Citaat:
Ze liep met snelle passen door het winkelcentrum. Haar gezicht stond op onweer en er liepen tranen over haar wangen. Ze zag dat sommige mensen haar verbaasd nakeken, maar het kon haar niets schelen. Ze zag een leeg bankje naast een grote neppalmboom en ging daar even zitten om rustig te worden. Ze zoog de warme lucht haar longen binnen en ademde langzaam weer uit. Ze was niet zozeer kwaad op Tanja, maar meer op zichzelf. Ze wist dat het haar schuld was, maar om dat van iemand anders te moeten horen, dat vond ze vreselijk. Ze realiseerde zich ineens dat de collegevrije periode er bijna op zat en dat ze maandag weer college zou hebben. Dat was ze door alles bijna vergeten. Na de tentamens was er altijd een collegevrije periode van twee weken. In die tussentijd was dus alles gebeurt. Ze schrok ervan dat het pas zo’n korte periode was geweest waarin alles was gebeurt. Ze kon het zich niet voorstellen. Het leek wel alsof ze Maarten al maanden niet meer had gesproken of gezien. Ondanks dat kon ze zich hem nog heel goed voorstellen in haar bed, met zijn armen achter zijn hoofd gevouwen, zijn blauwe ogen rustend op de hare. Dat vond ze altijd heerlijke momenten. Wanneer hij zo stil lag had hij wel iets weg van een standbeeld en soms vond ze het dan moeilijk voor te stellen dat hij eigenlijk echt was en kon bewegen. Meestal duurden die momenten niet zo lang, want Mia kon mensen nooit lang in hun ogen kijken. Dus zij was vaak degene die het verpestte door in lachen uit te barsten. Vaak lachte Maarten dan met haar mee en duwden ze elkaar in een stoeipartij van het bed, maar soms kon hij ook heel kwaad reageren en ging hij aan het bureau zitten om een boek te lezen. Ze vond Maarten, zelfs na ruim twee jaar, nog altijd moeilijk te peilen. Ze wist nooit wat er in zijn hoofd omging. Hij kon soms een uur lang uit het raam staren, met zijn blik gericht op niets. Ze had vaak gedacht dat hij het trauma uit zijn jeugd, toen hij bijna was verdronken tijdens de visvakantie, zo probeerde te verwerken. Toen ze hem er een keer naar had gevraagd was hij in lachen uitgebarsten en had hij gevraagd waarom ze dat dacht.
‘Waarover moet je anders zo lang nadenken? Mij lijkt dat je na zo’n ervaring best wel een trauma op kan lopen.’
‘Ha, nee hoor. Ik kan het me amper herinneren Mia, ik denk gewoon aan andere dingen.’
Dat was het enige dat hij erover had gezegd, maar wat die “andere dingen” dan waren, wist ze nog steeds niet. Maarten was een denker, niet echt een prater. Ze vond dat eigenlijk wel prettig, aangezien ze zelf ook niet zo goed over haar gevoelens kon praten. Ze merkte vaak aan Maarten zijn lichaamstaal hoe hij zich voelde en paste zich daar dan op aan.
Mia schrok wakker uit haar dagdroom en wist niet meer hoe lang ze al op het bankje had gezeten. Ze keek op haar zilveren horloge en zag dat het half twee was. Ze had een half uur op het bankje gezeten. Ze was weer gekalmeerd en hoorde haar maag knorren. Ze had wel trek in een broodje van de bakker uit haar straat, dus ze stond op en ging naar buiten. De wind was wat aangerukt en Mia vond het fijn om de koele lentelucht in haar haren te voelen. Ze ademde diep in en liep snel naar de bakker waar ze een warme croissant kocht. Ze wilde weer snel naar haar kamer om aan het verslag te werken die ze volgende week in moest leveren. Toen ze de deur van het huis open deed botste ze bijna tegen iemand aan. Zonder te kijken wie het was mompelde ze ‘sorry’ en wilde alweer langs diegene heen schieten. Ze voelde een hand bij haar schouder en keek op, in de ogen van Joe, een van de jongens die in de andere gang woonde.
‘Zo, jij hebt haast Mia! Lang niet gezien trouwens, alles goed?’ Mia knikte afwezig. Ze kende Joe niet heel goed. Hij deed een andere studie en was bijna nooit thuis, dus veel zag ze hem niet.
‘Sinds wanneer ben jij de deur uit zonder je vriend? Ik dacht dat jullie nooit zonder elkaar waren?’ Mia keek Joe aan in zijn onschuldige grijze ogen. Hij was niet langer dan Mia, met bruine krullen.
‘Ach ja, ik denk dat het uit is tussen ons, dus vandaar.’ Ze wilde het niet uitleggen en al helemaal niet aan iemand waarvan ze de achternaam niet eens wist.
‘O, oké, dat wist ik niet. Ik zag hem net nog hier namelijk,’ zei hij schuchter. Mia’s ogen werden groot en haar hart sloeg een slag over.
‘Wat zei je?!’
‘Ja, ik liep naar boven de trap op en toen kwam hij naar beneden.’ Joe keek Mia vreemd aan. Hij dacht dat ze flauw zou vallen, zo bleek werd ze ineens. ‘Uh, gaat het wel Mia?’ Zonder nog een woord te zeggen rende Mia, struikelend over haar voeten, weg van Joe, de trap op, naar haar kamer. Ze probeerde de sleutel in het slot te krijgen, maar haar handen trilden zo erg dat het niet lukte. Stampvoetend beukte ze woedend tegen de deur. Eindelijk ging de sleutel het slot in en ze stormde de kamer binnen. Haar hart ging enorm tekeer en ze was buiten adem. Maarten was hier geweest! Ze zocht naar iets wat scheef lag of wat weg was, een teken waaraan ze zou kunnen zien dat hij binnen was geweest. Hij had de sleutel nog, maar Mia dacht dat hij te bescheiden was om hem te gebruiken. Alles stond nog op zijn plaats voor zover ze kon zien, maar dat maakte haar niet rustig. Ze liep naar haar slaapkamer en voelde onder haar matras. Het dagboek lag er ook nog. Ze had wel gedacht dat hij hem misschien zou komen halen wanneer hij zich realiseerde dat het niet bij hem aangekomen was. Maar als het dagboek er nog lag, waarom was hij dán langsgekomen? Ze pakte haar telefoon en in een opwelling toetste ze het nummer van Maarten in. Hij ging drie keer over en toen werd er opgenomen.
‘Mia?’
Er schoten tranen in haar ogen. Eindelijk hoorde ze weer de stem die ze kon dromen. De prachtige warme, zachte stem van Maarten. Zijn Deense accent vond ze geweldig en ze was eigenlijk al een beetje vergeten hoe grappig hij haar naam uitsprak. Hij legde de klemtoon namelijk niet op de a, maar op de i, waardoor de a een à werd. Mià. Ze besefte dat ze nog niets had gezegd en stotterde toen zijn naam. Ze dacht dat ze hem een soort van grinnik uit hoorde stoten, maar het zou net zo goed een snik geweest kunnen zijn en realiseerde zich toen hoe vreemd het was hem aan de telefoon te hebben.
‘Maarten,’ zei ze nogmaals, ‘het spijt me zo.’ Ze wist niets anders te zeggen en hij zou eens moeten weten hoe erg ze dit meende.
‘Ik mis je.’ Haar lip trilde en ze hoopte vurig dat ze nu nog niet in huilen uit zou barsten, maar het was moeilijk om haar stem in toom te houden.
‘Ik jou ook.’ Een golf van opluchting overspoelde haar. Ze wist wel dat ze heel voorzichtig moest zijn om hem niet boos te maken, want het was nog altijd haar schuld.
‘Joe zag je net bij mijn kamer.’
‘Klopt.’
‘Wat kwam je doen?’
‘Weet ik niet. Jou zien.’ Mia sloot even haar ogen en zei geluidloos “thank you”.
‘Ik wil met je praten, kan het vandaag?’ De vraag kwam van Maarten. Mia’s adem stokte in haar keel. Ze wilde keihard “ja” uitroepen, maar vond dat niet zo gepast.
‘Oké, ja natuurlijk kan het vandaag. Waar en wanneer, ik kan de hele dag.’
‘Ik kom wel naar je kamer toe nu.’ Hij hing op zonder “doei” te zeggen en Mia bleef een tijdje verbouwereerd naar de telefoon staren. Daarna rende ze snel door haar kamer heen om wat troep op te ruimen, want sinds Maarten weg was had ze geen zin meer om dat te doen.
Ze waste vieze borden en glazen af en gooide haar vuile kleren in een vuilniszak die ze onder het bed propte. Ze trok het vloerkleed dat voor haar bed lag recht en ging toen op de bank zitten met haar armen over elkaar zodat ze niet aan haar nagels kon bijten van de zenuwen. Na tien minuten ging de bel. Ze stond zo kalm mogelijk op en sprintte toen naar de bel. Ongeduldig hipte ze heen en weer op haar voeten tot ze zacht geklop op de deur hoorde. Ze ademde even diep in voordat ze de deur opende. Maarten stond met zijn handen in zijn zakken en keek haar woest aan. Dat had ze niet verwacht. Hij stelde toch voor om te praten?
‘K-kom binnen,’ stotterde ze. Maarten liep bruusk langs haar heen en plofte op de witte bank. Mia liet zich langzaam in de bijpassende witte stoel tegenover de bank zakken en staarde Maarten aan in zijn helderblauwe ogen. Ze leken wel donkerder van kleur dan ze zich herinnerde.
‘Goed,’ begon ze, maar wist eigenlijk geen vervolg. ‘Wil je iets drinken?’ Hij schudde zijn hoofd zonder zijn ogen van de hare af te wenden. Het gaf haar een ongemakkelijk gevoel en ze wilde wegkijken, maar durfde het niet. Ze was bang dat hij er ineens niet meer zou zijn, dat het een droom was en wanneer ze weg keek dat hij zou verdwijnen. Deze keer kon ze niet in lachen uitbarsten, Maarten keek zo kwaad dat ze bijna bang werd.
‘Begin maar,’ zei hij hard.
‘Waarmee?’ Ze wist wel dat het geen zin had om onnozele vragen als deze te stellen, maar ze wilde het hem niet opbiechten. Hij rolde met zijn ogen en fronste zijn zwarte wenkbrauwen toen nog dieper.
‘Jij wilde praten Maarten, dus jij moet maar beginnen!’ riep ze ineens hard tegen hem. Even leek hij van zijn stuk gebracht, zijn ogen werden groot en hij kneep ze toen samen tot smalle spleetjes.
‘Goed, ik begin wel. Jij bent onredelijk en ik wil nu dat je redelijk tegen me bent en uitlegt waarom je het hebt gedaan.’ Zijn stem brak bij het laatste woord, ten teken dat hij niet zo sterk was als hij er aanvankelijk uit zag. Hij had zijn armen achter zich op de bankleuning gelegd, zodat hij imponerend over zou komen. Mia voelde tranen prikken achter haar ogen, maar wilde nu niet huilen. Hij mocht niet denken dat ze zwak was.
‘Het spijt me Maarten, maar jij hebt ook iets uit te leggen!’ Dit ging nergens op uitdraaien. Ze maakten zich allebei steeds kwader en uiteindelijk zou een van de twee wegstormen en was er nog niks opgelost. Mia wilde dat wel voorkomen, maar ze was ook nog boos op hem, op de reden waaróm ze het had gedaan. Hij leek er niets van te snappen, want ineens ontspanden zijn spieren, hij legde zijn armen op zijn benen en keek haar met zijn hemelsblauwe ogen verbaasd aan.
‘Wat heb ik gedaan dan?’
‘Ja, met Eva, weet je het niet meer? Die kwam hier iedere dag, voor jullie zogenaamde “project red-de-duif” waaraan jullie moesten werken. Je was iedere dag weg met haar Maarten! Je was alleen ’s avonds tijdens het eten bij mij en daarna moest je ook nog weg om met haar op straat de duiven te observeren! Daarom heb ik het gedaan. Daarom ben ik vreemd gegaan met Philip!’
Haar verhaal klonk stom en niet overtuigend nu ze het zo hardop uitsprak. Ze had er lang en vaak over nagedacht, maar de reden dat ze vreemd was gegaan was haar steeds dommer voorgekomen. Dat project bestond echt en ze wist ook dat hij er een hoog cijfer voor moest halen om volgend jaar mee te kunnen naar Australië, iets waar hij zijn leven lang van gedroomd had. Ze voelde zich dom en zielig. Ze wilde het liefst door de stoel zakken en onder de grond verdwijnen. Ze wist dat het een vreselijke reden was, maar het was wel waar wat ze zei.
‘Wat? Ik snap jou niet. Is dit de reden van alle ellende? Heb je me daarom verraden en bedrogen? Wat een zieke, slappe reden Mia. Walgelijk. Je was dus jaloers op mij en Eva, omdat we samen een schoolproject moesten maken! Als ik ergens niet tegen kan, is het wel jaloezie. Ik wil het er niet eens meer over hebben, want als jij om zoiets al vreemd gaat met nota bene mijn beste vriend, dan wil ik je niet meer kennen. De groeten!’ Hij stond op en beende naar de deur. Zijn gezicht was angstaanjagend. Zijn ogen leken wel zwart van woede. Mia werd wanhopig. Ze wilde niet dat hij nu zou gaan, want dan kwam hij nooit meer terug.
‘Neem je planten dan ook maar mee, die hoef ik hier dan ook niet meer in huis!’ schreeuwde ze naar zijn achterhoofd. Maarten had de deur al geopend, maar sloot hem nu weer zorgvuldig, alsof hij bang was dat de deur zou breken als hij hem harder dicht zou doen. Hij draaide zich om en Mia zag tranen in zijn ogen. Ze schrok ervan, want ze had Maarten maar één keer eerder zien huilen en dat was toen zijn opa dood was.
‘Nee, die kom ik later wel halen,’ zei hij terwijl zijn stem drie keer oversloeg. Mia wilde het liefst opstaan, naar hem toe lopen en hem in haar armen nemen om hem te troosten, maar ze bleef gespannen in de stoel zitten.
‘En je dagboek, die moet je ook meenemen,’ zei ze bijna fluisterend. Ineens veranderde er iets in zijn gezicht. Het leek zich te ontspannen en tot een glimlach om te vormen, maar zijn gezicht vertrok juist, alsof hij enorme pijn had.
‘Heb je hem gelezen?’
‘Ja, behalve het begin, dat was in het Deens.’
‘Dat weet ik. Vond je het een leuk cadeau?’ Mia fronste haar wenkbrauwen en staarde Maarten aan of hij gek geworden was.
‘Ja, maar waarom wil je dat nou weten? Ik vond het een heel leuk cadeau, maar ik snap niet dat Philip het had en…’
‘Hij had het niet moeten krijgen. Dat was een fout, ze bezorgen op adres, ik woon natuurlijk samen met Philip op één adres en hij was thuis toen het gebracht werd. Ik heb het voor je laten binden in leer, maar wilde het je komen brengen. Nou ja.’
Mia had niet doorgehad dat er tranen over haar wangen waren gelopen, maar ze merkte het toen ze haar hand voor haar mond sloeg. Ze was overrompeld door dit alles en ze wist niks uit te brengen. Ze had nog nooit een liever persoon dan Maarten ontmoet. Hij was zo ontzettend goed en ze schaamde zich nu nog meer voor wat ze had gedaan.
‘Het spijt me zo Maarten. Ik hou echt van je en ik wil niets liever dan je terug. Ik mis je. Ik mis ons.’ Ze hoorde dat haar stem ineens schor geworden was en ze schraapte haar keel tevergeefs. Maarten stond nog steeds bij de deur. Hij verroerde zich niet en Mia moest weer er weer aan denken dat hij op een standbeeld leek. Hij keek niet naar haar, maar richting het bed, ook al wist ze zeker dat hij niet naar het bed keek, maar naar iets in zijn gedachten, wat ze nooit te weten zou komen.
Ze maakte aanstalten om op te staan, maar Maarten maakte met een handgebaar duidelijk dat ze moest blijven zitten. Toen hij zijn ogen weer op haar richtte ging er een schok door haar lichaam. Zijn ogen waren weer helder en lichtblauw, zoals ze zich ze herinnerde. Hij liep langzaam naar haar toe en ze voelde een golf zenuwen door zich heen spoelen. Hij stopte voor haar voeten en ze keek hem aan terwijl ze voorzichtig zijn hand pakte. Hij omsloot die van haar en kneep er zachtjes in. Ze stond langzaam op en bracht haar gezicht vlak bij de zijne.
‘Ik hou van je Maarten,’ fluisterde ze zo zacht dat ze even twijfelde of ze het gezegd had of dat ze het dacht.
‘Ik hou ook van jou.’ Maarten legde zijn kin tegen haar voorhoofd en ze hoorde hem diep zuchten. Ze frummelde aan het touwtje van zijn trui en wilde hem nog één vraag stellen, maar ze durfde het niet zo goed. Ze liet de vraag achterwege en genoot van het moment hem weer bij zich te hebben. Ze sloeg haar armen om hem heen en drukte hem stevig tegen zich aan.
‘Ik heb je zo gemist,’ zei ze zacht terwijl ze zijn lichaamsgeur opsnoof. Wat had ze dat gemist! Maarten rook altijd naar een Deense geur waarvan ze de naam steeds vergat, maar hij rook zo heerlijk en apart dat ze die geur uit miljoenen zou herkennen. Ze wist dat ze hem nog veel uitleg verschuldigd was en dat het lang zou duren voordat hij weer vertrouwen in haar had, maar ze was zo blij dat hij nu bij haar was dat ze daar nog even niet aan dacht.