Onderweg was het heel stil. Er werd alleen gepraat als we de weg moesten vragen, maar voor de rest eigenlijk niet. Ik wist niet waarom we niets zeiden. Ik had ruzie met mijn moeder, niet met hem.
Ik besloot het maar te vragen: “Jason, waarom praten we eigenlijk niet?”
Jason draaide zijn hoofd en draaide zijn schouders om. “Ik heb geen onderwerp om over te praten.”
“Nee...” Ik gaf het op, hoe konden we ooit praten als hij zo kortaf deed. Gelukkig kon ik van het mooie uitzicht genieten. “Hé, mooi paardje,” zei ik tegen een paard die met ons meeliep toen we langs een weiland reden.
Fox leek het leuk te vinden en hinnikte vrolijk. Ik lachte. Fox moest altijd gelijk alle aandacht weer opeisen.
We bleven even stilstaan, zodat de paarden aan elkaar konden snuffelen, maar dat was niet echt slim.
Toen het paard Fox aanraakte, gooide die zijn hoofd omhoog. Hard hinnikend zette Fox het op een lopen en Jason kon met moeite Fox in bedwang houden.
“Fox, stop!” riep ik, bang om van het paard af te vallen. Jason schreeuwde ook en trok heel hard aan de teugels. Dat zorgde ervoor dat Fox begon te steigeren en ik eraf viel. Heel hard viel ik op mijn kont en geschrokken keek ik Fox en Jason na, die heel hard wegstoven. Ik stond op en wreef over mijn kont. Dat zou wel een blauwe plek worden. Ik begon te lopen, in de hoop dat Jason terug zou komen, maar tevergeefs, hoe lang ik ook doorliep en hoe goed ik ook overal keek, Jason was nergens te bekennen. Hoe kan dat nou? Hij weet toch waar hij heen moet? Ik schudde verslagen mijn hoofd. Dat duurt vast nog wel even voor ik thuis ben. In de verte zag ik huizen liggen, maar het leek wel of ik nooit dichterbij kwam. Zelfs toen ik tot ’s avonds laat door de weilanden had gedwaald, was ik niet bij de huizen gekomen. Ook Jason was niet meer komen opdagen.
“Fijn, ik ben dus verdwaald,” zei ik en ging tegen een hek zitten. Het was al elf uur, zag ik op mijn horloge.
Opeens zag ik in de verte iets staan. Het leek wel een paard met iemand erop. Nee, dat zou toch niet...
Wel dus. Daar kwam Jason op Fox. Ik rende naar hem toe, maar toen hij zag dat ik eraan kwam, draaide hij zich om.
“Jason wacht!” riep ik. Hij bleef staan. Ik rende naar hem toe en ik zag dat hij boos keek.
“Wat is er met je?” vroeg ik. Waarom zou hij boos zijn? Ik had toch helemaal niets gedaan?
“Het is jouw schuld dat we nu verdwaald zijn,” bromde hij boos. Hij wilde net met Fox wegrijden, maar ik werd boos.
“Mijn schuld? Hoezo dat nou weer? Jij wilde toch mee? Het is niemand zijn schuld.”
“Kan me niet schelen, ik ga naar huis.” Hij reed weg zonder om te kijken. Ik rende achter hem aan, maar hij begon te draven. Tot Fox ineens stil bleef staan met zijn oren naar achteren.
Ik kon bij ze komen en toen ik Fox over zijn hals aaide, deed hij zijn oortjes weer naar voren. “Je hebt het mis, ík ga naar huis. Jij zoekt het maar zelf uit als je zo gaat zitten doen.” Ik wilde Jason van Fox afduwen, maar hij pakte mijn arm vast. “Ik neem het paard, jij gaat maar lopen,” zei hij, alsof het zijn eigen paard was.
“Ho eens even! Dit is wel míjn paard! Jij hebt geen recht om op hem te rijden!” Ik trok mijn arm los en trok zijn voet uit de beugel, waardoor ik hem gemakkelijk van Fox af kon duwen.
Ik sprong er snel op en reed weg. Ik keek nog één keer om, maar dat had ik niet moeten doen. Jason keek me met een gezicht aan, waardoor ik hem daar niet kon laten zitten. Zuchtend reed ik weer terug.
Jason sprong snel voorop Fox en nam de teugels over. Ik liet het maar toe. Ik wilde gewoon zo snel mogelijk naar huis. Eenmaal weer op een pad, begon Jason me de huid vol te schelden. Waarom deed hij toch zo? Ik had toch helemaal niets gedaan? Ik pikte het niet en trok zachtjes aan de teugel, waardoor Fox stopte.
Ik sprong van Fox af en keek Jason met felle ogen aan. “Goed, ik ga lopen, maar zorg dat je Fox veilig terug brengt! Anders...” Ik maakte mijn zin niet af.
Jason knikte. “Bedankt.”
“O ja, Jason?” zei ik nog, voor hij wegreed.
“Ja?”
“Het is over tussen ons.”