Kate schreef:Een brandende zon staat bovenin de blauwe lucht die vervuild is door rook en opwaaiend zand en stof. Doffe voetstappen klinken, het geknetter van brand, schreeuwen van pijn, schoten en bommen. Mijn zware tas slaat bij iedere pas tegen mijn bovenbeen aan, maar het weerhoudt me er niet van om zo hard als mijn benen me kunnen dragen door te rennen. Het geratel van de automatische geweren klinkt, wat Bram en mij naar de grond doet duiken.
“Sjit! Verdomme veel te dicht bij!”, vloek ik.
“Zolang je ze maar hoort en niet voelt”, Bram pakt mijn arm en trekt me een steegje in, waarna de kogels vlak achter me in de muur slaan.
Ik kijk even zonder adem te halen naar de rij gaten in de muur, waarna ik mijn rug tegen de kleien wand aan druk. Ik sluit mijn ogen en kijk even naar Bram, realiserend dat hij zojuist mijn leven had gered door me de steeg in te trekken. Ik haal mijn camera handig tevoorschijn en schiet een foto van de rij inslagen, met schietende opstandelingen op de achtergrond.
“God, laat ons hier uitkomen”, bid Bram zacht.
“Sinds wanneer ben jij Christelijk?”, vraag ik nog buiten adem.
“Sinds nu”, even grijnst hij.
“Ik zou maar uitkijken met je geloofsovertuiging in deze stad”, mompel ik.
“Of je nou moslim, christelijk, jood of ongelovige bent, het is toch nooit goed”, zegt Bram met een zucht.
Even zeggen we niks, we luisteren naar het geluid van gevecht, het geluid van oorlog. Alleen onze onrustige ademhaling is hoorbaar. Ik kijk naar de hemel, de zon staat recht boven ons en brandt in mijn huid, het is echt warm.
“Je zei dat er in dit deel van de stad geen gevechten waren, klootzak”, ik lach zenuwachtig.
“Waren er ook niet”, hij legt zijn achterhoofd tegen de muur en laat zich naar de grond zakken.
Ik ga op mijn hurken zitten en leun tegen de muur, zodat ik elk moment overeind kan springen. Een enorme klap klinkt door de stoffige straten van Bagdad. Ik krimp in elkaar en Bram brengt zijn handen naar zijn hoofd. Steentjes vallen langs de wanden naar beneden de steeg in en de grond trilt.
“Jezus, het grote geschut is ook uit de kast”, denk ik hardop.
“SA-7ens”, zegt Bram starend.
“Wat?”, ik heb geen flauw idee waar hij het over heeft.
Ik kijk hem verbaasd aan, aan zijn gezicht is te zien dat hij het een en ander op een rijtje probeert te krijgen.
“Er moeten Amerikanen in de buurt zijn, anders gebruiken ze die niet”, concludeert Bram.
“Bram! Even wat duidelijkheid graag! Wat is SA-7!?”, vraag ik benauwd.
“SA-7ens zijn mortieren, raket aangedreven granaten. We zitten midden in een mortieraanval, snap dat dan!!”, roept hij uit.
Ik reageer niet op hem en kijk de straat in. Mijn hart klopt in mijn keel, de adrenaline giert door mijn lijf. Ik sluit mijn ogen en doe een schietgebedje, dat ruw onderbroken word door een tweede explosie die de stad op zijn grondvesten doet beven. Ik huiver even en kijk naar Bram.
“Had jij een plan?”, vraag ik.
“Hier blijven en hopen dat ze op elkaar richten en niet op ons”, stelt hij voor.
“Je wilt het uitzingen? Dit kan dagen duren! Weken!”, roep ik uit.
“Had je een beter idee? We kunnen natuurlijk ook dwars door de vuurlinie rennen, onderschept, gegijzeld en geëxecuteerd worden, jouw feestje!!”, hij kijkt me doordringend aan.
Ik voel dat ik wit wegtrek, voor het eerst zie ik wanhoop en paniek in Bram’s ogen, iets wat tot dit moment ongekend leek voor hem. Hij wordt nooit ongeduldig met me, hij is juist altijd zo kalm en beheerst. Ik realiseer me hoe diep we in het gevecht zitten, dat er een kans bestaat dat we hier niet levend uit gaan komen. Ik kijk weer opzij naar Bram, zijn gezicht staat gespannen, bruin van het stof. Hij kijkt terug en ziet mijn angst. Zijn gezichtsuitdrukking verandert.
“Sorry dat ik uitviel”, zegt hij oprecht.
“Maakt niet uit”, zeg ik begrijpend.
“We komen er wel uit, Kate”, hij pakt mijn hand even en knijpt erin.
“Katie!”, klinkt een kinderstem verderop.
Mijn blik verstart, ik ken die stem. Bram kijkt me verontwaardigd aan voor ik omkijk. Midden in de straat staat een klein jongetje van nauwelijks vijf jaar in vodden gekleed, huilend en aan de grond genageld, midden in het vuurgevecht.
“Ashad…”, fluister ik.
“Hij moet ons gevolgd zijn”, concludeert Bram.
“Ashad!!!”, schreeuw ik hard.
Bram trekt me terug als ik intentie heb om naar de jongen toe te rennen.
“Ben je gek geworden?! Dat wordt je dood!”
“Ashad!!!”, roep ik weer.
“Stil!”, schichtig kijkt hij om zich heen of we gezien zijn terwijl hij een rukje aan mijn arm geeft.
Ashad kijkt om en ziet ons. De kleine jongen rent naar ons toe, zijn armpjes voor zich uitgestoken. Ik hurk om hem op te vangen. Dan verschijnt er uit het niets een opstandeling achter Ashad.
“Bram…”, zeg ik zacht.
“Ik zie hem”, hij trekt zijn pistool.
Twee schoten, vlak achter elkaar, echoën door de straten, alsof ze uitblinken tussen het andere oorlogsgeschut. Verschrikt kijk ik toe hoe Ashad struikelt. Hij valt op de grond, zijn wang in het zand, twee zwart bruine ogen die dwars door me heen kijken. Mijn blik glijdt over zijn ruggetje. Een gapende kogelwond is zichtbaar en doet zijn lichte kleding rood kleuren. Nog meer opstandelingen rennen onze richting in, werpen een blik op de dode Sjiiet en vervolgens op ons.
“oliebol!”, vloekt Bram die zijn pistool wegstopt, maar ik reageer niet.
Ik staar naar het levenloze lichaam van Ashad, tranen branden in mijn ogen.
“Wegwezen Kate! Kate?”, hij dringt niet tot me door.
“Kate, HEY!!!”, nu pas hoor ik Bram’s harde stem.
Verward kijk ik hem aan.
“Kop erbij houden! Doe je werk, we zijn hier niet voor niets. Je kan niets meer voor hem doen”, spreekt hij me streng toe.
Ik knik, trek mijn camera en kijk door mijn zoeker, dan druk ik op de knop…
Met een gil schiet ik overeind. Ik staar naar de muur voor me, het beeld nog steeds op mijn netvlies gebrand. Ik ben buiten adem en doornat van het zweet. Blonde slierten haar plakken op mijn voorhoofd, mijn lakens zijn klam. Het is donker in de kamer, een straal maneschijn spiekt door de gordijnen heen. Het is doodstil. Even blijf ik zo zitten, dan zucht ik diep. Het was een droom, niets meer. Een paar keer haal ik diep adem om rustig te worden, dan sta ik op. Ik loop naar het raam en open de gordijnen. De maan werpt een zilveren glans over de akkers, het ziet er zo rustig uit, alles slaapt. Die ene foto, die ene foto van Ashad… Het was geen bizarre onzin droom die ik ook wel eens heb. Dit was echt, Ashad was echt gedood, die foto is echt gemaakt. Ik kijk naar de cameratas die op het tafeltje naast de deur staat. De foto staat op het laatste rolletje, niet lang daarna zijn we geëvacueerd. Ik loop naar de andere kant van de kamer en haal liefdevol mijn camera uit mijn tas. Ik ga ermee op de rand van mijn bed zitten en kijk ernaar. Met mijn duim wrijf ik het stof van haar af, waarna Nikon verschijnt. Mijn allereerste camera, al minstens twintig jaar oud, gekregen van mijn opa. Het is de camera waar ik enorm veel waarde aan hecht. De camera waar ik het Grafisch Lyceum mee doorgeworsteld heb, waar ik vakanties, dierbaren, werk en nu ook een oorlog mee gefotografeerd heb. Onvervangbaar, kostbaar, en toch neem ik haar overal mee naartoe. Ik klik de achterkant open en haal het rolletje eruit. Dan sta ik vastbesloten op, leg de camera terug in de tas en loop met het rolletje in mijn vuist de donkere kamer binnen. Ondanks dat het aardedonker is weet ik uit routine precies waar alles ligt. IJverig als altijd begin ik het ontwikkelproces. Handig haal ik de film uit de huls en draai haar op de rol, om vervolgens chemicaliën toe te voegen zodat de negatieven zichtbaar worden. Ongeduldig schud ik het bakje met de film en de vloeistof door elkaar en hou het vervolgens weer een periode stil. Dit herhaal ik, ongeduldig ijsberend door de doka. Dan haal ik de rol eruit en hang de strook negatieven in het drooghok. Ik zucht, nu is het wachten. Ik pak mijn ochtendjas van de haak en loop de trap af terwijl ik hem aantrek. Beneden maak ik een mok warme melk klaar en doe aanstalten om op de bank te gaan zitten.
“Zou ik niet doen als jou was”, klinkt Shanna’s stem vanaf de trap.
Ik kijk haar even verbaasd aan, link dan terug naar het gesprek over de keuken, de bank en de koelkast eerder deze week en schud lachend mijn hoofd.
“Kan je niet slapen?”, vraagt ze voordat ze languit op de bank gaat liggen, ik haar overdreven walgend aankijk en zij vervolgens overdreven haar tong uitsteekt.
“Nee, niet echt”, antwoord ik afwezig.
“Jij?”
“Oh, ik wel hoor, het is meer dat ze in 1900 toen ze deze krot gebouwd hebben nog nooit van geluidsdichte vloeren hadden gehoord”, beklaagt ze zich.
“He, niet spotten met mijn huis. En trouwens, who cares? Ik ben toch alleen als ik jou niet over de vloer heb”, ik haal mijn schouders op.
“Moet je toch maar eens wat aan gaan doen, nog mogelijke slachtoffers?”, vraagt Shanna plagend.
“Twee zelfs”, grijns ik triomfantelijk.
“Zo zo, nieuw record, niet?”, pest ze.
Een kussen vliegt door de kamer en belandt in haar gezicht, ik proest het uit.
“Vertel”, geïnteresseerd gaat ze ervoor zitten.
“Bram…”
“Aha! Een oorlogsromance en seks op de werkvloer ineen, classy!”, reageert ze melig waarna ik mijn zin afmaak.
“en Dinand…”
“Oe! Een paardenman. Seks in de stallen, zeker aan te raden, ik spreek uit ervaring”, grijnst ze breed.
Ik rol met mijn ogen en schud mijn hoofd.
“In tegenstelling tot jou duik ik niet met iedere leuke gast het bed in”, merk ik op.
“Kate, luister. Ten eerste: zoveel leuke gasten zijn er niet in de wereld, dus van de zeldzame gevallen zal ik gebruik maken ook. Ten tweede, je buurman was pas na date twee aan de beurt en ten derde, ik duik niet in bed, ik duik in de koelkast”, zegt ze scherp.
Lachend pak ik de mok warme melk en breng hem naar mijn mond. De rust is wedergekeerd in de woonkamer en even is het stil. Af en toe een slok nemend van de melk, staar ik voor me uit. Het valt me niet op dat Shanna me al een tijdje zit te bestuderen.
“What’s on your mind, girl”, vraagt ze uiteindelijk.
Ik schrik wakker uit mijn dagdroom en kijk Shanna even verdwaasd aan. Haar blik is serieus, een vrij zeldzaam en weinig voorkomend moment.
“Niks, niks bijzonders. Ik zat gewoon een beetje te dubben over de afgelopen tijd, wat ik heb meegemaakt…”, ik pauzeer even.
“Wat heb je meegemaakt?”, vraagt Shanna met nadruk.
“Gewoon, die oorlog enzo…”, zeg ik vaag.
“Nee, niet “gewoon”, Kate. Een oorlog is niet “gewoon”. Ik heb nog nooit een oorlog meegemaakt”, ze zet door.
“Wees daar maar dankbaar voor”, antwoord ik kort.
“Maar ik wil er wel meer over weten. Het is voor jou ook goed om erover te praten”, dringt Shanna aan.
“Ik wil er niet over praten, oké?”, zeg ik snibbig.
“Wat jij wil”, ze zucht en drinkt wat van haar thee.
Het is weer stil, maar niet de fijne stilte van net. Als mijn melk op is, breng ik de lege mok naar de keuken. Terwijl ik hem omspoel, kijk ik dromerig door het raam. Dat kwam niet bepaald vriendelijk over, zeg ik in mezelf. Misschien heeft ze nog wel gelijk ook, misschien is praten wel beter, maar dat wil ik gewoon niet, het is zo vers. Ik zet de mok in de vaatwasser en loop de kleine trap op naar de woonkamer.
“Ik ga naar bed”, meld ik voor ik doorloop naar de wenteltrap.
“Best”, antwoordt ze kort.
Langzaam loop ik de trap op en werp op de overloop een blik op de doka. Ik moet die foto zien, vannacht nog, anders blijft het spoken. De droogkast gaat piepend open en voorzichtig haal ik de opgedroogde film eruit. Ik zet de flauwe lamp aan en bekijk de negatieven in het licht. Ze zien er puntgaaf uit, geen onder- of overbelichting, precies goed. Ik knip de film in vieren zodat ik ze gemakkelijk kan belichten en zet dan het licht uit. Mijn ogen hebben even nodig om te wennen aan het zwakke rode doka licht, dat niet sterk genoeg ik om de foto’s te beschadigen. Ik zoek de foto op die ik in mijn droom heb gemaakt en schuif hem in de klem, na even meten wordt de afbeelding op het fotopapier belicht. Handig haal ik het fotopapiertje met de onzichtbare foto onder het negatief uit. Dan is het even wachten, ik ijsbeer terwijl de foto gespoeld en gedroogd wordt. Eindelijk rolt de foto aan de andere kant uit het apparaat. Snel pak ik hem, loop ermee naar de andere kamer, leg hem onder de projector en zet het licht uit. Zodra ik mijn blik op de muur werp waar de foto op de muur geprojecteerd staat, lijkt mijn keel dichtgeknepen te worden. Ik bijt op mijn lip, ik knipper een paar keer met mijn ogen en dwing mezelf naar de afbeelding te blijven kijken. De foto is perfect, scherp waar de aandacht moet liggen, onscherp wat minder belangrijk is. Perfect belicht, geen onzuiverheden, geen beschadigingen, technisch helemaal goed, ideaal. Het is de situatie die zich op de foto afspeelt, wat alles behalve ideaal is. Daar ligt Ashad, voorover gevallen in de stoffige straat. Zijn hoofdje naar links gedraaid, bloed dat langs zijn mondhoek naar de grond sijpelt. Zijn donkere ogen staren me recht aan, die dode blik die ik daar veel te vaak gezien heb. Als ik langer kijk zie ik uit de schaduwrijke achtergrond sjiietische strijders komen, ook mij recht aankijkend, klaar om me te pakken. Ik sluit mijn ogen…
“Kate, weg! NU!!”, schreeuwt Bram in mijn oor.
Zo snel ik kan draai ik weg en ren zo hard ik kan achter Bram aan. Schoten klinken achter me, zo dichtbij. Er klinken kreten en schreeuwen door de straten, paniek breekt uit.
“Niet achterom kijken! Rennen Kate, RENNEN!!”, Bram’s paniekerige stem dringt vaag tot me door.
Burgers die zich in de straten verborgen hielden slaan op de vlucht met ons mee en maken me het moeilijk om Bram bij te houden. Een vrouw die huilend naast me rent, slaat tegen de vlakte. Verschrikt kijk ik naar haar levenloze lichaam en vervolgens naar achteren, waar met veel geschreeuw een stuk of zeven bewapende mannen al schietend ons op de hielen zitten.
Al struikelend ren ik een plein op, ik heb geen flauw idee waar ik ben. Ik zoek Bram, maar ik kan hem niet snel vinden. De wind wordt heftig, een hard ratelend geluid duidelijker.
“Hier!!”, klinkt Bram’s stem.
Dan zie ik hem. Half achterom kijkend rent hij naar het midden van het plein, waar een Amerikaanse gevechtshelikopter op het punt staat op te stijgen. Ik moet hem halen, dit is mijn enige kans! Als ik nu aan de grond blijf, dan is het over. Compleet in paniek ren ik voor mijn leven naar de helikopter. Blijf aan de grond, blijf alsjeblieft aan de grond! Bram blijft in de deuropening staan en strekt zijn hand uit. Hij schreeuwt naar me dat ik op moet schieten, ik ben er bijna! Dan voel ik zijn sterke grip om mijn arm en sleurt hij me de helikopter binnen…
Mijn ogen openen zich. Ik heb het gevoel of mijn hart in mijn keel zit, zweet breekt me uit terwijl ik met grote ogen naar de foto kijk. Mijn knieën worden zwak, dan breekt er iets in me. Ik kijk door mijn tranen naar de muur, terwijl ik door m’n knieën zak en op de grond ga zitten. Ik breng mijn handen naar mijn gezicht terwijl tranen door mijn vingers rollen en op het koude zeil vallen. Rustig ademhalen gaat niet, mijn schouders schokken en de tranen blijven maar komen. Waar is Bram nou? Waar is Bram als je hem nodig hebt! Ik wil zo graag dat hij nu naast me zat, hij is de enige die het begrijpt. Niemand begrijpt me nu, Shanna begrijpt het ook niet, niemand niet! Waarom gebeurt dit nou? Waarom ben ik nou alleen? En al die tijd blijf ik huilen…