Citaat:“Lena.” Lena. Gewoon Lena. Mijn keel zat zo dichtgeknepen van angst dat ik mij afvroeg of hij, het, Imogan, überhaupt had verstaan wat ik uit had uitgepiept.
“Wat doe je hier?”
Ik probeerde het over mijn lippen te krijgen, maar kwam niet verder dan een ‘hnn-hmmnn’ dat het ding mateloos scheen te irriteren. De ijzeren greep waarin het me hield verstrakte steeds meer toen ik faalde in het geven van een antwoord. Ik begon te gillen, met alle kracht die mijn longen nog in zich hadden terwijl de lucht praktisch uit me werd geknepen.
“Ik kreeg een tip!” Ik gilde het praktisch uit, half hysterisch en half verstaanbaar toen ik voelde hoe mijn camera tegen mijn borstbeen werd platgedrukt. De pijn bracht me weer bij mijn positieven, en ik was Godzijdank weer in staat om woorden te vormen. Hij verslapte zijn greep toen ik begon te praten, en ik haalde dankbaar heel diep adem. Mijn ribben kraakte bijna toen ik meer lucht in me nam dat wettelijk was toegestaan voor een lichaam, maar dat interesseerde me weinig.
“Ik kreeg een tip van iemand, ik wist helemaal niet dat hier iemand was!” Goed, niet helemaal waar, maar ik was te zeer in de ban van overleven om er iets om te geven. “Het was niet mijn bedoeling!”
Wat dan wel mijn bedoeling was geweest was zelfs voor mezelf niet duidelijk toen ik het uitschreeuwde, maar hem kwaad maken was het beslist niet geweest. Ik wist niet eens wát hem kwaad gemaakt had.
De foto die ik gemaakt had van zijn waakhond? Het feit dat ik hier rond liep zonder zijn toestemming? Ik was in staat om hem met alle liefde de restanten van mijn camera te geven als hem dat blij zou maken. Ik zou zelf een gat naar de andere kant van de wereld graven met niets meer dan een theelepel als dat zou betekenen dat, dat ding, het monster, die nachtmerrie, wat dan ook op de eindeloze lijst van mogelijke benamingen mij zou laten gaan.
“Je mag mijn camera hebben, laat me alsjeblieft gaan-“ Ik trok mijn camera tussen mijn lijf en de schubben vandaan en hield het voor hem op, alsof hij het aan zou pakken. Tranen begonnen in mijn ogen op te wellen toen ik hem zag twijfelen, en ze begonnen over mijn wangen te stromen voordat ik een kans had om mijn waardigheid te redden.
“Alsjeblieft, alsjeblieft, ik zal het niet doorvertellen…” Alsof iemand ook maar zou geloven dat er een draak in een aftandse bouwvallige fabriek leefde die jaagde op onschuldige kleine meisjes met camera’s. Maar de woorden stroomden gewoon over mijn lippen, en ik huilde, en huilde. Elke gedachte was alleen maar op één ding gericht; ontkomen, wegrennen, overleven. Ik wilde helemaal niet balanceren op het randje van leven en dood, zeker niet wanneer de dood de beste kans maakte.
“Ik zweer het!”
“Wat voor tip was het?” Het praatte weer, zachter nu, vriendelijker. Als woorden vriendelijk kon klinken uit een muil vol met zulke tanden.
“Geluiden!” Antwoordde ik meteen, en ratelde meteen door over het telefoontje tijdens mijn zen-avondje, en de anonieme beller die me opgedragen had om naar de fabriek te komen en alles te fotograferen wat ook maar enigszins verdacht leek. Ik struikelde over mijn eigen woorden, en beschreef veel te veel details, maar ik wilde alles wel aan hem vertellen als dat betekende dat hij me zou laten gaan.
“Stil!” Hij kapte me abrupt af, en verstrakte zijn greep weer alsof hij de lucht uit me wilde persen zodat ik geen woord meer kon zeggen. Gromde toen ik spontaan begon te hikken. Ik probeerde het in te houden, maar zijn grom werd af en toe onderbroken door een ‘hik’ van mij.
Hij liet me opeens zakken, en de greep verslapte compleet toen ik het gras weer onder mijn sneakers voelde. Totaal verslapt door angst zakte ik compleet in, maar voordat ik languit op mijn rug terecht kon komen werden mijn bovenarmen plotseling stevig vastgegrepen. Door handen. Harige handen met gekromde nagels die in mijn bovenarm boorden, maar voor de rest zeer menselijke handen. Mijn blik flitste meteen naar de gezichten van de eigenaren van die handen, en zag tot mijn stomme verbazing twee mannen die ik tot dat moment nog niet eerder had gezien. Ik had geen enkel ander levend wezen gezien tijdens mij verkenning rond de fabriek en het terrein ervan, waar waren zij zo snel vandaan gekomen?
“Geef haar een kamer in de lange gang, eentje zonder raam. Doe de deur op slot en zet er iemand voor.”
De mannen die mij vastgegrepen hadden knikten naar die enorme kop met de rode ogen, en trokken me resoluut weer op mijn voeten voordat ik kon protesteren.
“Kom op meiske,” Had één van die mannen zelfs het lef nog om te zeggen.
“Maar…” Ik probeerde een beetje zwakjes terug te vechten, maar het resultaat was alleen maar dat ze me volledig van de grond optilde en me tussen hun in meedroegen alsof ik niks woog. Ik probeerde mijn hoofd om te dragen naar dat ding, die Imogan, maar ik zag niets meer. Alleen een rare zwarte mist die achter ons in de lucht kolkte.
“Waar is dat ding?” Piepte ik uit, probeerde meer te zien, maar de mannen zeiden niets meer. Ik trappelde in de lucht, raakte een knie, maar ze lieten niet toe dat ik uitgebreid naar de mist achter ons keek. Het was geen normale mist geweest, daar was het veel te ruw voor geweest. Het had eerder uitgezien als een kolkende wolk van fijn zwarte zand, maar zelfs dat had een draak van dat formaat niet zomaar even kunnen verhullen.
Maar de mannen droegen mij de regen uit, de trappen van de fabrieksentree op. Iemand opende de deur voor ons, maar gevangen als ik zat tussen de twee sterke mannen kon ik niet zien wie. Of wat. Ik had zo’n vermoeden dat het alles wel kon zijn.
Maar de mysterieuze deuropener viel compleet in het niet bij wat mij toen tegemoet kwam. De mannen zetten me weer op de grond en ik werd half gedwongen, half meegesleurd over de versleten zwart- en wit tegels die ooit de ontvangsthal was geweest.
Het was nog steeds een ontvangsthal, maar het was nooit gebouwd voor het ontvangstcomité dat mij toen wachtte.
Ze waren niet menselijk, dat was het eerste wat in mij opkwam toen ik door de hal heen werd gesleurd. Ik probeerde mijzelf met mijn hakken af te remmen, maar mijn zeiknatte gummizolen hadden geen grip op de tegels. Ik werd hoe dan ook richting die muur van nieuwsgierige gezichten gesleurd, sommige prachtig, sommige abnormaal angstaanjagend. Ik zag felgroene ogen die mij vijandig aankeken, ik zag kinderen die elkaar aanstootte toen ik voorbij werd gesleurd, en hoorde gegiechel van een paar meisjes van mijn leeftijd.
Maar er klopte iets niet aan die meisjes, iets wat mijn nekharen meteen overeind zette toen ik ze verbijsterd aanstaarde. Ze glimlachten breed naar me, en ik zag een prachtige serie aan vlijmscherpe tanden. Te puntig om menselijk te zijn, en veel te groot voor mijn toch al onstabiele gemoedstoestand. Maar ik werd alweer verder gesleurd nog voordat ik ook maar op de gedachte kon komen om keihard te gaan gillen.
We werden begroet door gefladder, en even werd ik verblind door de meest spectaculaire kleuren die voor mijn ogen van links naar rechts schoten. Ik hoorde piepjes, bijna te hoog om te verstaan, maar ik kon niet zien waar ze vandaan kwamen.
Tot de eigenaar van het stemmetje even een seconde voor mijn gezicht zweefde, en ik een heel klein groen dingetje zag met handjes en voetjes, gekleed in een gewaad van bloemblaadjes en met haren zo fijn als spinrag, maar in de meeste absurde kleur paars. Ik was even totaal bevangen door de schoonheid van dit prachtige kleine wezentje dat haar vlindervleugels loom voor mijn gezicht op en neer liet gaan.
Tot ik zag dat ze obscene gebaren naar me maakte.
“Hey!” Ik begon al spuug te verzamelen om op haar af te vuren, maar ik werd gered door de vrije hand van één van mijn bewakers, die mijn belaagster zonder pardon weg sloeg. Ik keek haar nog even beledigd na, en ze begon opnieuw aanstalten te maken om me te overladen met beledigingen, tot ik het meest aparte wezen, ding, zag dat ik ooit had gezien.
Het was twee turf hoog, misschien net zeventig centimeter. Het kwam niet eens tot mijn heupen, maar het staarde me met zo veel haat aan dat ik onwillekeurig naar achteren probeerde te lopen, ondanks de felle greep op mijn bovenarmen. Elk wezen dat mij in die hal had aangestaard was automatisch voor me uitgeweken toen ik er aan kwam, maar zij; ik gokte dat het een zij was, bleef staan.
Met vier handen op haar heupen, met een rimpelig, verbeten mondje dat zich vertrokken had tot een streep onder iets wat een neus vor had moeten stellen. Het leek meer op een bobbeltje met twee dunne strepen dan een neus.
En mijn God, ik had nog nooit zoveel rimpels op één vrouw gezien, zelfs niet op mijn oma die de gezegende leeftijd van zevenennegentig jaar had bereikt. Haar haar zag er al even prehistorisch uit. Het was onmogelijk om te schatten welke kleur het ooit had gehad, het was spier- en spierwit. Ze had het bijeengevlochten in een dikke vlecht, die ze tweemaal om haar hoofd har geslagen en nóg hing het bijna op de grond.
Rapunzel schoot even door me heen, lang nadat de prins was gestorven en zij uit pure verveling zelf maar uit haar toren was ontsnapt.
Onder die zware oogleden die in hun ellende half afhingen, zag ik twee donkerbruine ogen mij taxerend opnemen. Alsof ze probeerde in te schatten uit wat voor hout ik gesneden was, en hoe ze me het beste kon verbranden. In blokken of als zaagsel.
Blijkbaar had dat kleine vrouwtje met vier armen en de vlecht van spierwit haar meer gezag dan de kleine vlinderkoningin die beledigen naar mijn hoofd had gesmeten, want de mannen hielden voor haar stil. Alsof ik werd gepresenteerd op een zilveren blaadje.
Nu zij veel dichter bij me stond dan mij eigenlijk lief was zag ik dat ze een lange houten pollepel vasthield in één van haar vier handen, dat venijnig naar voren stak als één of ander wapen. Ik had op z’m minst nog een vilmes verwacht.
“Pfuh!” Een vette klodder groene spuug landen voor mijn zeiknatte sneakers, en onwillekeurig deed ik uit pure walging een stapje achteruit. “Je dacht zeker dat je hier wel even ongemerkt rond kon sluipen, hè?” Ze keek me haast triomfantelijk aan, alsof het idee alleen al dat het iemand zou lukken bespottelijk was.
Dat was het ook, dat had ik immers zelf ondervonden.
“Mairi, laat haar met rust.” Een stem met een berustende klank klonk achter ons, en ik verdraaide mijn nek bijna om te zien welke verrassing nou weer van tussen de tegeltjes zou ontspruiten. Het was nog een man, onmiskenbaar een man, maar niet zo maar een man. Iedereen die zich haast het verdrongen om mij van dichterbij te bekijken week voor hem uiteen toen hij aan kwamen lopen. Bijna alsof hij een god was, zo keken de mensen, die wezens wel toen hij voor dat kleine rimpelige monsters ging staan en zo mijn aandacht op eiste.
Hij had bloedrode ogen. Niet eens een beetje hazelnootkleurige, of gewoon heel donkerbruin, nee; echt, compleet rood.
Precies zoals dat monster dat me buiten te grazen had genomen.
Hij keek me voor een moment aan, met dezelfde taxerende blik die ik nog geen seconde geleden in de ogen van die kleine heks had gezien, en stak toen zijn hand omhoog.
Ik dook instinctief meteen in elkaar, wat hem scheen te verassen, want hij trok even zijn hand terug.
“Rustig aan,” Hij hield zijn stem kalm en rustig, alsof ik een schichtig dier was dat gekalmeerd diende te worden. Misschien was ik dat ook, ik stond stijf van de adrenaline, en ik weet zeker dat mijn ogen niet groter konden worden.
Hij stak zijn hand weer naar me uit en pakte mijn verkreukelde camera vast. Met een enkele beweging tilde hij het over mijn hoofd, en bevrijdde mijn nek van het camera koord dat pijnlijk in het vlees van mijn nek had gedrukt.
Maar dat betekende wel dat hij mijn camera in handen had.
Ik protesteerde zwakjes, wilde liever niet van de camera afstand doen, maar hij negeerde me compleet. En eerlijk gezegd had ik het lef ook niet om tegen hem in te gaan.
Hij stond de camera met ongeveinsde belangstelling van alle kanten te bekijken, alsof hij er nog nooit eentje in handen gehad, en het enige wat ik kon doen was moedeloos toe kijken hoe hij op elk knopje drukte en ongetwijfeld elke instelling wiste die ik met zorg had afgesteld.
“Wat ben je met haar van plan, Imogan?” Het kleine rimpelige vrouwtje had haar aandacht verplaatst van mij naar de lange man, die onverstoord mijn camera bleef onderzoeken. Mijn ogen werden zo groot als schoteltjes toen mijn hersens langzaam verwerkte wat de kleine heks tegen hem had gezegd.
Imogan, ze had hem Imogan genoemd. Dat ding, dat monster dat me buiten zo handig had gevangen, had zich voorgesteld als Imogan. Imogan Drake.
Maar het kon simpelweg niet dat dat ding, mijn hersens weigerde gewoon mee te werken aan het feit dat het een draak was geweest, dezelfde man, persoon was die voor mijn neus mijn camera stond te onderzoeken. Toch?
Okee, dat viel mee.
Ik heb de laatste tijd last van de schrijverskriebels, maar mijn gebruikelijke RPG-maatje heeft het druk met school, dus opeens heb ik meer tijd om handen om te schrijven dan ik gewend ben. 
Ik was eigenlijk bezig met een ander verhaal dat ik hier niet plaatsen ga, maar Imogan kroop toch weer stiekem door de planning heen.

Ben niet helemaal tevreden, maar ik laat het even zo. Misschien dat ik het morgen nog even aanpas.
In het volgende stuk komt mijn favoriete personage van dit verhaal zijn opwachting maken, jeej

het 'valt' hier een beetje anders uit dan in word, maar zal er even op letten als er wat plaats.
Komt wel goed, is de nodige afleiding zodat ik niet instort.
was Maria Mena aan het luisteren