijderd. Ik keek hem diep in de ogen, opzoek naar iets, maar ik wist niet wat. Plotseling legde hij zijn koude hand in mijn nek. Kippenvel stond over mijn hele rug. Zijn warme lippen baande een weg in mijn nek. Ik sloot mijn ogen. Mijn hart sloeg op hol. Mijn hoofd raakte van de ban. Zijn lippen kwamen op de mijne. Enige tijd leek de tijd stil te staan. Zaten we niet meer in het donkere bos en zat ik niet vastgebonden. Alleen hij en ik, op een plek die onbeschrijfelijk mooi was. Ik wilde dat dit moment voor eeuwig zo duren, maar het stopte zo abrupt. Ik keek hem verward aan. Hij maakte mij los en liep toen alsof er niks gebeurd was weg. Ik volgde zwijgend. Het was een grote chaos in mijn hoofd. Wat had dit weer te betekenen? Wilde hij hiermee goed maken wat hij vandaag fout had gedaan? Of had deze kus een andere betekenis?
De meesten waren al gaan slapen. Alleen de ’hoge raad’ zat nog rondom het kampvuur. Ze keken mij even kort aan. Ze leken niet meer boos. Integendeel zelfs, ze glimlachte naar mij. Jayden ging zitten. Ik twijfelde wat ik zou doen, maar besloot toch naar mijn tent te gaan. Niemand zei wat, niemand volgde. Ik plofte neer om mijn bed, mijn ogen naar boven gericht. Ik probeerde alles op een rijtje te zetten van wat er die dag was gebeurd. De mist.. De aanval. Ik kon het beeld van de doden nog steeds niet uit mijn geheugen krijgen. Mijn uitval tegen Jayden. En dan vooral zijn kalmheid. Geen enkele verandering in zijn blik toen ik hem sloeg, niks! En dan opeens die zoen… Ik kon het allemaal niet plaatsen. Toen ik de volgende ochtend mijn tent verliet was ik nog steeds niet wijzer geworden. Ik had bijna geen oog dicht gedaan die nacht. Ik probeerde mijn hoofd leeg te maken om te kunnen slapen, maar tevergeefs. Toen ik buiten liep en Jayden zag, ontweek ik hem. Hij leek het gelukkig niet door te hebben. Ik hield hem zo nauwlettend in de gaten, dat ik niet voor me keek en tegen de hoefsmid - waarvan ik had gehoord dat zijn naam Andros was- aanliep. ‘Sorry,’ zei ik blozend. ’Geeft niet,’ antwoordde hij. Zijn arm zat in het verband, hij was geraakt door een van de pijlen, die tevens bijna mijn hoofd had geraakt. ‘Hoe gaat het nu met je?’ vroeg ik daarom. ‘Prima,’ antwoordde hij vlug. ‘Maar dat kan ik beter aan jou vragen, of niet?’ Ik schrok even van de vraag. ‘Hoezo?’ ‘Na ja, uhm, ik bedoel, na wat er gister is gebeurd…’ antwoordde hij op mijn vraag. Mijn ogen richtten zich naar de grond. ‘Ach, ik was gewoon een beetje boos,’ antwoordde ik wat luchtig. ‘Een beetje?Je sloeg hem in zijn gezicht!’ Ik voelde mijn wangen warm worden en was er van overtuigd dat ik een knalrood hoofd had. ‘Hij verdiende het,’ zei ik toen met een duidelijke stem. Andros keek mij met opgetrokken wenkbrauw aan. ‘Hij wil jullie hier achter laten,’ begon ik mij toen te verdedigen. ‘Dat zou hij nooit doen!’ begon Andros toen wat ontdaan. ‘Hij en zijn adviseurs zijn van plan verder te reizen zonder gewonden. Daar hoor jij dus ook bij,’ vervolgde ik mijn argument. Andros keek mij vragend aan. ‘Waarom zou hij dat doen? Bovendien kan hij niet eens zonder mij! Ik ben de beste hoefsmid aller tijden!’ ‘Misschien maakt hij voor jou dan wel een uitzondering, maar voor de rest niet. Hij wil tijd winnen. Gewonden hebben verzorging en rust nodig. Die tijd heeft hij niet. Hij wil kosten wat het kost verder gaan. Ik was het hier totaal niet mee eens, daarom werd ik zo boos. Ik kwam voor jullie op, snap je!?’ Hij drukte zijn vingers op zijn slapen en peinsde over mijn verhaal.’Oké ik geloof je. Maar waarom wil hij extra tijd? We zijn nu al weken onderweg, maar nog geen stap verder. Wat verwacht hij te vinden?’ Ik haalde mijn schouders op en zei: ‘Ik snap niks van die jongen.’