Moderators: Essie73, NadjaNadja, ynskek, Polly, Telpeva, Muiz

hihi
ben nu weer bezig, en hoop vanavond voor jullie meer te hebben.
Citaat:De laatste happen zijn inmiddels koud geworden, en niet meer te eten. Het blikje ColaLight is op, en enkele wespen genieten van de laatste paar druppels die er nog te vinden zijn. Ik lig lang uit, in het gras, starend naar de mooie blauwe hemel die langzaam veranderd van kleur. De zon verdwijnt langzaam uit het bos, en af en toe is een fris windje voelbaar over m'n huid. Maar de stilte is gebleven, op wat vogeltjes na. Van uit mijn ooghoeken zie ik Peter af en toe zijn ogen sluiten. Blijkbaar is hij aan het genieten, en ziet niet dat ik me langzaam druk maak om de tijd. Na lang twijfelen, vraag ik hem toch even voor duidelijkheid. “Zeg, we zouden toch naar de film gaan?” Peter opent zijn ogen, en staart naar me. “Vind je het hier niet lekker zo?”, ik knik, natuurlijk is dit fijn. Maar kom op, wees dan eens wat duidelijker naar me toe. Okee, hij is nu duidelijk, we blijven lekker hier. Genietend van de zon die langzaam verdwijnt, van de temperatuur die langzaam afkoelt. De geur van de bomen is heerlijk, net als de geur die ik er na ruik. Het luchtje van Peter, die ineens dichtbij me is. Hij slaat een arm om me heen, en kijkt me aan. “Of wil je naar de film?” Zijn vingers glijden over mijn bovenarm, omhoog en omlaag. Heerlijk, als ie dat doet. Voelt zo fijn, zo vertrouwd. “Ik heb een beter idee!”, zegt hij ineens, en terwijl ie het zegt springt ie op, en trekt mij mee omhoog. Verrast loop ik met hem mee, afvragend wat ie nu weer van plan is. We nemen ons afval mee, en lopen richting de auto. De lucht is licht grijs geworden, en er hangt verder op een grote regenwolk in de lucht. Hopelijk gaan we die kant niet op, denk ik bij mezelf. Van waar al die twijfels ineens?
We stappen allebei tegelijk de auto in, en even voel ik zijn hand op mijn been. “We gaan even bij iemand langs, als het je leuk lijkt? Gewoon iemand die ik ken, geen feest of zo hoor.”, grapt hij nog. Hij start de auto, en we verlaten het bos, een magische plek, een plek waar een prachtige herinnering is geboren. Peter blijft weer wat misterieus, maakt flauwe grappen onder het rijden, maar wil niks zeggen over de plek waar we naar toe rijden. “Je ziet vanzelf waar we komen. En ik beloof je: het is enorm gezellig daar.” Juist, moet ik dat nu geloven? De twijfels slaan weer enorm toe, iets waar ik echt niet trots op ben. Waarom twijfel ik zo enorm, zo snel, en geniet ik niet van het moment met hem samen? Mijn gedachten schieten van links naar rechts, terwijl Peter mijn hand even streelt. Wat moet ik nou? Rustig blijven, vindt de rust, chill... Stel dat ik het helemaal niet gezellig vind, stel dat de mensen daar mij helemaal niet leuk vinden. Of straks krijgen we ruzie, en kan ik het uitzoeken hoe ik thuis kom. Gatverdamme. Kunnen mijn gedachten niet tot rust komen, nu?
Peter rijd rustig verder, hij heeft blijkbaar niks in de gaten. Even kijkt hij naar de radio, en speelt met de geluid-knoppen. “Moet je horen wat een vette bass er in deze auto zit.” Hij krijgt een grote glimlach op zijn gezicht, en zet vol trots de volume keihard omhoog. Je trilt bijna de auto uit, en hij geniet. De harde bass wordt ook waargenomen door de andere weggebruikers, enkele die we tegen komen op deze weg. De bomen zijn al enkele minuten uit zicht, we naderen een aantal grote boerderijen, de een met meer koeien in het land dan de ander. De twijfels nemen zeer langzaam af, maar zijn er nog wel. Peter zet de muziek-volume zachter, en slaat links-af een boerenerf op. Het grint knarst onder de auto-banden door, en de snelheid mindert. Peter zwaait ineens naar iemand, die uit het niets verschenen is. Een middellange kerel, met zijn licht bruine haar in model 'Woeste Wind', een verkleurde blauwe overal die hier en daar versleten is, en staat met zijn handen in zijn zakken naar de auto te kijken die op zijn erf is verschenen. Peter zwaait nog eens, en de man lijkt hem te herkennen. Een glimlach verschijnt op zijn gezicht, en vervolgens zwaait ie vriendelijk naar ons. Ik kijk overal naar, naar de grote koeienstal die zich achterin bevind, naar de los lopende kippen, de honden die in het land aan het spelen zijn, en naar een trekker die zich alleen op het land bevind. Van afstand zie ik iemand zitten, maar alles is vaag, doordat alles in de verte is. Wat de trekker aan het doen is, is voor mij een raadsel. Er hangt niks achter of voor, dus het is vast geen werk. De twijfels zijn weg, als de motor uitgaat, en Peter nog iets tegen me mompelt, voor hij uit stapt. “Wat zei je?”, vraag ik hem na, maar hij hoort me niet meer. Hij loopt naar de man die we net zagen, en hij geeft hem een 'box' met zijn vuist. Een grote glimlach verschijnt er op zijn gezicht, net als de andere man. Dan besluit ik ook de auto uit te stappen, en Peter loopt even naar binnen, achter de man aan. “Ik ben binnen hoor!” Schreeuwt ie over het erf heen. Ik knik, want verstaan doet ie me nu toch niet. Een tikkeltje nerveus doe ik de auto-deur dicht, en loopt ik over het grind naar de richting waar Peter uit mijn zicht verdwenen is. Een grote herder komt op me afgestormd. Met zijn oren speels naar me toegedraaid, laat ie zich voor m'n voeten vallen. Languit op zijn rug, maait ie met zijn poten in de lucht. Ik geef het dier een simpele aai, maar dat is niet voldoende vrees ik. Ik stap om het dier heen, maar weer laat ie zich voor mijn voeten vallen. Nu neem ik wat meer tijd voor het lieve dier, en aai heb vervolgens over zijn prachtige kop. “Nu is het klaar hoor.”, mompel ik. De hond lijkt er mee akkoord te gaan, en rent weer snel naar binnen, waar ie vandaan komt. Het erf is verlaten, en ik gok dat het rond een uur of half acht is. De lucht word donkerder, en de zon verlaat zich uit het zicht. De wind laat zich hier beter voelen, dan in het bos waar we vanmiddag waren. Nog een laatste blik naar het land links van me, waar de trekker net nog aan het rijden was. Maar de trekker is verdwenen. Ik loop naar binnen, het oude maar nog bewoonbare, boerderij in. De hal is vanaf binnenkomst al donker door de gemetselde stenen, terwijl er hier en daar een familie-portret hangt, om de kilte te verbreken. Een paar meter verder, zie ik een deur die open staat. Even loop ik een stapje harder, om te gluren naar de kamer die anders wel dicht zou zijn. Er klinkt gelach van verschillende mensen, en een rooklucht komt mijn neus tegemoet. Het gelach stopt even, en dan hoor ik Peters stem. “Ja, ik denk, ik kom even langs met het mooie meisje. Het is een prachtige avond, dus waarom niet?”, hoor ik hem vertellen. En weer klinkt er gelach. “Jij, en mooie meisjes, geloof je het zelf?”, zegt een onbekende stem. Het gelach wordt harder, en ik besluit maar de kamer verder in te lopen. Zodra ik een aantal mensen zie zitten, valt er spontaan een stilte. Acht paar ogen kijken me aan. Van boven naar beneden. Vijf mannen, en twee jonge vrouwen kijken me aan, en Peter natuurlijk. De kamer waar ze zich bevinden, is net zo kil als de gang was, die hier naar toe leidde. Er staan twee bruin-kleurige lounge-banken, ieder aan een andere muur. Aan de wanden hangen foto's van grote stieren, rood en zwart bont van kleur. Duidelijk een echte boer die hier woont, denk ik bij mezelf. De stilte knaagt aan me, ik weet dat iedereen naar me kijkt, maar zeg dan wat. Ik doorbreek de stilte. “Hoi.”, wat meteen het ijs breekt. “Goeie dag!”, zegt de man die naast Peter zit. Hij kijkt Peter aan, en fluistert iets in het oor. En weer kijken zijn ogen me aan. Een van de vrouwen begint te praten. “Peet, hoe krijg je het voor mekaar? Zo'n prachtige meid, bij zo'n kakkerige dokters'jongen. Mijn complimenten!” Peter staat op, en gaat naast me staan. “Jongens, mag ik jullie voorstellen aan mijn vriendin, Inge?”

) maar sowieso het woord 'lijde' dat moet 'leidde' worden
