Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek
Ik kom natuurlijk op het punt aan waar ze eigenlijk is. In de bergen. Helemaal alleen. Maar dan gaat er iets spannends gebeuren en dat ga ik nog niet vertellen
Anders is het niet spannend meer
Komt er gauw een nieuw stukje?
Citaat:Er zat een klein muurtje om de achtertuin. Het was hoogstens 70cm hoog. Het was de enige manier om redelijk ongezien naar binnen te gaan. Alleen zat er geen hekje. Dus moest ik dit muurtje samen met Aver springen. Ik reed er vol goede moed op af, maar net voordat ik over het muurtje wilde springen rende een bediende naar buiten. Aver schrok en maakte een noodstop voor het muurtje waardoor ik over zijn nek viel en aan de andere kant van het muurtje, voor de voeten van de bediende landde. Ze keek een beetje verbaasd naar mij en zei: ‘’ik maakte me zorgen prinses, ik wist niet waar u was. Het spijt me dat ik u zo liet schrikken, maar laat ik u eest even helpen opstaan.´´ Ze pakte me bij mijn arm en zette me weer op mijn voeten. ´´Ik zal uw pony even pakken en via de normale weg naar stal leiden. Waarom wilde u eigenlijk over dit muurtje springen?´´ ´´Ik..uhh…..ik wilde kijken of ik ook over een wat hoger muurtje kon springen. Ik heb eigenlijk alleen maar over lagere hindernissen gesprongen.´´ Gelukkig zeg. Ze had nikst door. `´Maar had dat dan gezegd prinses, dan had ik u kunnen helpen. Stap nog maar een keer op, dan zal ik je bij deze sprong helpen.´´ Ik klom over het muurtje en stapte op Aver. De bediende pakte een paar rechte takken en legde ze voor de sprong. ´´Zo kunt u de afstand wat beter inschatten prinsen. Als een vanaf daar aan komt rijden.´´ Ze wees naar pad dat in een bochtje naar de muur liep. Ik reed er rustig naar toe en draaide aan het eind om. ´´Oke, galoppeer nu rustig aan en zorg dat je in het midden van de takken blijft.´´ Ik galoppeerde aan en reed op de sprong af. Eerst recht over de takken en sprong toen over het muurtje, waarna ik tot stilstand kwam in de tuin. ´´Dat was een perfecte sprong prinses. Heel goed gedaan. Wilt u nog een keer?´´ ´´Nee bedankt. Ik wil mijn pony niet te veel vermoeien.´´ ´´Hij ziet er inderdaad moe uit zeg. Wat hebt u allemaal gedaan?´´ ‘’Gedaan? Oh, gewoon wat rondgereden.’’ ‘’Dan is het goed. Zal ik uw pony op stal zetten?’’ ‘’Nee, dat doe ik wel.’’ Na deze woorden stapte ik af en liep naar de stallen toe. Ik leidde mijn paard de stal in, zadelde hem af en liep naar het paleis. Daar zag ik mijn moeder in de studeerkamer zitten. Maar ik bedacht me dat ik haar niet meer als moeder moest zien maar als vijand. Dus in plaats van de studeerkamer in te lopen om met mijn moeder thee te gaan drinken liep ik de marmeren trap naar mijn slaapkamer. Daar ging ik aan mijn bureau zitten. Ik pakte een stuk perkament en een ganzenveer met een potje inkt en begon te schrijven.
Het werd een hele lijst met vragen waar ik geen antwoord op had. Ook had ik de voorspelling, in ieder geval het deel dat ik nog onthouden had, opgeschreven. Toen ik klaar was vouwde in het perkament op en stopte het in een leren zakje dat ik met een touwtje om mijn hals hing. Ik moest nog meer doen. Namelijk voorbereidingen voor mijn reis treffen. En mijn vader……wat zal hij wel niet denken als hij hoort dat ik hem achterna ben gegaan. Misschien krijgt hij het nooit te horen. Daar hoopte ik maar op want ik zou mijn vader heel veel pijn doen als hij het wist.
Drie dagen later had ik al heel wat voorbereidingen getroffen. Ik had natuurlijk nog steeds mijn aantekeningen in het buideltje zitten dat om mijn nek hangt, maar ik had ook alvast een zak met een mes, wat gedroogd voedsel, wat kleren en een ganzenveer, inkt en perkament. Nu moest ik nog een kaart hebben. Ik wilde namelijk zo snel mogelijk weg van mijn moeder.
De volgende dag zaten mijn vader en moeder in de tuin te eten. Nu kon ik ongemerkt een kaart een kaart uit de studeerkamer pakken. Ik liep door de gang en hoopte dat mijn ouders me niet zouden ontdekken. Op mijn tenen sloop ik de studeerkamer in. De kaarten lagen in de achterste kast. Maar er lagen zo veel kaarten. Welke had ik nodig? Ik schoof wat kaarten opzij en toen zag ik iets vreemds liggen. Het was een klein kistje. Ik pakte het voorzichtig op en maakte het open. Het was van binnen bekleed met paars zijde. En er lag iets vreemds in. Het was een zilveren ster met ingelegde diamanten. Ik nam het in mijn hand. Het was volgens mij echt zilver want het was redelijk zwaar in verhouding tot zijn gewicht. De ster schitterde toen ik er een zonnestraal op liet vallen. De weerkaatsing in het zilver en de diamanten was nergens anders mee te vergelijken. Het was schitterend. Maar toen bedacht ik me dat ik daar niet voor gekomen was. Ik moest een kaart hebben. Ik zette het kistje weer terug ik de kast en ging verder met zoeken naar een goede kaart. Daar zag ik een kaart van het elfenland. Maar als ik nou verder zou reizen? Dan had ik niks aan deze kaart. Ik moest een kaart hebben waar niet alleen het elfenland maar ook alle omringende landen opstonden. Dus legde ik deze kaart terug en pakte een andere. Op de kaart stond: ‘’elfenland en omringende landen.’’ Die moest ik hebben. Ik nam hem uit de kast en legde alles weer op zijn plek zodat het niet leek dat er een kaart weg was. Ik ging met de kaart naar mijn kamer en gelukkig zag ik niemand en hopelijk zag niemand mij. De kaart borg ik op in de zak waar de rest van de spullen ook aan zaten. Toen ging ik aan mijn bureau zitten om nog wat op de schrijven. Het waren vooral vragen waar ik geen antwoorden op had, maar ik had er ook nog opgeschreven wat ik moest doen voor ik op reis kon gaan. Ik moest nog meer dingen verzamelen en dan vooral informatie over mijn reis. Ik had vervoer nodig. Aver zou mijn trouwe reispartner worden. Verder mocht ik met niemand reizen. Dat kon nog wel eens heel gevaarlijk zijn. Diegene zou mij kunnen uithoren en dan alles aan de vijand vertellen. En die vijand was mijn moeder bedacht ik me voor de zoveelste keer met een schok. Dat mocht ik niet meer bedenken dus haalde ik het stukje perkament uit het buideltje en schreef ik er nog bij: de vijand is niets meer dan de vijand. Daarna borg ik het weer veilig op in het buideltje.
Mijn ouders zaten nog steeds in de tuin. Dus ik liep door naar de bibliotheek waar ik in een van de grote stoelen ging zitten om na te denken. Ik had al best veel spullen. Maar waar moest ik precies heen. Het enige dat ik wist was vluchten. Ik wil ergens anders heen ver van mijn m…… Ik herinnerde me gelukkig wat ik had opgeschreven en zei toen hardop: ‘’Ik wil ergens anders heen. Ver van mijn vijand.’’ Dat klonk in ieder geval beter. Maar ik moest toch ergens heen. Ik wist niet eens wat de voorspelling precies zei. Dus besloot ik om nogmaals naar boven te gaan en de kaart te bestuderen.
De kaart legde ik opengeslagen op mijn bed neer en bekeek waar ik heen kon vluchten. Ik pakte een ganzenveer en zette een stip waar ik nu was. Nu moest ik een veilige route kiezen, zodat niemand mij zag vluchten. Het beste kon ik dan naar het oosten rijden. Daar waren bergen die niet al te moeilijk begaanbaar waren, maar waar je je wel goed kon verstoppen. Het was maar een heel klein gebergte zag ik op de kaart dus daar kwam ik redelijk snel door heen. Op de kaart stonden ook paden getekend die snel naar de andere kant van het gebergte lijden. Dus koos ik een kort pad uit en zetten daar ook weer een stip op. Maar als ik vroeg in de ochtend zou vertrekken zou ik ’s avonds pas door de bergen zijn. Ik moest dus een slaapplek vinden aan de andere kant van het gebergte. Maar er waren geen dorpen aan de andere kant. Alleen wat kleine gehuchtjes waar wat boeren woonde. Daar kon ik vast wel een slaapplek vinden. Alleen zouden ze me vast herkennen. Dat moest ik dus niet doen. Waar kon ik dan slapen? Alle boeren zouden me herkennen als de prinses. Ik kon niet bij iemand slapen. Ik moest dus onder de sterrenhemel slapen. Dat leek me niet echt een fijn idee. Wie weet wat er kan gebeuren. Maar er konden nog veel ergere dingen gebeuren als ik hier bleef. Dus besloot ik toen toch maar om onder de sterrenhemel te gaan slapen. Ik moest niet in het open veld gaan slapen. Zo kon iedereen mij zien. Maar ook niet in het bos. Wie weet wat daar leefde. Ik kon het best aan de rand van het bos gaan slapen. Zo had ik bescherming in het open veld. Maar lag ik niet tussen de wilde dieren. Als ik toen wakker werd moest ik weer verder. Ik keek weer op de kaart waar ik heen kon. Het pad uit de bergen liep verder naar het oosten. Het was een redelijk recht pad dat door een paar dorpen liep. Wel zou ik daar snel gezien worden. Het was een heuvellandschap maar er was verder geen bos meer in de buurt. En wat als ik in de dorpen was? Zouden ze me herkennen? Of zouden ze niet weten wie ik was? Ik moest maar hopen dat de boeren mij niet herkende. Ik kon ook om de dorpen heen rijden. Zo zou ik de minste mensen tegenkomen en liep ik het minste gevaar. Ik zette dus een stip op het pad en zette een pijltje rond de dorpen die ik tegenkwam. Toen zag ik dat er een rivier was. Er was geen brug op de kaart te zien. Hoe moest ik daar nou weer overheen. Aan de overkant van de rivier had de kaart in een keer een andere kleur. Dat was waarschijnlijk een ander land. Dan moest ik ongezien de rivier over zien te komen. Misschien kon ik er wel door heen. In ieder geval kon ik mijn reis niet verder plannen. Ik borg alles op en nam het mee naar beneden. Maar nog voordat ik helemaal beneden was hoorde ik een enorme herrie op de binnenplaats. Paardenhoeven roffelden, mensen schreeuwden en er vielen dingen om. Ik vloog de trap af en rede door de buitendeur naar de binnenplaats. Daar zag ik een enorme chaos. Alle paarden rende in paniek over het erf. Bediendes probeerde ze bij elkaar te drijven en rende met touwen heen en weer tussen de paarden. Mijn vader stond bij de stallen en stuurde mensen aan om de paarden zo snel mogelijk te vangen. Ik stond nog helemaal verbaasd naar het schouwspel te kijken toen de deuren naar de straat open vlogen. Hierdoor ontstond er een nog grotere chaos. De paarden rende naar door de deuren de straat op. Toen zag ik mijn pony. Hij rende in paniek recht op me af. Gelukkig had hij nog niet gezien dat de deuren open waren. Ik zette een stap opzij om mijn pony door te laten en toen hij bij me was greep ik hem bij zijn manen. Hij sleurde me mee de voordeur door waar ik nog steeds voor stond, het huis in. In de snelheid had ik mijn been over zijn rug kunnen slaan en we galoppeerde nu als een dolle door het huis richting de galerij die uitkwam op de achtertuin. Ineens wist ik het. Nu kon ik vluchten. Ik had de tas met spullen voor mijn reis om mijn schouder en ik had mijn pony. Niemand die me zag. Zo kon ik vluchten. Toen galoppeerde Aver de achtertuin, dwars door de moestuin naar het muurtje. Nu niet twijfelen dacht ik en Aver dacht volgens mij hetzelfde. Hij zette af en we zweefde over het muurtje. Toen we net aan de andere kant van het muurtje geland waren en Aver door galoppeerde, hoorde ik achter me geschreeuw. Het was mijn vader die riep: ''pas op! Haal die paarden nu direct uit mijn hius!'' De rest v an de paarden hadden blijkbaar Aver's voorbeeld gevolgd en waren door de deuren het huis binnen gerend. Ze moesten niet achter ons aankomen. Dan zou mijn plan helemaal mislukken. Ik keek snel achterom en zag dat de achterdeuren naar de tuin gesloten werden. De paarden waren gevangen en ik kon vluchten. Aver galoppeerde door over een pad dat naar het zuiden leiden, maar ik moest naar de bergen in het oosten. Aver had geen hoofdstel of zadel en het enige war ik me aan kon vasthouden waren zijn manen. Alleen het probleem was dat daar niet mee te sturen viel. Gelukkig was daar een rivier. Ik zag zo snel geen brug dus Aver zou daar wel moeten stoppen. Het was ook te breed om over heen te springen. En ik kreeg gelijk. We kwamen met een noodstop voor de waterkant terecht. Door de klap lande ik op Aver's nek en liet me er toen afgeleiden. Nadat ik was opgestaan greep ik Aver bij zijn manen. Wat moest ik nu. Ik stond hier met een pony zonder hoofdstel en ik wilde op reis. Misschien was dit hele plan toch niet zo’n goed idee. Wat moest ik nu? Ik was nog maar een kind. Ik voelde me eigenlijk heel eenzaam. Er was niemand die mij kon helpen. Maar ik moest sterk zijn. Ik kon dit best zelf. Terwijl ik Aver bij zijn manen vast hield haalde ik uit mijn tas een touw. Hier kon ik wel een hoofdstel van maken. Ik legde het om het hoofd en toen bond ik het om de neus. De stukken die ik aan beide kanten over had kon ik als teugels gebruiken. Dus ik bond ze aan elkaar en sloeg ze over de nek. Maar nu had ik nog geen zadel. Ik kon wel zonder zadel rijden maar het leek me toch prettiger om een zadel te hebben. Daar moest ik nog een oplossing op bedenken. Ik keek dus nogmaals in mijn tas. En het enige bruikbare dat ik zag was een grote deken. Eerst sneed ik er een reep stof af. Dat kon ik om het touw rond de buik doen. Dat zou minder schuren. Toen legde ik de deken over Aver’s rug. Het touw legde ik boven op de deken en haalde deze onder de buik door waar ik de reep stof erom heen draaide. Ik legde er een stevige knoop in. Zo, nu had ik niet alleen een hoofdstel maar ook iets om op te zitten en ook al zaten er geen stijgbeugels aan het zou toch iets comfortabeler zitten.
