Mijn nagels drukken in mijn handpalmen, de tranen stromen over mijn wangen. Het vrije gevoel dat me had overspoeld op het moment dat ik Zhad begreep, lijkt nu geen betekenis meer te hebben. Ik wíl Zhad niet. Ik hoef hem niet, ik wil de verantwoordelijkheid niet. Ik wil hem niet zien en ik wil al helemaal niet herinnerd worden aan het feit dat het jonge paard opa’s droom was.
Ik begin hardop te huilen, met een schokkende ademhaling. Mijn hele lichaam verkrampt als ik het beven van mijn handen tegen probeer te gaan. Opa zei altijd dat zijn droom uitgekomen was, met een prachtdier als Zhad. En terwijl hij die woorden uitsprak, wist ik dat hij het moeilijk vond om Zhad achter te laten.
‘Waarom,’ fluister ik voor me uit, mijn stem dik van de tranen, maar ik weet waarom. Omdat het zijn tijd was. Omdat hij het leven had geleefd.
Zo vertelde hij het me, althans. Zo zag hij het en accepteerde hij het. Waarom kan ik het dan niet accepteren?
‘O, god, waarom?’ Een klaaglijke kreet ontsnapt aan mijn lippen en mijn lichaam schokt van ingehouden tranen. Het maakt me kapot.
Ik ga eraan kapot.
Voorzichtig sluit ik de deur achter me. De planken van de veranda kraken onder mijn voeten, maar gelukkig niet zo luid als gewoonlijk. Ik loop over het pad voor het huis, pak mijn fiets uit het kleine schuurtje en fiets naar school.
Die ochtend was ik wakker geworden in de stal, waarna ik stilletjes naar boven was geglipt. Na me snel gewassen te hebben in de badkamer, had ik me aangekleed, een appel ontbeten, en mijn schooltas gepakt.
Opnieuw een schooldag.
Ik heb tegenwind, dus ik moet stevig doorfietsen om op tijd te komen. Als ik mijn fiets in het fietsenhok gezet heb, loop ik naar binnen, waar ik rechtstreeks naar onze vaste plek wandel in de aula. Floor zit er al, en geeft me een dikke knuffel als ze me ziet.
‘Je ziet er moe uit,’ merkt ze meteen op.
Ik glimlach vaagjes. ‘Het valt nu wel mee. Gisteravond zat ik er even helemaal doorheen.’
Het is zo. Nadat ik gisteravond, blijkbaar, in de stal in slaap was gevallen, was ik opmerkelijk uitgerust wakker geworden. Mijn hoofd voelde leeg, mijn tranen waren opgedroogd. Het feit dat de kalmerende geluiden van ritselend stro, snuivende paarden, en de fluitende vogels me hadden gewekt, maakte dat mijn humeur beter was. In ieder geval beter dan gisteren, wat al een hele opluchting is.
De dag verloopt rustig. Floor probeert me wat op te vrolijken en het werkt. Ik luister naar haar grapjes, lach erom, praat mee in ons groepje, word geplaagd door Niels – ook een goede vriend van me – en tot slot stem ik in om uit school mee naar Casper’s huis te gaan om daar met zijn allen een film te kijken.
Twee minuten daarna heb ik spijt.
Waarom heb ik in ’s hemelsnaam ja gezegd?
Als de laatste bel gaat lopen we met zijn allen naar buiten. Niels loopt al binnen een mum van tijd naast me, waarna hij even vluchtig een arm om me heen slaat.
‘Zo, dat verdiende je wel,’ glimlacht hij. ‘Je bent sterk.’
Ik wil er tegenin gaan, ik ben nu juist zwakker dan ooit, maar besluit hem in die waan te laten.
‘Echt waar, zoals jij je hier doorheen slaat. Ik weet hoeveel je opa voor je betekende.’
Voor de zoveelste keer vandaag knipper ik de opkomende tranen weg, waarna ik hem een duwtje met mijn schouder geef. Luchtig zeg ik: ‘Het zit wel goed, Niels.’ We laten het onderwerp verder rusten. Gelukkig.
We pakken de fietsen en gaan naar Casper’s huis. Daar aangekomen installeer ik me op de bank, met een bak chips op schoot. Ik eigen deze aan mezelf toe, tot spijt van Casper, de vreetzak. Het is gezellig.
We bevinden ons in de woonkamer, klein en knus, met lichte meubels. Floor en Niels zijn aan het vechten om de laatste lolly, terwijl ik op de bank zit te wachten en Casper ondertussen een film in de dvd-speler doet. Ik herinner me vaag dat er op school besproken is wat voor film we gingen kijken, maar weet niet meer welke film dat uiteindelijk geworden was. Het interesseert me verder ook niet erg veel. Ik zal mijn gedachten er hoogstwaarschijnlijk toch niet bij kunnen houden.
Als de film begint komt Floor aan de ene kant naast me zitten terwijl Casper aan de andere kant zit. Hoezeer ik ook probeer mijn gedachten bij de film probeer te houden, het lukt me niet. Ik doe alsof ik naar de film kijk, terwijl ik me wanhopig aan dezelfde vraag vastklampt: Waarom?
Hoewel ik me ervan bewust ben dat ik hierop geen antwoord zal krijgen, word ik er nu echter wel rustiger van. Ik denk aan opa en na een tijdje verandert de onrust die ik erbij voelde in kalmte. Onbewust glimlach ik zelfs licht.
‘Zo grappig is een moordscène niet hoor,’ fluistert Casper, doelend op mijn glimlach. Ik kijk naar hem, dan naar de televisie en zie dat er op dat moment een bloederige scène bezig is, waar ik liever niet naar zou willen kijken. Ik kijk weer van de televisie weg. ‘Dat ligt eraan. Misschien verdiende het slachtoffer het wel.’
Hij grinnikt. ‘En wie heeft dan het recht dat te bepalen?’
‘Ik.’
‘Juist ja’, knikt hij. ‘Daar heb je gelijk in.’
Ik interpreteer zijn antwoord verkeerd. ‘Hmmm? Omdat ik zielig ben?‘
‘Nee.’ Hij kijkt me glimlachend aan. ‘Omdat je zo hard kunt slaan.’
Ik schiet in de lach en prik hem zachtjes in zijn zij. Aan de andere kant van me vang ik een plagerige blik van Floor. ‘Focus, Rena. Film. Niet Casper. Film.’ Ik steek mijn tong naar haar uit.
Al een tijdje plaagt Floor mij en Casper met het feit dat we het zo goed met elkaar kunnen vinden. We kunnen urenlang kletsen en lachen altijd met elkaar. En hij plaagt me altijd wanneer ik weer eens te dramatisch reageer, waar ik de laatste tijd steeds meer de neiging tot krijg. Hij weet precies hoe hij me op kan vrolijken. Maar dat is ook echt alles. Een tijdje terug dacht ik even dat ik verliefd op hem was. Ik heb niets gezegd, gewoon gewacht, maar toen hij iets met een ander meisje kreeg, besloot ik dat het de moeite niet waard was. Ik wilde niets voor hem voelen, geen liefde en geen jaloezie. Zodoende bleven we vrienden.
Floor ziet echter spoken.
‘Mijn moeder gaat jullie haten,’ zeg ik.
‘Hoezo?’ Floor kijkt me vreselijk gekwetst aan. ‘Mij vindt ze wel aardig, Rena, lieg niet!’
Ik lach. ‘Door jullie ben ik nu niet aan het leren voor de economietoets volgende week.’
‘En dat is onze schuld? Het is een vrij land! Je bent niet verplicht om je tijd met ons door te brengen,’ zegt Niels, waarbij hij me lachend aankijkt. ‘Dus je moet ons wel erg aardig vinden, dat je helemaal hebt besloten je tijd hier te besteden.’
‘Nee hoor,’ zeg ik, ‘alles is leuker dan het leren van een economietoets.’
‘Dus we zijn geen eerste keus? Fijne gedachte,’ mompelt Casper.
Alweer lach ik, en ik moet toegeven: Ze zijn de beste vrienden die ik me maar kan wensen.
‘Gaan jullie aankomende zaterdag mee naar het feest van Matthijs?’ vraagt Niels aan mij en Floor. Bij het horen van de naam Matthijs, die me onbekend is, sla ik aan het twijfelen, maar Floor stemt al enthousiast toe.
‘Natuurlijk gaan we mee! Hoe laat is het? Ik moet overdag nog wel werken. Je wilt toch wel mee hè, Rena?’
Afijn, ze denkt ook nog aan mij. Ik haal mijn schouders op. ‘Ik weet het nog niet. Het ligt er een beetje aan hoe de situatie thuis is. En of ik zin heb.’
En Floor gaat, onstuimig als altijd, enthousiast verder met haar planning: ‘Natuurlijk heb je zin. Matthijs is toch die ene…’ Ze denkt na.
‘Precies, Floor. We kennen die hele Matthijs niet eens,’ probeer ik haar te vertellen.
‘Jawel. Hij heeft bruin haar. En een bol hoofd. Toch Niels?’
Niels en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Ik ga nu dus officieel mee naar de verjaardag van een vreemde. Maar het zal misschien wel prettig zijn er weer even uit te zijn. Inmiddels is niemand meer naar de film aan het kijken – geen wonder, het is een rotfilm – dus we zetten de tv uit, en spelen nog even een spel op de playstation. Daarna fiets ik een stukje met Floor naar huis, waarna ik mijn eigen straat in sla.