Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek




Citaat:Ik had de tijd niet gehad om goed om mij heen te kijken toen meneer John en Richard mij naar mijn nederige onderkomen hadden gesleept, maar aan de zijde van Valeer had ik tijd genoeg. Hoewel, hij liep niet echt aan mijn zijde, hij was zelfs helemaal niet aan mijn zijde te bekennen. Hij wachtte af en toe op me, liet me geen moment uit het oog, maar zweefde geruisloos door de gangen; greep hier en daar een buis, hing ondersteboven aan een losse kabel. Vanaf het moment dat we mijn kamer verlieten tot aan het moment dat we weer beneden aan de trap stonden, zette hij geen poot aan de grond. Al snel waren we verwikkeld in een goed bedoeld spelletje, hij vloog voor me uit, en elke keer als ik de kans kreeg glipte ik een kamer binnen, of een oude gang, verstopte ik me achter een lege archievenkast of zette een sprintje in. Eerst puur alleen omdat ik even wat frustratie kwijt moest over het feit dat ze me hadden opgesloten, maar naarmate hij me steeds vaker vond en nadat ik soms de meest belachelijke plekken vond om me te verstoppen werd het al gauw niets meer dan verstoppertje spelen. En hij vond me elke keer.
“Ik snap het niet. In mijn kamer legde je uit dat je nagenoeg blind bent,” Ik kroop uit de lege bezemkast waar de deur half uit zijn voegen hing. Spinnenwebben plakten aan mijn elleboog, en ik zag er uit alsof ik door een meter dikke stoflaag was gekropen. Ik was tegelijk verbaasd en geïrriteerd, en kon het niet helpen een beetje verongelijkt te kijken toen hij zo triomfantelijk grijnsde, ondersteboven aan het plafond. De meester padvinder. “Toch vind je me elke keer weer!” Ik sloeg het laatste beetje stof van mijn sweater en sloeg mijn armen over elkaar, eiste met mijn blik alleen een antwoord. “Hoe doe je dat?”
Hij bleef grijzen, veilig uit mijn bereik. Hij keek ongelooflijk tevreden en glunderde zowat van plezier. Ik vroeg me af of hij ooit in de kerk waar hij in was opgegroeid, ook verstoppertje had gespeeld. Hij leek er in ieder geval niet om te springen om zijn geheim te verklappen.
“Valéér!” In mijn ooghoek ving ik een glimp op van een stoffer die zijn armzalie bestaan voortzette in het stof, en vroeg me af of het wreed zou zijn als ik het ding naar het hoofd van Valeer zou gooien. Hij volgde mijn blik, maar zijn grijns werd alleen maar breder.
“Goed, goed!” Hij verplaatste zich even zodat ik meer moeite zou krijgen om raak te gooien met mijn nieuwe wapen, en keek me van achter de balk aan. “Ik kan je horen.”
Ongeloof stond duidelijk op mijn gezicht te lezen. “Horen? Ik zeg geen boe of bah als je langs komt, ik hou zelfs mijn adem in!”
“Ja, dat weet ik.” Hij flapte mijn zijn oren, een heel stom gezicht wat me meteen liet grijnzen, wat waarschijnlijk ook zijn bedoeling was. “Maar je hart stopt niet met kloppen.”
“Mijn hárt? Je hoort mijn hart kloppen.”
“Inderdaad. Jouw hart. Imogans hart. Mairi’s hart. Ieders hart eigenlijk.”
Ik snoof. “Dus dit hele verstoppertje spelen had eigenlijk helemaal geen zin?” Die Imogan had zonder twijfel zijn beste bodyguard ingezet.
“Nee,” Hij keek me verontschuldigend aan, hoewel hij een twinkeling in zijn ogen niet kon verbergen. “Maar ik vond het gewoon leuk.”
“Leuk…” Ik gooide mopperend de stoffer terug in het hoekje waar ik het gevonden had en stapte uit de rotzooi waaronder ik me verborgen had. “Ik noem het vals spelen.”
“Het is niet meer dan een natuurlijk bijkomstigheid.” Wierp Valeer tegen. “Ik kan van alles horen, jij kunt een theekopje vasthouden.”
Ik snoof nogmaals, meer omdat ik m een beetje in de maling genomen voelde dan om het feit dat ik het oneerlijk vond dat hij zulke oren had en ik niet. Persoonlijk moest ik er niet aan denken.
“Waar is de kamer van die Imogan?”
“Imogan’s kantoor is de laatste kamer helemaal bovenin de fabriekstoren.”
“En waarom gaan we dan helemaal naar beneden?”
Valeer zweefde langs me heen, naar het volgende put waar hij zich aan vast greep voordat hij antwoordde. “Hij komt je wel halen als hij tijd heeft.”
“Oh.” Ik moest opeens denken aan mijn huisarts, aan de wachtkamer en de nervositeit die je altijd voelde als je op de beste man moest wachten, al was het alleen maar om een wratje weg te halen. “Wat gaan we dan beneden doen?”
“Ik dacht dat je misschien wel wat wilde drinken.” Mijn speekselklieren in mijn mond gingen spontaan een eigen leven leiden toen hij het magische woord drinken zei. Ik had niet eens doorgehad hoe dorstig ik eigenlijk was geweest in mijn eenzame opsluiting. “Misschien dat je wel tv wilde kijken ofzo…”
Hij bracht het casual, maar het was voor mij duidelijk dat hij me uit mijn eenzame opsluiting had willen halen. Ik voelde dan ook een golf van dankbaarheid naar de vreemde vleermuisjongen toe, dat hij de moeite had genomen naar me toe te komen terwijl niemand anders daar aan gedacht had.
Hij bracht me terug naar het trappenhuis, en gleed geluidslood door de lucht naar beneden. Ik volgde hem zo snel als ik kon, hoewel ik mijn benen bijna brak over de bouwvallige staat waarin de trap verkeerde. Het was haast ongelooflijk dat iemand nog de trap op durfden, meer dan eens keek ik recht naar beneden door een gat waar een kind doorheen had gepast. Valeer leek er niet van onder de indruk, hij hoefde immers de trap niet af te lopen, maar ik voelde me helemaal niet zo fijn terwijl ik trap na trap af ging. Ik kon de zucht van verlichting toen ik weer voet zette op de zwart witte tegels van de hal dan ook niet inhouden toen ik mij weer veilig waande. Valeer merkte het natuurlijk op, een zucht was waarschijnlijk een storm voor zijn oren als een hart al zo luid als een drum klonk, maar hij liet mij in mijn waarde door niets te zeggen. Hij knikte alleen maar in de richting waar hij heen wilde gaan. Ik volgde hem, uiteraard, maar heel wat minder zeker toen ik het geluid van kletterende pannen horen die met geweld op de grond werden gesmeten, en een ijzingwekkend rauwe stem die boven het kabaal uit kwam in een taal die mijn moderne oren niet gewend waren.
“Valeer, waar gaan we heen?” Het kwam er angstiger uit dan ik had gewild, en Valeer keek dan ook verbaasd om. Hij snapte waarschijnlijk niet waar ik mij druk over maakte, wat betekende dat de geluiden waarschijnlijk normaal waren, maar ik kon niet helpen een beetje nerveus te worden bij het idee getuige te zijn van het begin van de derde wereldoorlog.
“Naar de keuken, hoezo?”
“Weet je zeker dat het daar veilig is?”
“Heel zeker,” Hij haakte zijn kauwen weer om een balk en kwam met een sierlijke zwaai achterover voor mijn neus te hangen. “Wat je hoort is alleen Mairi die kookt.”
“Mairi? Die kleine heks die me wilde villen?” Valeer rolde met mijn ogen, vond blijkbaar dat ik overdreef, maar ik kon die blik in die kleine bruine oogjes nog zeer goed voor de geest halen.
“Ze wilde je niet villen, ze is alleen een beetje… beschermend.”
“Iets zegt me dat het niet mij is die ze wilde beschermen.”
“Ze draait wel bij, ze moet je alleen wat beter leren kennen.” Draait wel bij. Beter leren kennen. De realiteit dat ik een gevangene was drong zich meteen weer bij me op Ze zou tijd zat krijgen om mij beter te leren kennen, zelfs als ik dat niet wilde. Wat ik ook niet wilde. Ik zou haar met liefde mijn levensverhaal nog vertellen als dat zou betekenen dat ik dezelfde nacht nog naar huis mocht gaan.
Valeer legde zijn vleugel op zijn hart, een beetje een grappig gebaar aangezien hij ondersteboven aan het plafond hing. “Ik beloof je dat je niks zal overkomen in de keuken.”
Ik vernauwde mijn ogen tot spleetjes, half voor de gein, half gemeend terwijl ik zei; “Je brengt me toevallig wel naar de plek waar de meeste wapens liggen. Hoe weet ik dat jullie me stiekem toch niet in stukjes willen hakken om mensenvlees bij jullie stoofpot te doen?”
Ik had spijt van mijn ietwat botte grapje toen ik de geschokte blik in Valeer’s ogen zag. “grapje.” Ik rolde met mijn ogen en liep hem voorbij, regelrecht naar het lawaai dat alleen maar luider werd naarmate we dichterbij kwamen. “Leid me maar voor naar het gerechtshof, ik volg wel.”
Er werd geen oorlog gevoerd, kwam ik achter toen we uiteindelijk de keuken in liepen. Tenminste, ik liep, Valeer vloog naar binnen en haakte zich ondersteboven vast aan de buis die naar een gigantische boiler leidde. De kleine keukenheks was niemand aan het vermoorden, en ik zag ook nergens legers. Tenzij je de gigantische stapels borden, lepels, vorken en pannen meetelde die één kant van de keuken volledig in beslag nam. De kleine heks was ook tegen niemand in het bijzonder aan het schreeuwen, ze was aan het afwassen.
Zelfs dat was ze niet. Ze raakte de potten en pannen met geen enkele van haar vier handen aan; ze vlogen op magische wijze door de lucht naar de gigantische koperen bak die in een hoek stond te koken. Op haar aanwijzingen, niet meer dan loeihard geschreeuw omdat ze anders niet boven het geluid van kletterende potten en pannen kon komen, plonsden de borden, het bestek en al het andere wat tijdens een gigantisch maal was gebruik in de gigantische afwas bak. Ik moest een vliegende pan ontwijken, werd bijna gespietst door een vieze vork, en snapte meteen waarom Valeer zijn toevlucht had gekozen boven de boiler; daar was hij redelijk veilig. Hij wenkte me om naar hem toe te komen, en met een operatie die James Bond niet had misstaan wist ik de vliegende afwas te ontwijken en de mijzelf veilig naar de andere kant van de keuken te brengen. Veilig in de buurt van Valeer.
“Er bestaat zoiets als een afwasmachine tegenwoordig.” Liet ik hem weten terwijl ik met ontzag naar de enorme vaat keek.
“Mairi geloofd niet in vaatwasmachines. Ze zegt dat dit sneller gaat.” De ponnen werden ondergedompeld in de grote koperen bak waar het schuim zowat over de rand liep Zeepbelletjes zweefden door de lucht, ontsnapten het geweld van de afwasborstels die de grote pan meteen te lijf gingen, zonder een hand aan de steel om ze te sturen. Ze maakten helemaal uit zichzelf pan na pan schoon, waarna de pannen uit zichzelf naar het volgende traject zweefden; een heel leger aan vaatdoeken die de vaat razendsnel afdroogden en zichzelf aflosten wanneer ze te nat werden. De vaat werd gewassen, afgedroogd, n vervolgden toen zelf hun weg naar de rijden na rijden planken die aan de hoge muur waren bevestigd. Elk bordje had zijn eigen plekje, en vond het moeiteloos terwijl stapel na stapel zich vormde en uiteindelijk bevroren op de planken die overduidelijk voor dat doel waren opgehangen. Sneller dan een militaire exercitie verzamelde de hele vaat zich daar, schoon en glanzend, totdat ze bevroren en niets meer werden dan doodnormale potten en pannen. Geduldige gebruiksvoorwerpen die rustig zouden wachten totdat ze weer van de plank mochten vliegen en hun werk weer mochten doen. Ik keek mijn ogen uit.
De spil achter de hele onderneming was inderdaad de kleine heks, die in het midden van de enorme keuken stond te krijsen en te schreeuwen als een viswijf. Haar vier armpjes wezen alle kanten op, spoorden de vaatdoeken aan, regelde het vuur onder de gigantische koperen afwasbak, en hield de houten pollepel omhoog alsof het haar toverstafje was.
Het was ook haar toverstafje. Die gedachte was bijna absurd in zijn eenvoud, maar het simpele voorwerp was dé reden waarom de vaat zichzelf afwaste. De pollepel was de sleutel, en de kleine heks de pols die de sleutel omdraaide.
Het was absurd. Het was niet normaal. Het was niet van deze wereld en niet menselijk, en Valeer leek in zijn nopjes om mijn stomme verbazing.
“Ze is over tien minuten wel klaar.”
“Tien minuten!?” Ik keek naar de gigantische stapel die maar nauwelijks kleiner leek te worden, en kon me eigenlijk niet voorstellen dat zelfs met de magie die de kleine heks zo goed onder de knie leek te hebben, en zelfs met de magische pollepel die ze vasthad dat ze binnen tien minuten klaar zou zijn. Eerlijk gezegd wilde ik ook niet dat ze snel klaar zou zijn. Want dat betekende dat ze mij aandacht zou schenken, hoogstwaarschijnlijk.
“Kunnen we niet wat te drinken gaan pakken?” Opperde ik een beetje wanhopig, niet blij met het vooruitzicht dat het kleine oude vrouwtje met de priemende bruine ogen nog een kanonnade op me af zou sturen.
“Zo meteen, we hebben wel glazen nodig.” Ik volgde zijn blik naar de vaat die nog gedaan moest worden. Het zag er naar uit at het glaswerk als laatste zou komen. Ik kreunde inwendig, en troostte mezelf met de gedachte dat als ik och maar kennis moest maken met die Mairi, dat het net zo goed tien minuten later kon gebeuren. Als ik inderdaad voor lange tijd zou blijven zou ik haar toch vaak genoeg tegen komen, of ik dat nou wilde of niet. Ik kon alleen maar hopen dat tegen de tijd dat de laatste pot of pan in het sop zou verdwijnen, ik niet zou volgen bij wijze van wraak. Ik keek een beetje angstig omhoog, naar Valeer. Ik was er redelijk zeker van dat hij me niet zomaar zu laten verdrinken, maar wat was een vleermuisjongen met broze botten versus een oude, gemene heks met een enorme pollepel?





soms missen er gewoon letters, zelfs al ram ik op het toetsenbord, en dan ben je zo blnd bezig dat je het daarna niet meer ziet. 

Afgelopen week was een beetje heel druk.

Citaat:Ze deed er uiteindelijk iets langer over dan tien minuten, maar nog steeds werd de vaat met een gigantische vaart weggewerkt. Ik had nog nooit van mijn leven zo’n verzameling aan borden en pannen gezien, zelfs niet toen ik in een chique restaurant een baantje als afwasser had gekregen.
Ik volgde de vliegende borden met ogen groot als schoteltjes, terwijl de ene na de andere vraag door mijn hoofd schoot.
“Valeer?” Hij keek naar beneden toen hij mijn stem boven het gerinkel van het bestek uit hoorde. Voor mij was het al een heidens kabaal, voor iemand die de hartslagen van ieder persoon binnen een radius van ik weet niet hoeveel kilometer kon horen moest het wel een hel zijn. Maar hij bleef er vrij koel onder. “Met hoe velen wonen jullie hier?”
“Poeh.” Hij volgde mijn blik naar de vele borden die langs vlogen, en keek alsof hij er zelf ook nooit aan had gedacht. “Veel.”
“Hoeveel?” Hij haalde zijn schouders op, ondersteboven, dus eigenlijk haalde hij zijn schouders af. Ik dacht even na over de omgekeerde wereld waar mijn nieuwbakken vriend in leefden, terwijl hij overduidelijk zijn best deed om een schatting te maken.
“Het loopt tegen de tweehonderd.” Besloot hij uiteindelijk.
De onvermijdelijke vraag kwam in me op toen hij dat verbazingwekkende aantal noemde, de bekende angst die mensen in horrorfilms ondervonden wanneer ze werden belaagd door gemuteerde spinnen of aliens uit de ruimte. Waren ze gevaarlijk? Waren er meer van dit soort plekken? Waarom verstopten ze zich voor de mensheid, waren ze een aanval aan het plannen? Konden ze de mensheid uitroeien als ze daar zin in hadden? Was hun bestaan echt een geheim, of kenden meer mensen deze plek; de ghostbusters misschien?
Ik denk dat mijn vragen praktisch van mijn gezicht afbrandde, want Valeer tikte me aan op mijn schouder om mijn aandacht te trekken en zei alleen maar; “Imogan legt het wel uit.”
Imogan, Imogan, Imogan. De naam die mijn leven scheen te beheersen of ik dat nu wilde of niet. Ik was volledig overgeleverd aan een man die niet eens een man was. Ik vertrok mokkend mijn gezicht.
Net toen de laatste potten en pannen hun plekje op de planken en in de kast vonden, en een donderende stilte over de keuken viel. Het was zo abrupt stil dat het haast leek of de stilte een klap in mijn gezicht gaf, en boven mij haalde Valeer opgelucht adem.
Eerlijk gezegd hadden mijn oren het afwasconcert ook niet echt gewaardeerd.
“Wie heb je meegenomen Valeer?”
Mijn ogen schoten naar de kleine heks die opeens tijd te over voor ons was, en probeerde haar zo onbevreesd mogelijk aan te kijken. Ze had een Schots accent, een zwaar Schots accent. Zo zwaar dat ik mij afvroeg waar ze haar tartan had gelaten. Het smoezelige katoenen bloesje dat ze droeg paste op de één of andere manier niet met het accent dat er zo dik bovenop lag.
“Imogan zei me dat hij Lena wilde spreken, dus heb ik haar opgehaald.” Voor een moment wilde ik dat Valeer gewoon op twee benen op de grond stond, en dat ik mij achter hem kon verstoppen toen de kleine heks naar me toe marcheerde met alle vier haar armpjes in haar zij. Maar Valeer bleef hangen waar hij hing en liet mij over aan de genadeloze blik die mij van mijn kruintje tot aan mijn tenen opnam. Ik voelde me vreemd naakt, terwijl ik al mijn kleren nog aan had. Bijna als een veulen die werd geveild op een prestigieuze veiling, mar toch niet veel op zou brengen.
“En je hebt haar niet even meegenomen om droge kleren voor haar te regelen?”
De zin was zo aardig en zo anders dan wat ik had verwacht dat mijn mond zowat open viel van verbazing. Boven mij voelde ik Valeer van links naar rechts schuiven, alleen door de zwaartekracht viel zijn kaak waarschijnlijk niet open, maar hij was ongetwijfeld net zo verbaasd als ik.
“Eh, nee. Ik heb haar de stoofpot gegeven die jij voor haar had bewaard.” Bracht hij op, maar wat voor mij als het toppunt van vriendelijkheid was geweest liet de heks alleen maar puffen van verontwaardiging.
“Je kan haar wel volstoppen met mijn lekkere warme stoofpot, maar als haar kleren zeiknat zijn maakt het nog niet veel uit…”
“Ze zijn vochtig…” Piepte ik tussen haar tirade door, terwijl ze nog dichterbij kwam en zelfs om mij heen cirkelde.
“Wat denk je Valeer, zal ze dezelfde maat hebben als Emily?”
“Eerder als Jill, ze is…” Zei hij meteen, en werd even spontaan weer even rood als een bied toen hij de rest van de zin niet over zijn lippen kon krijgen. Ik keek hem vreemd aan, en mijn plotselinge bondgenote had dezelfde blik in haar ogen. “Ze is wat r-ronder dan E-Emily.”
Ik vernauwde mijn ogen weer tot spleetjes, toen zijn woorden tot mij doordrongen. Dus meneer de vleermuis had mij grondig bestudeerd, in zoverre dat hij zelfs vastgesteld had dat mijn prachtige vrouwelijke vormen inderdaad rond waren, in vergelijking met de supermodellen die tegenwoordig rondliepen. Ik wist niet of ik een bord naar z’n kop moest gooien of me gevleid moest voelen door de aandacht die hij me overduidelijk had geschonken.
“Je hebt gelijk.” De ouwe taart was het met hem eens, en dat was waarschijnlijk zijn redding. Ze richte haar volle aandacht weer op mij. “Lena, he?”
“Inderdaad,” Ik kon het niet helpen een beetje behoedzaam te zijn. “Lena Stanson.”
“Mairi MacPhee.” Ik stak mijn rechterhand al uit maar bedacht me op het laatste moment dat ik niet wist welk van haar rechterhanden ik moest aanpakken. Ik werd gered door het feit dat zij zelf ook alle goede manieren aan haar laars lapten en mijn uitgestoken hand zo voorbij liep. Ik had beledigd moeten zijn, maar ik was eerder opgelucht. Ik betrapte mezelf erop dat ik haar rimpelige vreemde handen liever niet aanraakte. Uwe hooghartige rimpeligheid schonk mij ook geen aandacht meer, als haar lieflijkheid keerde zich naar Valeer.
“Nou, kom op. Je stelde zelf voor dat Jill dezelfde kledingmaat zou kunnen hebben, ga dan naar haar toe om te zien of ze nog wat voor haar heeft liggen!”
“Maar Imogan…”
“Houd ook niet van een natte vlek op zijn stoel, schiet op!” Als bij toverslag vond ze een bezem naast haar enorme fornuis, en begon geanimeerd met de borstelige kant naar boven Valeer van zijn veilige plekje te duwen. Hij sputterde wat tegen, schoof zo ver mogelijk van de duwende bezem vandaan en kromp ineen toen de bezem een gevoelig plekje tussen zijn benen raakte waardoor ik onwillekeurig ook een gezicht trok. Uiteindelijk koos mijn harige vriendje eieren voor zijn geld en vloog op, buiten het bereik van Mairi en haar kwaadaardige bezem. Hij roep nog iets dat hij zo terug zou zijn, maar liet mij toen alleen in de gigantische keuken, en de kleine rimpelige heks die tevreden de bezem terugzette waar ze ‘em gevonden had.
“Zo,” tevreden draaide ze zich naar mij om en zette opnieuw al haar vuistjes in haar zij. “En wat moeten we met jou?”
“Dat moet je mij niet vragen…” Sputterde ik meteen, terwijl ik langzaam naar de veiligheid van de vele tafels die kris kras door de keuken stonden liep. Ik zat neer op een stoel, die in niets leek op z’n buurman. In feite, het hele meubilair van de keuken zag eruit alsof het was samengesteld vanuit de catalogus van het meubeldepot. Geen enkele stoel of tafel was hetzelfde en geen enkele leek bij elkaar te horen. Het was een bijzonder sfeervol bijeengeraapt zooitje.
Ze zoals de honderden en honderden decoratieve dingetjes die aan de muren waren vastgespijkerd. Tegeltjes met wijze teksten, koekoeksklokjes, schilderijtjes, foto’s, ansichtkaarten van verre plaatsen, menukaarten. Alles wat ook maar enigszins interessant was om aan een muur te hangen hing er. Ik was even zo in beslag genomen door de diversiteit van de keukendecoraties dat ik het kleine wicht voor mij even vergat. Eén heerlijk klein momentje.
“En toch vraag ik het jou.” De kleine heks was me naar de tafel gevolgd en was boven op een kruk gaan staan, waardoor we nu meer of meer gelijkwaardig aan hoogte waren.
“Kun je koken?”
“Niet spectaculair…”
“Kun je wassen?”
“Mijn eigen wasjes kwamen er altijd prima uit.” Met een schok realiseerde ik me dat ze al een baantje binnen de fabriek voor me zicht. Koken, voor tweehonderd hongerige magen? Wassen? Hoeveel vuile kleding kon een geheime gemeenschap produceren? Ik zag de stapels al voor me, en trok een grimas; wat de heks waarschijnlijk opvatte als een nee.
“Schoonmaken?”
Ik keek geschokt om me heen. Schoonmaken kon ik wel. Ik had zelfs op het randje van smetvrees gezeten in mijn jongere jaren. Vandaar dat alle haren op mijn lichaam spontaan overeind gingen staan bij het idee dat ik hier zou gaan schoonmaken. Opeens leek ik elke spinnenweb te zien, elk klein stofdeeltje, de scheur in de muur, die ene tegel die niet zo vast meer lag… Ik denk dat Mairi de paniek in mijn gen zag, want ze mompelde een ‘misschien ook niet’ en liet het godzijdank vallen.
“Wat deed je dan om de kost te verdienen?”
Ik nam meteen de defensieve houding aan die ervaring mij geleerd had aan te nemen toen ze mij dat vroeg. Om de één of andere reden werd er altijd gigantisch neergekeken op freelance fotograven, en dat was prima en goed, maar ik was dat niet.
“Ik verdiende de kost met fotograferen.” Ongelukken, branden, modellen, huisdieren, alles was op de gevoelige plaat vastgelegd kon worden had de lens van mijn camera al gezin. Ik was de tel kwijtgeraakt van hoeveel keer ik de kleine, maar dure keffer van mijn buurvrouw al niet had vereeuwigd in de meest absurde pakjes. Natuurlijk had ik voordat ik alles wat los en vast was gaan fotograferen ook wel baantjes gehad. Mijn eerste maanden in Londen had ik doorgebracht als serveerster, toen als medewerker bij een kledingspeciaalzaak, later als ijsjesverkoopster in de Kensington Garden, maar niks had me kunnen boeien.
Tenminste, niet zoals fotograferen mij boeide. Ik zag de verwachtte onderschatting meteen al oplichten toen ik mijn ‘beroep’ kenbaar maakte, maar ook iets anders. Achterdocht, er scheen achterdocht in haar ogen.
“En je kwam de fabriek fotograferen?” Ik had blijkbaar een pijnlijk onderwerp aangesneden door het fotograferen op te brengen. Ik zuchtte, zakte een beetje mismoedig in elkaar maar besloot me niet zomaar te kennen te geven.
“Inderdaad, in opdracht.” Ik stak mijn kin in de lucht, daagde haar uit om te beweren dat ik hier op eigen initiatief was gekomen. Overduidelijk niet, aangezien ik niet kon wachten om weer te vertrekken. Maar ze liet enkel een ‘hmpf’ horen en zei er verder niks meer over, hoewel het duidelijk was dat ze het voor geen meter vertrouwde. Ik eerlijk gezegd ook niet meer. Had die tipgever geweten wat zich schuilhield in de fabriek, of was hij inderdaad enkel opgeschrikt door de geluiden die hij had gehoord, maar als het eerste het geval was; waarom had hij mij dan naar binnen gestuurd als hij had geweten dat ik er nooit meer uit zou komen?
Teveel vragen, te weinig antwoorden.

Citaat:Het werd al snel duidelijk dat Mairi, de heks, had gehoopt dat ik haar zou vertellen waarom ik naar de fabriek was gekomen toen ze Valeer de deur uit had gejaagd. Maar het werd haar al even snel duidelijk dat ze niks van mij te horen zou krijgen. Niet omdat ik haar niks wilde vertellen, voor mijn part mocht ze alles van me weten, maar simpelweg omdat niets te vertellen hád behalve hetgeen wat ik al te kennen had gegeven. Dat ik een anonieme tip had gekregen, omdat die man geluiden had gehoord en nee ik had niet geweten dat hier Anderen woonden.
Ze liet mij dan ook snel weer aan mijn lot over, en ik wist meteen waarom ze zo ‘aardig’ tegen mij had gedaan. Want één ding was duidelijk Mairi McPhee kon Mensen absoluut niet uitstaan. Zelfs niet als ze per ongeluk haar huis binnen struikelden en ook nog eens volkomen onschuldig waren.
Ze hobbelde al snel weer door de keuken, morrend over vaat die toch niet zo schoon was als ze had gehoopt, dat het veel makkelijker voor haar zou zijn als ze iemand had die haar zou helpen. Het laatste mompelde ze met een kwaadaardige blik op mij.
Ik probeerde het maar te begeren, of het in iedergeval niet persoonlijk op te vatten. Ik hield me gewoon stil op mijn stoel en probeerde het feit te negeren dat er een spijker uit omhoog stak. Al gauw durfde ik me een beetje te ontspannen en om mij heen te kijken zonder dat ik continue mijn oog op Mairi gericht hield. Mijn oog werd al gauw naar de bonte muur getrokken, vol met trofeeen als die hing, en vroeg me heimellijk af waar sommige stukken vandaan waren gekomen. Ik doezelde net een beetje weg met mijn blik op het tegeltje 'Oost west thuis best' toen Mairi heel heimelijk haar pollepel weer oppakte en heel slinks mijn kant op schuifelde. Ik begon me net af te vragen waar Valeer was, en dat ik zijn gezelschap ondanks het feit dat hij er wat apart uitzag best kon waarderen, toen Mairi mij opeens bij mijn haar greep en mijn gezicht met een bons tegen het tafelblad duwde. Ik voelde de splinters in mijn wang boren terwijl het kleine wicht zich vervaarlijk over mij heen boog. De kleine dwerg van 70 cm, ze mocht dan wel vier handen hebben maar mijn geest was er onmiddelijk over eens dat ik oude vrouwtjes pulp van haar zou maken. Ik spande mijn spieren al om haar van een repliek te dienen, toen haar pollepel knetterend in mijn gezichtsveld werd geduwd. Ik verstijfde onmiddelijk terwijl ik mij vanzelfsprekend bedreigd voelde door de kleine knetters en glitters die uit het topje van de pollepel kwamen en zelfs van veraf gloeiend heet aanvoelde. Het wich kon ik wel aan, maar ze had een wapen bij zich.
"Luister goed, krengetje." Moet je horen wie het zegt, was het eerste wat mij te binnen schoot, maar ik hield me stil. Ze deed me denken aan de jongen uit de vierde klas die mij altijd tegen mijn schoolbank duwde en mijn lunchgeld opeiste, ondat de hele klas wist hoe rijk mijn ouders waren. Zodra ze mijn geld zou hebben zou ze weer ophouden. "Ik weet dat je het onschuldige meisje speelt en ik weet dat je Imogan helemaal om je pinkje wilt wikkelen, maar ik hoef maar een klein dingetje te zien wat mij niet bevalt, en je bent van mij." Haar pollepel sparkelde als antwoord op haar ingehouden woede. Ik rook uiensoep en wat anders ondefineerbaars, en hoopte dat ze snel die muil ergens anders op zou richten. "Is dat duidelijk?"
"Hartstikke." Ik klemde mijn kaken op elkaar en liet horen wat ze wilde horen, maar inwendig besloot ik dat ik die Imogan zou vertellen dat ik werd gepest door een zeventig centimeter hoge wandelende wrat. Ze liet me even snel weer los als ze me had vastgegrepen, maar niet zonder eerst nog even lekker mijn neus door het splinterige oppervlak van de ruwe tafel te wrijven. Als blikken konden doden had ze al drie keer in een graf gelegen toen ik weer met een ruk overeind ging zitte en haa met vuurspuwende ogen aankeek. Ze keek terug met een blik die niet voor de mjne onderdeed.
"Jullie mensen denken alles op te kunnen eisen wat geen eigenaar lijkt te hebben, maar ik zweer je; als de fabriek en zij die er in wonen ook maar iets over komt en jij blijkt verantwoordelijk dan zal ik je zoeken, en je vinden, en je zult de rest van je leven doorbrengen als de zwarte kat die je bent!"
Ik wilde haar het repliek geven dat katten negen levens hadden en dat ik haar zou volgen om haar bed onder te schijten, maar ik hield mijn lippen op elkaar en knikte alleen maar, kort. Ik had het begrepen, ik bevond me op haar speelveld dus zou ik spelen volgens haar regeltjes. Ook zweerde ik dat ik haar pollepel in twee zou breken en er op zou dansen zodra ze ook maar een stap in Londen zette, en alle vier aar armen uit de kom zou draaien zodra ik daar de kans toe kreeg.
Tevreden over het feit dat haar dreigement binnen was gekomen draaide ze zich op haar hakken om en slofte weg naar, in haar ogen, belangrijkere zaken. Ik hield de eer aan mezelf en bleef zitten waar ik zat, vastbesloten mij niet te kennen te geven en niet gillend de keuken uit te rennen. Als ik dan toch voor lange tijd hier zou vertoeven weigerde ik ook maar een duimbreed van mijn persoonlijke territorium in te leveren aan zo'n tirannieke heks. Dus ik plantte mijn ellebogen op de tafel, stak mijn kin in de lucht en bleef demonstratief naar de decoraties aan de muur staren. Ik was van plan elk klein detail in me op te nemen totdat Valeer terug kwam, alleen maar om haar een hak te zetten.
We deelden een paar momenten in stilzwijgen en wederzijds negeren totdat ons beide beleefdheidsgevoel ons parten speelden en zij uiteindelijk toch een kop thee voor me in schonk. Ik beaamde braaf dat het buiten inderdaad vreselijk weer was en bedankte haar voor de thee. zij knikte, bood me een koekje aan en vervolgde toen waar ze mee bezig was geweest; het rechtzetten van de bijna tweehonderd stoelen aan de vele tafels. Blijkbaar werd hier gezamelijk gegeten, iets waar ik niet echt naar uitkeek na mijn confrontatie met Mairi, maar het had wel iets gemoedelijks. Iets gezelligs.
Valeer liet uiteindelijk op zich wachten, tot het punt dat ik mee wilde doen met Mairi's gemopper waar die verdraaide jongen nou weer bleef. Hij kwam uiteindelijk aanwaaien, ik geloofde niet dat die uitdrukking ooit zo letterlijk op iemand toegepast kon worden, met een canvas zak in zijn ehh... voeten. Hij deponeerde het keurig op mijn tafel voordat hij doorvloog naar de pijp boven de boiler, blijkbaar zijn vaste plekje. Hij leek heel erg in zijn sas toen ik uit pure nieuwsgierigheid de tas open maakte om mijn blijkbaar nieuwe garderobe te keuren.
"Jill's zus had ook nog wat liggen, en toen kwam net haar tante binnen die wat miskopen had gedaan dus die had ook nog wat liggen," Ik haalde de ene sweater na de andere uit de zak. Ze hadden tenminste mijn smaak juist beoordeeld en ik voelde me vreemd gevleid toen er een spijkerbroek uit de zak kwam met de kaartjes er nog aan. Weliswaar een maatje te groot, maar met een riem zou dat niemand opvallen. Mairi volgde de hele liefdadigheid met een zuinige blik, alsof ze vond dat ik het ook wel zou overleven met een trui extra, waardoor ik de gulle gift alleen nog maar meer waardeerde. Valeer zag er uit alsof hij zou barsten van trots.
"Nou, kies wat uit en kleed je om, anders moet je alsnog druipend naar Imogan." Mopperde Mairi terwijl ik mijn hand over het fluweelachtige topje liet gaan dat als laatste de zak uit was gekomen. Ik keek naar Valeer, niet zeker of ik me hier wel om wilde kleden, of dat we misschien terug naar mijn kamer gingen maar Mairi kwam weer tussenbeid;
"Je kan je omkleden in de doucheruimte, vort!" Zowel Valeer's blik als de mijne schoten direct naar de bezem in de hoek terwijl ik haastig de kleren bijeen raapte die ik voor mijn ontmoeting met de Heer van de Fabriek aan wilde hebben. "Valeer wijst je de weg wel even."
Ik wilde iets van prima mompelen, maar ik werd zo uit de keuken geduwd met een enkele flikflak van haar pollepel. Het voelde aan als een vlaag wind, maar zo sterk dat het me pardoes van mijn voeten af trok zo de gang op. Ik kreeg er spontaan kippevel van, danig onder de indruk van mijn eerste ervaring met Mairi's pollepel; de magische zet tintelde zelfs na in mijn vingertoppen toen ik mij omdraaide om Valeer te volgen. Hij was er genadiger af gekomen, of misschien had hij het al aan zien komen, want hij hing al keurig ondersteboven aan het plafond toen mijn ogen hem zochten.
"Aardige vrouw hoor." Ik mokte en ik wist dondersgoed dat ik mokte, toen ik naar hem toe liep; schijnbaar mijn enige echte vriend in de hele Fabriek. Samen met Jill en haar tante natuurlijk, maa evengoed was dat op een populatie van bijna tweehonderd vrij weinig.
"Ze is niet zo erg als ze er uit ziet." Ik keek hem ongelovig aan, "Ze is best aardig, als je haar een beetje leert kennen." Ik onderdrukte de neiging mijn tong naar hem uit te steken, boos dat zelfs mijn enige bondgenoot partij voor haar trok, maar bedacht me. Hij had immers niet gezien hoe mevrouw de kok mijn gezicht tegen het splinterige oppervlakte van de tafel had geduwd. Daar was rimpelsteeltje heel handig in geweest. Ik kon alleen maar hopen dat de doucheruimte ook spiegels had, want ik kon zweren dat ik een paar splinters in mijn wang had zitten.
Het zag er inderdaad naar uit dat ik Mairi tijdens mijn gevangenschap inderdaad beter zou leren kennen, maar ik vroeg me hartgrondig af of ik dat wel wilde.
Citaat:Mairi volgde de hele liefdadigheid met een zuinige blik, alsof ze vond dat ik het ook wel zou overleven met een trui extra, waardoor ik de gulle gift alleen nog maar meer waardeerde.

Citaat:“Misschien dat je wel tv wilde kijken ofzo…”
Hij bracht het casual, maar het was voor mij duidelijk dat hij me uit mijn eenzame opsluiting had willen halen. Ik voelde dan ook een golf van dankbaarheid naar de vreemde vleermuisjongen toe, dat hij de moeite had genomen naar me toe te komen terwijl niemand anders daar aan gedacht had. Tegelijkertijd schoot het door me heen dat wij beneden waarschijnlijk niet de enigste zouden zijn. Het beeld van de puppy die in een jongetje veranderde, en de blinkende tanden van Richard of John verschenen meteen op mijn netvlies en voor een moment vroeg ik mij af of ik eigenlijk wel naar beneden wilde gaan. Het kleine kamertje zonder raam leek opeens een hele veilige plek, als het alternatief een kamer voor bloeddorstige half-mensen half-wolven was.
Niet dat ik veel keus had. Tenminste, de keus was er wel; ik was relatief zeker dat Valeer mij zo terug zou brengen als ik het hem vroeg, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen hem te zeggen dat ik niet met hem naar beneden wilde gaan. Zijn naïeve enthousiasme was aanstekelijk, zo erg dat ik voor een klein momentje mijn situatie compleet was vergeten tijdens het verstoppertje spelen. Het minste wat ik kon doen, tenminste zo dacht ik, was me hem mee naar beneden gaan. Zelfs als ik niet compleet zeker was wat ik daar zou vinden. Maar, zo redeneerde ik uiteindelijk ietwat gelaten; vreemder dan Valeer zelf kon het nooit zijn.
Hij bracht me terug naar het trappenhuis, en gleed geluidsloos door de lucht naar beneden. Ik volgde hem zo snel als ik kon, hoewel ik mijn benen bijna brak over de bouwvallige staat waarin de trap verkeerde. Het was haast ongelooflijk dat iemand nog de trap op durfden, meer dan eens keek ik recht naar beneden door een gat waar een kind doorheen had gepast. Valeer leek er niet van onder de indruk, hij hoefde immers de trap niet af te lopen, maar ik voelde me helemaal niet zo fijn terwijl ik trap na trap af ging. Ik kon de zucht van verlichting toen ik weer voet zette op de zwart witte tegels van de hal dan ook niet inhouden. Ik was stiekem erg blij dat ik de gammele trap had overleefd, maar ik wilde het niet al te erg laten blijken. Ik was er niet geheel zeker van of commentaar leveren over een gammele trap in een nog gammelere fabriek als een belediging opgevat zou worden of niet.
Ik was er vrij zeker van dat Valeer het opmerkte, een zucht was waarschijnlijk een storm voor zijn oren als een hart al zo luid als een drum klonk, maar hij liet mij in mijn waarde door niets te zeggen. Hij knikte alleen maar in de richting waar hij heen wilde gaan, met dezelfde grijns die vastgeplakt leek op zijn gezicht vanaf het moment dat ik het kleine kamertje had verlaten. Ik beantwoorde zijn grijns met een grimas, niet in staat veel meer op te brengen toen hij rechtsaf een donkere gang in schoot in de volle overtuiging dat ik hem zou volgen. Dat deed ik ook, maar met een groeiend gevoel van ongemakkelijkheid toen een galmende lach ons tegemoet kwam, gevolgd door het onmiskenbare geluid van een jonge kinderen die een racespel speelden op een tv. Ik hoorde het gierende geluid van banden, het gelach van de jongens, en het gerikketik van watervlugge duimen op spelcontrollers. Ik herkende het meteen, omdat ik het spel ook had gehad vroeger. Ik had het uren gespeeld, als enigs kind had ik de tv voor mezelf gehad tot mijn vader thuis kwam en hij meespeelde. Het bekende geluid maakte een hoop ongewenste herinneringen los die ik op dat moment helemaal niet wilde herinneren.
Valeer haakte zich weer vast aan een buis en spreidde zijn vleugels in de richting een enorme schuifdeur, alsof hij me welkom wilde heten. Zich waarschijnlijk van geen kwaad bewust, toen ik mijn hand op de deurknop legde en de deur open trok. Valeer schoot onmiddellijk naar binnen toen de enorme schuifdeur wijd genoeg open ging voor hem om er doorheen te vliegen, maar ik stond stokstijf stil op de drempel van de grootste woonkamer die ik ooit had gezien. Dat niet alleen, ik denk ook dat een honderdtal ogen ook mijn kant op schoten toen ik in de deuropening verscheen. Grote ogen, kleine ogen, één paar ogen, twaalf paar ogen, zelfs iemand met geen ogen hoewel ik instinctief meteen wist dat hij me toch kon zien. Ik probeerde mijn vriendelijkste glimlach tevoorschijn te toveren, maar kwam eigenlijk net verder dan een grimas. Niemand beantwoordde mijn dappere glimlach, waardoor ik de neiging moest onderdrukken de deur achter me weer open te doen en terug naar mijn kamer te vluchten. De jongetjes achter de gameconsole hadden hun spel op pauze gezet en staarden me met open mond aan, Oprah Winfrey praatte onverstoorbaar verder terwijl haar vrouwelijke publiek dat voor de buis had gezeten haar compleet waren vergeten. Wat was Oprah Winfrey vergeleken met een onschuldig meisje dat ongevraagd het middelpunt van de belangtelling was geworden, alleen maar omdat ze menselijk was. Menselijk, normaal, ongevaarlijk. Heel ongevaarlijk, en heel erg alleen. Ik scande snel mijn omgeving af, zocht bijna wanhopig naar Valeer die voor mij naar binnen was gegaan, en vond hem aan de andere kant van de hal. Inwendig kromp ik in elkaar toen ik zag dat hij wilde dat ik naar hem toe zou komen, hij wenkte me immers, maar dat betekende dat ik helemaal alleen door de zee van starende ogen moest staren. Hij hing doodleuk boven een tafel vol met glazen, thermoskannen en flessen. Zich van geen kwaad bewust. Ik moest al mijn moed bijeenschrapen om mezelf van de deur los te maken en mijn eerste stappen in zijn richting te zetten.
Mijn sneakers sopten hinderlijk toen ik langs de eerste bankstellen, en de eerste nieuwsgierige blikken liep. Ik stapte over benen heen, sommige menselijk sommige niet, en verwonderde mij over de grote diversiteit aan bankstellen om mezelf bezig te houden. Er waren gigantisch vee bankstellen die om de vier tv’s heen stonden als een gigantische gemeenschap aan bankstellen, en geen enkele was er gelijk. Het had er armoedig uit moeten zien, maar het tegendeel was waar; ondanks de enorme grootte had ik nog nooit zo’n gezellige woonkamer gezien.
Valeer hing wederom ondersteboven aan één van de vele buizen die het plafond rijk was, en keek op me neer toen ik uiteindelijk de drankjestafel bereikte. Het was overduidelijk self-service, wat eigenlijk ook niet anders kon met zo’n grote groep mensen. Eerlijk gezegd was het nog best slim bedacht. Ik pakte meteen een redelijk groot glas van de stapel glazen en draaide het nerveus rond in mijn handen, plotseling niet in staat een keuze te maken. Ik gluurde omhoog naar Valeer’s donkere ogen die al even besluitloos leken, alsof zijn beslissing de mijne zou stimuleren.
“Er is cola, en thee, ik weet niet wat je wilt?” Dat wist ik inderdaad niet, maar dat vertelde ik hem niet. Ik hield mijn rug express naar alle starende blikken toe terwijl ik naar de uitstalling op de tafel keek. Liter flessen cola, thermoskannen aan koffie en thee, een bak chips. Genoeg voor een heel leger, maar ik durfde niks te pakken. Ik voelde praktisch alle blikken in mijn rug branden, en het verlamde me; alsof ik aangekeken zou worden op mijn keuze, alsof ik iets verkeerds kon kiezen tussen fris, koffie en thee. Zelfs Valeer staarde me aan toen ik daar maar stond, maar ik durfde niets te zeggen. Hoe zou dat ook over komen; ik durf niets te pakken want iedereen kijkt naar me? Maar hij pikte mijn ongemak haarfijn op, en trok zich los van de buis waar hij aan had gehangen. Hij landde keurig op de bal van zijn voet achter me, en wees naar een gehavende mok die een beetje achteraan stond. Een beetje een aparte mok, met een extra groot handvat. Ze hadden er geen ‘Valeer’ op hoeven schrijven om mij duidelijk te maken dat die mok voor hem was.
Hij wees, iets hoger dan hij had hoeven doen, maar spreidde daardoor zijn arm, zijn vleugel extra uit; een prachtig mooi scherm waarachter ik me kon verstoppen. Ik gooide een dankbare blik over mijn schouder toen ik naar de mok reikte, en hij glimlachte. Volgens mij omdat hij ook heel goed wist hoe het voelde als mensen naar je staarden.
“Cola is prima.” Zei hij toen ik meer op mijn gemak cola voor mezelf inschonk, en uiteindelijk ook in zijn mok. Ik hield het voor hem uit gewoonte, maar bedacht me op hetzelfde moment dat ik eigenlijk niet wist hoe ik de mok moest aangeven. Moest ik het voor hem vasthouden terwijl hij dronk? Of kon hij het zelf vasthouden? Hij zag denk ik de verwarring op mijn gezicht, want hij grijnsde opnieuw en haakte het extra grote handvat door de klauw die zijn duim was geweest, als hij geen vleugels had gehad. Met het gemak der oefening nam hij heel nonchalant een slok, alsof het doodnormaal was dat een vleermuis uit een mok kon drinken. Ik denk dat in zijn geval dat ook was, ik was allang blij dat ik hem niet hoefde te voeren.
veel te lang worden. Voor ik daar doorheen was getypt was iedereen in slaap gevallen tegen de tijd dat Imogan eindelijk zijn opwachting had emaakt. Vandaar dat ik dat alles geschrapt heb tot ht moment dat ze klaar waren met verstoppertje spelen, Mairi mag een andere keer met borden gaan smijten. 

) 
ik vind het niet zo prettig meer dat het hier open en bloot staat, elke keer als iemand heeft gereageerd hou ik mijn hart vast.
