Citaat:Peter kijkt ook wat vreemd op als ie me herkent. “Hoi. Jij bent op tijd.” Zijn gezicht veranderd al snel in een vriendelijke blik. Hij ziet er zo anders uit, veel schoner, netter, mannelijker. Ook draagt hij een luchtje, dat sterker ruikt dan voorheen. Of heeft hij het net snel opgespoten? Zijn ogen stralen rust uit, zijn donkere wallen zijn lichter geworden, en zijn stoppelbaard is weggeschoren. Zijn mooie, maar zeer kleine glimlach, geeft me nog meer kriebels. “Heb je je al gemeld bij mijn balie-assistente?” Ik knik, en blijf kijken in zijn mooie en heldere ogen. Ineens kijkt Peter weg, en loopt hij naar de deur van zijn kantoor. “Vrouwen gaan voor.” Zegt hij terwijl hij de deur voor me openhoud. Ik lach vriendelijk, en word verlegen door de hele situatie. Ik voel me net een klein kind, dat niks durft te zeggen. We gaan allebei zitten aan zijn bureau. Ieder aan een eigen kant. Peter schuift dichter bij zijn computer, typt razend snel wat toetsen in, en dan volgt er weer een stilte. “Zo, Inge, je ziet er goed uit vandaag.” Peter blijft me strak aankijken, en zijn lach verwaterd. En ik? Ik kan wel door de grond zakken door de laatste woorden die Peter net heeft gezegd. Het voelt heel prettig om dat te horen, maar toch twijfel ik. Was dit een echt complimentje, of beeld ik me dit nou in? “Dank je, ik vind van niet.” Floep ik er uit, voordat ik het in de gaten heb. Peter moet lachen. En schud zijn hoofd. “Ik bedoel, vergeleken met een week geleden, zie je er nu gezonder uit.” Op dit momenten kan ik echt door de grond zakken van schaamte. Dit zie ik als puur mannen gedrag, dubbelzinnige zinnen vertellen, die je als vrouw zijnde altijd verkeerd begrijpt. Of wil ik te graag horen van hem, dat hij me ook leuk vind? Ik durf niet meer naar hem te kijken, maar hij heeft al door dat ik enorm rood aan het worden ben. “Ik heb gelukkig alle tijd vandaag. Dus, waarom vind jij jezelf er niet goed uitzien vandaag dan?” Zijn stem klinkt serieus, hij is weer 100% dokter. Ik zucht, maar durf hem nog steeds niet aan te kijken. “Uh... Nou ik slaap de laatste dagen slecht, droom veel over het ongeluk.” Peter komt uit zijn stoel, en kijkt uit het raam naar buiten. “Ik schrik van ieder geluidje dat midden in de nacht anders is. Bijvoorbeeld als de buren eerder thuis komen van het werken. Of van een kattengevecht. Dan ben ik in een keer wakker, en kom weer moeilijk in slaap. En ik denk te veel na, over alles, en wat er is gebeurd, en wat er nog gaat gebeuren...” Peter onderbreekt me. Ik ratel blijkbaar weer, gebeurd wel vaker als ik me ongemakkelijk voel. “Ga je anders even mee naar buiten? Het weer klaart op, en frisse lucht is goed voor ieder mens.” Hij loopt achter zijn bureau weg, en reikt me een hand. “Loop je mee?”
Terwijl we naar buiten lopen, blijft er een ijzige stilte tussen ons hangen. Maar in mijn hoofd, vliegen er honderden vragen door elkaar. 'Wat wil hij? Waarom doet ie zo vreemd? Ben ik veranderd? Of is hij bang voor kleine ruimtes? Wil hij gezien worden? Heeft ie een te korte pauze gehad?'
We staan weer bij de vijver, waar we ruim een week geleden ook waren. Het weer is alleen grijzer geworden, en het is veel rustiger met andere mensen om ons heen. Peter loopt naar een bankje, wat verstopt is tussen bomen en enkele struiken. Dit zou een heerlijk plekje zijn, als de zon was gaan schijnen. Nu, is het alles behalve dat. Hij gaat zitten, en gebaart dat ik naast hem mag komen zitten. “Zo.” Zegt hij, en zijn ogen kijken onrustig naar de grond. “Hoe beviel de afgelopen week thuis? Beetje bij kunnen komen van alles?”
“Ach, er is thuis niks veranderd hoor. Familie komt en gaat, dag in dag uit. De postbode heeft weer normale post voor ons, geen dikke stapel met kaarten van bekenden. Dus ja, alles loopt goed hoor.” Ik weet niet wat het is, maar hij durft me niet aan te kijken. Zijn houding is veranderd. Maar het verschil kan ik niet beschrijven. Mijn ogen zoeken contact met die van hem, maar hij houdt de boot van zich af. Om de stilte te verbreken, stel ik de domste vraag die ik me kan bedenken. “Hoe gaat het met jou? Gaat het echt goed met je?” Ik kan me wel voor me kop slaan, hoe kan ik dit nou maken? Hij is mijn dokter, niet een vriend die ergens mee zit. Maar aan de andere kant, voelt dat ook weer wel zo. Heel tegenstrijdig allemaal. Het duurt lang voor hij reageert, voor mijn gevoel. Maar in werkelijkheid, reageert hij meteen. “Ja, ach. Het werk gaat zijn gangetje he. Mensen komen, mensen gaan. Enkele blijf je terug zien, maar de meeste zie je niet meer terug. En thuis, mijn vriendin ben ik kwijt.” Zachtjes hoor ik gesnik, niet denkend dat hij het is. Ik kijk om me heen, maar zie echt dat we alleen hier zijn. En op dat moment, kijk ik recht in zijn blauwe en weer troebele ogen. Ik krijg een brok in m'n keel door hem. Maar ik zie dat hij er ook moeilijk mee heeft. “Gaat het?” Vraag ik hem.
Peter: Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. Ben ik aan het werk, krijg ik weer een bijzondere vrouw te zien, begin ik te snotteren om mijn ex. Het is de hele week goed gegaan, ik kon me groot houden bij iedereen. En zij? Zij stelt een simpele vraag, en misschien juist daarom, breek ik langzaam af. Ik zie haar schrikken door mijn reactie. Ze voelt zich vast enorm ongemakkelijk, hier naast een snikkende man. Een dokter nota bene. Maar ik ben ook maar een mens, toch?
Weer hangt er een vreemde stilte tussen ons in. Zou zij zit ook vreemd ervaren? Deze stiltes heb je normaal als je hoort als iemand is overleden. Of als je enorm verliefd bent, en die gene zit naast je. Dat je bang bent om gekwetst te worden, dat de ander jou niet zo leuk vind. Ik veeg de kleine tranen weg, en durf haar niet meer aan te kijken. Wat moet ze nu wel niet van me denken? Niemand wil een man zien als een verdrietig hoopje ellende?
Iets houdt me tegen. Een hand op mijn schouder geeft me een vertrouwd gevoel. Ja, dit voelt vreemd genoeg goed. Ik raap mijn moed bij elkaar, en kijk haar weer aan. “Ja...” Stotter ik. “Een lang verhaal, maar ik heb het enorm druk. Heb door de drukte mijn vriendin verwaarloosd. En ze is er met een andere man vandoor gegaan. Onder de mom van: Ik kan beter krijgen.” Inge lijkt haast niet te reageren. Had ik dit toch niet moeten zeggen? Ze vroeg hoe het naar me ging toch?
Inge:
Wow, dit is een vreemde ervaring. Een vriend, een dokter, die ik amper ken, verteld mij over zijn gevoelens. Over zijn ex die hem verlaten heeft. Wil ik dit wel weten? Aan de ene kant, springt mijn hart een gat in de lucht. Hij is vrijgezel! Maar aan de andere kant, laat hij ook zien hoe erg hij deze situatie vind. Beetje zielig vind ik het wel. Daarom besluit ik hem mijn hand op zijn schouder te leggen, een teken van: Het is goed zo. Niet lang daarna, kijkt hij me weer aan, en ik voel mijn vlinders sterker worden. Zal hij dit ook hebben?
“Ik weet de hele situatie niet, maar misschien is het wel beter zo. Misschien kan ze inderdaad beter krijgen, of jij...” Nee! Dit mag niet gebeuren, dit mag ik niet hebben gezegd zo juist. Ik ben altijd te open met dit soort dingen, helemaal als ik iemand leuker vind dan leuk. Dan ben ik altijd te eerlijk. Ik hoop zo, dat hij dit niet heeft gehoord.
We horen een zoemer afgaan, een vreemde die lijkt op een brand-oefening. Peter schrikt op, mompelt iets wat ik niet kan verstaan, en rent snel naar binnen. Wat gebeurd er? Hallo? Ik ben hier ook nog. Langzaam raak ik in paniek, voel ik me hard afgewezen door iemand, die leuker is dan ik ooit hoopte. En zo juist, rende hij geschrokken weg.
En? Was dit weer een goed stuk?

next!!
......................... *tromgeroffel..
