[VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Moderators: NadjaNadja, Essie73, Muiz, Polly, Telpeva, ynskek

Toevoegen aan eigen berichten
 
 
Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 15-05-09 18:51

Citaat:
“Lena.” Lena. Gewoon Lena. Mijn keel zat zo dichtgeknepen van angst dat ik mij afvroeg of hij, het, Imogan, überhaupt had verstaan wat ik uit had uitgepiept.
“Wat doe je hier?”
Ik probeerde het over mijn lippen te krijgen, maar kwam niet verder dan een ‘hnn-hmmnn’ dat het ding mateloos scheen te irriteren. De ijzeren greep waarin het me hield verstrakte steeds meer toen ik faalde in het geven van een antwoord. Ik begon te gillen, met alle kracht die mijn longen nog in zich hadden terwijl de lucht praktisch uit me werd geknepen.
“Ik kreeg een tip!” Ik gilde het praktisch uit, half hysterisch en half verstaanbaar toen ik voelde hoe mijn camera tegen mijn borstbeen werd platgedrukt. De pijn bracht me weer bij mijn positieven, en ik was Godzijdank weer in staat om woorden te vormen. Hij verslapte zijn greep toen ik begon te praten, en ik haalde dankbaar heel diep adem. Mijn ribben kraakte bijna toen ik meer lucht in me nam dat wettelijk was toegestaan voor een lichaam, maar dat interesseerde me weinig.
“Ik kreeg een tip van iemand, ik wist helemaal niet dat hier iemand was!” Goed, niet helemaal waar, maar ik was te zeer in de ban van overleven om er iets om te geven. “Het was niet mijn bedoeling!”
Wat dan wel mijn bedoeling was geweest was zelfs voor mezelf niet duidelijk toen ik het uitschreeuwde, maar hem kwaad maken was het beslist niet geweest. Ik wist niet eens wát hem kwaad gemaakt had.
De foto die ik gemaakt had van zijn waakhond? Het feit dat ik hier rond liep zonder zijn toestemming? Ik was in staat om hem met alle liefde de restanten van mijn camera te geven als hem dat blij zou maken. Ik zou zelf een gat naar de andere kant van de wereld graven met niets meer dan een theelepel als dat zou betekenen dat, dat ding, het monster, die nachtmerrie, wat dan ook op de eindeloze lijst van mogelijke benamingen mij zou laten gaan.
“Je mag mijn camera hebben, laat me alsjeblieft gaan-“ Ik trok mijn camera tussen mijn lijf en de schubben vandaan en hield het voor hem op, alsof hij het aan zou pakken. Tranen begonnen in mijn ogen op te wellen toen ik hem zag twijfelen, en ze begonnen over mijn wangen te stromen voordat ik een kans had om mijn waardigheid te redden.
“Alsjeblieft, alsjeblieft, ik zal het niet doorvertellen…” Alsof iemand ook maar zou geloven dat er een draak in een aftandse bouwvallige fabriek leefde die jaagde op onschuldige kleine meisjes met camera’s. Maar de woorden stroomden gewoon over mijn lippen, en ik huilde, en huilde. Elke gedachte was alleen maar op één ding gericht; ontkomen, wegrennen, overleven. Ik wilde helemaal niet balanceren op het randje van leven en dood, zeker niet wanneer de dood de beste kans maakte.
“Ik zweer het!”
“Wat voor tip was het?” Het praatte weer, zachter nu, vriendelijker. Als woorden vriendelijk kon klinken uit een muil vol met zulke tanden.
“Geluiden!” Antwoordde ik meteen, en ratelde meteen door over het telefoontje tijdens mijn zen-avondje, en de anonieme beller die me opgedragen had om naar de fabriek te komen en alles te fotograferen wat ook maar enigszins verdacht leek. Ik struikelde over mijn eigen woorden, en beschreef veel te veel details, maar ik wilde alles wel aan hem vertellen als dat betekende dat hij me zou laten gaan.
“Stil!” Hij kapte me abrupt af, en verstrakte zijn greep weer alsof hij de lucht uit me wilde persen zodat ik geen woord meer kon zeggen. Gromde toen ik spontaan begon te hikken. Ik probeerde het in te houden, maar zijn grom werd af en toe onderbroken door een ‘hik’ van mij.

Hij liet me opeens zakken, en de greep verslapte compleet toen ik het gras weer onder mijn sneakers voelde. Totaal verslapt door angst zakte ik compleet in, maar voordat ik languit op mijn rug terecht kon komen werden mijn bovenarmen plotseling stevig vastgegrepen. Door handen. Harige handen met gekromde nagels die in mijn bovenarm boorden, maar voor de rest zeer menselijke handen. Mijn blik flitste meteen naar de gezichten van de eigenaren van die handen, en zag tot mijn stomme verbazing twee mannen die ik tot dat moment nog niet eerder had gezien. Ik had geen enkel ander levend wezen gezien tijdens mij verkenning rond de fabriek en het terrein ervan, waar waren zij zo snel vandaan gekomen?
“Geef haar een kamer in de lange gang, eentje zonder raam. Doe de deur op slot en zet er iemand voor.”
De mannen die mij vastgegrepen hadden knikten naar die enorme kop met de rode ogen, en trokken me resoluut weer op mijn voeten voordat ik kon protesteren.
“Kom op meiske,” Had één van die mannen zelfs het lef nog om te zeggen.
“Maar…” Ik probeerde een beetje zwakjes terug te vechten, maar het resultaat was alleen maar dat ze me volledig van de grond optilde en me tussen hun in meedroegen alsof ik niks woog. Ik probeerde mijn hoofd om te dragen naar dat ding, die Imogan, maar ik zag niets meer. Alleen een rare zwarte mist die achter ons in de lucht kolkte.
“Waar is dat ding?” Piepte ik uit, probeerde meer te zien, maar de mannen zeiden niets meer. Ik trappelde in de lucht, raakte een knie, maar ze lieten niet toe dat ik uitgebreid naar de mist achter ons keek. Het was geen normale mist geweest, daar was het veel te ruw voor geweest. Het had eerder uitgezien als een kolkende wolk van fijn zwarte zand, maar zelfs dat had een draak van dat formaat niet zomaar even kunnen verhullen.
Maar de mannen droegen mij de regen uit, de trappen van de fabrieksentree op. Iemand opende de deur voor ons, maar gevangen als ik zat tussen de twee sterke mannen kon ik niet zien wie. Of wat. Ik had zo’n vermoeden dat het alles wel kon zijn.
Maar de mysterieuze deuropener viel compleet in het niet bij wat mij toen tegemoet kwam. De mannen zetten me weer op de grond en ik werd half gedwongen, half meegesleurd over de versleten zwart- en wit tegels die ooit de ontvangsthal was geweest.
Het was nog steeds een ontvangsthal, maar het was nooit gebouwd voor het ontvangstcomité dat mij toen wachtte.
Ze waren niet menselijk, dat was het eerste wat in mij opkwam toen ik door de hal heen werd gesleurd. Ik probeerde mijzelf met mijn hakken af te remmen, maar mijn zeiknatte gummizolen hadden geen grip op de tegels. Ik werd hoe dan ook richting die muur van nieuwsgierige gezichten gesleurd, sommige prachtig, sommige abnormaal angstaanjagend. Ik zag felgroene ogen die mij vijandig aankeken, ik zag kinderen die elkaar aanstootte toen ik voorbij werd gesleurd, en hoorde gegiechel van een paar meisjes van mijn leeftijd.
Maar er klopte iets niet aan die meisjes, iets wat mijn nekharen meteen overeind zette toen ik ze verbijsterd aanstaarde. Ze glimlachten breed naar me, en ik zag een prachtige serie aan vlijmscherpe tanden. Te puntig om menselijk te zijn, en veel te groot voor mijn toch al onstabiele gemoedstoestand. Maar ik werd alweer verder gesleurd nog voordat ik ook maar op de gedachte kon komen om keihard te gaan gillen.
We werden begroet door gefladder, en even werd ik verblind door de meest spectaculaire kleuren die voor mijn ogen van links naar rechts schoten. Ik hoorde piepjes, bijna te hoog om te verstaan, maar ik kon niet zien waar ze vandaan kwamen.
Tot de eigenaar van het stemmetje even een seconde voor mijn gezicht zweefde, en ik een heel klein groen dingetje zag met handjes en voetjes, gekleed in een gewaad van bloemblaadjes en met haren zo fijn als spinrag, maar in de meeste absurde kleur paars. Ik was even totaal bevangen door de schoonheid van dit prachtige kleine wezentje dat haar vlindervleugels loom voor mijn gezicht op en neer liet gaan.
Tot ik zag dat ze obscene gebaren naar me maakte.
“Hey!” Ik begon al spuug te verzamelen om op haar af te vuren, maar ik werd gered door de vrije hand van één van mijn bewakers, die mijn belaagster zonder pardon weg sloeg. Ik keek haar nog even beledigd na, en ze begon opnieuw aanstalten te maken om me te overladen met beledigingen, tot ik het meest aparte wezen, ding, zag dat ik ooit had gezien.
Het was twee turf hoog, misschien net zeventig centimeter. Het kwam niet eens tot mijn heupen, maar het staarde me met zo veel haat aan dat ik onwillekeurig naar achteren probeerde te lopen, ondanks de felle greep op mijn bovenarmen. Elk wezen dat mij in die hal had aangestaard was automatisch voor me uitgeweken toen ik er aan kwam, maar zij; ik gokte dat het een zij was, bleef staan.
Met vier handen op haar heupen, met een rimpelig, verbeten mondje dat zich vertrokken had tot een streep onder iets wat een neus vor had moeten stellen. Het leek meer op een bobbeltje met twee dunne strepen dan een neus.
En mijn God, ik had nog nooit zoveel rimpels op één vrouw gezien, zelfs niet op mijn oma die de gezegende leeftijd van zevenennegentig jaar had bereikt. Haar haar zag er al even prehistorisch uit. Het was onmogelijk om te schatten welke kleur het ooit had gehad, het was spier- en spierwit. Ze had het bijeengevlochten in een dikke vlecht, die ze tweemaal om haar hoofd har geslagen en nóg hing het bijna op de grond.
Rapunzel schoot even door me heen, lang nadat de prins was gestorven en zij uit pure verveling zelf maar uit haar toren was ontsnapt.
Onder die zware oogleden die in hun ellende half afhingen, zag ik twee donkerbruine ogen mij taxerend opnemen. Alsof ze probeerde in te schatten uit wat voor hout ik gesneden was, en hoe ze me het beste kon verbranden. In blokken of als zaagsel.
Blijkbaar had dat kleine vrouwtje met vier armen en de vlecht van spierwit haar meer gezag dan de kleine vlinderkoningin die beledigen naar mijn hoofd had gesmeten, want de mannen hielden voor haar stil. Alsof ik werd gepresenteerd op een zilveren blaadje.
Nu zij veel dichter bij me stond dan mij eigenlijk lief was zag ik dat ze een lange houten pollepel vasthield in één van haar vier handen, dat venijnig naar voren stak als één of ander wapen. Ik had op z’m minst nog een vilmes verwacht.
“Pfuh!” Een vette klodder groene spuug landen voor mijn zeiknatte sneakers, en onwillekeurig deed ik uit pure walging een stapje achteruit. “Je dacht zeker dat je hier wel even ongemerkt rond kon sluipen, hè?” Ze keek me haast triomfantelijk aan, alsof het idee alleen al dat het iemand zou lukken bespottelijk was.
Dat was het ook, dat had ik immers zelf ondervonden.

“Mairi, laat haar met rust.” Een stem met een berustende klank klonk achter ons, en ik verdraaide mijn nek bijna om te zien welke verrassing nou weer van tussen de tegeltjes zou ontspruiten. Het was nog een man, onmiskenbaar een man, maar niet zo maar een man. Iedereen die zich haast het verdrongen om mij van dichterbij te bekijken week voor hem uiteen toen hij aan kwamen lopen. Bijna alsof hij een god was, zo keken de mensen, die wezens wel toen hij voor dat kleine rimpelige monsters ging staan en zo mijn aandacht op eiste.
Hij had bloedrode ogen. Niet eens een beetje hazelnootkleurige, of gewoon heel donkerbruin, nee; echt, compleet rood.
Precies zoals dat monster dat me buiten te grazen had genomen.
Hij keek me voor een moment aan, met dezelfde taxerende blik die ik nog geen seconde geleden in de ogen van die kleine heks had gezien, en stak toen zijn hand omhoog.
Ik dook instinctief meteen in elkaar, wat hem scheen te verassen, want hij trok even zijn hand terug.
“Rustig aan,” Hij hield zijn stem kalm en rustig, alsof ik een schichtig dier was dat gekalmeerd diende te worden. Misschien was ik dat ook, ik stond stijf van de adrenaline, en ik weet zeker dat mijn ogen niet groter konden worden.
Hij stak zijn hand weer naar me uit en pakte mijn verkreukelde camera vast. Met een enkele beweging tilde hij het over mijn hoofd, en bevrijdde mijn nek van het camera koord dat pijnlijk in het vlees van mijn nek had gedrukt.
Maar dat betekende wel dat hij mijn camera in handen had.
Ik protesteerde zwakjes, wilde liever niet van de camera afstand doen, maar hij negeerde me compleet. En eerlijk gezegd had ik het lef ook niet om tegen hem in te gaan.
Hij stond de camera met ongeveinsde belangstelling van alle kanten te bekijken, alsof hij er nog nooit eentje in handen gehad, en het enige wat ik kon doen was moedeloos toe kijken hoe hij op elk knopje drukte en ongetwijfeld elke instelling wiste die ik met zorg had afgesteld.
“Wat ben je met haar van plan, Imogan?” Het kleine rimpelige vrouwtje had haar aandacht verplaatst van mij naar de lange man, die onverstoord mijn camera bleef onderzoeken. Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes toen mijn hersens langzaam verwerkte wat de kleine heks tegen hem had gezegd.
Imogan, ze had hem Imogan genoemd. Dat ding, dat monster dat me buiten zo handig had gevangen, had zich voorgesteld als Imogan. Imogan Drake.
Maar het kon simpelweg niet dat dat ding, mijn hersens weigerde gewoon mee te werken aan het feit dat het een draak was geweest, dezelfde man, persoon was die voor mijn neus mijn camera stond te onderzoeken. Toch?


Okee, dat viel mee. :)) Ik heb de laatste tijd last van de schrijverskriebels, maar mijn gebruikelijke RPG-maatje heeft het druk met school, dus opeens heb ik meer tijd om handen om te schrijven dan ik gewend ben. _O-

Ik was eigenlijk bezig met een ander verhaal dat ik hier niet plaatsen ga, maar Imogan kroop toch weer stiekem door de planning heen. :\
Ben niet helemaal tevreden, maar ik laat het even zo. Misschien dat ik het morgen nog even aanpas.

In het volgende stuk komt mijn favoriete personage van dit verhaal zijn opwachting maken, jeej :D

Tessaar
Berichten: 656
Geregistreerd: 08-03-07

Link naar dit bericht Geplaatst: 18-05-09 11:14

I want more!!! :D Ik vind dit soort verhalen the best!!

Spanning en leuke kleine details zodat je echt een beeld kan vormen. Het leest echt super weg! *\o/*

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 18-05-09 19:45

Citaat:
Ik betrapte me erop dat ik naar hem stond te staren alsof het mysterie zichzelf op zou lossen als ik het maar lang genoeg volhield. Voor een draak had hij bijzonder menselijke kleding aan, hoewel de broek iets verschoten was van kleur, en het shirt dat hij droeg niet echt paste. Beide waren zwart, net zoals zijn haar. Dat maakte nog het meest dat ik twijfelde of hij, de man die voor me stond, dezelfde persoon, ding was die mij buiten had gevangen. Of hij inderdaad wel een draak was, ik had nog nooit gehoord van een draak met haar. Ik brandde haast van nieuwsgierigheid, maar ik durfde m’n vragen niet hardop uit te spreken. Ik viste alleen maar naar zijn aandacht, wilde iets zeggen, wat dan ook; in ieder geval iets wat mijn situatie wat zonniger kon laten lijken.
Maar hij keek me niet meer aan, hij negeerde me zelfs volkomen alsof ik helemaal niet bestond; doorweekt, vastgehouden door twee enorme kerels, en voor de rest het middelpunt van alle aandacht van eenieder die zich om ons heen had verzameld.
“We houden haar hier, voorlopig.”
De kleine wandelende vierarmige wrat keek hem aan alsof hij gek was geworden, en eerlijk gezegd deed ik precies hetzelfde.
“Hier, je bent van plan haar hier te houden?” Van het ene moment op het andere was de kleine heks plotseling mijn bondgenote geworden, en ik voelde hoe ik haast stompzinnig begon te knikken om aan te geven dat ik het volledig met haar eens was. “Maar je kunt haar hier niet houden!”
“Wat ben je anders met haar van plan?” Hij vroeg het haast geamuseerd, alsof het grappig was dat hij van plan was mij tegen mijn wil vast te houden.
“Haar terugsturen naar diegene die haar gestuurd heeft?” De kleine heks liet het klinken alsof het achterlijk van hem was dat hij er zelf nog niet aan gedacht had. Ik vond het heel plausibel klinken, als ze me lieten gaan zou ik zo terugkeren naar mijn appartement en nooit meer terugkomen.
Sterker nog, ik zou het eerste het beste vliegtuig naar Amerika nemen, en nooit meer terugkomen.
“Ik ben bang dat dat niet zo makkelijk zal gaan,” Hij draaide zich naar mij om en keek me met een hele vreemde blik aan. Bijna alsof het hem speet. “ze heeft me gezegd dat ze hier op eigen initiatief kwam na een anonieme tip. En ik geloof haar. Het is dan ook meteen overduidelijk waarom we haar niet zomaar kunnen laten gaan.”
Hij bekeek me van top tot teen, alsof hij er niet zeker van was hoe lang het zo duren voordat ik hysterisch zou worden.
“Dus; Richard, John,” Hij knikte naar de mannen die mij nog steeds in een houdgreep hielden, “breng haar naar een kamer zonder ramen en zet iemand voor de deur, ze komt niet naar buiten zonder dat iemand haar volgt.” Hij keek me voor een moment aan alsof hij mijn reactie wilde peilen, “Ze blijft hier tot ik weet wat ik met haar ga doen.” En met dat draaide hij zich abrupt om en liet mij daar achter. Het laatste wat ik van mijn camera zag was het koord dat hij om zich nek hing, voordat hij in de menigte verdween.
Ik had niet eens de kans om te protesteren of om mijn camera terug te vragen, want Richard en John, mijn potige lijfwachten, tilden me op aan mijn armen en sleepten me zonder veel moeite mee door de hal, naar de trap toe. Ik wilde zeggen dat ik zelf prima een trap op kon lopen, maar ze hielden me tussen zich in en droegen me drie trappen omhoog.
Ik werd meteen achtervolgd door een gekleurde wolk aan vleugels, die me uitlachte en voor mijn gezicht heen en weer vlogen. Ik voelde iets aan mijn voet trekken, en toen ik naar beneden keek zag ik nog net hoe een puppy Richard- of John’s voet ontweek. De puppy rolde van de trap af, maar nog voordat het de grond bereikte veranderde de kleine puppy in een jongetje dat spontaan begon te huilen. Een van de meisjes met de scherpe tanden rende meteen op hem af en trok hem beschermend in haar armen terwijl ze sussende woordjes sprak. Ik denk niet dat mijn ogen nog groter konden worden van verbazing, maar dat konden ze wel.
Een deel van mij wilde dat jongetje van dichter bij bekijken, wilde nog eens zien hoe hij van een puppy in een jongen was veranderd, maar een veel groter deel van mij wilde zich losrukken uit de greep van de twee brulapen die mij vasthielden en krijsend wegrennen.
Maar van dat laatste zag ik geen kans. Niet toen ze een gang insloegen, niet toen eentje van hun- John, gokte ik, mij stevig vastgreep terwijl Richard een deur opende en als eerste naar binnen liep. John duwde me naar binnen, achter zijn vriend aan, en voor ik het wist stond ik alleen in een kamer. Richard had het licht aan gedaan, had het slot van de deur gecontroleerd, en had de deur achter zich gesloten. Ik hoorde het geluid van een sleutel, de deurhendel ging nog een laatste keer op en neer om te controleren of de deur echt goed dicht zat en dat was dat. Ik zat officieel gevangen.

Hoe lang had iemand nodig tot hij er over uit was wat hij met een persoon ging doen?
Blijkbaar lang, zo moest ik concluderen toen minuten langzaam veranderden in uren, en ik de dag praktisch voorbij voelde gaan.
Ieder mens heeft wel iets van een biologische klok in zich. Soms geeft het feilloos aan wanneer het tijd is om kinderen te krijgen, of een partner te vinden. Iets onschuldiger en praktischer is het bijna feilloze gevoel van weten hoe laat het is. In mijn cocon van wollen dekens die ik in de kast had gevonden en in mijn frustratie op het bed had gegooid voelde ik haast hoe de wijzer twaalf uur aangaf, en mij liet weten dat de meest rampzalige dag van mijn leven voorbij was.
Gedempt door de dikke dekens hoorde ik het geluid van een druppende kraan, maar ik was te moe om op te staan en naar het kraantje te lopen om hem dichter te draaien. Ik hoorde iemand kuchen voor de deur van mijn kamer, dezelfde persoon die een bladzijde omsloeg en waarschijnlijk een boek las; maar ik had geen zin om een praatje aan te knopen met mijn cipier.
Ik voelde me alleen, wel ietsje warmer, maar nog steeds hondsberoerd door de overdosis aan adrenaline die ik in één avond had geproduceerd. Ik was moe, maar tegelijkertijd klaarwakker, en al die tijd tuimelden duizenden gedachtes als een tuimelaar door mijn hoofd. Ik kon niet ophouden met denken. Ik kon niet ophouden met denken aan thuis, aan bepaalde winkels in Seattle die ik nooit meer zou zien. Ik kon niet meer ophouden met denken over thuis, aan het huis waar ik in opgegroeid was, aan mijn moeder en haar zeurstem; die ik nu liever dan ooit wilde horen. Aan mijn vader, en zijn malle welterusten smsjes die ik niet uit had kunnen staan toen ik naar Londen was verhuisd.
De tranen sprongen in mijn ogen toen ik mij realiseerde dat ik nooit de moeite had genomen zijn mobiele nummer uit mijn hoofd te leren, en dat mijn mobieltje nog op de keukentafel lag. Zelfs al kon ik iemand van hier, hoewel ik het ten zeerste betwijfelde, kon overhalen om mij een mobieltje te lenen om mijn ouders gerust te stellen dan kón dat niet eens.
Als iemand als Imogan Drake al een mobieltje had.
Uiteindelijk begon ik wel toe te geven aan de slaap die steeds meer aan mijn bewustzijn begon te plukken. Ik was al vroeg opgestaan, ik had nauwelijks echt de tijd gehad om te ontspannen, en alles wat na het avondeten was gebeurd en waar ik niet een aan wílde denken vroegen ook hun tol. Ik was doodop, ook al wilde ik het niet zijn. Door de angst, en de verwarring, de adrenaline die mij plotseling in de steek liet.
Ik vocht er tegen. Noem het instinct, maar ik was niet van plan toe te geven aan slaap op een plek waar ik me allerminst veilig voelde, of waar ik allerminst veilig was. Ik probeerde mezelf wakker te houden, hield mezelf druk bezig met moeilijke vraagstukken, probeerde me dingen te herinneren die ik allang was vergeten, maar de slaap was slimmer dan ik. Of subtieler, want uiteindelijk viel ik in slaap zonder dat ik door had dat ik sliep.

Ik werd met een schok wakker toen ik het gerinkel van een sleutel in een sleutelgat hoorde, maar ik verroerde me niet. Ik lag doodstil in mijn cocon van wollen dekens toen ik de deur open hoorde gaan en iemand naar binnen hoorde schuifelen. Iemand, of iets. Ik hoorde niet echt voetstappen, eerder geschraap toen hij, of zij over de betonnen vloer richting het bureau schuifelde.
De kleine kamer vulde zich meteen met de heerlijke geur van stoofpot. Een stoofpot met iets van appel erin, en vlees. Het drong zo mijn dekens door, tot mijn maag zich rammelend liet horen met de mededeling dat eten helemaal niet ongewenst was.
Ik weigerde alleen te eten in het bijzijn van iemand, wie dan ook die mij hier tegen mijn wil gevangen hield.
Ik hoorde hoe een dienblad ietwat onhandig op het kleine bureautje werd neergezet. Het gekletter van bestek volgde, maar nog steeds weigerde ik mijn hoofd boven de dekens uit te steken. Het maakte diegene die mij eten had gebracht erg ongemakkelijk, en in mijn valsheid kon ik alleen maar bedenken dat dat precies was wat hij verdiende. Wat ze allemaal verdienden.
Ik kon horen dat hij een hij was toen hij ongemakkelijk kuchte en zijn keel schraapte, hij schuifelfde onrustig heen en weer; wachtte waarschijnlijk op een teken dat ik wakker was geworden door zijn binnenkomst. Maar voor mijn part kon hij verreken.
“M-ma heeft wat voor je klaar gemaakt.”
Ik was verrast door zijn stem. Ik had een zwaardere stem verwacht, een oudere stem, en een heel andere toon. Vriendelijk, hij klonk heel vriendelijk, en beleefd. Ik hield me nog steeds stil, maar ik spitste mijn oren toen hij nog wat wilde zeggen. Wilde zeggen, want hij begon te stotteren. Zo erg dat het bijna onverstaanbaar was wat hij wilde zeggen, totdat hij zich leek te vermannen en in één keer snel de zin uit sprak die hij wilde zeggen.
“I-Imogan wil je spreken a-als je klaar bent met… met eten, ehm…” Hij viste voor mijn naam, hij wilde me met iets aanspreken, maar had geen flauw idee met wat. De beleefdheid die er al in was gestampt vanaf het moment dat ik kon praten stak bijna de kop op, maar ik kon me nog inhouden voordat ik mijn naam hardop uit sprak en zou verraden dat ik in feite wakker was.
Hij kon best aardig zijn, maar ik had het hun niet vergeven dat ze me hadden opgesloten. Ze konden Nelson Mandela nog sturen om vrede te stichten, maar ik weigerde onder de dekens uit te komen en te doen alsof het helemaal geen probleem was.
“I-ik weet dat je w-wakker bent.”
Hij zei het heel zachtjes, alsof hij bang was dat ik zou ontploffen omdat ik was betrapt. Dat deed ik ook, bijna.
“Hoe weet jij nou dat ik niet slaap?!”
“Ik kan het h-horen.”
“Horen, hoezo horen?” Nijdig sloeg ik de dekens terug, niet langer in staat om mijn nieuwsgierigheid naar de stotterende betweter in toom te houden. Het moment dat ik het deed wenste ik bijna dat ik weer onder de dekens kon kruipen en net kon doen dat het weg zou gaan als ik maar heel stil deed. Helaas had hij, het al bewezen dat dát weinig uit zou maken.
“Mijn naam is Valeer, en ik w-weet dat ik er een beetje v-vreemd uit zie maar,” No oliebol, hij meende het nog ook. “Ik beloof dat ik niet zal bijten.”
Valeer, de meest aardige persoon die ik ooit zou ontmoeten, en met mijlen de meest vreemde persoon die ik ooit zou ontmoeten; waar ik ook heen zou gaan, waar ik ook terecht zou komen.
“Ik ook niet,” Stamelde ik voor me uit, niet langer in staat om de nijdigheid vol te houden die mijn anker was geweest in mijn eenzame opsluiting. Simpelweg omdat ik te verbijsterd was om nog nijdig te zijn. “Ik ben Lena Stanson.”
“Valeer van de Water.”
“Duits?”
“Nederlands.”
Mijn vragen werden begroet met de breedste glimlach die ik ooit had gezien, die alleen een beetje teniet werd gedaan door de gigantische hoektanden die hij bezat. En door de gigantische oren die heel markant bovenop zijn hoofd stonden. Oren van zeker wel dertig centimeter lang, enorm en puntig. Ze stonden overeind tussen de meest wilde bos haar die ik ooit op een jongen had gezien.
Want hij was een jongen. Of een jonge man. Onder al dat haar dat zijn vacht op maakte was het haast onmogelijk om te zien wat zijn leeftijd was, maar oud was hij niet.
Maar hij kon je eigenlijk aan iemand zien hoe oud hij was als hij er uit zag als een vleermuis?
Een vleermuis in bermuda shorts.
“Mijn God…”
“Ik weet het,” Hij spreidde zijn vleugels zodat ik hem nog beter kon bewonderen, “Ik ben niet echt wat je gewend bent…”
Vleugels. Hij had geen armen, of handen, hij had vleugels. Ik zag een bovenarm, een onderarm, een elleboog. Maar zijn handen, zijn vingers waren compleet vergroeid, bijna een meter lang en bijna misselijkmakend dun.
En alles werd bijeengehouden door een dun vlies, een dun membraan waar ik minuscule bloedvaatjes doorheen zag lopen tegen het licht van de lamp. Vleugels, als een vleermuis. Compleet met vleermuisoren, en klauwen in plaats van tenen om zich ergens aan vast te houden. Batman was er niets bij.
“Wat bén jij?”
“Mens,” Hij sloeg de vleugels weer om zich heen, en zijn glimlach verflauwde toen ik hem met open mond aan staarde. “Net als jij.”
“Met alle respect maar,” Ik slikte, probeerde me te herstellen van de schok die hij voor me was en me enigszins beleefder op te stellen. “Ik groei geen vacht, en evenmin kan ik vliegen.”
Dat lokte een klein glimlachje terug, en ik dwong mezelf ook te glimlachen. Hij had inderdaad nog niet geprobeerd me te bijten, zoals hij had beloofd.
“Toch ben ik even menselijk als jij.”
Menselijk. Van zijn tenen, met die klauwen die ik allesbehalve menselijk kon noemen, tot aan het vachtje dat hem tot zijn nek bedekte. Want een vacht had hij. Een prachtige dikke, diepbruine vacht die zijn benen bedekte, zijn buik en borst. Zelfs zijn gezicht, hoewel de haartjes daar veel fijner waren, en veel meer van de grijze huid eronder lieten zijn dan de haren op zijn lijf.
Het verklaarde meer dan woorden waarom hij enkel een verschoten, bijna tot de draad afgesleten bermuda short droeg. Iets zei mij dat hij niet meer nodig had om warm te blijven.
Hij bloosde onder mijn blik. Een prachtige dieprode blos verspreidde zich van waar de dikke vacht ophield, tot over zijn kaken; het perfecte voorbeeld van een blozend schoolmeisje.
Verrukt stelde ik vast dat zelfs de puntjes van zijn oren roze werden.
Misschien was het het blozen. Misschien was het het feit dat hij daar stond als een jongetje dat op de mat was geroepen. Misschien omdat hij inderdaad niet in staat leek om kwaad te doen. Of omdat hij echt iets vriendelijks over zich heen had, dat zelfs zijn uiterlijk enigszins neutraliseerde.
Maar het was dat moment dat ik besloot dat ik Valeer van de Water, Vleermuisjongen en waarschijnlijk enige Mede-Mens, echt aardig vond.

Mizora

Berichten: 18459
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Oudenhoorn

Re: [VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Link naar dit bericht Geplaatst: 18-05-09 20:34

Geweldig stuk. Werkt niet echt om mijn natuurkunde te leren maar het pept mijn humeur wel op zeg. Heerlijk. Netjes geschreven. Alleen gebruik je wel een immense hoop enters. Af en toe storend. Voornamelijk bij de eerste indruk. Zeg maar het moment dat je de eerste regel moet gaan lezen. Maar als je het eenmaal leest, eigenlijk geen last meer van. Je leest erover heen.

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 18-05-09 21:31

Gezien en aangepast :) het 'valt' hier een beetje anders uit dan in word, maar zal er even op letten als er wat plaats. :)

Moet ik nog een datum aanhouden na eventuele natuurkundetoetsen voordat ik iets nieuws plaats? :P

Mizora

Berichten: 18459
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Oudenhoorn

Re: [VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-05-09 06:47

Nee hoor, het is mijn examen maar. :+ Komt wel goed, is de nodige afleiding zodat ik niet instort.

Tessaar
Berichten: 656
Geregistreerd: 08-03-07

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-05-09 07:25

Opnieuw super leuk!! Lekker spannend en nog steeds fan!! :D Ik ben heel nieuwsgierig naar het volgende gedeelte ;)

Nessa

Berichten: 8643
Geregistreerd: 20-05-08
Woonplaats: Tilburg

Re: [VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Link naar dit bericht Geplaatst: 19-05-09 22:55

Ik vind dat je ontzettend leuk schrijft. Het karakter van Lena is ook echt super.
Het leest ook echt heel makkelijk weg. Ik wacht met spanning af op het nieuwe deel.

Wordt het een boekwerk of een paar pagina lang verhaal?

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-05-09 09:32

Nou, ik roep altijd dat ik een kort vehaal wil schrijen, maar de praktijk wijst uit dat het meestal hele lappen tekst worden. :o
Het loopt op het moment zoals het loopt, en het gaat wel lekker. Misschien als het echt een boekwerk word dat ik stop op het forum, maar voorlopig ga ik nog even door. :)

Nieuw stuk on the way :)

Tessaar
Berichten: 656
Geregistreerd: 08-03-07

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 09:44

Maar dit verhaal heb je toch al af? Hij moet toch alleen nog vertaald worden naar het nederlands?

Mizora

Berichten: 18459
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Oudenhoorn

Re: [VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 09:54

Nee, ze is al even puur in het nederlands aan het schrijven. Dat schreef ze halverwege de vorige pagina al.

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-05-09 09:59

hihi, de eerste zes pagina's waren in het engels, maar die had ik al in het 'Nederlands' vertaald vanaf het moment dat ze tegen Imogan opliep, sindsdien heb ik gewoon verder geschreven in het Nederlands. :)

Tessaar
Berichten: 656
Geregistreerd: 08-03-07

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 10:40

Owww!!! oke! nou, dan moet ik maar geduld hebben :P

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-05-09 11:12

Citaat:
Maar reuze-vleermuis of niet, het was toch de geur van de stoofpot met appeltjes die mijn aandacht wegtrok van mijn ietwat ongebruikelijke metgezel. Mijn maag liet weten dat ik zo hongerig was dat er net zo goed een stekelvarken-jongen voor mijn neus kon staan en ik had nog die stoofpot aangevallen alsof hij er niet was.
“Vind je het erg als ik..?” Ik maakte een vaag gebaartje richting het bord dat hij op het mini bureautje had gezet, in de hoop dat hij een stap opzij zou doen. Hij stond daar nog steeds, het perfecte toonbeeld van nervositeit en een overdaad aan haar. Hij keek me even schaapachtig aan, alsof hij verrast was door het feit dat ik tegen hem durfde te praten, en volgde toen mijn blik naar het bord naast hem.
“Oh, ja… natuurlijk.” Een stapje opzij was prima geweest in mijn ogen, maar wat hij deed zorgde er voor dat mijn ogen bijna voor de derde keer uit mijn oogkassen dreigde te rollen. Hij spreidde zijn vleugels, en met twee slagen die mij bijna tegen het bed sloegen draaide hij zich voor mijn neus om in de lucht, en haakte met gemak zijn tenen; zijn klauwen aan de balken die boven ons het plafond vormden. Ik stond hem met open mond aan te staren hoe hij ondersteboven maakte dat hij weg kwam, zodat ik bij mijn bord kon komen. Hij schikte zijn vleugels opnieuw om zich heen, als een veilige cocon, en ‘liep’ over de balk naar een veilig hoekje waar hij mij niet in de weg stond. Dracula, dat was het eerste wat door mij heen schoot toen ik zijn silhouet tegen de muur zag; ogenschijnlijk menselijk, ware het niet dat hij ondersteboven hing en twee enorme oren tegen zijn schaduw afstaken.
“Bedankt.” Ik sprong van mijn bed af, en hield mijn rug naar de muur gekeerd en mijn gezicht naar hem terwijl ik snel naar mijn eten toe schuifelde. Ik liet hem geen moment uit mijn zicht verdwijnen, en zodra ik het bord en de lepel te pakken had, samen met de homp brood die ernaast op het dienblad had gelegen vluchtte ik terug naar de veiligheid van mijn bed. Waar ik tenminste niet met mijn rug naar hem toe hoefde te zitten.
De stoofpot rook van dichtbij nog heerlijker, en ik watertandde nog net niet toen ik mijn lepel in de heerlijk geurende massa op mijn bord stak en begon te blazen om het af te koelen. Appeltjes, inderdaad, en aardappelen, en iets kruidigs wat mijn smaakpupillen deed tintelen. Het mocht dan een aftandse fabriek zijn, maar ze hadden een vijf sterren kok. En de smaak was hemels, het kon misschien liggen aan mijn lege maag, maar elke hap die ik nam vulde me met een verlangen naar meer. Mijn honger was zelfs zo erg dat ik Valeer voor een moment volledig negeerde, en zelfs geen blik op de vleermuisjongen wierp, terwijl hij hangend aan de balk nerveus heen en weer wiegde. Tenminste, niet toen ij een liedje begon te neuriën dat ik ook kende.
“Hou je van muziek?” Ik stelde de vraag meer om de ongemakkelijke stilte te verbreken, maar ook omdat ik me nieuwsgierig voelde worden nu mijn maag was gevuld. Ik had vragen, ik wilde antwoorden, en mijn ongebruikelijke cipier was de enige in mijn cel waar ik mee kon praten.
Hij schrok op, en leek voor een moment zijn grip op de balk te verliezen, maar hij herstelde zich wonderbaarlijk snel. Hij kuchte, probeerde zijn blunder te maskeren met een nonchalante houding, maar het maakte alleen maar dat ik over mijn bord moest grijnzen.
“J-ja,” Hij stotterde weer, probeerde nog wat meer te zeggen dan alleen ‘ja’ omdat dat zo’n armzalig antwoord was, maar hij was zo gestrest dat er blijkbaar niks uit kwam. “Zo af en toe, ja.”
“Dat liedje dat je neuriede, dat heb ik ook op mijn mp3-speler staan, vandaar.”
“D-dat weet ik.”
Mijn blik vloog zijn kant op en ik moest me inhouden niks stoms uit te roepen, terwijl hij hakkelend een verklaring probeerde te vinden.
“Imogan vond je tas,” Die vent, dat ding had mijn portemonnee, mijn mascara, mijn agenda én mijn peperpsray. Ik klemde mijn kaken op elkaar terwijl ik in stilte rouwde om mijn verlies van mijn enige verdedigingsmiddel, hoewel het natuurlijk niets vreemds was. Ik had mijn tas tot op dat moment niet eens gemist, en natuurlijk had hij het meteen meegenomen. Ik had alleen gewild dat hij mijn tas niet had gevonden. Deels omdat al mijn bankpasjes in mijn portemonnee zaten, deels omdat al mijn gegevens in mijn agenda stonden. In één klap wist hij waar ik woonde, had gewoond, wie mijn familie was en van wie ik ’s nachts stiekem droomde. Dat was iets te veel informatie dan ik hem eigenlijk had willen geven.
Niet iedereen deelde mijn obsessie voor David Bowie, de jongere David Bowie, welteverstaan. De oudere David Bowie ging zelfs mij te ver.
“En ik heb naar je mp3-speler g-geluisterd.” Hij ging van zachtroze naar bietrood toen ik hem een verontwaardigde blik toezond, en hij begon meteen aan een zak te frunniken. “N-niet zo heel lang, de batterijen zijn nog niet leeg.” Dat was hem geraden. Ik kneep mijn ogen samen toen hij moeite had met een knoop, zond hem een woordeloze waarschuwing toe dat hij niet voor mijn ogen zijn broek moest laten zakken.
Niet dat hij dat kon, hij hing ondersteboven, de broek die hij droeg kon niet eens zakken.
Maar het was niet zijn bedoeling geweest om mij een striptease te geven, uit één van zijn grote zakken kwam mijn prachtige, glanzende mp3-speler tevoorschijn die hij onhandig liet zakken zodat ik hem terug kon pakken. Ik schoot meteen van mijn bed af en had mijn geliefde mp3-spelertje in handen voordat hij met zijn ogen kon knipperen. Ik wierp een twijfelachtige blik op zijn duimklauwen en begon mijn apparaatje meteen te controleren op krassen of andere beschadigingen.
“Ik heb er heel voorzichtig mee gedaan.” Bracht hij uit, terwijl hij voor de zekerheid een metertje naar rechts schoof. Hij had gelijk, jammer genoeg, het gaf mij geen enkel excuus om hem te villen voor het stelen van mijn mp3-speler. Eerlijk gezegd was ik dat ook niet van plan, ik was al lang blij dat hij me wat afleiding kwam brengen.
“Het is al goed,” Ik hing het koordje gelijk om mijn nek en zweerde heilig dat het met mijn leven zou verdedigen als één van die freaks toch nog besloot het opnieuw van mij af te nemen. Freaks, zo was ik ze stilletjes in gedachten gaan noemen, simpelweg omdat ik geen enkele andere benaming voor ze kon vinden. Valeer kon je niets anders noemen dán freaky, hoe aardig hij ook deed.
“Welk nummer vond je het leukst?” En aangezien hij aardig was, druiste het finaal tegen mijn opvoeding in om gemeen tegen hem te doen.
“De veertiende.”
“De veertiende?” Ik keek hem even vreemd aan, en zocht het veertiende nummer op. De titel stond keurig achter het nummer op de kleine display. “Je vond het nummer leuk maar de titel weet je niet?”
“Ik kon het niet zo goed lezen.” Hij schuifelde weer wat, ongemakkelijk. De gedachte om hem vast te pinnen aan het plafond schoot door me heen toen ik mij zelf ook onrustig voelde worden. Ik haalde mijn wenkbrauw op en keek hem even vreemd aan.
“Kun je wel lezen dan?”
“Ik kan prima lezen.”
“Maar dit niet?” Ik hield mijn mp3-speler omhoog, en hij knikte voorzichtig.
“De display is te fel,” Hij lachte even, een nerveus lachje alsof hij niet zeker wist of ik het volgende wat hij wilde zeggen wel wilde horen. “Mijn ogen kunnen niet zo goed tegen fel licht.”
Mijn mond zakte weer open, terwijl mijn hersens dat stukje informatie verwerkte. Hij kon niet tegen fel licht. Natuurlijk niet. Hij was een vleermuis.
“Dan kom jij ook niet veel buiten overdag.” Mompelde ik quasi-nonchalant. Hij beloonde me met een klein glimlachje.
“Ik kom overdag niet buiten, dan slaap ik. Dan slapen we allemaal.”
“Overdag?” Ze sliepen overdag? Ik fronste, wilde hem vragen waarom, maar nu het gesprek meer op zijn terrein terecht was gekomen was mijn harige vriend veranderd in een spraakwaterval.
“We slapen overdag, en worden pas wakker als het nacht word. Dat is veiliger. Er is niemand die ’s nachts in de buurt van de fabriek komt, dus kunnen we gewoon…” Hij realiseerde zijn fout, “Bijna niemand dan.”
“Inderdaad.” Merkte ik wat zuur op. “Betekend dat dat ik ook overdag moet slapen en ’s nachts pas actief mag worden?”
Hij haalde zijn schouders op, leek een beetje verlegen om het antwoord. “Dat hangt van Imogan af.”
Imogan. De draak die mij buiten van de grond had geplukt als ik niks meer was dan een lastige pissebed. Mogelijk de man die in de hal mijn camera had afgepakt.
“Die Imogan, heb ik die hier binnen al gezien?” Ik probeerde de sluwe vraag nonchalant te verpakken, maar Valeer scheen het niet eens te merken. Nee, hij keek me zelfs aan alsof ik achterlijk was.
“Natuurlijk, hij stond recht voor je toen John en Richard je mee naar binnen namen.”
“De man die mijn camera mee nam?” Vleermuisjongen knikte enthousiast, een komisch gezicht omdat zijn oren dubbel flapte op zijn hoofd, maar ik negeerde het aanblik even.
“Dus jij wilt zeggen dat, dat ding dat mij buiten praktisch fijnkneep, en die man met de rode ogen, één en dezelfde… dinges zijn?”
Hij keek mij aan alsof het hem verraste dat ik daar ook maar aan twijfelde.
“Imogan is een draak.” Zei hij langzaam, alsof de betekenis mij zou ontgaan als hij op een normaal tempo aansprak.
“Een draak, groot reptielachtig wezen met vleugels dat vuurspuugt en mensen eet?”
“Nou, dat laatste niet maar…”
“Je snapt wat ik bedoel.” Beet ik hem toe, terwijl ik koppig mijn armen over elkaar sloeg. Ik zou de waarheid uit hem krijgen, al moest ik dreigen elk botje in zijn vleugels te breken. Hij pikte het feilloos op, dat moest ik hem toegeven, want hij trok eerst zijn vleugels dichter tegen zijn lichaam aan voordat hij iets zei; “Inderdaad, zo’n draak.”
“Een draak is een draak,” En die bestaan niet, voegde ik in stilte toe, “Die veranderen niet spontaan in mannen met rode ogen en zwarte haren.”
“Dat doen ze wel.” Hij zei het zo rustig dat ik meteen geloofde dat hij geloofde dat hij de waarheid sprak. “Het zou een beetje lastig worden voor ze om zich te verstoppen als ze niet een andere vorm aan konden nemen, wel?”
“Neem me niet in de maling.”
“Dat doe ik niet,” Voor het eerst verminderde zijn blosje een beetje en keek hij me verontwaardigd aan. “Ik zou niet durven!”
“De laatste keer dat ik keek Valeer, bestonden draken alleen in hele mooie sprookjes.”
“De laatste keer dat jij keek had jij ook nog nooit iemand zoals ik gezien, en had je gedacht dat feeën niet bestonden, en dat heksen al lang verbrand waren, en dat weerwolven alleen met volle maan tevoorschijn kwamen.”
Ik opende mijn mond om hem te vertellen dat hij niet zo stom moest doen, maar ik sloot hem abrupt weer toen de volle betekenis van zijn woorden tot mij doordrongen. Tot een paar uur geleden had ik inderdaad gedacht dat feetjes niet bestonden, maar ik was voor alles wat lelijk was uitgemaakt door de koningin van hun allemaal; recht in mijn gezicht. Ik had haar van heel dichtbij kunnen bewonderen. Weerwolven, ik had tot deze avond nog nooit aan weerwolven gedacht, maar ik kon me niet herinneren dat ik een weerwolf gezien had.
Tot ik mijn realiseerde dat ik ze wel had gezien, een heleboel zelfs. De waakhond buiten, de twee waakhonden. Ze waren spontaan verdwenen toen die gorilla’s van mannen; Richard en John, mij hadden vastgegrepen. Ik had me zelfs nog afgevraagd waar ze zo snel vandaan waren gekomen.
Die meisjes in de hal, die mooie meisjes met die lange haren, maar met die veels te scherpe tanden; en die puppy. Ik verstijfde helemaal toen ik terug dacht aan die puppy die aan mijn broekspijp had gehangen, voordat het de trap af was gerold en voor mijn ogen in een jongetje was veranderd. De realisatie van wat ik allemaal had gezien zonk tot me in, en ik voelde me licht in het hoofd worden toen de gedachte dat als zij al bestonden, waarom een draak dan niet kon bestaan. Waarom een draak dan niet in een man kon veranderen. Waarom een hele fabriek niet vol kon zitten met sprookjesfiguren en horrorpersonages.
Waarom ik niet door hen gevangen kon worden gehouden. Ze waren niet menselijk, ze hoefden zich dus niet menselijk te gedragen. Ze zaten hier al voor ik weet niet hoeveel jaar, en niemand die het wist. Niemand die wist dat ik was verdwenen, of waar naar toe. Alleen de taxichauffeur, maar hij leek me niet echt het type die het nieuws volgde en de politie wel zou bellen als ik als vermist werd opgegeven.
Het werd me opeens pijnlijk duidelijk dat wanneer deze wezens, ik kon mezelf er niet toe zetten om ze ‘mensen’ te noemen, van mij af wilde dat het ze heel makkelijk zou lukken.
“Mijn God…” Ik wankelde naar mijn bed terug en liet me er weinig flatteus op vallen. Mijn plotselinge spraakvermindering scheen Valeer te bezorgen, want hij liet de balk los en zweefde hoogst elegant naar mijn bed toe.
“Lena?” Hij boog over me heen met trillende oren, alsof hij bang was dat ik was flauwgevallen. Dat was ik ook, bijna.
“Ze gaan me vermoorden, is het niet?” Mijn stem klonk heel ijl, zelfs in mijn ogen oren hoe ik mij voorstelde hoe ik verscheurd zou worden door bloeddorstige weerwolven, of simpelweg met één hap in de muil van een draak zou verdwijnen.
“Ehm…” Hij klonk bijna geamuseerd, de zak, maar ik denk dat hij ook de angst in mijn stem kon horen. “Niet dat ik weet…”
“Ze hebben eerst jou gestuurd om een beetje informatie uit me los te krijgen, me een beetje op mijn gemak te stellen, en dan leggen ze me om zodat ik niks door kan vertellen.”
“Ik weet niet wie ‘ze’ is maar ik weet niks van zulke plannen af…”
Ik keek door mijn wimpers heen naar de jongen die me met een half-bezorgd, half-geamuseerd gezicht aanstaarde. Ik voelde een steek van irritatie opkomen toen ik zag dat hij zelfs op het punt stond in lachen uit te barsten.
“Zo leuk is het niet, gevleugelde rat!” Barstte ik uit toen hij inderdaad begon te giechelen. “Ik sta doodsangsten uit, man!” Ik greep het dichtstbijzijnde wat ik vinden kon, wat helaas enkel een versleten kussen was, en slingerde het naar zijn hoofd. Zijn reflexen waren verbazingwekkend goed.
“Ik denk dat je eerst maar even met Imogan moet gaan praten.” Stelde hij in alle redelijkheid voor toen hij weer dichterbij durfde te komen, naar waar ik mokkend met mijn armen over elkaar op het bed zat. Hij liep een beetje onhandig naar het bed toe en ging naast me zitten. Het leek haast of hij een wandelend kacheltje was, een golf warmte straalde van hem af. Ik snufte en onderdrukte de neiging om hem te knuffelen alsof hij een oversized knuffelbeest was, hoewel het niet veel scheelde.
“En wat doe jij hier dan?”
Hij haalde zijn schouders op, best een onderneming voor een iemand die ook meteen een stel vleugels ophaalde, en keek naar de grond. “Ik was nieuwsgierig.”
“Naar wat?”
“Naar jou.” Hij klonk een beetje als een kind dat op het matje was geroepen omdat hij iets stouts had gedaan, en ik moest lachen.
“Mij? Volgens mij ben ik het meest normaal van allemaal in deze hele fabriek.”
“Niet voor mij.” Zei hij zachtjes, waardoor ik hem verbaasd aankeek, een beetje van mijn stuk gebracht door zijn verlegenheid.
“Hoezo, niet voor jou?”
“Jij bent de eerste mens die ik heb gesproken sinds ik hier ben komen wonen.”


Zo, nieuw stukje. :) Laat ik het even bij want de hondjes moeten plassen. :D

Mizora

Berichten: 18459
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Oudenhoorn

Re: [VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 11:32

Ahh, dat laatste stukje is echt lief. Het leest heerlijk.

Nessa

Berichten: 8643
Geregistreerd: 20-05-08
Woonplaats: Tilburg

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 11:32

leuk leuk!
Alleen de laatste zin... Hij zei eerder zelf dat ze mensen waren. En nu zegt ie dat hij geen mensen meer heeft gezien.
Is beetje raar.

Mizora

Berichten: 18459
Geregistreerd: 08-02-05
Woonplaats: Oudenhoorn

Re: [VER] Imogan; 't Verhaal van de Draak

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 11:35

Geen echte mensen, zonder dierlijk bijstuk bedoeld hij waarschijnlijk.

Tessaar
Berichten: 656
Geregistreerd: 08-03-07

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 11:49

Lekker vlot ben je!! Vind ik helemaal niet erg hoor! ;) Leest weer lekker weg :)

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-05-09 12:18

Mens als in Homo Sapiens ja, niet Homo Lupus of Homo Draccus :D al het andere is weerwolf, draak, elf, wat-er-nog-meer-tussen-in-zit, dus in feite is zij wel de eerste Mens waar waar hij mee te maken heeft in jaren. :D

Dat laatste stukje, ach O:) was Maria Mena aan het luisteren :D

Karina_1979

Berichten: 636
Geregistreerd: 24-11-08
Woonplaats: Tiel

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 14:37

Wat een geweldig leuk verhaal, ik wil meer....
+:)+

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-05-09 14:45

Komtie +:)+

Citaat:
Ik keek hem even raar aan van opzij, niet zeker wat hij precies bedoelde. Eerste mens? Er waren meer mensen dan plagen op de wereld, en hij beweerde dat ik de eerste was die hij in jaren had gesproken. Totdat het kwartje bij me viel.
“Oh…” Ik bekeek hem van top tot teen, van zijn klauwtenen tot het puntje van zijn oren. Ik was al bijna stijl achterover geslagen door hoe hij er uit zag, en de enige reden waarom ik niet de deur uit gevlogen was om zo ver bij hem uit de buurt te komen was simpelweg omdat iemand de deur op slot had gedaan. En ik kon niet meer ‘mens’ zijn, opgegroeid tussen mensen, als mens, door mensen. Laat staan hoe iemand zou reageren als hij of haar Valeer zou tegenkomen in een donker steegje ergens in Londen. Mijn wereld bestond niet uit weerwolven en draken, en omdat ik zo niet was opgevoed had ik er niet bij stil gestaan dat hier in deze maffe fabriek wij de enige homo sapiens waren in de wijde omtrek.
En waarom had ik me verrast gevoeld toen hij zei sinds hij hier was komen wonen? Ik had meteen aangenomen dat hij hier altijd was geweest, hier was geboren desnoods, maar dat ene zinnetje maakte mij duidelijk dat hij hier weliswaar verbleef, maar hier net vandaan kwam. Dat hij van buiten was gekomen, net als ik.
En het was overduidelijk waarom hij had verkozen hier te blijven.
“Waar kom je dan vandaan?”
“Nederland.” Natuurlijk, ik had al eerder gevraagd of zijn naam Duits was, toen had hij al Nederlands geantwoord. Nu ik er op lette had hij inderdaad een accent, maar vaag, heel vaag, maar ik had er niet genoeg aandacht aan besteed om het op te merken.
“Zijn er meer zoals jij, waar je vandaan komt?”
Om de één of andere reden zag ik een hele familie vleermuis voor me, mama vleermuis die kookte, papa vleermuis die de krant las, broertje vleermuis die met autootjes speelde…
“Nee, ik ben de enige.” Een grijns. “Ik ben een beetje het zwarte schaap van de familie.”
Familie, hij had dus wel een familie. Het beeld van de familie vleermuis ging meteen in rook op.
“Ben je dan zo geboren?” Die vraag verraste hem een beetje, en hij trok zijn neus op. De neus was een beetje in het niet gevallen vergeleken met de rest van hem, maar nu pas zag ik dat zijn neus niet meer was dan een gekreukte dop met twee neusgaten. Net echt. Ik giechelde toen hij zijn neus op trok, aangezien het heel grappig rimpelde toen hij dat deed. Dat leek hem nog meer te verbazen, totdat hij zich realiseerde wat hij precies had gedaan. “Oh.”
“Maakt niet uit, het zag er gewoon grappig uit.”
Hij deed het nog eens, blijkbaar alleen maar om te zien hoe ik reageerde, en ik beloonde hem met een gniffel van mijn kant en een poging om hetzelfde te doen. Mijn neus werkte helaas niet mee, ik moest mijn duim gebruiken om het even plat te trekken als hij het kon. Het resultaat was niet half zo flatterend.
“Ik ben zo niet geboren, als je dat bedoelde.” Vervolgde hij toen we klaar waren met het belachelijk maken van zijn neus. “Ik was alleen maar een spuuglelijke baby.”
“Je meent het.” Ik kon de droge ondertoon niet uit mijn stem houden terwijl ik mij voor probeerde te stellen hoe zijn kersverse ouders hadden gereageerd om de neus waar we een seconde geleden nog om hadden gelachen.
“Ik zag er niet bepaald uit als een standaard baby. Ik had geen haar op mijn hoofd en geen oren, en mijn vingers en tenen waren alleen een beetje lang. Het werd afgedaan als bijwerkingen van medicijnen die mijn moeder tijdens haar zwangerschap had geslikt. Mijn…” Hij leek even te twijfelen over het woord dat hij wilde gebruiken. “aandoening werd afgeschreven als een handicap.”
“Hoe oud was je toen je er wel zo uit begon te zien?” Ik probeerde hem voor te stellen zonder de gigantische oren, en met gewone vingers en zonder al dat haar, maar dat was moeilijk. Heel moeilijk.
“Ik was vier, misschien net vijf.” Hij wapperde met zijn vleugels zodat er een koel windje ontstond. Het was verbazingwekkend hoeveel luchtverplaatsing hij creëerde met een enkele slag. Het verbaasde me zo niet dat hij zichzelf in de lucht kon houden. “Mijn ouders waren overtuigd Christen.”
“Aï.” Ik vertrok mijn gezicht toen ik mij voorstelde hoe zijn ouders op hun ietwat uitzonderlijke kind hadden gereageerd. “Zwarte kousen gemeente, ook nog?”
“Best wel.” Hij haalde zijn schouders op, “Ik viel niet echt op tussen mijn broers en zussen, dus het was niet zo erg.”
“Broers en zussen?”
“Ik was de zesde, na mij werd mijn zusje geboren, en een broertje.”
Ik floot, en het beeld voor mijn ogen veranderde meteen in een moeder met een hele slinger kinderen aan haar hand, met één apart klein vleermuisjongetje tussen hen in.
“Laat me raden, ze dachten dat ze vervloekt waren en dat jij een resultaat was van hun zonden?”
Dat scheen een gevoelige snaar te raken, en hij viel meteen stil. Ik had meteen spijt van mijn rappe tong en beet er hard op, om voor mijn eigen zonde te boeten. Mijn eigen moeder had zich altijd ongelofelijk geërgerd aan mijn bijdehante opmerkingen en had meer dan eens gezegd dat het mijn dood zou worden. In deze omgeving kon dat nog heel goed waarheid worden ook.
“Ze brachten me naar de dominee toen het begon.” Zei hij uiteindelijk. “en bij hem ben ik gebleven tot ik zestien jaar oud was, hij gaf me mijn eigen plek in de kerktoren waar niemand mij zou zien maar waar ik toch de mis kon volgen.”
“Je bent opgegroeid in een kerk…” Ik keek hem verwonderd aan terwijl ik me voor probeerde te stellen hoe een jongetje met zijn unieke eigenschappen opgroeide onder het toeziend oog van God. “Dat is… apart.” Maar onmiskenbaar het slimste wat zijn ouders hadden kunnen doen. Ik wilde me niet eens voorstellen wat er was gebeurd als Valeer als klein jongetje naar school was gegaan. Kinderen werden al om minder gepest dan om vleugels en gigantische oren.
“Toen ik zestien was ben ik op eigen houtje vertrokken omdat ik gewoon meer wilde zien dan alleen maar de kerk,en zo kwam ik hier.” Hij glimlachte vaagjes, dacht overduidelijk aan iets anders maar ik was te beleefd om er naar te vragen. Hij vertelde niet de hele waarheid, dat zag ik zelf ook wel, maar na mijn bijdehante opmerking wilde ik me een beetje inhouden.
“Hoe lang woon je hier al?”
“Zes jaar, Imogan vond me toen ik een paar maanden later in London aankwam, dus ja; zes jaar.”
Zes jaar, en hij was vertrokken toen hij zestien was. Dat maakte hem tweeëntwintig jaar oud, en precies even oud als ik was. Ik staarde hem ongegeneerd aan, naar zijn gezicht onder het zachte donslaagje dat een vachtje vormde over zijn wangen en voorhoofd. Ik kon er gewoon met mijn pet niet bij dat hij even oud was als ik. Hij leek zoveel jonger, veel jonger.
“Wauw,” Ik beet op mijn onderlip toen ik de informatie nog even moest verwerken. Hij had overduidelijk nog niet zo veel van de wereld gezien. Ik ook niet, maar nog altijd meer dan hij. Als ik zes jaar in een fabriek woonde, omgeven door alles behalve mensen, zou ik er dan ook zo ongelooflijk naïef uitkomen? Ik vroeg het me af.
Het bracht me wel op een andere vraag.
“Valeer, waar ben ik eigenlijk terecht gekomen?”
Hij schoot op en keek me aan, alsof dat net de vraag was die hij niet wilde beantwoorden. Ik haalde mijn wenkbrauw op en keek hem recht aan, wat hem alleen maar ongemakkelijker maakte, maar ik wilde een antwoord op die vraag.
“I-ik denk dat je dat het beste a-aan Imogan zelf kan vragen.” Zijn gestotter kwam ogenblikkelijk weer terug, en ik hield me in om niet met mijn ogen te rollen om zijn verlegenheid. “I-ik weet niet zeker of ik dat wel vertellen mag.”
“Het ziet er niet naar uit dat ik hier morgen weer vertrek is het wel?”
Hij twijfelde even, maar schudde toen zijn hoofd. Ik negeerde de steek in mijn hart even toen hij bevestigde wat ik vreesde, en hield mijn aandacht op de vraag gericht.
“Valeer, wat is dit voor plek?”
“Een schuilplaats. Voor alle Anderen.” Anderen, hij liet het klinken als een titel, een benaming.
“Anderen? Zoals jij, en die weerwolven beneden?” Ik was aan het vissen, maar blijkbaar in de juiste wateren. Hij knikte weer. Ik dacht er even over na, probeerde het een plekje te geven, maar hoe meer ik er over nadacht, hoe meer vragen er opborrelden.
“Voor wie verschuilen jullie je dan?”
“Voor mensen.” Valeer leek nu het toppunt van ongemakkelijkheid zoals hij daar ineengebogen zat, maar hij was te vriendelijk en te beleefd om mijn vragen te weigeren. Er zaten voordelen aan een kerkelijke opvoeding. “Het is niet de bedoeling dat jullie weten dat wij bestaan.” Ergens kon ik mij voorstellen waarom niet, maar aan de andere kant; hoewel niemand nog in weerwolven, vampiers en draken geloofden, die mythen waren wel al zo oud als de mensheid zelf. Als ze wel bestonden, waarom hielden ze zich dan verborgen?
“Ik denk echt dat je dit met Imogan moet bespreken, of in ieder geval aan hem moet vragen of ik het vertellen mag.” Ik hield een geërgerde zucht binnen toen Valeer heel laf de handdoek in de ring gooide.
“En wanneer spreek ik die Imogan dan als ik hem toch al moet spreken?” Valeer stond op van het bed, en bleef even met zijn teenklauw achter het kleedje haken dat voor mijn bed lag. Ik bukte me om hem te bevrijden, en hij liet het gelukkig toe. Ik wilde helemaal niet met die Imogan praten, in alle eerlijkheid deed ik het zowat in mijn boek bij de gedachte in één kamer te zitten met een man die in een seconde mijn nek kon breken, of in een draak kon veranderen en mijn hoofd van mijn romp kon scheuren met een enkele hap. Maar Valeer leek niet echt bang voor hem te zijn. Het was overduidelijk dat hij hem respecteerde, maar bang leek hij niet.
“Ik was gestuurd om je te gaan halen, hij heeft nu tijd voor je.” De grote pief had tijd voor me. Ik wist niet of ik toe moest geven aan de angst, of mij beledigd moest voelen. Het was dezelfde man die had bevolen dat ik opgesloten moest worden in een minuscuul klein kamertje, en die mij rustig een paar uur had laten baden in mijn eigen zweet.
Het was ook de enige man die mij kon laten gaan en die waarschijnlijk antwoorden had op de vragen die Valeer weigerde te beantwoorden. Ik sprong op mijn voeten en begon de zeiknatte sneakers te zoeken die ik ergens in mijn woede in een hoek had gesmeten, negeerde het soppende geluid toen ik ze aantrok en liep naar het enigste spiegeltje in de hele kamer. Ik probeerde mijn haar te fatsoeneren met mijn vingers, besloot dat ik het maar zo zou laten, en stak uiteindelijk uitdagend mijn kin in de lucht.
“Oké, mijn vreemde vriend.” Ik draaide me om naar Valeer, die geduldig op me had staan wachten, en plantte mijn vuisten op mijn heupen; een en al strijdkracht, hoopte ik. “Wijs me de weg naar deze Imogan, Heer van de Fabriek en Alles Eromheen.”


Woensdag schrijfdag, hehe. O:)

Karina_1979

Berichten: 636
Geregistreerd: 24-11-08
Woonplaats: Tiel

Link naar dit bericht Geplaatst: 20-05-09 15:03

Dat was wel heel snel, maar weer een geweldig leuk stuk.
Nog maar een x proberen, ik wil meer ... _O-

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 20-05-09 15:08

:))

Ja wacht maar even met je nog meer, nu moet ik het huishouden gaan doen en dat gaat niet goed samen met schrijven :D

Karina_1979

Berichten: 636
Geregistreerd: 24-11-08
Woonplaats: Tiel

Link naar dit bericht Geplaatst: 24-05-09 15:29

Is je huis nu nog niet schoon ???? _O-
Of is je inspiratie weg?

Roane

Berichten: 6218
Geregistreerd: 07-04-06
Woonplaats: Waddinxveen

Link naar dit bericht Geplaatst door de TopicStarter : 24-05-09 16:49

eerder dat ik nog een leven naast het schrijven heb en dat woensdag mijn schrijfdag is :P