Ik wil toch echt serieus weten hoe dit verder gaat, dus ik hoop wel dat er snel weer een vervolg komt? Ik kijk elke dag even hier of er weer een update is
astridastrid
Berichten: 5874
Geregistreerd: 08-04-02
Woonplaats: Warmond
Geplaatst door de TopicStarter: 27-08-25 12:37
Paardenfann4 schreef:
Ik wil toch echt serieus weten hoe dit verder gaat, dus ik hoop wel dat er snel weer een vervolg komt? Ik kijk elke dag even hier of er weer een update is
Wat LIEF! Nou, vooruit dan .
Gnome
Berichten: 8814
Geregistreerd: 01-10-05
Geplaatst: 27-08-25 12:52
Paardenfann4 schreef:
Ik wil toch echt serieus weten hoe dit verder gaat, dus ik hoop wel dat er snel weer een vervolg komt? Ik kijk elke dag even hier of er weer een update is
Dit ja haha. Echt verslinden ook al ben ik het tegenovergestelde van Nina.
Nou, onder het motto van: geef nooit op! Comeback poging.
Het hoofdstuk stond voor iets later gepland en had ik dus al wel geschreven, maar snap jullie commentaar héél goed dus een goede reden om hem naar voren te halen.
36. 16 juli 2021 Of: Het bankje waar alles even stilstaat (inlcusief ikzelf)
De onthulling van een bankje.
Klinkt dramatischer dan het is. Tenzij je semi-officieel in het Bos van Kranz staat met een champagneglas in je hand en omringd bent door een select gezelschap dat familie is. Het is zonnig. Echt belachelijk zonnig, wat goed uitkomt. Huilen in de regen heeft al te veel filmische connotaties. Maar vandaag gaan we niet huilen. Vandaag vieren we. Ondanks dat mijn vader er eigenlijk bij had moeten zijn, maar in plaats daarvan alleen zijn naam op een koperen plaatje staat.
De parkwachter, die het ‘een heel mooie gedachte’ vond van ons, heeft een ceremonieel lint om het bankje gespannen. Deze plek in het bos waar mijn ouders graag gingen wandelen hebben wij uitgekozen. Hij spreekt met die speciale toon die mensen reserveren voor bruiloften en begrafenissen, en legt uit dat dit ‘een plek voor iedereen’ wordt. Dat was precies wat we wilden. Een plek voor ons om heen te gaan, om mijn vader te gedenken. Maar ook een plek voor anderen, om gewoon van het prachtige uitzicht te genieten.
Onze vader zit ondertussen in een oude schoenendoos van Ecco in de bibliotheek van mijn moeder, in plaats van in een graf. Mijn moeder wilde hem ‘bij elkaar houden’ en niet uitstrooien. Wat ineens een stuk minder sentimenteel klinkt als je per ongeluk je overleden vader op schoot krijgt bij het herlezen van Kom hier dat ik u kus.
We staan in een kring. Mijn moeder staat naast me. Ze huilt niet. Dat doet ze niet meer in het openbaar. Maar haar hand trilt als ze het plaatje aanraakt. ‘Hij zou het mooi gevonden hebben,’ zegt ze zacht. Ik knik. Kan even niks zeggen. Tom is er niet. Hij had een vlucht. ‘Ik probeer te ruilen,’ had hij gezegd, maar we wisten allebei dat dat niet zou lukken. Het is ook niet erg. Ik heb mijn familie. Daan had willen komen - stuurde zelfs een lief berichtje - maar dat voelde verkeerd. Wouter is er wel. Hij staat op respectvolle afstand. Hij vangt mijn blik en knikt. Meer niet. Precies genoeg.
Mijn broer heeft een zonnebril op die hij nooit afzet, zelfs niet binnen, en knikt af en toe alsof hij heel bewust aanwezig is in het moment. Terwijl ik 98% zeker weet dat hij ondertussen crypto minet via zijn smartwatch. ‘Crypto gaat slecht,’ zei hij, ‘maar ook goed.’ Niemand weet wat dat betekent, en we doen geen poging het te begrijpen. Naast mijn broer staat mijn oudste zus, Lara (nuclear specialist), haar man (zorg), en Aliya. Aliya—mijn architectenzus die gebouwen ontwerpt waar niemand in kan wonen maar wél over kan praten—is vandaag verschenen in iets dat ze ‘conceptueel textiel’ noemt. Ik denk gordijn.
‘Het is echt een mooi bankje,’ zeg ik tegen haar, wat misschien verwachtingen schept. Want het is maar een gewoon bankje, wat je in de meeste parken ziet. Ze glimlacht. Voor de kinderen hebben we pennywafels meegenomen. Omdat champagne blijkbaar pedagogisch onverantwoord is. ‘Wist niet dat die dingen nog bestonden,’ zeg ik. Aliya lacht, haar lichtelijk scheve tanden zichtbaar. ‘Alles bestaat zolang iemand het blijft kopen.’ ‘Hoe gaat het eigenlijk met je?’ vraag ik haar, wat dom is, want we weten allebei dat niemand ooit iets zinnigs zegt op die vraag. Aliya haalt haar schouders op. ‘Goed, denk ik. Gewoon... werk is veel. Maar dat is blijkbaar mijn zwakke plek. Iedereen heeft z’n zwakke plek, toch?’ ‘Ja, dat is waar.’ We kijken samen in de verte.
‘Weet je wat grappig is?’ zeg ik tegen niemand in het bijzonder. ‘Papa gaf altijd advies over mannen. ‘Kies iemand die je accepteert zoals je bent,’ zei hij altijd. ‘Niet iemand die je wil veranderen.’’ Mijn zus snuift. ‘Ja, en kijk hoe goed we daar naar luisteren.’ We lachen. Door ons verdriet heen. Want het is waar. We zijn allebei hopeloos in het kiezen van de verkeerde mannen. Alsof we papa's advies expres negeren uit een soort pervers eerbetoon aan onze eigen chaos.
Het bankje heeft een koperen plaatje dat zegt: ‘Ga lekker zitten en geniet’. Niks zwaars. Geen loodzware bespiegelingen over het leven, de dood, de eeuwigheid. Gewoon een plek waar je je kont neerplant en even kijkt naar een boom. En misschien moet ik die raad eens wat vaker opvolgen. ‘Hij had gelijk,’ zeg ik. ‘Over dat zitten en genieten. Ik doe altijd maar... ik ren van de een naar de ander. Van Dev naar Tom naar Daan en weer terug naar Tom. Alsof ik bang ben om stil te staan.’ ‘Misschien,’ zegt mijn moeder voorzichtig, ‘was je bang dat als je stil zou staan, je het gemis zou voelen.’ Fꞿck. Ze heeft gelijk. Want sinds papa dood is, heb ik geen moment stilgestaan. Aliya lacht. ‘Zo moeten we het opschrijven. Voor papa.’
Dan wordt het lint doorgeknipt. Niet met een schaar, maar met een sleutel, omdat we de schaar vergeten zijn. Niets groots. Gewoon… dat we er waren. Samen. In het bos. In Warmond. Precies wat papa had gewild. Bij een bankje waar iedereen mag zitten, maar dat tóch een beetje van ons blijft. Ik ga zitten. Op het bankje. Mijn moeder gaat naast me zitten. Dan mijn zus Lara. Aliya perst zich ernaast. Wouter blijft staan. Het ziet er vast belachelijk uit. Maar het voelt... oké. Voor het eerst in maanden voelt het oké om gewoon te zitten.
Later, als iedereen weg is, blijf ik nog even. Alleen. Op het bankje van papa. ‘Ik mis je,’ zeg ik hardop. ‘Ik mis je zo erg, Papa. En ik heb alles verpest. Ik kies steeds de verkeerde mannen. Mannen die me niet zien staan. Mannen die hun werk belangrijker vinden dan mijn verdriet. Mannen die...’ Ik stop. Haal diep adem. ‘Mannen die niet zijn zoals jij was voor mama.’
Dan hoor ik voetstappen. Een oude man komt aanlopen, ziet het bankje en glimlacht. ‘Mooi plekje,’ zegt hij. ‘Ja,’ zeg ik. ‘Mijn vader wist waar de mooie plekjes waren.’ ‘Wijze man.’ ‘De wijste.’
Misschien moet ik het eerste ES stuk naar voren plaatsen, maar nu even zo.
37. 10 juni 2021 Of: Paleisprotocol in uitvoering, Carla in de coulissen.
Honger. Ik heb honger. Maar eigenlijk heb ik dat altijd. Ik snap mensen niet die maaltijden overslaan—dat voelt alsof je tegen je eigen overleving ingaat. Al ben ik de laatste die er wat van mag zeggen, want er waren jaren dat ik er mijn hobby van maakte om zo weinig mogelijk te eten. Tot pure wanhoop van mijn ouders.
Die tijd voelt ver weg, maar soms is het alsof er maar tien seconden tussen 2009 en nu zitten. Tien jaar geleden was ‘eten’ nog niet gewoon eten, maar een dagtaak. Alles moest gepland, gecontroleerd, gecheckt. Sites als Proud2bme gingen net live, en ik schreef mails naar lotgenoten—in de hoop dat iemand zou zeggen: je bent oké zoals je bent. Je hoeft niet aan te komen. We praatten over wegen bij de internist, over Pilates, over hoeveel boterhammen ‘veilig’ waren. Over mijn poliklinische opname in de Ursula-kliniek. Over ‘speciaal’ zijn.
Ondertussen deed ik uren over een broodje kaas, hapje voor hapje, wikkend en wegend. En áls ik dan at, vond er wel iemand iets van. Een collega die langs mijn bureau liep: ‘Zit je nou alweer te eten?’ Een vriendin die zei: ‘Wow, jij kan echt eten.’ Eten was nooit gewoon eten; het was altijd óf te veel, óf te weinig, óf een conclusie. Iedereen vond dat ze er iets over te zeggen hadden, behalve ikzelf.
Nu is de eetstoornis officieel 'achter de rug', maar mijn lijf en hoofd hebben de memo nog niet gekregen. Ik maak tegenwoordig safari's naar de snoepkast in plaats van hongerschema's. Overvoeding in plaats van ondervoeding. En het gaat niemand wat aan, want ik kan het perfect verbergen. Misschien is dat nog gevaarlijker.
Maar goed: tegenwoordig lijkt iedereen wel iets met eten te hebben. Keto, intermittent fasting, clean eating—iedereen doet maar wat. Behalve Wouter. Die eet gewoon. Hij is het menselijke equivalent van een afvalemmer, maar dan met een betere geur.
‘Wat zit je te dromen?’ vraagt mijn niet-diëtende vriend terwijl hij tussen twee Tesla's parkeert in Amsterdam Noord. ‘Mm, ik heb honger’. Hij grinnikt. Ik heb hem vanmorgen nog verteld dat tachtig procent van de ruzies tussen stellen veroorzaakt wordt door honger. En eerlijk: ik kan me daar álles bij voorstellen. Mensen zijn bereid elkaar te vermoorden voor een Snelle Jelle.
Ik kijk omhoog naar een schattig huisje in Disteldorp. Grijze baksteen, voortuintje waar je net een kliko kwijt kunt. Maar een echt huisje. Om de hoek zit het NH-hotel. Toms layover hotel. ‘Ben je er klaar voor?’ vraagt hij hoopvol. Met mijn €2700 netto per maand kom ik op de Rabobank-site niet eens voorbij de voordeur. Wouter had dus aangeboden om bij te springen—'als vrienden, gewoon, wat moet ik anders met mijn geld doen?’ Ik probeerde het nog af te houden, maar hij hield vol: ‘Laten we eerst maar gewoon kijken. Dan zien we wel.’
De makelaar staat al te wachten met een glimlach zo breed die zegt: dit wordt jouw droom, als je slechts €50.000 boven de vraagprijs biedt. Ik denk terug aan mijn collega bij de lunch—65 jaar, nog steeds werkend omdat ze €900 huur per maand moet betalen. Voor de rest van haar leven. ‘Maak niet dezelfde fout,’ zei ze terwijl ze een broodje kroket inhaleerde. Tom roept het al vanaf dag één: ‘Je staat stil in dat huurhuis. Je gooit geld weg. Investeer in jezelf.’ Toen ik het mijn moeder vertelde, dat ik een huis ging kijken, zag ik dat kleine vonkje in haar gezicht: eindelijk. Misschien is dat wat Tom is: iemand die precies op tijd verschijnt om je te laten zien dat onafhankelijkheid onbetaalbaar is. (Zei de vrouw van wie haar beste vriend aanbood om haar hypotheek te co-signen.)
‘Carla belde me laatst nog,’ zegt Wouter ineens. Mijn lichaam bevriest. Wouter en Carla leven in compleet verschillende universa. Ze kennen elkaar niet eens. Wouter haalt zijn schouders op. Ik snap er niets van. We zijn al de hele dag samen op pad—we hebben het zelfs over Prem gehad, een terugkerend onderwerp.
Ik zie weer Prems Facebookbericht voor me. ‘Blessed be the day you were born.’ Zes maanden geleden. Heel even dacht ik dat hij ons ongeboren kind bedoelde (ik bén naïef). Tot ik Carla’s reactie las: ‘Blessed be the day YOU were born.’ Toen ik daarna mijn gebruikelijke social media-detectivewerk verrichtte, wist ik het zeker. Hij heeft een nieuwe vriendin. En niet zomaar een vriendin, maar een televisie-persoonlijkheid met een blauw vinkje.
Natuurlijk gun ik hem een nieuwe liefde. Mijn leven is ook verdergegaan. Maar toch, het steekt. Extra pijnlijk was Baukje’s reactie: een hartje. Dezelfde Baukje die mij voor kankerhöer uitmaakte. Hoe sterk ik ook wil zijn, dat doet gewoon pijn. ‘Trek het je niet persoonlijk aan,’ zeiden mijn vrienden, ‘ze zal het bij een volgende vriendin van Prem weer doen.’ Blijkbaar niet, dus.
Carla is alles wat ik niet ben. En vooral: een bekende Nederlander. En Koffietijd is ook niet het eerste, het beste programma, natuurlijk. ‘Wacht even hoor,’ vraag ik, opeens heel alert. ‘Hoe komt ze überhaupt aan jouw telefoonnummer?’ De makelaar kijkt ongemakkelijk van ons naar de radiator. ‘Kunnen we misschien eerst even naar binnen?' stelt Wouter voor, gebarend naar het huis. 'Dan vertel ik het je tijdens de rondleiding.’ Ik knik afwezig.
Garfield — want uiteraard heet de makelaar Garfield — begint zijn pitch. ‘Altijd verhuurd geweest, veel interesse, nieuwe belastingregels…’ ‘Ze stuurde me een DM,’ fluistert Wouter terwijl Garfield ons door het poppenhuisje loodst. ‘Of ze kon bellen.’ ‘Waarover?’ ‘Over jou, obviously.’ We bereiken de woonkamer. Garfield gebaart groots naar een bank die niet bij de prijs is inbegrepen. ‘En hier kunnen jullie het helemaal naar je zin maken samen!’ Ik knik afwezig. Carla die Wouter opbelt. Carla die vragen stelt over mij. Dit is óf heel goed nieuws, óf heel slecht nieuws.
Op de trap (kraak kraak) vertelt Wouter me de rest. ‘Prem slaat elke keer compleet dicht als ze over jou begint,’ zegt hij. ‘Hij krijgt een complete blackout. Ze nam contact met mij op omdat ze wilde weten wat er precies tussen jullie is gebeurd.’ Ik weet niet wat me meer raakt: dat Carla blijkbaar de moeite neemt om mijn verleden uit te pluizen, of dat Prem daar nog altijd op blokkeert. Waarom zou hij niet gewoon het verhaal vertellen? ‘En wat zei je tegen haar?’ ‘De waarheid.’ Wouter haalt zijn schouders op. 'Dat jullie allebei clearly nog niet over elkaar heen zijn.'
Ik sta hier, in misschien wel een toekomstig huis. Met mijn beste vriend. Op weg naar mijn nieuwe leven. Mijn nieuwe leven met Tom. De eerste man in jaren die me met beide voeten op de grond én in de lucht houdt, als dat logisch klinkt. Een man die beter financieel advies geeft dan mijn bank ooit heeft gedaan. Die zegt: ‘Je verdient iemand die investeert in jouw groei (hij bedoelt hemzelf), niet iemand die je klein houdt.’ (Hij bedoelt mijn baas.) Hij heeft me hierheen gebracht, naar deze huizenjacht. Naar vooruitgang, iets opbouwen. Een sprankje hoop, een tikje spanning, een verlangen om de toekomst weer als iets voor me te zien, in plaats van iets waar ik doorheen moet. Maar… er is altijd een maar.
Want nu ik hoor dat Prem nog steeds niet over me praat—dat hij vastloopt zodra mijn naam valt. En stel… Stel dat hij óók spijt heeft. Stel dat ik straks, voor de tweede keer, kies voor iemand die me misschien nooit écht zal begrijpen—omdat ik de eerste nooit helemaal los heb kunnen laten?
Beneden probeert Garfield zijn grote finale. ‘Dus, wat vinden jullie?’ Garfields ogen glinsteren. ‘Zien jullie jezelf hier wonen?’ Ik: ‘We laten het je weten, Garfield.’
Buiten bij de auto kijkt Wouter me aan. ‘Kom,’ zegt hij. ‘Je moet eten. Misschien valt alles daarna weer een beetje op z’n plek.’ Ik knik. Niet omdat ik het geloof, maar omdat er één ding is waar ik nooit tegenin kan gaan: een maaltijdvoorstel.
Ik heb de afgelopen de Prem verhalen gelezen en kwam er prima doorheen hoor. Heb er van genoten en vond het oprecht jammer dat ik niet verder kon lezen