September schreef:Mooi stuk, het einde maakt me erg nieuwschierig.
Vind het erg knap dat je zo'n verhaal kunt verzinnen. Berust het ook op een waargebeurd verhaal?
Dankje!
Geen waargebeurd verhaal hoor.
Ik heb gewoon veel fantasie
Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek
September schreef:Mooi stuk, het einde maakt me erg nieuwschierig.
Vind het erg knap dat je zo'n verhaal kunt verzinnen. Berust het ook op een waargebeurd verhaal?


Nanna schreef:heb net even alles gelezen het is echt super goed! krijg er kippenvel van! ik wacht op het volgende stuk

Citaat:Hoofdstuk 4
Have you ever tried to put your life into a photograph? What did it look like? Black and white or colourful?
Een knallende koppijn maakte zich meester van Roos. Ze opende haar ogen een stukje en tilde haar hoofd op, ze zag dat ze in een donkere kamer lag. Opgelucht liet ze haar hoofd weer in de dikke kussens zakken en viel ze weer in slaap.
Niet veel later schrok ze weer wakker van een deur die voorzichtig open ging.
Een onbekende stem praatte tegen haar ouders, maar ze leek haar ogen niet meer open te krijgen. Laat staan dat ze ook maar een woord kon uitspreken.
“Roos heeft een behoorlijke hersenschudding, u mag van geluk spreken dat ze een goede cap op had, het is een harde klap geweest op de bevroren grond.”
“En verder?” Een zakelijke vraag klonk uit de mond van haar vader.
“Een dubbele beenbreuk in het linkerdijbeen, we zullen haar moeten opereren en het been zetten, met behulp van ijzeren plaatjes. Ze krijgt morfine tegen de pijn in haar been, en zodra er een operatiekamer beschikbaar is, zal ze worden geopereerd.”
“Is dat niet gevaarlijk met die hersenschudding?” Klinkt haar moeder ongerust.
“Nee mevrouw, Roos wordt onder narcose gebracht en zal dus niet horen en zien. Haar hoofd heeft dus gewoon rust tijdens de operatie.”
“Oké.” Haar moeder klinkt opgelucht.
Roos wil haar hand optillen, om te zwaaien en aan te geven dat ze wakker is.
Maar ze valt in slaap na vele pogingen.
Het volgende moment dat ze weer wakker wordt, ligt ze nog steeds op dezelfde donkere kamer, maar is de hoofdpijn over. Ze lijkt minder moe en kan haar ogen openen.
In de hoek bij het raam staat een stoel, ze ziet haar moeder zitten. De ogen gesloten, haar mond half open. Ze slaapt.
“Mam.”
Maar haar moeder wordt niet wakker van Roos’ gefluister.
Roos kijkt op haar nachtkastje, er moet toch iets liggen wat ze op de grond kan gooien, zodat haar moeder wakker wordt.
Haar knuffel staat er, helaas maakt die niet echt veel lawaai. De knuffel op haar moeder gooien wordt lastig, er zit een infuus in haar hand.
Dat wordt dus wachten.
Hoe laat het was, was ook niet duidelijk, Roos keek om zich heen, op zoek naar een klok.
Op dat moment komt er een verpleegster binnenlopen.
“Hoe laat is het?” Fluistert Roos de verpleegster toe.
“Het is half 11 ’s avonds.” Antwoord de verpleegster.
“Ssst! M’n moeder slaapt!” Sist Roos de verpleegster toe.
“Sorry.”
In de hoek bij het raam komt iemand in beweging. Haar moeder wordt wakker.
“Zie, nu heb je d’r wakker gemaakt!”
“Roos!”
“Ssssst!” Klinkt de verpleegster nu waarschuwend naar haar moeder toe. “Ze moet rust hebben, niet te veel lawaai om haar heen.”
“Hoe gaat het met je? Heb je pijn?”
“Het gaat wel, klein beetje hoofdpijn.”
“Weet je wel hoeveel geluk je hebt gehad met die cap? Je hebt een behoorlijke hersenschudding en een dubbele beenbreuk in je linkerdijbeen.”
“Weet ik. Ik hoorde jullie praten, maar ik weet niet wanneer dat was.”
“Je was wakker?”
“Ja, maar ik kreeg mijn ogen niet open. Ik was moe.”
“Hoe ben ik hier eigenlijk gekomen? Is Papillon naar huis gegaan?”
“Een fietser heeft de ambulance gebeld en is bij je gebleven. Hij heeft zijn adres opgegeven bij de ambulance. En is weer naar huis gegaan. Hij zou nog langskomen deze week, want zijn dochter ligt ook in het ziekenhuis. Hij wil nog graag weten hoe het met je gaat. Hij heeft ook de dierenarts gebeld voor Papillon, heeft gewacht tot die hem overnamen. En toen is hij naar huis gegaan, om ons te bellen, want hij moest ons nummer opzoeken in de telefoongids.”
“Hoe is het nu met Papillon?” Vraagt Roos geschrokken, ze herinnerde zich ineens weer wat er was gebeurd.
“De dierenarts heeft hem afgevoerd naar de kliniek. Daar zijn foto’s gemaakt en hij heeft een gelukkig alleen maar een breuk in het kootbeen. Een keurige rechte breuk. Hij wordt op dit moment geopereerd, en de breuk wordt gezet, net als met jouw been is gebeurd. Hij krijg gips om en voorlopig boxrust. Het komt dus wel weer goed met hem.”
Er gleed een last van Roos af. Het was goed om dit te horen.
“Gelukkig maar.” Glimlachte ze.
“Alleen voordat je weer gaat rijden, moeten we een nieuwe cap aanschaffen. De cap is bij die klap in twee stukken gebroken.”
Roos zet grote ogen op wanneer ze dit hoort.
“Echt waar?”
“Echt waar! Als je geen cap had gedragen was je er een stuk ernstiger aan toe, of misschien niet eens meer hier.”
Roos mocht van geluk spreken, maar was ze ook blij met het geluk dat haar toe was gekomen?
Toen haar moeder weg ging, om haar vader te bellen, viel Roos weer als een blok in slaap. Ze was vermoeid van al het praten.
Al na een week mocht Roos weer naar huis. Ze kreeg thuis wel een bed in de woonkamer, want lopen kon ze nog niet, zeker niet met 15 kilo gips om haar been. Er was ook een rolstoel gekomen van het Groene Kruis. Zodat haar ouders haar zo nu en dan mee konden nemen naar buiten.
Op die momenten genoot Roos zichtbaar. Op een veldje in het park gooide ze vanuit haar rolstoel met stokken en ballen voor de hond. Hij bracht ze vrolijk elke keer retour.
Ook wilde Roos elke dag even bij de paarden kijken, en altijd bracht iemand haar in de rolstoel, Papillon knapte snel op. Al na een maand boxrust mocht het gips eraf, hij moest nog 2 weken volledig boxrust, en zou daarna weer voorzichtig aan gaan revalideren.
Thuis zat ze meestal tv te kijken, haar ouders namen vaak een film voor haar mee. En door dit ongeval kon Roos niet achter de computer. Haar ouders waren de hele dag aan het werk, en Fleur en Iris waren naar school. Overdag was Roos dus alleen, ze kreeg een laptop van haar ouders om zich door de dagen heen te slaan.
Een keer in de week kwam er een leraar langs, om het huiswerk te bespreken en zo nu en dan werd er een toets afgenomen.
Roos wilde koste wat het kost niet achter raken met school, en op deze manier kon ze ook nog de tijd doden. Bovendien zit niemand voor z’n lol twee maanden thuis.
Na die twee maanden thuis te zijn geweest, mocht Roos weer naar school. Ze kon zich inmiddels goed bewegen op krukken. De rolstoel was niet meer nodig. Het gips was inmiddels verwijderd, en Roos ging elke week 3 keer naar de fysiotherapeut voor revalidatie. Het bot was snel geheeld, maar het been was volledig verslapt.
Op school was er maar weinig veranderd, maar dolblij was Roos toen ze eindelijk weer naar school mocht. Twee maanden lang had ze Ruben niet gezien, niet heel verwonderlijk. Hij woonde namelijk een aantal dorpen verderop. Van Fleur en Iris had ze ook weinig gehoord over Ruben, ze had wel naar hem gevraagd. En hen gedwongen te vertellen wanneer er iets gebeurde in de klas. Doodsbang dat Manon met Ruben aan zou pappen.
Maar Manon had niet eens meer toenadering tot hem gezocht, als ze Fleur en Iris moest geloven.
De eerste schooldag was erg vermoeiend geweest. Iedereen wilde weten wat er gebeurd was. En elke leraar vroeg hoe het met haar ging, en of ze de schooldag wel volhield.
Roos glimlachte braaf, zei dat het goed ging en dat ze blij was weer op school te zijn.
Van opletten kwam weinig, en ze werd dan ook regelmatig gewaarschuwd. Gelukkig lieten de leraren het maar bij hoe het was. Roos had geen achterstand opgelopen.
Het moment dat ze die ochtend op school kwam, dacht Roos nog blij aan terug.
Toen ze aan kwam rijden, bij haar moeder in de auto, zag ze hem over het plein aankomen. Haar hart maakte een sprongetje, er was weinig veranderd aan hem.
Hij lachte vriendelijk naar haar, toen ze uit de auto stapte.
Ze stapte uit de auto en verplaatste zich naar de ingang, waar Ruben de deur voor haar open hield.
“Hey, dankjewel!” zei Roos opgewekt.
“Geen probleem mankepoot! Eindelijk weer op school, na je lange vakantie?”
“Ja, gelukkig wel. Ik verveelde me kapot thuis!”
“Dat wil ik wel geloven!”
En samen liepen ze naar het lokaal, waar ze les hadden.
Die avond dacht Roos aan wat er een paar dagen geleden was gebeurd.
Een paar dagen voor haar eerste schooldag ging de telefoon. Het was de voor Roos nog onbekende man die haar had gevonden op tweede Kerstdag.
Hij wilde weten of hij die avond kon langskomen, om even te kijken hoe het met haar ging.
Roos was er blij om, ze wilde de man bedanken.
“Sorry dat ik je in het ziekenhuis niet meer heb bezocht, maar mijn dochter mocht vervroegd naar huis.”
“Geeft niet, ik was toen toch niet echt fit en gezellig om mee te praten.” Grinnikte Roos.
De man stelde zich voor als André Visser, ze herkende hem wel. Hij was de fietser die naar haar had gezwaaid toen ze met Angelo een buitenrit had gemaakt, aan het begin van het schooljaar.
Zijn dochter was van Roos haar leeftijd, maar lag al maanden ziek op bed, en zo nu en dan voor onderzoeken in het ziekenhuis. Ze leek eindelijk op te knappen, een nare bacterie had zich meester gemaakt van het meisje. En de artsen hadden alles gedaan wat ze konden, met een goed resultaat.
Het meisje hoopte het komende schooljaar weer terug te kunnen naar school, toevallig zat ze ook op het Endescollege. Roos wilde haar graag ontmoeten na alles wat ze van André had gehoord.
Roos hoopte dat ze bij het meisje in de klas zou komen. Ze zou het derde jaar straks opnieuw gaan beginnen.
Moe maar voldaan valt Roos in een diepe slaap.


krijg er de hele tijd kippenvel van..


Ik blijf het wel lezen denk ik
het leest echt lekker!