Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Citaat:Alrún loopt voorzichtig naar beneden. Ze blijft verbaast om zich heenkijken naar de prachtige kleuren. Hier hangt precies dezelfde sfeer als in de boomgaard – het voelt als thuiskomen na een lange reis.
Ze hoort de stappen van Erlendur achter zich en draait zich om. “Het is waar, het is hier prachtig. Waarom heb ik dit nooit geweten?”
“Het was beter van niet. Voor een Draumann is het veiliger om op te groeien in een omgeving waar ze zichzelf of anderen geen kwaad kunnen berokkenen.” Erlendur staart voor zich uit. “Onderschat je krachten niet, Alrún. Het is in het verleden wel vaker gebeurd dat een onervaren Draumann helemaal verwilderde omdat hij zijn krachten niet de baas kon. Zoals Flónska, die zo opging in een van zijn zielgenoten, een valk, dat hij uiteindelijk van een rots is gesprongen omdat hij dacht te kunnen vliegen. Buiten Eftir zijn de invloeden veel minder sterk en is het dus veiliger voor een Draumann. Hoewel het heel erg kan verschillen, niet elke Draumann heeft een even sterk ontwikkeld talent. De een heeft maar één zielgenoot, de ander heeft er meerdere. De meeste Draumann hebben een zielgenoot onder hun eigen volk. Men weet nog niet waarom dat zo is, maar de Draumann zelf zeggen dat het makkelijker is om contact te leggen met een ander mens dan met een dier.” Erlendur kijkt haar aan. “Maak je maar geen zorgen. Je zult aan het hof goed behandeld worden en een goede opleiding krijgen om je talenten nog meer te ontwikkelen. En je zult het vast goed kunnen vinden met de andere Draumann.”
“Hoeveel Draumann zijn er?” Ze kijkt hem vragend aan.
“Met jou erbij vijf. Eigenlijk zes, als je Blindur mee rekent. Niemand weet hoe oud Blindur nu is, maar hij is de oudste Draumann. Zijn eigen ogen zien niet meer, maar hij kan zien door die van anderen. Hij zal je leermeester worden.” Erlendur knikt. “Dan hebben we Blökk, een volwassen man als een reus. Hij ziet er schrikwekkend uit met zijn donkerharige uiterlijk, maar is een simpele ziel.
Sefia is een tiental jaar ouder dan jij en erg intelligent, maar helaas ook erg jaloers aangelegd. Toch is ze erg getalenteerd en ze beschikt over een sterke wilskracht.
Degene die het meeste bij jouw leeftijd in de buurt komt is Fagur. Hij is als enige wel opgegroeid in Eftir, aan het hof. Zijn vader was een elf uit de raad, die er voor heeft gekozen Fagur hier te houden. Hij lijkt niet over heel veel talent te beschikken maar volgens Blindur zit er meer in hem dan hij ons laat zien.
Als laatste is er dan nog Mímósa. Ze is al op haar dertiende teruggekeerd naar Eftir en woonde al meer dan vijfentwintig jaar aan de voet van de bergen, tot ze naar het hof geroepen werd. Dat zijn de Draumann, voor zover ons bekend.”
Ze tuurt naar de grond. Er zijn dus nog vijf andere Draumann; Blökk, Sefia, Fagur, Mímósa en Blindur. En misschien nog wel meer…
Wat voor zielgenoten zouden zij hebben? Maar één, of misschien wel meerdere? En hoe zouden ze zelf zijn? Zouden ze haar wel aardig vinden, ze heeft haar twijfels. De meeste mensen kijken niet naar haar om of vinden haar te vreemd om mee om te gaan. Zouden deze Draumann anders reageren? Zo te horen zijn ze allemaal al veel langer hier in Eftir. Fagur is hier zelfs opgegroeid. Ze zullen vast veel beter zijn dan zij, ze hebben misschien al wel lessen gehad van Blindur.
Wat valt er eigenlijk te leren? Ze heeft haar dromen nooit als iets bijzonders gezien, iedereen droomt toch. Ze ís helemaal niet bijzonder.
Maar toch gaat er een koude rilling over haar rug als ze denkt aan die paar keren dat ze na een droom wakker werd in het topje van een van de appelbomen, of haar tas in stukken gescheurd had. Het verhaal van Flónska draait zich af als een film op haar netvlies.
“De schemer begint al in te vallen, het wordt maar eens tijd om een slaapplek te zoeken.” Erlendur kijkt naar de lucht. “Zo te zien blijft het dit mooie weer. Het wil nog wel eens gebeuren dat aan het eind van zo’n broeierige dag de wolken zich ophopen boven het meer, maar de lucht is nu al dagen helder.”
Alrún knikt wat afwezig. Erlendur kijkt al niet eens meer en gaat haar voor, tussen de bomen door.
Het wordt nu inderdaad steeds donkerder en de weg wordt slechter, met meer brokken steen. Ze volgt Erlendur, die vastberaden doorstapt en geen moeite heeft met de rotsachtige weg. Zijn geitenhoeven stappen moeiteloos over de stenen, maar Alrún wankelt met haar armen gespreid in een poging niet uit te glijden. Ze blijft verbaasd staan als achter de volgende bocht Erlendur verdwenen blijkt te zijn. Ze kijkt om zich heen, maar ziet hem nergens.
“Alrún!” Ze kijkt omhoog, waar het geluid vandaan komt. Daar ziet ze Erlendur staan op een vlak plateau, zwaaiend met zijn armen. Ze klimt naar boven en als ze eenmaal staat ziet ze achter Erlendur in een soort kleine grot een stapel hout liggen. “Waar haal jij dat zo snel vandaan?” vraagt ze terwijl ze een blik op de stapel werpt.
“Dat lag hier al. Dit is een vaste rustplek, ieder die hier uitrust gebruikt het hout wat er ligt en laat bij zijn vertrek nieuw hout achter. Zo is er altijd hout voor de volgende reiziger.” Erlendur legt een paar takken tussen de kring van stenen die op het plateau gerangschikt zijn. Uit zijn tas haalt hij twee stenen, waarmee hij handig een vonk weet te krijgen. Even later brandt het vuur.
Ze gaat naast Erlendur zitten en hij vist twee platte broden uit zijn tas. “Ik heb geen beleg bij me, maar ook zonder beleg zijn ze smakelijk. En voedzaam.” Hij geeft een van de broden aan Alrún, die hongerig aanvalt. Hij heeft gelijk; het smaakt heerlijk.
Erlendur kijkt glimlachend toe hoe ze eet. “Dat had je nodig zie ik. Net als slaap. We vertrekken morgen vroeg, dus het is verstandig om goed te slapen.” Hij staat op en loopt de kleine grot in.
Even later komt hij terug met twee dekens. Hij geeft er een aan Alrún, die hem dankbaar om zich heen slaat. Ze gaat liggen en staart naar de sterren. Gedachten malen door haar hoofd, alle indrukken van die dag slaan nu pas in, als golven op de kust. Ze denkt aan Amma, die nu in haar eentje thuis zit en zich wel af zou vragen waar ze blijft… Bijna springen de tranen in haar ogen, maar ze bijt op haar lip en probeert ergens anders aan te denken. De stad aan de kust, waarnaar ze op weg is. Een nieuw leven, een leven als Draumann. Voor deze dag had ze nog nooit van dat woord gehoord en nu is ze er zelf één. Zielgenoten... Het zijn niet zomaar dromen, het zijn haar zielgenoten over wie ze droomt, door wiens ogen ze kijkt. Ze heeft zielgenoten, ze kent hun gewoontes, hun leven. Ze weet wie ze zijn, wie hun vrienden en vijanden zijn. Maar hoe zal ze straks in staat zijn de Dreki te bereiken? Haar ogen vallen dicht. Ze probeert ze open te houden maar de vermoeidheid valt over haar heen als een deken. Het laatste wat ze ziet voor ze in slaap valt is het silhouet van Erlendur afgetekend tegen de rotswand.
Ze deint mee op de wind, die de tak waarop ze zit doet schudden. Ze zet zich af en springt. De dennennaalden dwarrelen naar de grond. Ze strekt haar vleugels en stijgt, de donkere lucht in. Onder haar ziet ze de boomtoppen steeds kleiner worden totdat ze slechts kleine stippen zijn in een lappendeken van grond. Door de duisternis ziet ze niet al te duidelijk, maar de maan staat helder aan de hemel en vergemakkelijkt het zicht. Plots wordt haar aandacht getrokken door een oranje waas aan de uiterste rand van het meer, vlak bij de bergen. Ze draait zich en vliegt zo snel als ze kan. Ze komt steeds meer in de buurt, en wordt steeds verontruster. Ze ziet nu duidelijk de vlammen, rook stijgt op. Ze cirkelt in kringen naar beneden, tot vlak boven het vuur. Warmte slaat tegen haar aan en even schiet ze van schrik de hoogte weer in, maar dwingt zichzelf dan tot kalmte en duikt weer naar beneden.
Tussen de resten van de huizen ziet ze gestalten rennen. Er is paniek, ze hoort geschreeuw van mannen en vrouwen, huilende kinderen. Ze ziet hoe de gloed van de vlammen haar zwarte veren oranje kleurt.
Gegil bereikt haar oren als het dak van een huis het begeeft en instort; ze ziet nu naast de menselijke gedaantes ook waar ze zo voor vreesde. “Óvinur” krast ze. Dan keert ze zich met een ruk om en vlieg terug naar het pijnboombos.


Citaat:Ze is al op haar dertiende teruggekeerd naar Eftir en woonde al meer dan vijfentwintig jaar aan de voet van de bergen, tot ze naar het hof geroepen werd
Fiffill schreef:Het klopt wel Mii_Jessica: "ze is op haar dertiende teruggekeerd naar Eftir en woonde al meer dan vijfentwintig jaar aan de voet van de bergen, tot ze naar het hof geroepen werd" als je dat laatste stuk erbij leest klopt het wel.
Bedankt beiden!

Fiffill schreef:Pfoe. Geen idee of het daar goed genoeg voor is, dan zal je wel naar een uitgever moeten gaan?
).Citaat:De meeste mensen vind het er naargeestig, ook als de bomen in volle bloei staan.
Citaat:Ze was zelf naar huis gelopen en al halverwege de weg op Amma en een stel mannen uit het dorp gestuit.
Citaat:maar – “Hoe kom je hier dan?” de vraag ontsnapte aan haar mond.



).
Het verhaal boeit me
kan niet wachten op het volgende stuk. Ook ik zie plaatjes bij wat je verteld en het maakt dat ik snel meer wil. Knap Bente! heel knap!! 

Citaat:De zon is amper opgekomen of Erlendur schudt haar wakker. Ze kreunt en wrijft over haar nek, die pijnlijk en stijf aanvoelt. Het liggen op een harde grond is niet bepaald goed voor je botten, denkt ze bij zichzelf. Ze staat op en raapt de deken van de grond. Ze klopt hem wat uit en vouwt hem dan op. Dan draait ze zich om naar Erlendur, die op de grond zit en de grootste takken uit het vuur vist. Ze ziet dat bij de grot al een nieuwe stapel hout ligt. “Heb jij dat hout gehaald?” vraagt ze. Erlendur kijkt op. “Ja. Voor de volgende reiziger die hier langskomt en een droog plekje voor de nacht zoekt.” Erlendur pakt haar deken en loopt de grot in. Even later komt hij terug met zijn tas, die hij opent en er een stel broden uit pakt. Hij geeft haar er een. “Hier. Je zult het met dit moeten doen, ik heb in de buurt gekeken maar het is nog geen bessentijd. Misschien dat we straks als we langs een beek komen wat verse aardbeien kunnen plukken. Ik wil een beetje doorlopen vandaag, dan komen we vanavond misschien nog wel tot de Fljót. Daar hebben we drinkwater, een schuilplek en misschien wel kans op een maaltijd met vis.”
“Wat is de Fljót?” ze kijkt vragend naar Erlendur. “De Fljót is een rivier in Eftir. Een van de grotere rivieren die vanuit de bergen dwars door de bossen stromen, en uitmonden in het meer. Ze zijn rijk aan vis en het water is helder en schoon.”
Alrún knikt. “Wanneer komen we aan op het hof?”
Erlendur bijt op zijn lip. “Ik denk dat we, als alles goed gaat, nog twee dagen moeten lopen. Dan komen we op de derde dag tegen het middaguur aan.” Hij hangt zijn tas om zijn schouder en schikt zijn dolk goed. “Dat betekend dat we nog wel een stukje te gaan hebben. Zullen we dan maar vertrekken?” Hij trapt het vuur voorzichtig uit. Als het uit is volgt ze hem het plateau af. Ze komen weer uit op de weg en vervolgen hun pad.
De zon stijgt langzaam aan de hemel, en aan de heldere lucht is te zien dat het vandaag weer een warme dag gaat worden. Ze hoort allerlei soorten vogels en in de bomen ziet ze soms snel een eekhoorn voorbij schieten.
Erlendur loopt zwijgzaam naast haar mee. Ze hoort zijn hoeven tikken op de stenen van het pad. Ze gluurt vanuit haar ooghoeken naar hem en ziet dat hij in gedachten verzonken voor zich uit staart. Waar zou hij aan denken? Misschien denkt hij over de weg die voor hen ligt. Of over het hof, hoe zou het daar zijn? Zou Erlendur eigenlijk aan het hof wonen? Misschien is hij een gewone boodschapper in dienst van de koning.
“Woon je eigenlijk op het hof?” haar vraag verbreekt de stilte. Erlendur kijkt opzij en knijpt zijn ogen tot spleetjes. “Ja. Al een aantal jaren, wat gaat de tijd snel. Eerst woonde ik aan de voet van de bergen, maar ik ben aan het hof gaan wonen.”
“Is jouw dorp dan ook in de brand gestoken?” ze flapt het eruit.
Erlendur kijkt verschrikt op. “In de brand gestoken? Hoe kom je daarbij?” vraagt hij scherp. “Niets. Nee, zomaar.” Ze buigt haar hoofd als ze een blos voelt opkomen.
Erlendur kijkt haar bevreemd aan. “Wat is er?” Hij gaat langzamer lopen.
Waarom zegt ze het niet gewoon? Waarom vertelt ze hem niet van haar droom? Het is immers niks om zich voor te schamen, ze is een Draumann en hij moet weten dat ze dromen heeft – maar iets houdt haar tegen.
“Er is echt niks. Het kwam gewoon zomaar in me op, ik heb eens een jongen gekend die een paar dorpen verderop woonde, en dat dorp is in de brand gestoken. Vandaar.”
Erlendur kijkt haar aan. Ze kijkt in zijn geitenogen en rilt even – nu pas ziet ze hoe ondoorgrondelijk ze eigenlijk zijn. Dan scheurt hij zijn blik van haar los en begint weer sneller te lopen, in zijn oude tempo. “Nee, mijn dorp is niet verbrand. Tegenwoordig worden er wel meer dorpen verbrand; vooral die onder de bergen, bij het meer. Dat is waar de Óvinur de meeste dood en verderf zaaien. Ze steken de dorpen in brand en vermoorden alle inwoners. Ook de vrouwen en kinderen.” Hij zucht. “Ik woonde in een dorp iets verder van het meer. Ik ben een vondeling, eigenlijk net zoals jij. Alleen waren ze in mijn dorp niet zo blij met een faun. Ik zou ongeluk brengen; de oogsten zouden verpest worden door mijn invloed, de kinderen zouden ziek worden door mijn aanwezigheid. De mensen vonden elke keer wel weer iets om mij de schuld van te geven.
De mensen bij wie ik opgroeide zijn altijd goed voor me geweest en hebben me altijd in bescherming genomen. Maar ik kon daar niet blijven zoals hun andere kinderen, die de boerderij en het land over hebben genomen van hun ouders. Ik heb me nooit echt de schuldige gevoeld van die rampen, maar ik dacht dat het fijner zou zijn om ergens anders opnieuw te beginnen. Daarom ben ik naar het hof gegaan, in de hoop daar een nieuw leven op te kunnen bouwen. En dat is gelukt. Ik werd bode van de koning, en kreeg jouw aangewezen om op te letten. Dat is me al die jaren goed afgegaan moet ik zeggen, want nu loop je hier. Nu kunnen de andere Draumann en koning Gramur je eindelijk zien.” Hij glimlacht.
Dus Erlendur is ook een vondeling. Waarom zouden zijn ouders hem te vondeling gelegd hebben? Misschien dachten ze dat hij beter af was bij de mensen, maar dan hadden ze het dus mis. Zijzelf is ook nooit echt goed geaccepteerd onder de mensen uit haar dorp, maar ze hebben haar nog nooit ergens de schuld van gegeven. Ze kan het zich heel goed voorstellen dat Erlendur naar het hof is gegaan om een nieuw leven op te bouwen, zij had waarschijnlijk niets anders gedaan.
Zo lopen ze een tijdje in stilte door. Af en toe hoort ze Erlendur zacht een vreemd deuntje neuriën.
“Ik denk dat het zo tijd wordt voor onze middagrust.” Erlendir kijkt naar de zon. “Als we zo een goed plekje vinden gaan we daar even zitten, liefst in de schaduw.”
Ze kijkt om zich heen. De bodem is hier nog wat rotsachtig en aan de rechterkant van de weg zijn de wanden hoog en stijl. Aan de linkerkant staan meer bomen, maar de grond nodigt niet uit tot zitten.
De weg voor hen maakt een scherpe bocht naar rechts, om een groep rotsen heen. Daarachter blijken meer bomen te staan; ze ziet hier en daar wat grasplekken. “Misschien kunnen we hier gaan zitten?” vraagt ze. Erlendur kijkt om. “Verderop is een beekje. Daar kunnen we beter rusten.” Hij loopt weer door. Ze volgt hem en zucht; wat loopt hij toch altijd snel. Plots ziet ze tussen de bomen iets bewegen. Ze stopt. Nu ziet ze niks meer; vast een vogel of een ander dier. Toch voelt ze zich niet helemaal op haar gemak.
Erlendur heeft niks gemerkt en loopt al een stuk verderop. Ze begint te rennen en als hij haar voetstappen hoort draait hij zich om. Plots ziet ze achter hem een gedaante opduiken: “Erlendur!” ze remt af en schreeuwt. “Erlendur!”
Hij trekt zijn dolk uit de gordel en draait zich bliksemsnel om. Ze ziet hoe hij uithaalt maar de gedaante pareert zijn dolk handig en duwt hem weg.
Ze staat aan de grond genageld van angst maar weet zichzelf te beheersen en stormt naar voren. Plots ziet ze nog meer gedaantes tevoorschijn komen tussen de bomen en ze voelt hoe ze wordt vastgegrepen – ze probeert zich los te wringen en slaat om zich heen, maar iemand houdt haar armen zo stevig vast dat ze tenslotte alleen nog maar hulpeloos spartelt als een vis in een net.
Ze ziet hoe de mannen in een kring om Erlendur en haar heen staan. Twee van hen houden Erlendur in bedwang, een ander heeft zijn dolk vast.
Een man loopt langzaam de kring rond en laat zijn blik eerst op haar rusten, en dan op Erlendur. Die kijkt zonder een spier te vertrekken terug.
“Zo. Erlendur, een oude bekende.” De man draait zich nu om naar Alrún. “En is dit onze kleine Draumann?”
Haha, weer een erg goed stukje!